BookPDF Available

Ponsaers, P., De Raedt, E., Wondergem, L., Gunther Moor, L. (eds.) (2015). Themanummer Outsourcing Policing, Cahiers Politiestudies , n°36, 2015/3, Antwerpen / Apeldoorn: Maklu, pp. 222.

Authors:

Figures

No caption available
… 
No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2015/3, nr. 36
Outsourcing policing
2de proef
Cahiers Politiestudies
Redactie Comité
Hoofdredacteur
Elke Devroe – Verantwoordelijke publicatiebeleid CPS – Associate Professor Instituut bestuurskunde Universiteit Leiden,
campus Den Haag, e.devroe@cdh.leidenuniv.nl | tel: +32 488 29 33 60 (België) en +31 70 800 93 75 (Nederland)
Algemene editoren
België: Paul Ponsaers – Voorzitter Centre for Policing & Security (CPS) – Universiteit Gent – paul.ponsaers@ugent.be | tel:
+32 477 72 23 14
Nederland: Lodewijk Gunther Moor – Secretaris Stichting Maatschappij en Veiligheid (SMV) – smv@maatschappijenveiligheid.nl;
lodewijkgunthermoor@yahoo.com | tel: +31 24 322 78 73
Redacteuren
Contactadres: cahierspolitiestudies@gmail.com; België: Paul Ponsaers – E-mail: paul.ponsaers@ugent.be; Nederland: Arjen
Schmidt – E-mail: a.j.schmidt@vu.nl
Adviesraad
Academische leden adviesraad België: Sofie De Kimpe (Vakgroep Criminologie / Vrije Universiteit Brussel) | Maarten De Waele
(Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht / Universiteit Gent) | Marleen Easton (Departement Handelswetenschappen en
Bestuurskunde / Hogeschool Gent) | Wim Hardyns (UA, Veiligheidswetenschappen; VUB, Criminologie) | Jannie Noppe
(Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht / Universiteit Gent) | Lotte Smets (Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht /
Universiteit Gent) | Tom Van den Broeck (Comité P) | Antoinette Verhage (UGent, Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht)
Academische leden adviesraad Nederland: Bob Hoogenboom (SMV leerstoel, Vrije Universiteit Amsterdam / Universiteit
Nyenrode) | Janine Janssen (Eenheid Den Haag, Nationale Politie) | Jan Terpstra (Radboud Universiteit Nijmegen) | Kees van
der Vijver (Emeritus, Universiteit Twente) | Bas van Stokkom (Radboud Universiteit Nijmegen) | Ruth Prins (Universiteit
Leiden, Bestuurskunde)
Praktijkleden adviesraad België: Kurt Tirez (korpschef PZ AMOW) | Eddy De Raedt (Federale Politie, Directeur Directie van de
bestrijding van de criminaliteit tegen goederen)
Praktijkleden adviesraad Nederland: Wim Broer | Timo Kansil (Nationale Politie Nederland) | Bernard Welten (Adviseur Nationale
Politie) | Luuk Wondergem (Eenheid Rotterdam, Nationale Politie)
Correspondenten
Academische correspondenten België: Lieselot Bisschop, Dominique Boels, Tom Bauwens, Marc Cools, Diederik Cops, Vicky
De Mesmaecker, Alexandra De Moor, Evelien De Pauw, Steven De Ridder, Annelies De Schrijver, Eveline De Wree, Arne
Dormaels, Fien Gilleir, Franky Goossens, Harald Haelterman, Jelle Janssens, Noël Klima, Ronnie Lippens, Kim Loyens, Jeroen
Maesschalck, Ann Mennens, Hanne Op de Beeck, Neil Paterson, Lieven Pauwels, Evi Schroyen, Tim Surmont, Carrol Tanghe,
Hanne Tournel, Katrien Van Altert, Jo Van Assche, Rosamunde Van Brakel, Maarten Van Craen, Stijn Van Daele, Anjuli Van
Damme, Tom Vander Beken, Christophe Vandeviver, Gudrun Vande Walle, Veerle Van Gijsegem, Dominique Van Ryckeghem,
Isabel Verwee, Gerwinde Vynckier.
Academische correspondenten Nederland: Eric Bervoets, Hans Boutellier, Frank Bovenkerk, Lex Cachet, Sinan Cankaya, Jasper
de Bie, Christianne De Poot, Monica den Boer, Mariëlle den Hengst, Marsha de Vries, Marnix Eysink Smeets, Henk Ferwerda,
Jan Fiselier, Jelle Groenendaal, Ira Helsloot, Wim Huisman, Theo Jochoms, Roy Johannink, Edward Kleemans, Emile Kolthoff,
Max Kommer, Jos Lammers, Caroline Liedenbaum, Vasco Lub, Marijke Malsch, Guus Meershoek, Hans Moors, Erwin Muller,
Hans Nelen, Else Pragt, Arthur Ringeling, Jurriën Rood, Renze Salet, Wouter Stol, Barbra Van Gestel, Piet van Reenen, Ronald
van Steden, Maite Verhoeven, Annemarijn Walberg.
Praktijkcorrespondenten België: Myriam Adriaensen, Nathalie Arits, Luk Baetens, Johan Boddin, Kaat Boon, Marc Borry, Gil
Bourdoux, Tom Broekaert, Willy Bruggeman, Marc Crispel, Piet De Brouwer, Karen De Cock, Chadia Dehbi, Kristof De Pauw,
Kris Depovere, Steven De Smet, Maria De Sterck, Stanny De Vlieger, Cis Dewaele, Alain Duchâtelet, Jo Forceville, Elke Franken,
Mieke Haentjens, Tatiana Ivaneanu, Patrick Janssen, Leo Mares, Ann Massei, Sophie Matthijs, Anne Meerkens, Tom Meeuws,
Gwen Merckx, Eddie Muylaert, Peter Muyshondt, Anita Opfergelt, Martine Pattyn, Rafaël Rondelez, Patricia Scharff, Miran
Scheers, Tamara Schotte, Corinne Scoyer, Davy Simons, Koenraad Tack, Karel Van Cauwenberghe, Pascal Vandenholen, John
Van Erck, Koen Van Heddeghem, Marco Van Laere, Annelies Van Landschoot, Alexander Van Liempt, Wouter Van Tilborgh,
Jacky Vastmans, Kelly Verbist, Kurt Vermeersch, Jeffrey Vincent, Hans Wanderstein, Philip Willekens.
Praktijkcorrespondenten Nederland: Tom Bersee, Johan Bodrij, Bas Boïng, Elma Bos, Hidde de Blouw, Frans De Ruiter, Piet
Dijkshoorn, Sieb Geerds, Bart Gosen, Frank Hoogewoning, Michiel Holtackers, Henk Huisjes, Auke Klomp, Marlies Koppers,
Berber Lettinga, Joep Pattijn, Marloes Smit, Ries Straver, Evelien Uldink, Ronald van der Wal, Gerrit van de Kamp, Auke van
Dijk, Esther Van Dongen, Hans van Duijn, Peter van Os, Peter Versteegh, Janny Wierda, Cas Wiebrens.
International Academic & Executive Members: Hiervoor wordt samengewerkt met de redactie van de European Journal of Policing
Studies
2de proef
Outsourcing policing
Paul Ponsaers
Eddy De Raedt
Luuk Wondergem
Lodewijk Gunther Moor
(eds.)
Maklu
Antwerpen | Apeldoorn
2de proef
Cahiers Politiestudies
De Cahiers Politiestudies is een wetenschappelijke kwartaalreeks, die zich richt op hoogstaande,
kwalitatieve bijdragen over politionele vraagstukken en fenomenen die de politie interesseren.
De kwartaalreeks is multidisciplinair opgezet, waarbij de criminologen een prominente plaats
krijgen naast andere disciplines. In deze reeks vinden Nederlandstalige publicaties hun plaats,
maar ook Engelstalige bijdragen kunnen worden opgenomen. De reeks wordt begeleid door een
redactieraad waarin ondermeer leden zetelen van het Centre for Policing & Security [CPS]
(België) en de Stichting Maatschappij en Veiligheid [SMV] (Nederland). De redactieraad waakt
over de kwaliteit van de ingediende manuscripten dankzij een double blind peerreview-procedure
en ontwikkelt een proactief beleid met het oog op het samenstellen van thematische volumes.
Daartoe worden gasteditoren in België en Nederland aangezocht.
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2015/3, nr. 36
ISSN 1784-5300
Paul Ponsaers, Eddy De Raedt, Luuk Wondergem, Lodewijk Gunther Moor (eds.)
Outsourcing policing
Maklu, 2015
222 pag. – 24 x 17 cm
ISBN 978-90-466-0723-7
D/2015/1997/38
NUR 824
Abonnement Cahiers Politiestudies
Jaarabonnement (vier nummers per jaar): 95 euro incl. btw en excl. verzendkosten.
Het abonnement loopt per kalenderjaar en wordt automatisch verlengd.
Opzegging kan jaarlijks voor 1 december van de lopende jaargang.
Losse nummers: 35 euro incl. btw.
Recensies
Boeken kunnen ter recensie worden ingestuurd naar: Lodewijk Gunther Moor, SMV,
Louis Couperusplein 2, NL-2514 HP Den Haag
Bestel- & klantendienst:
Voor België: Maklu-Uitgevers nv
Somersstraat 13-15 | 2018 Antwerpen | tel. + 32 (0)3 231 29 00 | fax + 32 (0)3 233 26 59
info@maklu.be | www.maklu.be
Voor Nederland: Maklu-Uitgevers bv
Koninginnelaan 96 | 7315 EB Apeldoorn | tel. + 31 (0)55 522 06 25 | fax + 31 (0)55 522 56 94
info@maklu.nl | www.maklu.nl
© 2015 Maklu-Uitgevers
Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niet uit deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar
gemaakt, op welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijke voorafgaande en schriftelijke
toestemming van de uitgever.
2de proef
CPS 2015-3, nr. 36 5
Inhoudstafel
Editoriaal 7
Paul Ponsaers, Eddy De Raedt, Luuk Wondergem & Lodewijk Gunther Moor
De politiefunctie geprivatiseerd? Private beveiliging in België en Nederland 11
Elke Devroe & Philine Terwel
Het outsourcen van politietaken naar de private veiligheid
in een stroomversnelling? 33
Marc Cools & Eddy De Raedt Marc Cools & Eddy De Raedt
Outsourcing van politietaken 47
Willy Bruggeman
Is het uitbesteden van politietaken in de praktijk mogelijk? 65
Jeroen Obdam
Deskundige in strafzaken, van technisch raadgever naar forensisch
wetenschapper 87
Wim Van de Voorde
Een optimalisatie van de vraag- en aanbodgestuurde expertise als katalysator
voor de strijd tegen de profijtgerichte misdaad 101
Bart De Bie, Gerwinde Vynckier & Pim Van der Veer
Insourcing en/of outsourcing van forensisch onderzoek. Mogelijkheden
voor een efficiënte en effectieve opsporing 131
Anton van Wijk & Manon Hardeman
Outsourcing van politietaken bij evenementen 149
Henk Ferwerda & Luuk Wondergem
Publiek integriteitsonderzoek door private partijen 163
Emile Kolthoff
Van Spoorwegpolitie naar Service & Veiligheidsteams. Tussen publieke
en private orde op de trein 177
Ronald van Steden
2de proef
6 CPS 2015-3, nr. 36
Inhoudstafel
Outsourcing bij technologische vernieuwing 191
Jean-Louis Dalle
Reacties op vorige Cahiers
Legitimiteit: naar een discussie 209
Piet van Reenen
Auteursrichtlijnen Cahiers Politiestudies 215
Inhoudelijke toelichting bij de jaargang 2015 217
Inhoudelijke toelichting bij de jaargang 2016 219
Inhoudelijke toelichting bij de jaargang 2017 221
2de proef
CPS 2015-3, nr. 36 7
Editoriaal
Dit Cahier gaat nader in op de vraag of (en zo ja, in welke mate) al dan niet bepaalde
politietaken kunnen uitbesteed worden aan de private veiligheidssector. De gastredactie
was van mening dat dit vraagstuk zowel in België als in Nederland steeds hoger op de
beleidsagenda kwam en dat het dus dringend nodig was er een themanummer aan te
besteden. Al te dikwijls wordt de discussie gevoerd tussen voor- en tegenstanders van
de privatisering van de politie, terwijl de gastredactie hoopt het debat van haar louter
ideologisch karakter te ontdoen door de vraag te stellen naar het mogelijk outsourcen
van specifieke politietaken aan de private sector.
Het Cahier bevat elf bijdragen, die werden ondergebracht in vier grote delen. Een eerste
deel is beleidsmatig van aard en kijkt naar de grote evoluties in België en Nederland.
Op welke wijze verloopt het politieke debat over outsourcing? Maar ook wordt hier
ingezoomd op de vraag volgens welke hoofdlijnen het debat zowel extern als intern de
politieorganisatie wordt gevoerd. Vier bijdragen komen hier aan de orde.
Elke Devroe (Hoofddocent, Instituut Bestuurskunde, campus Den Haag, universi-
teit Leiden) en Philine Terwel (Master in crisis and security management, Instituut
Bestuurskunde, campus Den Haag, universiteit Leiden) beogen in hun bijdrage ‘De
politiefunctie geprivatiseerd? Private beveiliging in België en Nederland’ een verhelderende
schets te geven van de stand van zaken met betrekking tot private veiligheidsdiensten
in België en Nederland. In een eerste deel schetsen de auteurs enkele cijfers inzake
private veiligheid in internationaal perspectief. In een tweede deel komt de historiek in
beide landen kort aan bod, gevolgd door de wetgeving en de bevoegdheden. De auteurs
sluiten af met een vergelijking tussen beide landen. Waar Nederland voluit mee ging
in de privatiseringstendens ingezet door de UK, bleef België wat op de achtergrond, zo
concluderen beide auteurs.
Marc Cools (Professor Criminologie, Universiteit Gent en Vrije Universiteit Brussel) en
Eddy De Raedt (Hoofdcommissaris van Politie en academisch consulent, Universiteit
Gent) gaan in op de beleidsevolutie ter zake in België in hun bijdrage ‘Het outsourcen
van politietaken naar de private veiligheid in een stroomversnelling?’ Zij stellen vast dat de
vraagstelling omtrent het uitbesteden van politietaken aan de private veiligheid in België
aangescherpt raakte sinds 2012, en bovendien verbonden was met het debat omtrent
de kerntaken van politie. Sinds 2000 stellen ze een groeiende trend vast inzake het
overdragen van politietaken aan andere actoren, terwijl dat eigenlijk in zeer beperkte
mate gebeurde ten aanzien van de private veiligheid. Weliswaar werd in 2014 de wet op
de private veiligheid aangepast, doch deze wetswijzing bleef qua overdracht van poli-
tietaken naar de private veiligheid heel beperkt. De verklaring van de huidige regering
biedt op dat vlak meer perspectieven, besluiten beide auteurs.
Willy Bruggeman (Voorzitter van de Federale politieraad in België) gaat in ‘Outsourcing
van politietaken’ dieper in op het begrip outsourcing en op de impact van de financiële
crisis op outsourcing. Hij stelt vast dat bij het zoeken naar goede praktijken verschil-
lende modellen kunnen worden gehanteerd en dit op basis van de motivering voor
outsourcing. Uiteraard worden de keuzes die nu gemaakt worden sterk beïnvloed door
de budgettaire situatie. Ook het lopende kerntakendebat zal hierbij determinerend
worden, vanaf het moment dat politieke keuzes gemaakt zijn in dit dossier. Ook blijkt
2de proef
8 CPS 2015-3, nr. 36
Paul Ponsaers, Eddy De Raedt, Luuk Wondergem & Lodewijk Gunther Moor
dat er absoluut nood is aan meer coherentie binnen de geïntegreerde politie, wil men
het outsourcen echt professionaliseren en de voorwaarden ertoe harmoniseren voor
alle betrokken diensten.
Jeroen Obdam (senior inspecteur bij de Inspectie Veiligheid en Justitie) stelt zich
de fundamentele vraag ‘Is het uitbesteden van politietaken in de praktijk mogelijk?’ Hij
beantwoordt deze vraag op een positieve wijze: bepaald werk, of taken, die door de politie
werden gedaan kunnen prima worden uitbesteed. Hij ontwikkelt een beslissingsmodel
en toetst dat aan de hand van een viertal Nederlandse praktijkvoorbeelden. Hij merkt
dat de uitkomst van de toetsen verschillend zijn, doch dat het beslissingsmodel stand
houdt. Het beslissingsmodel is gebaseerd op jarenlange praktijkervaring.
Een tweede deel focust op het outsourcen van politietaken en expertise in de gerechtelijke
sfeer. De figuur van de gerechtsdeskundige is in deze context wellicht de meest bekende
en komt dan ook aan bod. Maar er is niet enkel dat. Er is ook de vraag naar de rol van de
forensisch auditor, zowel in België als Nederland. Drie bijdragen komen hier aan bod.
Wim Van de Voorde (MD, PhD; diensthoofd forensische geneeskunde UZ Leuven en
buitengewoon hoogleraar gerechtelijke geneeskunde KU Leuven) heeft het in zijn stuk
Deskundige in strafzaken, van technisch raadgever naar forensisch wetenschapper’ over de
positie van gerechtsexperten waarop Justitie in België een beroep doet om specifieke
technische vragen te beantwoorden, zodat magistraten goed en deskundig geïnformeerd
kunnen oordelen en desgevallend veroordelen. De auteur stelt vast dat de ontwikkelingen
gedurende de afgelopen decennia met zich meebrengen dat de deskundige evolueert
naar een hoogopgeleide en professioneel voltijds werkende forensische wetenschapper.
Dit manifesteert zich heden ten dage niet in het minst op het vlak van de gerechtelijke of
forensische geneeskunde. De auteur meent dan ook dat er vandaag behoefte is aan een
hertekening van het landschap waarin het forensisch sporenonderzoek wordt beoefend.
Hij houdt een pleidooi om deskundigen een volwaardig professioneel statuut te bezorgen
dat gebaseerd is op degelijke opleiding, controleerbare kwaliteitsnormen en een correcte
verloning.
Bart De Bie (Vennoot van het forensisch auditkantoor i-Force, België), Gerwinde Vynckier
(doctor in de criminologie en forensic auditor bij i-Force) en Pim Van der Veer (Clusterma-
nager bij Programma FinEC, Politie Nederland) hebben het over ‘Een optimalisatie van de
vraag- en aanbodgestuurde expertise als katalysator voor de strijd tegen de profijtgerichte misdaad’.
Zij gaan ervan uit dat bij de strijd tegen de profijtgerichte misdaad de doelmatige inzet van
interne dan wel externe expertise en hun onderlinge afstemming kritische succesfactoren
zijn om de meer complexe en/of grootschalige onderzoeken binnen een redelijke termijn
tot een tastbaar resultaat te brengen. Daarbij gaat het niet alleen om louter financiële
expertise met het oog op bewijs van één of meerdere misdrijven in hoofde van één of
meerdere (mede)daders en/of medeplichtigen, maar ook om expertise op het vlak van
enkele ondersteunende processen, die anno 2015 aan belang winnen. Daarbij denken we
in het bijzonder aan het veiligstellen en analyseren van digitale data en het beheer van in
beslag genomen criminele vermogensvoordelen. In deze bijdrage nemen de auteurs de
bestaande vormen van zowel interne als externe expertise kritisch onder de loep en gaan ze
op zoek naar verbeteringsmogelijkheden. Daarbij gaan ze na in welke mate en onder welke
voorwaarden outsourcing een toegevoegde waarde kan bieden en breken een lans voor het
(beter) benutten van private (fraude)onderzoeksrapporten binnen een strafrechtelijke context.
2de proef
Editoriaal
CPS 2015-3, nr. 36 9
Anton van Wijk en Manon Hardeman (beiden medewerkers van Bureau Beke te
Arnhem) gaan in op ‘Insourcing en/of outsourcing van forensisch onderzoek; mogelijkheden
voor een efficiënte en effectieve opsporing’. Zij stellen vast dat forensisch onderzoek steeds
belangrijker wordt bij de opsporing. Naast het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)
zijn er ook particuliere instituten actief op de forensische markt (outsourcing). Techno-
logische ontwikkelingen maken het mogelijk dat de politie ook forensisch onderzoek
kan doen (insourcing). In deze bijdrage wordt op basis van literatuur en documenten
nagegaan wat de voordelen en nadelen van insourcing en outsourcing zijn in het licht
van een efficiënte en effectieve opsporing. Daarbij worden ook de ervaringen in het
buitenland betrokken. De conclusie is genuanceerd: de opsporing is gebaat bij zowel
insourcing als outsourcing van forensisch onderzoek, mits de overheid een duidelijke
visie en prioriteitenstelling uitdraagt.
Een derde deel gaat nader in op het outsourcen van politietaken in de bestuurlijke sfeer.
Op de eerste plaats komt hier het outsourcen van politietaken in het kader van openba-
reordehandhaving in het kader van evenementen aan de orde. Maar er is niet enkel dat.
Er is ook het inhuren van private partijen bij het doorvoeren van integriteitsonderzoek
in opdracht van overheden, en het overdragen van politiefuncties naar de Nederlandse
Spoorwegen. Dit deel bevat drie bijdragen.
Henk Ferwerda (criminoloog, politieonderzoeker en directeur van Bureau Beke in
Arnhem) en Luuk Wondergem (operationeel specialist bij het Bureau conflict- en
crisisbeheersing van de politie-eenheid Rotterdam) hebben het over ‘Outsourcing van
politietaken bij evenementen. In deze bijdrage wordt verkend wat de mogelijkheden
zijn voor outsourcing van de politie-inzet bij evenementen in Nederland. Er wordt een
beschouwing gegeven op evenementen en de voorbereiding daarop aan de hand van
drie voorbeelden. Deze zijn gekozen vanuit een typologische indeling en betreffen
een muziekfestival, koningsdag en een wedstrijd van een eredivisievoetbalclub. Ook
wordt de situatie van een evenement in crisis beschreven door de rol en de taken van
de politie onder de loep te nemen. Aan de hand hiervan stellen zij zich de vraag: wat is
het outsourcing-potentieel voor de politie bij evenementen?
Emile Kolthoff (hoogleraar Criminologie bij de Open Universiteit Nederland en research
fellow bij de Onderzoeksgroep Quality of Governance van de Vrije Universiteit te Amster-
dam) heeft het over ‘Publiek integriteitsonderzoek door private partijen’. In dit hoofdstuk
wordt ingegaan op het onderzoeken van integriteitschendingen bij de overheid en de
mogelijkheid en wenselijkheid om dergelijke onderzoeken uit te besteden aan private
organisaties. In de praktijk blijkt het in Nederland al lang usance te zijn dat vooral lagere
overheden dergelijk onderzoek uitbesteden aan private onderzoeksbureaus, mede door
gebrek aan een adequate publieke dienstverlener op dit terrein en/of capaciteitsgebrek
bij de politie. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het karakter van
integriteitsonderzoeken en de benodigde expertise om ze uit te voeren, de omvang ervan
in Nederland en de waarborgen waar dergelijk onderzoek – zeker indien uitbesteed –
mee moeten worden omkleed.
Ronald van Steden (Universitair Hoofddocent Bestuurswetenschappen en Politico-
logie, Vrije Universiteit Amsterdam) heeft het in zijn stuk ‘Van Spoorwegpolitie naar
Service & Veiligheidsteams; Tussen publieke en private orde op de trein’ over de gevolgen
die het nationaliseren van de Nederlandse politie enerzijds en het wegvallen van de
2de proef
10 CPS 2015-3, nr. 36
Paul Ponsaers, Eddy De Raedt, Luuk Wondergem & Lodewijk Gunther Moor
Spoorwegpolitie voor de organisatie van veiligheid op stations en in treinen met zich
hebben gebracht. Dit artikel stelt de vraag welke consequenties het ‘responsabiliseren’
van de Nederlandse Spoorwegen (NS) voor veiligheid heeft. In antwoord op deze vraag
komt de geschiedenis van de Spoorwegpolitie aan bod en kijkt de auteur naar het
functioneren van Service- en Veiligheidsteams bij de NS, en hun relatie met de politie.
De conclusie van de bijdrage luidt dat het thans gemaakte onderscheid tussen ‘openbare
orde’ en ‘bedrijfsorde’ geen stand kan houden. De NS heeft van oudsher een dermate
grote maatschappelijke functie dat blijvende steun van een gespecialiseerde, op het
spoor gerichte, publieke politiedienst aanbevelingswaardig is.
Een vierde deel focust op outsourcing en technologische vernieuwing. In toenemende
mate wordt de politie geconfronteerd met haar organisatiebeperkingen inhouse op
dit vlak. De redactie was de mening toegedaan dat aan deze problematiek bijzondere
aandacht diende geschonken te worden. Dit deel bevat één bijdrage.
Jean-Louis Dalle (Hoofdcommissaris – beleidsadviseur Federale Gerechtelijke Politie)
heeft het over ‘Outsourcing bij technologische vernieuwing’. Hij heeft het over de nieuwe
maatschappelijke tendensen en hun impact op de veiligheid en de werking van de politie.
Hij stelt vast dat de politie op een bijzonder scharnierpunt gekomen is en dat funda-
mentele keuzes, zowel beleidmatig als beheersmatig, dienen te worden genomen. Een
fundamentele vraag die de auteur zich stelt is of het niet noodzakelijk is om naar een
nieuw evenwicht te zoeken binnen de pijlers van de excellente politiezorg die de politie in
België aanbiedt als schakel in de veiligheidsketen. Hij vestigt de aandacht op het moeilijk
en risicovol evenwicht bij het in- of outsourcen van politietaken en sluit zijn bijdrage af
met enkele concrete bedenkingen en conclusies. Het maken van belangrijke beleidskeuzes
noodzaakt een grondig maatschappelijk en parlementair debat, omdat dit raakt aan ons
democratisch bestel enerzijds en anderzijds ook omdat deze keuzes onomkeerbaar zijn.
Eenmaal taken gedeeltelijk of geheel uitbesteed naar de een andere publieke of private
sector, dan wordt het moeilijk om deze in de toekomst terug te recupereren.
De gastredactie is zich bewust van het feit dat met bovenstaande thema’s het debat
over outsourcing niet uitputtend is behandeld. Er zijn immers nog vele andere vraag-
stukken die ermee verbonden zijn. Niettemin is zij wel de mening toegedaan dat
doorheen voorliggende bijdragen de belangrijkste vraagstukken aan de orde komen.
De gastredactie hoopt op deze wijze op een constructieve wijze bij te dragen aan het
lopende debat ter zake.
In de rubriek ‘reacties’ ten slotte brengt Piet Van Reenen (Emeritus hoogleraar Politie
en Mensenrechten universiteit Utrecht) de reactietekst ‘Legitimiteit: naar een discussie’.
In Cahier nummer 31 schreef Piet Van Reenen (2014) een artikel over legitimiteit
met als titel ‘De legitimiteit van de politie is haar zorg niet’. Cahier 33 bracht nadien een
reactie op zijn tekst geschreven door Jurriën Rood ‘De woorden zijn ook een zorg van de
politie(wetenschap). Over legitimiteit, vertrouwen, erkenning en andere stokpaardjes’. Bijdrage
nummer 12 in dit Cahier zwengelt de discussie verder aan en reageert op de bijdrage
van Rood uit Cahier 33. We hopen als redactie dat andere auteurs zich ook geroepen
voelen een (korte) reactie te schrijven op stukken in dit Cahier (of in vorige) en zo het
maatschappelijk debat over politiestudies op constructieve wijze mee te voeden.
Editoren: Paul Ponsaers, Eddy De Raedt, Luuk Wondergem & Lodewijk Gunther Moor
2de proef
CPS 2015-3, nr. 36 11
De politiefunctie geprivatiseerd?
Private beveiliging in België en Nederland
Cahiers Politiestudies
Jaargang 2015-3, nr. 36
p. 11-31
© Maklu-Uitgevers
ISBN 978-90-466-0723-7
Elke Devroe1 & Philine Terwel2
Afgelopen jaren wordt de klassieke politietaak gekenmerkt door een steeds groeiende pluralise-
ring, waarbij allerhande publieke, private en civiele diensten de openbare ruimte pogen veiliger
te maken. Onderzoek naar ‘plural policing’ kent een hoofdzakelijk Angelsaksische traditie,
waarbij vaak wordt verondersteld dat onderzoeksresultaten kunnen worden getransfereerd
naar een continentale setting (Devroe & Terpstra, 2015). Uit pioniersonderzoek in Europese
metropolen (Edwards et al., 2014) blijkt echter dat zowel de neoliberale aanleiding in de
UK als de concrete uitwerking in de praktijk van private veiligheid weinig gemeen hebben
met de Angelsaksische empirie. Op basis van onderzoek schetst deze bijdrage de Belgische en
Nederlandse realiteit van private veiligheidsdiensten. Het gaat om private diensten die (politie-)
taken van surveillance, controle en handhaving vervullen in de publieke ruimte. Zowel het
ontstaan van private veiligheidsdiensten als cijfers over private en publieke politie, het wettelijk
kader, taken, functies en bevoegdheden vinden in deze bijdrage een plaats.
Inleiding
Privatisering van de politiefunctie kadert in een bredere evolutie van plural policing,
vooral bestudeerd binnen de Angelsaksische wetenschap (Loader, 2000; Johnston, 2003;
Crawford et al., 2005; Crawford, 2006a, 2008; Jones & Newburn, 2002, 2006, 2013; Lea
& Stenson, 2007; Stenning, 2009; Reiner, 2013). Het veiligheidsaanbod wordt in deze
neoliberale samenleving gerealiseerd door een gefragmenteerde groep van actoren, met
een mix van staatkundige actoren (zoals de reguliere politie) en niet-staatkundige actoren
(private veiligheid). Elk draagt een partiële verantwoordelijkheid in het aanleveren van
veiligheidsdiensten en -technologieën. De private veiligheidsindustrie, waarbij stedelijke
diensten werd uitbesteed, kende in de UK een grote uitbreiding (Jones & Newburn, 1999;
Button, 2003; Steden, 2008). Deze outsourcing werd gepropageerd als een hervorming
die moest leiden tot grotere efficiëntie en responsiviteit van het lokaal bestuur (Osborne
& Gaebler, 1992). Ook kan privatisering gezien worden als een bredere agenda om het
actiedomein van de publieke overheid te verschralen (Feigenbaum & Henig, 1994).
Gemeenten zien privatisering evenwel vaak als puur pragmatisch, waarbij geëxperi-
menteerd wordt met nieuwe vormen van dienstverlening, zoekend naar een grotere
kostenefficiëntie en een stijgende kwaliteit (Warner & Hebdon, 2001; Bel et al., 2007;
1 Hoofddocent, Instituut Bestuurskunde, Campus Den Haag, Universiteit Leiden.
2 Master in crisis and security management, Instituut Bestuurskunde, Campus Den Haag, Universiteit Leiden.
2de proef
12 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
Hebdon & Jalette, 2007). Met uitzondering van het onderzoek van Terpstra, Van Stokkom
en Spreeuwers (2013) en de speciale editie over Europese steden in de European Journal
on Policing Studies (Edwards et al., 2014), blijft het Europees comparatief onderzoek
over privatisering van politietaken uiterst schaars. Dit heeft tot gevolg dat de stelling
dat er een algemene trend inzake privatisering bestaat in Europa, onbetwist blijft. De
afwezigheid van internationale vergelijkingen leidt ertoe dat verklaringsmodellen voor
plural policing uitsluitend gebaseerd zijn op een beperkte Angelsaksische zienswijze
(Devroe & Terpstra, 2015). Het leek ons daarom interessant de stand van zaken te
schetsen van de situatie inzake private veiligheidsdiensten in België en Nederland, de
landen waar de lezers van de Cahiers zich bevinden. Alhoewel Nederland neigt naar
de Angelsaksische realiteit, merken we in België een totaal verschillende realiteit. Deze
bijdrage beperkt zich tot de private bewaking en beveiligingsdiensten die klassieke
politietaken van toezicht en handhaving op het openbaar domein vervullen, en is
gebaseerd op onderzoek zowel in België als in Nederland naar de aanwezigheid, de rol,
de taken en de bevoegdheden van de private veiligheidssector.
Deze methode die werd gehanteerd is tweeledig. In België werd zowel gepeild naar de
realiteit van de private veiligheidsdiensten als naar de visie op privatisering. Hiervoor
werd geput uit bestaand onderzoek (Devroe, 2012) over politie- en veiligheidsbeambten
in de publieke ruimte, ter bestrijding van overlast. Een specifiek deel van de vragenlijst
waarmee 72 semigestructureerde interviews werden afgenomen, ging over de private
veiligheid, meer in het bijzonder de politieke visie achter privatisering en de relatie
met de publieke politie. Dit onderzoek bestrijkt de periode 1985 tot 2010, en geeft
informatie zowel over de periode voor de politiehervorming (1998) als nadien. De
bredere sociale, maatschappelijke en politieke context wordt in dit onderzoek meege-
nomen, waarbij zowel federale beleidsmakers (Ministers, kabinetsleden) als regionale
(arrondissementscommissarissen, gouverneurs, procureurs des Konings) en lokale
respondenten (burgemeester, korpschefs, politiepersoneel en personeel van private
veiligheidsdiensten) werden bevraagd. Tevens werden 486 beleidsdocumenten uit de
periode 1995-2007 geanalyseerd. Het onderzoek in Nederland richt zich uitsluitend
op de periode na de invoering van de nationale politie in 2013. Er werden acht semi-
gestructureerde interviews3 gehouden met personen werkzaam bij de politie en in de
private beveiligingssector. Deze bijdrage wordt voor beide landen verrijkt met citaten
uit de interviews.
Deze bijdrage beoogt een verhelderende schets te geven van de stand van zaken met
betrekking tot private veiligheidsdiensten in beide landen en is niet comparatief opgezet.
In een eerste paragraaf schetsen we enkele cijfers van private veiligheid in internationaal
perspectief. In een tweede paragraaf komt de historiek kort aan bod in beide landen,
gevolgd door de wetgeving en de bevoegdheden. We sluiten af met een primaire ver-
gelijking tussen beide landen.
3 Binnen de politie is er gesproken met een districtchef en twee wijkagenten. Binnen de private sector is er op
strategisch niveau gesproken met twee personen en op operationeel niveau met één persoon. In aanvulling
is er gesproken met de voorzitter van een stichting voor collectieve beveiliging en een onafhankelijk expert
wat betreft de politie. Anonimiteit werd gegarandeerd.
2de proef
De politiefunctie geprivatiseerd?
CPS 2015-3, nr. 36 13
1. Enkele cijfers
Cijfermatige gegevens over de private veiligheidsdiensten in Europa zijn beschikbaar
sinds 1997. In de 15 landen van Europa waren toen reeds 600.000 private bewakings-
agenten werkzaam in veiligheid in de veiligheidssector (De Waard, 1999: 168). Canada
kent een dichtheid van 420, Groot-Brittannië 280, Duitsland 220, Denemarken 190.
Zweden, Nederland en Frankrijk kennen een dichtheid van minder dan 180, met een
Europees gemiddelde dat schommelt rond de 170 (De Waard, 1999; Van Dijk & De
Waard, 2000). Cijfers uit de meest recente Coess rapportage4 (2012) schetsen de dichtheid
van veiligheidsagenten en publieke politie in 34 landen: 27 Europese deelstaten en zeven
bijkomende landen namelijk Bosnië & Herzegovina, Kroatië, Macedonië, Noorwegen,
Servië, Zwitserland en Turkije. Deze cijfers tonen aan dat Groot-Brittannië twee keer
zoveel private politie tewerkstelt als publieke politie. In de vijftig staten van de Verenigde
Staten van Amerika waren in 2014 meer dan één miljoen (1.077.520) veiligheidsagenten
werkzaam5. In verschillende landen kent de private veiligheidsindustrie een gestage
groei (Button, 2002; Shearing, 1992). In België en Nederland is deze groei niet zo
uitgesproken, zoals grafiek 1 laat zien.
Grafiek 1: Vergelijking van vier landen: Ratio privaat veiligheidspersoneel per publieke politieofficier
We geven enkele cijfers mee die de grootte van deze beroepsgroep voor België illustreren.
In 2010 waren er in België 220 erkende bedrijven met een vergunning, waarvan 187
actief. De omzet van deze firma’s laat een gestage groei zien, 410 miljoen euro in
2000, 450 in 2001, 495 in 2002 en 525 in 2003, 417 in 2004, 513 in 2005, 522 in 2006,
556 in 2007, 587 in 2008 en 591 in 20096. Als hoofdactiviteit omschrijven deze firma’s
het toezicht op de bescherming van (on)roerende goederen (74%), het beheer van
alarmcentrales (15%), en winkelinspectie (4,5%). Eerder te verwaarlozen activiteiten
4
Private security services in Europa, http://www.coess.org/?CategoryID=203 last consulted on April 12th 2015.
5 Bureau of labor statistics: http://www.bls.gov/oes/current/oes339032.htm#(1) last consulted on April, 12th
2015.
6 Beroepsvereniging voor Bewakingsondernemingen (BVBO) − cijfers en informatie. BVBO is een beroeps-
organisatie die 90% van de Belgische private veiligheidsbedrijven vertegenwoordigt, zie: www.apeg-bvbo.be
laatst geconsulteerd op 26 januari 2015.
2de proef
14 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
zijn het waardetransport (0,13%) en het beveiligen van evenementen (0,43%). Hun
klantenbestand bestaat voornamelijk uit bedrijven (81,6%), met daarnaast privépersonen
(16,7%) en eerder marginaal de overheid (1,6%) (Vandenhove, 2006: 189). De private
bewakingsdiensten stelden 15.411 bewakingsagenten aan het werk, een personeelsbe-
stand dat ongeveer overeenkomt met één derde van het totale politiepersoneelsbestand.
Grafiek 1 toont aan dat, voor één publieke politieman (het figuurtje links) slechts 1/3
private beveiliger actief is in België. In België is er één politieagent per 266 inwoners
en één private beveiliger per 703 inwoners. Dit verklaart (266/703 = 0.38 de graad in de
grafiek. De grafiek toont aan dat men in België nog steeds hoofdzakelijk op de publieke
veiligheidsleveranciers steunt (Coess & Almega, 2009).
In Nederland bedraagt de private/publieke ratio 0,88 wat betekent dat het aantal
politieagenten en private beveiligers redelijk dicht bij elkaar ligt. Er zijn 1300 private
beveiligingsbedrijven met een vergunning en Nederland telt 31.543 private beveiligers.
Ter vergelijking: in Zweden is de private/publieke ratio 1.12, zijn er 250 beveiligings-
bedrijven en 20.000 private beveiligers. In het Verenigd Koninkrijk is de ratio 2.25. Er
zijn 2500 private beveiligingsbedrijven actief en 364.586 private beveiligers (CoESS,
2012). Dit betekent, zoals gezegd, dat in beide laatstgenoemde landen er meer private
beveiligers dan publieke politieagenten zijn.
Grafiek 2: Vergelijking in vier landen:
Outsourcing contracten aan private veiligheidssector en publieke door private actoren
Uit grafiek 2, gebaseerd op de gegevens van CoESS (2012), blijkt dat in alle vier de
landen een betekenisvolle minderheid van outsourcing naar de publieke sector gaat.
Private beveiligers besteden de meeste opdrachten uit aan collega’s in de eigen sector.
In Zweden ligt dit aantal het hoogste en worden 80% van de contracten afgesloten met
private actoren.
2. Een historische noot
In deze paragraaf schetsen we kort het ontstaan van de private bewakingsdiensten in
beide landen, met bijzondere aandacht voor de politieke samenstelling van de regering.
2de proef
De politiefunctie geprivatiseerd?
CPS 2015-3, nr. 36 15
2.1. België
In deze paragraaf wordt de belangrijke maatschappelijke vraagstelling namelijk ‘welke
onderliggende dynamieken het debat en het beleid ten aanzien van de private bewa-
kingsdiensten beïnvloeden’ beantwoord aan de hand van een reconstructie van de
opeenvolgende regeringen.
2.1.1. Wet op de privé milities (1934)
In België werd − na de onafhankelijkheid in 1830 − de burgerwacht
7
in het leven
geroepen, die de privébezittingen van de bezittende klasse moest beschermen. Het
Nederlandse leger liet immers na plunderingen tijdens de revolutie van 1830 tegen te
houden (Van Outrive, Cartuyvels & Ponsaers, 1992). Tijdens het Interbellum kwamen
de ‘private milities’ op die leidden tot straatgevechten tussen onder andere fascisten
en communisten. In deze periode heerste er grote sociale en politieke onrust onder de
bevolking. De wet op de privémilities8 verbood elke private militie of elke organisatie van
private personen, waarvan het oogmerk is geweld te gebruiken of het leger of de politie
te vervangen, zich met deze actie in te laten of in hun plaats op te treden. De wet liet
wel toe dat uitzonderingen konden worden toegestaan op dit verbod voor niet-politieke
organisaties, mits de naleving van enkele voorwaarden opgelegd door de Ministerraad
(Cappelle, 1982). Deze uitzondering bood de ruimte aan bewakingsorganisaties om
legaal hun activiteiten uit te voeren. Dergelijke organisaties werden immers aanzien
als een ‘toegelaten’ private militie (Brulez, 2010).
2.1.2. Regering Martens VI (1985-1987): geen aandacht voor private bewakingsdiensten
Na de coalitie Martens-Gol (christen democraten − liberalen) van 1981 tot 1985, volgde
een nieuwe regeerperiode van 28 november 1985 tot 21 oktober 1987, die regering
‘Martens VI’ genoemd werd. Deze regering bestond uit een coalitie van Vlaams- en
Franstalige christendemocraten (CVP/PSC) en liberalen (PVV/PRL). De socialisten
zaten in de oppositie. De toenmalige ministers van Binnenlandse Zaken waren C.F.
Nothomb (1981-1986) (Franstalige Christendemocraat) en tevens vice-eerste Minister en
Minister van openbaar ambt en J. Michel (1986-1988) (Vlaamse christendemocraten),
terwijl Justitie geleid werd door J. Gol (1981-1988) (Franstalige liberaal). Het begrip
‘veiligheid’ werd voor de eerste keer in het regeerakkoord genoemd9. Na slechts twee
jaar regeren struikelde deze regering – op 10 oktober 1987 − over een communautaire
kwestie, de zgn. zaak ‘Happart
10
’, en verdween. Deze rooms-blauwe regeerperiode
7 De wet van 1835 gaf de burgerwacht de bevoegdheid op te treden om het behoud van de nationale instellingen
te vrijwaren en het grondgebied te verdedigen.
8 Wet van 29 juli 1934 op de private milities.
9 Regeringsverklaring ‘veiligheid der burgers’ van 5 maart 1985.
10 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 behaalde de Franstalige eenheidslijst ‘Retour à Liège’ in Voeren
de meerderheid van de stemmen. Happart werd als burgemeester voorgedragen en in februari 1983 door de
Koning benoemd, maar de benoeming zou pas ingaan op 31 december 1983. Deze tussentijd moest Happart
de gelegenheid geven om Nederlands te leren. Op 30 december legde Happart de eed af, maar liet duidelijk
blijken dat hij geen Nederlands geleerd had. Op 19 januari 1984 werd hij ontslagen omdat hij weigerde een
taalexamen af te leggen. Happart ging in beroep bij de Raad van State met het argument dat er geen wet is
die enige taalkennis van een burgemeester verlangt. Door de beroepsprocedure bleef Happart in zijn ambt
tot 30 september 1986, toen de Raad van State een arrest velde dat de benoeming van Happart definitief
vernietigde. In de periode die daarop volgde ontstonden binnen de Belgische regering conflicten tussen
2de proef
16 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
werd gekenmerkt door een vrij repressief en door sommigen ook als neoconservatief
omschreven politie- en veiligheidsbeleid (Eliaerts, 1985). Er was geen bijzondere aan-
dacht voor private veiligheidsdiensten.
2.1.3. Regering Martens VII tot IX (1987-1992): wet op private bewakingsdiensten (1990)
Op 13 december 1987 trok de Belg terug naar de stembus. Een tweede reeks regeerpe-
riodes onder Martens (VII tot IX) liep van 1987 tot 1992. Van 1987 tot 1988 vormden
christendemocraten en liberalen de coalitie. Vanaf 9 mei 1988 vlogen de liberalen er
uit, en werd de coalitie gevormd door christendemocraten en sociaaldemocraten (SP)
11
.
Onder impuls van de sociaaldemocraten, meer bepaald minister L. Tobback die in
1988 aantrad, kwam het wettelijk kader voor de private bewakingsdiensten tot stand,
de zgn. ‘Wet Tobback’ 12 genoemd (1990). De federale parlementsverkiezingen van 24
november 1991, ‘zwarte zondag’ genoemd, zorgden voor een politieke verschuiving in
de richting van extreem rechts. Een moeizame regeringsvorming, die honderd dagen
duurde, volgde op deze verkiezingsuitslag. De coalitie gevormd in 1988 hield vier
regeerperioden stand (tot Dehaene II).
2.1.4. Regering Dehaene I en II (1992-1999)
Op 7 maart 1992 werd een nieuwe regering gevormd (Dehaene I) die bestond uit chris-
tendemocraten en socialisten (sociaaldemocraten) en tot 1999 stabiel bleef (Dehaene I en
II). Het Vlaams Blok werd uitgesloten van deelname (infra) wegens zijn ondemocratisch
programma. De Ministers van Binnenlandse Zaken waren, in vier opeenvolgende
regeringen, allen socialistisch. Minister J. Vande Lanotte volgde L. Tobback op (1994 tot
1998). Hij diende noodgedwongen zijn ontslag in na de ontsnapping van M. Dutroux op
23 april 1998. De vlag werd in 1998 opnieuw aan L. Tobback doorgegeven (24.04.1998
– 27.09.1998). Deze laatste moest op zijn beurt, na een korte comeback, zijn ontslag
indienen omwille de verstikkingsdood van Semira Adamu. Socialistisch Minister L.
Vandenbossche volgde L. Tobback op (1998-1999). In deze periode situeert zich ook de
belangrijke politiehervorming (1998) waarbij de vroegere gemeentepolitie afgeschaft
werd, waarbij de burgemeester de directe ‘greep’ op ‘zijn’ gemeentepolitie verloor,
behalve in de grootsteden (Ponsaers, 2007). De lokale politie werd naar een hoger
aggregatieniveau getild (de zone) en werd een zeer duur13 betaalde politie. Het kernta-
kendebat brak los en volgens sommige bevoorrechte getuigen wenste men een aantal
taken af te stoten. Met de hervorming werd reeds een aanzet gegeven in het denken over
het eventueel inschakelen van de preventiewerkers en de stadswachten die de politie
zouden kunnen ontlasten van een aantal basistaken Een aantal politiezones belastte
haar stadswachten met duidelijke (politie)taken, een aantal andere zones besteedden ze
zelfs uit aan private bewakingsmaatschappijen (Vandenhove, 2006). De overheid was
duidelijk op zoek naar een oplossing, zoals volgend citaat illustreert:
Vlamingen en Walen over de uitvoering van het arrest. Uiteindelijk viel de regering ten gevolge van onder
meer de Happartkwestie op 19 oktober 1987 (Luyckx, 1964).
11 In de regeerperiode Martens VIII (9 mei 1988 tot 29 september 1991) zat de Volksunie (VU) nog mee in de
coalitie, nadien niet meer.
12 Wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewa-
kingsdiensten. Zie ook: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1990
041033&table_name=wet
13
Bij de onderhandelingen met de vakbonden werden hun wensen over de hele lijn door Minister A. Duquesne
ingewilligd, waardoor de politie het best betaalde overheidsstatuut uit de wacht sleepte (Vandenhoven, 2003a).
2de proef
De politiefunctie geprivatiseerd?
CPS 2015-3, nr. 36 17
‘Overlast en kleine criminaliteit dat is allemaal goed en wel, maar dan stel ik mij de
vraag: wie gaat dat doen op het terrein? Want uiteindelijk was heel de bedoeling het
ontlasten van de duur betaalde politie, dus we konden niet zeggen dat de politie het
moest doen. Dan komt de discussie wie het wel gaat doen? Private veiligheid? Dat ligt
gevoelig, want dat is voor de gemeenten een soort van inkomsten, en er mogen achter
burgers aanspreken in de publieke ruimte op overlast geen commerciële motieven zit-
ten, want dan gaat men schrijven voor de inkomsten. Is het voor andere instanties
haalbaar? Wat heeft het voor zin om de politie te willen ontlasten − naar aanleiding
van het kerntakendebat − om dan te moeten zeggen: ’politie, gij moet dat toch gaan
doen’. Dat is eigenlijk onlogisch. We moesten dus op zoek naar een andere oplossing’.
(burgemeester)
2.1.5. Regering Verhofstadt I (1999-2003)
De volgende regeerperiode (12 juli 1999 tot 11 juli 2003) nam een liberale premier de
vlag over van christendemocraat J.L. Dehaene (regering Verhofstadt I). Deze regering
kende een belangrijke breuklijn met de vorige reeks regeringen. Voor het eerst sinds
lange tijd stonden de christendemocraten aan de zijlijn. Paarsgroen ontstond, namelijk
een coalitie tussen liberalen (VLD/PRL), socialisten en groenen (Agalev/Ecolo)14. Ook
deze regering hield het vier volle jaren vol. In deze periode kleurden de Ministerposten
Binnenlandse zaken en Justitie allebei blauw. A. Duquesne (Franstalig liberaal15) nam
de Ministerpost van Binnenlandse Zaken op en Justitie werd geleid door M. Verwilghen
(Vlaamse liberaal). In deze periode kwam het zogenaamde Veiligheids- en detentieplan
(2000) tot stand, voorbereid door Minister Verwilghen, waarin uitdrukkelijk werd
voorzien in de private uitbesteding van een aantal politietaken (zoals het gevangenen-
vervoer). Toch werd pas echt over privatisering gedacht tijdens de beginperiode van de
regering Verhofstadt 2 (2003-2007).
2.1.6. Regering Verhofstadt II (2003-2007)
Tijdens deze regeerperiode kleurde de regering ‘paars’, de groenen verlieten de coalitie.
De liberalen (VLD/MR) en socialisten bleven samen aan zet, en dit voor de volle periode
van vier jaar. De socialisten leverden de Minister van Justitie (L. Onkelinx – Franstalige
socialist- PS). De Minister van Binnenlandse Zaken (en vice-eerste Minister) kwam
opnieuw uit blauwe hoek (P. Dewael − Vlaamstalige liberaal − VLD). De bevolking
wenste ‘meer blauw op straat’ (Vandenhove, 2003a). Slechts 10% van de politiebezetting
werd besteed aan de aanwezigheid in straten en wijken (Vandenhove, 2003b). De politie
was met andere woorden nauwelijks aanwezig in het straatbeeld om haar kerntaken,
zoals toezicht en handhaving op de openbare weg, uit te voeren16. Een verhoging van
de politiecapaciteit was in die periode echter onbetaalbaar. Dus ging de lokale overheid
nogal divers met deze problematiek om. Men ging op zoek naar alternatieven: een aantal
taken (zoals toezicht in shopping centra) werd uitbesteed aan private partners. Bedrijven
stapten over naar gespecialiseerde bewakingsfirma’s om hun terreinen en goederen te
beschermen. De wetgeving liet echter niet toe om private bewakingsdiensten te laten
patrouilleren in het publieke domein, zoals in Nederland het geval is. Alhoewel in
die regeerperiode de privatiseringtendens de facto werd ingezet, bleef een vergaande
14 Ook FDF/MCC zat mee in deze coalitie.
15 PRL, vanaf 2002 wijzigde de partijnaam naar MR.
16 Parl. St. Kamer, 2002-2003, nr. 2366/3, p. 3.
2de proef
18 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
privatisering uit. Private bewakingsdiensten hadden niet meer of minder bevoegdheden
dan iedere andere burger.
2.1.7. Regering Di Rupo (2011-2014): nieuwe wet op private veiligheidsdiensten (2014)
Na een reeks opeenvolgende korte regeringen (Verhofstadt III, Leterme I, Van Rompuy
en Leterme II) tussen 2008 en 2011, werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven
op 13 juni 2010. Aan Vlaamse kant werd de Nieuw Vlaamse Alliantie (N-VA) de grootste
partij en aan Franstalige kant waren dat de sociaaldemocraten. De onderhandelingen
duurden buitengewoon lang. Op 16 mei 2011 werd Di Rupo formateur. De N-VA
kon zich niet vinden in de voorstellen van de formateur en Di Rupo onderhandelde
daarom verder zonder de Vlaams-nationalisten. Di Rupo kwam tot regeringsformatie
met tripartite: De sociaaldemocraten, de christendemocraten en de liberalen. Het
privatiseringsvraagstuk kwam slechts aan het einde van deze regering in een stroomver-
snelling. De regering diende aan wetsontwerp in ‘tot regeling van de private en bijzondere
veiligheid’ dat op 23 januari 2014 in het Belgisch Staatsblad verscheen17. De wet trad
pas zeer recent, in februari 2015, in voege. De analyse en gevolgen voor de politie van
deze (nieuwe) wet vallen dan ook buiten het bestek van deze bijdrage.
Besluitend stellen we vast dat slechts twee regeringen (Martens IV en Verhofstadt
II) politieke aandacht voor private veiligheidsdiensten in een wetgevend dispositief
omzetten. De reconstructie die in het onderzoek werd gemaakt toont aan dat er in
België nooit een diepgaand inhoudelijk debat werd gevoerd over de mogelijke rol
die de private bewakingsdiensten zouden kunnen vervullen. Eén en ander heeft te
maken met de politieke kleur van de Minister van Binnenlandse Zaken, volgens deze
respondent:
‘Dat is politiek te gevoelig. Daarover is eigenlijk nooit een serieus debat gevoerd kun-
nen worden. In heel de periode die ik meegemaakt heb (van 99 tot 2005) hebben we
geprobeerd het debat over de positie van de private politie duidelijk te bepalen. De
PS vooral heeft zich daar altijd tegen verzet. Ze vonden dat niet nodig. Dus hebben
we nooit meer ten gronde het debat gevoerd, tot op de dag van vandaag niet. Daar
waar de burger en de sociaal zwakkeren toch tamelijk centraal stonden onder de
tijd van Tobback en Vande Lanotte, gaan we onder de legislatuur van Duquesne
de aandacht krijgen voor zelfstandige ondernemers, met prioriteiten van diefstal
en ramkraken. Verwilghen had daar een heel dispositief voor opgezet, samen met
Duquesne twee blauwe ministers. Je zat daar toch met een aantal cruciale wijzi-
gingen in het beleid. Plus natuurlijk steken we niet onder stoelen of banken dat ook
de private veiligheidssector daarvan heeft kunnen meegenieten. In dien verstande:
er was ook het kerntakendebat van de politie. We zitten ook in de zonale vorming:
wat zijn nu eigenlijk de kerntaken? Wat moet de politie wel en niet doen? Ik ga
heel kort door de bocht, maar ik wil daar toch op duiden dat je ziet dat de politie op
het publiekdomein zit en de private sector op het privaat domein, dat ze zich dan
afvragen: welke taken zouden die kunnen overnemen? Je krijgt dan helemaal die
tendens van: alarmsystemen, alarmcentrales, ... Ik durf in België nog niet spreken
over publiek-private samenwerking, maar er hing toen iets in de lucht. Daar voel je
17 13 Januari 2014 − Wet tot wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere
veiligheid, BS 23.01.2014, 18e jaargang, 192 p. Zie ook:
http://www.legalworld.be/legalworld/m_content.aspx?mid=72116&LangType=2067
2de proef
De politiefunctie geprivatiseerd?
CPS 2015-3, nr. 36 19
dan dat dit zeer mooi door de liberalen is opengetrokken. Er is een wijziging gekomen
en een verder zetting van de wet op de private veiligheid, de wet ‘Tobback’ van 1990’
(Kabinetsmedewerker Binnenlandse Zaken).
Slechts in de laatste regering (Michel) (vanaf oktober 2014) ruimden de socialisten,
na 23 jaren regeringsdeelname, plaats voor de Nieuw Vlaamse Alliantie (N-VA). De
nieuwe Minister van Veiligheid, vicepremier van de federale regering, Jan Jambon
(Nieuw Vlaamse Alliantie) gaf in zijn beleidsverklaring
18
te kennen dat de private
sector een grotere rol zal spelen in het veiligheidsbeleid van ons land. Momenteel
wordt een wetsvoorstel ingediend door een aantal parlementsleden hetgeen mogelijk
het voorwerp kan worden van een diepgaand parlementair debat over de rol van private
veiligheidsdiensten in onze samenleving.
2.2. Nederland
Waardentransport, cash management, parkeerbeheer, toezichthouders en straatcoaches,
trainen en leveren van buitengewoon opsporingsambtenaren, elektronisch toezicht op
personen met een enkelband, risicomanagement en veiligheidsadvies voor de overheid,
huisbezoeken bij thuis gestraften, het bewaken van de tunnels op snelwegen, levering
van bewakingscamera’s en technologische tools zijn allemaal voorbeelden van services
geleverd door private beveiligingsbedrijven in Nederland.19 Private bewaking is echter
geen nieuw fenomeen. Zo toont de Nachtwacht, het meesterwerk van Rembrandt
van Rijn uit 1642, een ordedienst van vrijwillige schutters (burgers) die ’s nachts
de wacht hield en de rust en orde bewaakte (Van Steden, 2006). Het eerste officiële
Nederlandse private beveiligingsbedrijf werd reeds opgericht in 1902 (Verhoog, 2002).
Publiek-private samenwerking (PPS) in de veiligheidssector staat in Nederland op de
politieke agenda sinds midden jaren tachtig. In 1999 introduceerde de overheid de
mogelijkheid voor gemeenten om private beveiligingsorganisaties in te huren om te
surveilleren in de publieke ruimte
20
. Op dat moment was de Tweede Kamer uiterst
kritisch over de plannen (Van Steden, 2002). De veiligheidsnota ‘Op weg naar een
veiliger samenleving’21 (2002) gaf aan dat het creëren van een veiliger samenleving niet
alleen de verantwoordelijkheid is van de overheid, maar dat ‘ook burgers en bedrijven
daarin een rol dienen te spelen’. In 2005 publiceerde de Raad van Hoofdcommissaris-
sen de nota ‘Visie op de politiefunctie’ (Politie in Ontwikkeling, 2005; Fijnaut, et al.,
2007). Hierin werd het belang van de overheid benadrukt; ze mag slechts incidenteel
gebruik maken van private beveiligingsbedrijven. Er werd gesteld dat duidelijke eisen
met betrekking tot kwaliteit, integriteit en democratisch overzicht bij inzet van private
veiligheidsbedrijven belangrijk is. Daarnaast behoort de politie altijd de operationele
controle te behouden. Erkend wordt dat vele actoren betrokken zijn bij veiligheid en
18 Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 24 november 2014, Beleidsverklaring, Veiligheid, Politie en
Binnenlandse Zaken Doc 54 0020/ (2014/2015): 001: Federale regeringsverklaring.
19 G4S (n.d.). De optimale beveiliging en cash solutions bij de lokale overheid. Verkregen op 24 november 2014 van:
http://www.g4s.nl/nl-NL/oplossingen/sector/Publieke%20sector/Lokale%20overheid/ADT (2011, januari
28), ADT ondersteunt Reclassering Nederland door elektronisch toezicht. Verkregen op 24 november 2014
van: http://www.adtfireandsecurity.nl/default.aspx.locid-0kpnew007.%20RefLocID-0kp053002016.Lang-NL.
htm
Securitas (n.d.). Government and Institutions. Verkregen op 24 november 2014 van: http://www.securitas.
com/nl/nl/Customer-Segments/Government--Institutions/
20 Kamerstukken II 1998/1999, 26604, nr. 1, p. 4.
21 Kamerstukken II 2002/2003, 28684, nr. 1, p. 10.
2de proef
20 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
dat de politie actief probeert samen te werken. In datzelfde jaar publiceert de Raad een
tweede document ‘Visie op de Publiek-Private Samenwerking’ (2005).22 Het doel van
dit document is te verduidelijken hoe de politie de samenwerking met andere actoren,
zowel publiek als privaat, wil aangaan. De visie kan worden samengevat in vijf punten.
Het is belangrijk dat publiek-private samenwerking toegevoegde waarde heeft, dat de
regie bij de nationale of lokale overheid ligt, dat er actieve deelname is van (collectieven
van) burgers en ondernemers, dat er duidelijkheid is over de verantwoordelijkheden van
alle betrokken partijen en dat de invulling van de rol van de politie verschilt per situatie.
Onderzoek (KplusV, 2010; Terpstra, 2012) naar het gebruik van private beveiligers door
260 gemeenten in 2010 stelde vast dat veertien procent van de gemeenten een privaat
beveiligingsbedrijf inhuurt om toezicht te houden in het publieke domein.23 In 2011
maakte de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie bekend de samenwerking tussen
de politie, het Openbaar Ministerie en de private veiligheidsbranche verder te willen
vergroten, aangezien volgens hen de samenwerking zijn vruchten afwierp24.
3. Wetgeving en bevoegdheden
Er zijn verschillende manier om de private veiligheidssector te reguleren. Dit kan door
middel van (internationale) wetgeving, maar dit is slechts één van de mogelijkheden.
Andere manieren zijn zelfregulering in de veiligheidsbranche en door middel van het
contract, waarin afspraken worden vastgelegd. In de volgende paragrafen worden de
Nederlandse en Belgische wetgeving, zelfregulering en het contract als methode om de
private sector te reguleren, besproken. De Europese wetgeving werd geïntegreerd in de
Nederlandse en Belgische wetgeving en daarom niet afzonderlijk behandeld.
3.1. België: De wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en
de interne bewakingsdiensten (1990)
De parlementaire werkzaamheden van de wet van 1990 tonen aan dat er verschillende
doelstellingen beoogd werden, waarvan de belangrijkste het introduceren van een
effectief controle- en sanctiemechanisme, het bestraffen van machtsoverschrijding, het
beperken van de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking, en het waarborgen
van de kwaliteit in de private bewakingszorg was. Verschillende wetsaanpassingen
hebben deze doelstellingen verder aangepast, met een ommezwaai in 2004
25
waar
publiek-private samenwerking niet alleen mogelijk werd gemaakt, maar zelfs gepromoot
(Matthys & Vanschoenwinkel, 2012). In 2004 werd de naam van de wet gewijzigd
22 Raad van Hoofdcommissarissen (2005b). Visie op Publiek-Private Samenwerking. Beschikbaar via:
https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/41954.pdf
23
Voor verder onderzoek over deze sector verwijzen we naar Bervoets (2013), Van Stokkom, Terpstra en Gunther
Moor (2010), Bervoets, Van der Torre, Besselink en Van Bolhuis (2009), Van Steden (2007) en Eikenaar en
Van Stokkom (2014).
24 Rijksoverheid (2011, 30 September). Meer samenwerking tussen overheid en veiligheidsbranche. http://www.
rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/persberichten/2011/09/30/meer-samenwerking-tussen-overheid-
en-veiligheidsbranche.html (Bezocht op 2-11-2014).
25 Wet van 25 april 2004 tot invoeging van een art. 17 bis in de wet van wet van 10 april 1990 op de bewakings-
ondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (BS 29 juli 1999), de wet
van 29 juli 1934 waarbij privé milities verboden werden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep
van privé detective (BS 3 juni 2004) heeft de wet van 10 april 1990 omgedoopt tot ‘wet tot regeling van de
private veiligheid’ (zie ook Omzendbrief OOP30bis, II.2, nr. 21). nog later heeft art. 487 Programmawet van
27 december 2004 (BS 31 december 2004) de wet opnieuw omgedoopt tot ‘wet tot regeling van de private en
bijzondere veiligheid’.
2de proef
De politiefunctie geprivatiseerd?
CPS 2015-3, nr. 36 21
naar ‘wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’. Bepalingen werden
opgenomen over het uniform, de gebruikte wagens, de ministeriële identificatiekaart
en het dienstwapen. De rol van deze private diensten op het openbaar domein werd in
België uiterst beperkt gehouden. Zo zijn ze niet gemachtigd om een identiteitskaart
op te vragen, en zeker niet om bestuurlijke aanhoudingen te verrichten. Tevens werd
een beperking ingevoerd op de overstapmogelijkheden van de reguliere politie naar de
private veiligheidszorg26. Hiertoe werd vooropgesteld dat de overstap maar mogelijk
was na een periode van vijf jaar27.
De ‘persoonscontrole’ – in de zin van VIP-bewaking − werd reeds in de wet van 1990
opgenomen. Deze bewakingsactiviteit viseert het beschermen van personen tegen
mogelijke gevaren door de bewaakte persoon af te schermen voor ongewenste toena-
dering door derden. Het is de bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst niet
toegestaan op vraag van een derde over te gaan tot het beschermen van een bepaald
persoon zonder diens voorafgaande toestemming. Deze taak kan gewapend uitgevoerd
worden (Cools & Verbeiren, 2008). Bijzondere aandacht gaat in deze bijdrage uit naar
toezicht op en de controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid
op ‘al dan niet publiek toegankelijke plaatsen’. Hiermee worden de persoonscontroles
in de amusements- en de uitgangssector alsook de controle in winkelgalerijen en
‘shoppingcentra’ bedoeld. De controle werd beperkt gehouden tot toegangscontrole
‘indoors’, en mocht niet worden uitgeoefend op de ‘openbare weg. Hetgeen ons in deze
bijdrage in het bijzonder interesseert is nu net de bevoegdheid van de private bewaking
in de publieke ruimte. In Nederland kunnen private bewakingsagenten immers in de
publieke ruimte patrouilleren op vraag van de gemeente.
Met de wetswijziging van 200428 werd een aantal inhoudelijke termen aangepast
waardoor de activiteiten die onder de noemer ‘persoonscontrole’ vallen, aanzienlijk
uitgebreid werden. We denken hierbij aan de verruiming van de toegangscontrole. Deze
activiteit onderscheidt zich van de overige bewakingsactiviteiten doordat ze niet zozeer
betrekking heeft op de bewaking en de bescherming van goederen, maar bestaat uit het
toezicht op het gedrag van personen. De persoonscontrole is niet langer beperkt tot de
toegangscontrole. Ook andere vormen van controle op de gedragingen van personen
vielen vanaf 2004 onder de wettelijke regeling. Een voorbeeld hiervan is het toezicht op
het gedrag van mensen in een ‘shoppingcenter’. Deze activiteit omvat ook de organisatie
van portiers, evenementenbeveiliging en winkelinspectie. Ook allerhande vormen van
toegangscontrole en de bewakingsfuncties aan bioscoopcomplexen of in winkelgalerijen,
het toezicht in pretparken, de uitoefening van zogenaamde ‘security’-activiteiten bij
concerten of deze van stewards bij fuiven en bals, dienen onder deze activiteit begrepen
te worden. Het blijft verboden om bij het uitvoeren van de opdrachten van persoonscon-
trole een wapen te dragen. De activiteiten blijven beperkt tot indoor-opdrachten en
konden in 2004 niet worden uitgeoefend op ‘de openbare weg of op openbare plaatsen’.
De wet van januari 2015 voorzag echter in een uitbreiding van het toepassingsgebied
26
Ontwerp van wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-
diensten, Parl. St., Belgische Senaat, zitting 1989-1990, nr.775/2, 3-7.
27 Artikel 5 Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Deze regeling werd licht
versoepeld in de wet van januari 2015.
28 Wet van 7 mei 2004 tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de bevei-
ligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, de wet van 29 juli 1934 waarbij private milities
verboden worden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, BS 3 juni 2004;
Wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen, BS 31 december 2004.
2de proef
22 CPS 2015-3, nr. 36
Elke Devroe & Philine Terwel
met een nieuwe activiteit: de begeleiding van groepen van personen met het oog op
de verkeersveiligheid. Tevens voorziet deze wet wél de mogelijkheid om gelimiteerde
bewakingsopdrachten uit te oefenen op de openbare weg. Dit houdt onder meer in dat de
lokale overheid de mogelijkheid krijgt om in welbepaalde gevallen een politiereglement
uit te vaardigen waarbij preventief bewakingstoezicht door bewakingsagenten kan worden
toegelaten op een gedeelte van de openbare weg en binnen een zichtbaar voor het publiek
afgebakende perimeter. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan de private bewaking
van evenementen en industrieparken als dusdanig
29
. De agenten hebben hierbij echter
nog geen vaststellingsbevoegdheid.
3.1.1. Contract
Sinds de wet van 2004 kunnen gemeentelijke overheden een beroep doen op private
bewakingsdiensten, hetgeen door De Hert (2005) een ‘doorbraak’ genoemd werd. De
inschakeling van private veiligheidsactoren door publiekrechtelijke rechtspersonen
bleef echter beperkt
30
. Enkel met toestemming van de minister van Binnenlandse
Zaken kunnen deze diensten op ‘voor het publiek toegankelijke plaatsen’ ten behoeve
van openbare rechtspersonen roerende en onroerende goederen bewaken en personen
beschermen
31
. Op die manier werd vermeden dat de overheid zelf de groei van de
private sector in de hand ging werken. De wet van 2004 maakte het mogelijk dat private
bewakingsagenten aangesteld door de gemeenteraad ‘aangifte’ zouden doen bij de poli-
tieambtenaar of hulpagent van politie voor overlastfeiten. Het gaat dan uitsluitend om
lichtere vormen van overlast die het voorwerp uitmaken van een administratieve boete32.
Deze aangiften zijn beperkt tot ‘vaststellingen, die uitsluitend betrekking hebben op de
onmiddellijk waarneembare toestand van goederen die zich bevinden op het openbaar
domein, in opdracht van de bevoegde overheid’33. Patrouilles op de openbare weg werden
toegelaten, doch enkel wanneer ze betrekking hebben op de bewaking van goederen. De
controlebevoegdheden beperken zich daarbij tot de aangifte van feiten zoals het buiten-
zetten van vuilniszakken buiten de toegelaten uren, schade aan planten in openbare
parken en plantsoenen, bedekte straatnaamborden of huisnummers, woonwagens op
plaatsen die daar niet voor bestemd zijn, graffiti, …34. Bewakingsagenten kunnen geen
inbreuken vaststellen op eigen kracht
35
, noch kunnen ze geweld of dwang gebruiken
36
,
29 X, Artikel voor Private Veiligheid, De vernieuwde wet op de private veiligheid: een versterking van de private
veiligheid in dienst van het algemeen belang, standpunt van de BVBO.
30
Ontwerp van wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-
diensten, Parl. St., Belgische Senaat, zitting 1989-1990, nr.775/2, 3-7.
31 Parl.St. Kamer, 2002-2003, nr. 2366/1 en 2367/1, 9. en Art. 2 paragraaf 2, tweede lid gewijzigd door art. 3, 4°
wet 9 juni 1999.
32 Zij kunnen dit enkel doen in het kader van hun activiteiten omschreven in art. 1, paragraaf 1, 1ste lid, 6° van
de bewakingswet.
33 Het gaat hier om de activiteiten bedoeld in art. 1, paragraaf 1, eerste lid, 6° van de wet van 10 april 1990 op
de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (wet op de
private veiligheid’ genoemd), ingevoegd door art. 3, 2° wet van 7 mei 2004. Zie verder de wet van 29 juli 1934
waarbij private milities verboden werden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé
detective, BS 3 juni 2004.
34
Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 april 1990 en bij het wetsontwerp
tot invoering van een artikel 17 bis in de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen en private
bewakingsdiensten, Parl. St. Kamer, 2002-2003, nr.2328/1