ArticlePDF Available

De Nederlandstalige versie van de supports intensity scale: psychometrische eigenschappen en toepassingen

Authors:
4 NTZ 1-2010
1 Inleiding
Binnen het theoretische model van ‘verstan-
delijke beperkingen’ van de American As-
sociation on Intellectual and Developmental
Disabilities (AAIDD) kreeg het begrip ‘onder-
steuning’ een centrale plaats toebedeeld (Luc-
kasson et al., 2002; Buntinx, 2003). Daarmee
ontstond ook de behoefte dit begrip nader te
omschrijven, te operationaliseren en – indien
mogelijk – een instrument te ontwikkelen om
de intensiteit van behoefte aan ondersteuning
van mensen met verstandelijke beperkingen in
kaart te brengen. In deze context ontwikkelde
een AAIDD-werkgroep onder leiding van de
psycholoog Jim Thompson een conceptueel
kader en een instrument: de Supports Intensity
Scale (Thompson et al., 2002; 2004; 2008b;
2009). De originele Amerikaanse versie voor
volwassenen werd gepubliceerd in 2004. Een
versie voor kinderen wordt verwacht in 2011.
Inmiddels werd de Supports Intensity Scale
(SIS) vertaald in dertien talen. De Nederlands-
talige versie van de SIS werd gepubliceerd in
2006 (Thompson et al., 2006). In 2010 volgt
een herziene uitgave van het Nederlandsta-
lige handboek waarin ook de Nederlandse en
De Nederlandstalige versie van de
Supports Intensity Scale
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
Psychometrische eigenschappen en toepassingen
Beleid & Management
Sinds de Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale (SIS) in 2006 verscheen,
werden meerdere studies uitgevoerd op gebied van betrouwbaarheid, validiteit en toepas-
singen. Dit artikel geeft een overzicht van de psychometrische eigenschappen van de SIS op
basis van studies in Nederland en Vlaanderen. De uitkomsten worden vergeleken met deze
uit buitenlandse studies. Daarnaast is er een overzicht van toepassingen.
Deze informatie uit dit artikel is van belang voor psychologen en (ortho)pedagogen die deze
schaal zelf gebruiken en/of superviseren. De paragraaf (5) over SIS toepassingen is relevant
voor opleidingen in de VG-sector, voor zorgmanagers, bestuurders met zorginhoudelijke
portefeuille en voor beleids- en kwaliteitsmedewerkers. WB
ArTikel
NTZ 1-2010 5
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
Vlaamse normen zijn opgenomen (Thompson
et al., 2010).
In dit artikel worden de psychometrische
eigenschappen van de Nederlandstalige ver-
sie van de SIS beschreven en waar mogelijk
vergeleken met bevindingen uit buitenlandse
wetenschappelijke studies. Ook zal aandacht
worden besteed aan toepassingsmogelijkhe-
den. De informatie daartoe wordt geput uit
verschillende bronnen. Ten eerste, uit twee pi-
lotstudies die al waren uitgevoerd ter voorbe-
reiding en verantwoording van de eerste Ne-
derlandstalige editie (Van Unen, 2003; Speth,
2005). Ten tweede, uit meerdere studies die
sinds 2006 werden uitgevoerd in Nederland
(Buntinx et al., 2006a en 2006b), in Vlaande-
ren (Buntinx et al., 2007; Maes et al., 2008;
Bossaert et al., 2009; Kuppens et al., 2009)
en in een gemengde Vlaams-Nederlandse on-
derzoeksgroep (Claes et al., 2009). Ten derde,
wordt gebruik gemaakt van informatie uit
oorspronkelijke Amerikaanse handleiding en
uit studies met SIS vertalingen in Italië, Ca-
nada en Spanje (Thompson et al., 2004; Ver-
dugo et al., 2007a, 2007b, 2008; Cottini et
al., 2008; Morin et al., 2009).
In paragraaf 2 wordt de constructie van
de schaal toegelicht. Paragraaf 3 behandelt
de betrouwbaarheid. Paragraaf 4 behandelt
de validiteit. In paragraaf 5 worden toepas-
singsmogelijkheden besproken. In paragraaf
6 volgt tot slot een discussie en conclusie.
2 Constructie
2.1 Het concept ‘ondersteuningsbehoefte’
De SIS is ontworpen om de intensiteit van on-
dersteuningsbehoeften van volwassen mensen
met verstandelijke beperkingen op een gestan-
daardiseerde manier te meten en in kaart te
brengen. Het begrip ‘ondersteuningsbehoefte’
verwijst naar discrepanties tussen de compe-
tenties van de persoon enerzijds en de eisen
van settings (bijvoorbeeld: wonen, werken,
sociale contacten, leer- en vrije tijd situaties)
binnen een maatschappelijke context ander-
zijds. Deze discrepanties kunnen worden over-
brugd door ‘ondersteuning’. ‘Ondersteuning’
verwijst naar hulpbronnen en strategieën
waarmee de persoonlijke ontwikkeling en het
functioneren kunnen worden bevorderd. On-
dersteuning is dus gericht op het bevorderen
van congruentie tussen de competenties van
de persoon en de eisen die een gewone om-
geving aan personen van dezelfde leeftijd en
cultuur stelt. Ondersteuning is gericht op het
bevorderen van diens ‘Kwaliteit van Bestaan’.
‘Ondersteuningsbehoefte’ is een psychologisch
construct dat verwijst naar het patroon en de
intensiteit van begeleiding en hulp die nodig
zijn om deel te kunnen nemen aan activiteiten
die samenhangen met Kwaliteit van Bestaan
(Thompson et al., 2002; 2004; 2009).
2.2 Constructie
De SIS werd geconstrueerd in drie stappen.
Gestart werd met een uitgebreide literatuur-
studie (ondermeer in ERIC en Psychlit; zie
verder Thompson et al., 2002, p. 396) om
indicatoren van ondersteuning in de context
6 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
van Kwaliteit van Bestaan te identificeren. Dit
leverde twaalf categorieën en 130 indicatoren
van ‘ondersteuning’ op. Vervolgens werden
deze indicatoren met de Q-sort methode door
vierenzeventig professionals in de praktijk be-
oordeeld op relevantie voor de categorieën.
Hieruit volgde dat acht categorieën een betere
indeling van indicatoren opleverde. Items die
ten minste door 80% van de beoordelaars op
dezelfde wijze waren gecategoriseerd werden
behouden. Tot slot werden vier veldtests uitge-
voerd waarin itemanalyses, verdere validering
en verfijning van de schaal plaatsvonden. Zo
kreeg de SIS uiteindelijk haar huidige struc-
tuur van negen subschalen (figuur 1) verdeeld
in drie secties (Thompson et al., 2002, 2004
hfdst. 6). Sectie 1 bestaat uit zes gestandaar-
diseerde subschalen (A-F). Deze leiden tot een
profiel van ondersteuningsbehoeften en een
ondersteuningsbehoeftenindex (SIS-Index).
Sectie 2 bestaat uit één enkele schaal die niet
werd gestandaardiseerd maar voor klinisch
gebruik werd toegevoegd. Dit laatste geldt
ook voor de twee subschalen van Sectie 3.
De items van de subschalen van Sectie 3 wor-
den gescoord op een driepunten Likert schaal.
De items van Sectie 1 en 2 worden gescoord op
een vijfpunten Likert schaal voor telkens drie
aspecten van ondersteuningsintensiteit: (1) F:
frequentie waarmee ondersteuning nodig is;
(2) DOT: de dagelijkse ondersteuningstijd; en
(3) TO: type ondersteuning. De som van deze
drie beoordelingen geeft de itemscore. De som
van alle itemscores binnen een subschaal le-
vert de ruwe subschaaluitslag.
De SIS wordt afgenomen in de vorm van een
gestructureerd interview met (ten minste twee)
informanten die de persoon met verstande-
- Sectie 1: Algemene schaal voor behoefte aan ondersteuning
o Deel A: Activiteiten in huis (8 items)
o Deel B: Activiteiten in de samenleving (8 items)
o Deel C: Leren en permanente vorming (9 items)
o Deel D: Arbeidsmatige activiteiten (8 items)
o Deel E: Gezondheid en veiligheid (8 items)
o Deel F: Sociale activiteiten (8 items)
- Sectie 2: Behoefte aan ondersteuning bij belangenbehartiging (8 items)
- Sectie 3: Behoefte aan speciale ondersteuning in verband met medische- en gedrags-
problematiek
o Deel A: Behoefte aan medische ondersteuning (16 items)
o Deel B: Behoefte aan gedragsmatige ondersteuning (13 items)
Figuur 1: Structuur van de SIS
NTZ 1-2010 7
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
lijke beperking goed kennen. De persoon met
verstandelijke beperkingen zelf kan – indien
hij of zij over voldoende verbale vaardigheden
beschikt – ook als één van de informanten
optreden. Het leren afnemen van een SIS in-
terview vergt goede instructie en oefening om
vertrouwd te raken met het ondersteunings-
perspectief, de beoordeling van respondent-
antwoorden en de scoring.
3 Betrouwbaarheid
3.1 Algemeen
Tijdens het ontwerpen van de SIS werd al
een aantal maatregelen getroffen om de be-
trouwbaarheid te bevorderen. Zo werden
items mede geselecteerd in functie van hun
standaardmeetfout. Daarnaast zijn de activi-
teiten die in verschillende items voorkomen
niet onafhankelijk van elkaar zodat gelijk-
soortige ondersteuningsbehoeften meerdere
keren worden gesondeerd in de totale schaal.
Zo impliceren meerdere items dat de persoon
zich daarbij moet verplaatsen; de ondersteu-
ning die voor dit aspect nodig is wordt dan
ook meegewogen in meerdere items. Verder
is elke itemscore een composietscore van drie
beoordelingen (F+DOT+TO) wat bijdraagt
tot de stabiliteit van scores.
De afnameprocedure van een schaal draagt
ook bij tot de betrouwbaarheid van uitkom-
sten op die schaal. De eisen die de SIS aan de
afname stelt zijn niet anders dan die bij andere
gedragsschalen (zoals de ABS, VABS, SRZ).
De interviewer dient aandacht te besteden aan
het gebruik van meerdere informatiebronnen
en aan de mate waarin informanten daadwer-
kelijk op de hoogte zijn van het functioneren
van de persoon wiens ondersteuningsbehoef-
ten worden onderzocht. Een bijzonder geval is
het interviewen van mensen met verstandelijke
beperkingen. Het is bekend dat mensen met
(lichte) verstandelijke beperkingen hun com-
petenties zelf hoger inschatten en ertoe neigen
hun beperkingen te onderschatten (Edgerton,
1967, 2001; Schalock et al., 2010; Thompson
et al., 2004; Snell et al., 2009). Dit kan leiden
tot het onderschatten van hun werkelijke be-
hoefte aan ondersteuning. Dit pleit er voor de
instructies van de SIS goed in acht te nemen
en meerdere informanten te betrekken. Voor
het afnemen van de SIS bij mensen met ver-
standelijke beperkingen zelf werd een aparte
instructie opgesteld (Tassé et al., 2005).
3.2 Interne consistentie
De interne consistentie (Cronbach α) verwijst
naar de onderlinge samenhang of homogeniteit
van de schaalitems. Deze wordt beschouwd
als een indicatiemaat voor betrouwbaarheid.
Alle SIS subschalen en de SIS-Index scoren
hierop zeer hoog. Ook de split-half methode
(Guttman) laat hoge betrouwbaarheidscoëf-
ficiënten zien. De kleine standaardmeetfouten
zijn eveneens gunstig voor de betrouwbaar-
heid (tabel 1).
8 NTZ 1-2010
Omdat de SIS gebruik maakt van composiet
scores werd in een Nederlandse pilotstudie
(N=101) de interne consistentie onderzocht
voor elk scoringsaspect afzonderlijk (F, DOT,
TO) (Buntinx, 2008b). Deze Cronbach α
waarden staan in tabel 2.
.
Tabel 2: Betrouwbaarheid (Cronbach α) van
de scoringsaspecten Frequentie, Dagelijkse
ondersteuningstijd en Type ondersteuning
afzonderlijk (N=101)
Scoringsaspect
SIS
onderdeel F DOT TO
deel A 0,92 0,94 0,95
deel B 0,93 0,95 9,96
deel C 0,96 0,98 0,96
deel D 0,93 0,98 0,96
deel E 0,92 0,95 0,93
deel F 0,92 0,97 0,96
SIS Index 0,98 0,99 0,99
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
Tabel 1: Betrouwbaarheid van de SIS subschalen van Sectie 1 en SIS Index volgens Cronbach
α
,
Standaard Meetfout (SEM) en split-half coëfficiënt (Nederlandse, Vlaamse, originele Amerikaanse,
Italiaanse SIS en Spaanse SIS studies)
Nederlandse studie Vlaamse studie 1 Vlaamse studie 2 USA 1 Italië Spanje
N studie 570 4.211 14.862 1.306 1.052 875
SIS
onderdeel
aantal
items αSEM split-
half αSEM split-
half αSEM split-
half α α α
Sectie 1
deel A 8 0.95 0,7 0,97 0,93 0,8 0,90 0,93 0,8 0,95 0,95 0.96 0,93
deel B 8 0.96 0,6 0,96 0,95 0,7 0,91 0,95 0,5 0,95 0,95 0,97 0,97
deel C 9 0.97 0,5 0,96 0,95 0,7 0,84 0,94 0,7 0,91 0,97 0,97 0,96
deel D 8 0.96 0,6 0,92 0,94 0,7 0,86 0,94 0,7 0,92 0,97 0,96 0,95
deel E 8 0.95 0,7 0,94 0,92 0,8 0,86 0,92 0,8 0,91 0,94 0,95 0,93
deel F 8 0.97 0,5 0,97 0,94 0,7 0,87 0,94 0,7 0,93 0,96 0,97 0,95
SIS Index 49 0.99 1,5 0,98 0,98 2,1 0,91 0,98 2,1 0,95 0,99 0,99 0,99
Nederlandse studie: Thompson et al., 2010; Vlaamse studie 1: Buntinx et al., 2007; Vlaamse studie 2: Maes et al., 2008;
USA 1: Thompson et al., 2004; Italië: Cottini et al., 2008; Spanje: Verdugo et al., 2007a,b.
NTZ 1-2010 9
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
Geconcludeerd kan worden dat de interne
consistentie van zowel de SIS subschalen als
de SIS Index volgens de criteria van De Vel-
lis (2003) ‘zeer goed’ is. De uitkomsten van
de Nederlandstalige versie liggen voor de
onderzochte groepen in Nederland (Buntinx,
2008b) en Vlaanderen (Buntinx et al., 2007;
Maes et al., 2008) geheel in lijn met de bevin-
dingen met de originele Amerikaanse SIS en de
studies in Italië (Cottini et al., 2008) en Spanje
(Verdugo et al., 2008). De split-half methode
geeft voor de Nederlandse en Vlaamse versie
eveneens zeer gunstige uitkomsten. De stan-
daard meetfout van de Nederlandstalige versie
laat relatief nauwkeurige metingen toe (SEM
NL: 1,5; SEM VL: 2,1). Dit betekent dat een
SIS Index van bijvoorbeeld 105 in 2/3 van de
gevallen een ‘ware’ uitslag vertegenwoordigt
tussen 106,5 en 103,5 (NL) of tussen 107,1
en 102,9 (VL). Dit zijn psychometrisch goede
uitkomsten. Ter vergelijking: de standaard
meetfout van de WAIS III en de WISC III (full
scale) bedragen 2,3 resp. 3,2 (Luckasson et
al., 2002, p. 70-71).
3.3 Test-hertest, inter-interviewer en inter-
respondent overeenkomst
Een indicator van schaalbetrouwbaarheid is de
mate van overeenkomst tussen twee afnamen
van de schaal binnen een relatief kort tijdsbe-
stek van enkele weken (test-hertest). Omdat
de SIS wordt afgenomen door een interviewer
en er meerdere respondenten betrokken zijn,
kan ook de overeenkomst tussen verschillende
interviewers (bij dezelfde respondenten) en
van verschillende respondenten (afzonderlijk
bevraagd door dezelfde interviewer) als maat
van betrouwbaarheid worden gebruikt. Een
bijzonder geval van de laatste procedure is
de overeenkomst tussen schaaluitslagen ver-
kregen van een respondent met verstandelijke
beperkingen zelf en die van een begeleider.
Onderzoek van overeenkomsten bij deze af-
nameprocedures is nuttig om aan te geven in
hoeverre verschillen tussen individuele uitsla-
gen toegeschreven kunnen worden aan wer-
kelijke verschillen tussen individuen of aan
fouten of bias bij afname.
Voor de Nederlandstalige versie van de
SIS zijn nog geen onderzoeken van de test-
hertest, inter-interviewer en inter-respondent
overeenkomsten beschikbaar (behalve cliënt-
begeleider overeenkomst: Claes et al., 2009).
Uitkomsten van buitenlandse studies en de
uitkomsten van de studie van Claes et al.,
staan in tabel 3.
Volgens de interpretatiecriteria van Cicchetti
et al. (1981) wijzen correlaties lager dan .40
op een zwakke betrouwbaarheid; tussen .40
en .59 op een redelijke; tussen .60 en .74 op
een goede; en boven .75 op een uitstekende
betrouwbaarheid. Bij de studies uit tabel 3
moet worden opgemerkt dat de afname in
studie USA 1 is gebeurd door interviewers die
alleen beschikten over schriftelijke instructies.
De USA 2 studie werd verricht volgens de
standaardprocedure met interviewers die een
SIS training hadden ontvangen. Uit de inter-
interviewer correlaties van beide studies blijkt
dat instructie van interviewers een positief ef-
fect heeft op de betrouwbaarheid van de SIS
(Thompson et al., 2008). De studie van Claes
et al. toont lagere correlaties tussen schaaluit-
10 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
slagen verkregen op basis van interviews met
personen met een verstandelijke beperking zelf
respectievelijk met hun begeleiders. Hun stu-
die laat zien dat in vijf van de zes subschalen
van de SIS Sectie 1, mensen met verstandelijke
beperkingen de intensiteit van hun ondersteu-
ningsbehoeften lager inschatten dan hun be-
geleiders (p. 333). De betrouwbaarheid moet
in dit geval dan ook extra worden bewaakt
door: (1) de specifieke interviewinstructies
voor deze situatie in acht te nemen (Tassé
et al., 2005); (2) ook andere informanten te
bevragen; (3) de itemscores zorgvuldig toe te
kennen (Thompson et al., 2004; Thompson et
al., 2008a).
Concluderend kan worden gesteld dat de
betrouwbaarheid van de SIS op basis van test-
hertest, inter-interviewer en inter-respondent
overeenkomsten in internationale studies,
goed tot uitstekend is. Het is niettemin wen-
selijk om deze uitkomsten ook met de Neder-
landstalige SIS te onderzoeken.
Tabel 3: Overeenkomst tussen SIS schaaluitkomsten bij test-hertest, inter-interviewer, inter-
respondent en cliënt-begeleider procedures in vijf internationale studies (Pearson correlaties).
Test-hertest Inter-interviewer Inter-respondent Cliënt-
begeleider
USA 1 Canad Span USA 1 USA 2 Canad Span USA 2 Canad NL/VL
N studie 106 19 143 106 40 39 143 40 72 29
SIS on-
derdeel
Sectie 1
deel A 0,87 0,85 0,98 0,90 0,80 0,92 0,86 0,73 0,88 0,74
deel B 0,74 0,77 0,94 0,68 0,89 0,82 0,86 0,91 0,87 0,58
deel C 0,75 0,75 0,93 0,55 0,88 0,85 0,71 0,75 0,87 0,44
deel D 0.83 0,75 0,96 0,55 0,77 0,90 0,62 0,93 0,87 0,31
deel E 0.86 0.81 0,90 0,72 0,96 0,79 0,71 0,91 0,91 0,77
deel F 0,94 0,68 0,98 0,60 0,74 0,79 0,66 0,87 0,85 0,51
SIS Index 0,82 0,84 0,94 0,59 0,88 0,91 0,80 0,87 0,82 0,80
Interval
3
weken
3
weken
3
weken
<1
week
<1
week
<1
week
<1
week
<1
week
<1
week
Inter-interviewer: verschillende interviewers bij zelfde respondenten / Inter-respondent: zelfde interviewer bij verschillende
respondenten
USA 1: Thompson et al., 2004; USA 2: Thompson et al., 2008 ; Canad: Morin et al., 2009; Span: Verdugo et al., 2007a,
2007b ; NL/VL : Claes et al., 2009.
NTZ 1-2010 11
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
4 Validiteit
Bij validiteit gaat het om de vraag of de schaal
daadwerkelijk meet wat zij pretendeert te me-
ten. Hierna worden vier typen van validiteit
voor de SIS besproken: inhoudsvaliditeit, cri-
teriumvaliditeit, constructvaliditeit en factor-
validiteit.
4.1 Inhoudsvaliditeit
Inhoudsvaliditeit hangt samen met de con-
structie van de schaal en in het bijzonder met
de mate waarin de items het te meten concept
representeren. De inhoudsvaliditeit wordt
voornamelijk bepaald door omschrijving van
het te meten construct en door de selectie van
items als operationalisering (indicatoren) van
dit construct. In paragraaf 2 werd al ingegaan
op de constructie van de SIS. De items werden
langs empirische weg geselecteerd op basis
van expertoordelen (Q-sort) en hun discrimi-
natieve ‘power’.
De Nederlandstalige SIS werd in een aantal
stappen vertaald uit het Amerikaanse origi-
neel. Er werd gestart met twee onafhankelijke
vertalingen van het scoreformulier uit het En-
gels. Deze werden na praktijkervaring met de
afname in twee pilotstudies geïntegreerd tot
één. Deze vertaling is door een tweetalige in-
houdsdeskundige terug vertaald naar het En-
gels en in overleg met drie Amerikaanse leden
van de SIS commissie getoetst aan de originele
betekenissen van de items. De Nederlandstalige
SIS vormt een getrouwe weergave van de oor-
spronkelijke schaal: er werden geen items weg-
gelaten of toegevoegd en de betekenis van elk
item werd zorgvuldig behouden. In de toelich-
tingen op de items in de handleiding werden op
enkele plaatsen begrippen aangepast aan hun in
Nederland en Vlaanderen gebruikelijke equiva-
lenten. Zo werd ‘self advocacy organizations /
People First’ vertaald met de begrippen ‘cliën-
tenraad’ / ‘bewonersraad’ / ‘Onderling Sterk’ /
‘vakbond’ (Sectie 2, item 5).
De inhoudsvaliditeit van de Nederlandstali-
ge SIS is daarmee vergelijkbaar met die van de
originele versie. Uit analyse van de item-rest
correlaties en de ‘Cronbach if item deleted’
blijkt daarenboven dat ook in de Nederlands-
talige versie alle items goed onderling samen-
hangen en positief bijdragen tot de interne
consistentie van de subschalen (Maes et al.,
2008).
4.2 Criteriumvaliditeit
Criteriumvaliditeit betreft de mate waarin
de schaaluitslagen correleren met een extern
criterium. Dit kan een andere schaal zijn die
hetzelfde construct meet (‘soortgenoot’) of
het oordeel van experts over de mate waarin
bij een persoon het te meten construct en de
indicatoren aanwezig zijn. Voor de SIS be-
staan er nog geen parallelschalen. Ook zijn
nauwelijks soortgelijke instrumenten voor-
handen. De criteriumvaliditeit van de Neder-
landstalige SIS werd onderzocht door de cor-
relatie te berekenen tussen SIS uitslagen van
Sectie 1 en de onafhankelijke oordelen (op
een vijfpunten Likert-schaal) van begeleiders
met betrekking tot de ondersteuningsbehoefte
van de betrokken personen (Buntinx, 2008b).
De uitkomsten staan in tabel 4. Daarnaast
werd de criteriumvaliditeit onderzocht door
12 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
correlaties te berekenen tussen de SIS Sec-
tie 1 subschalen en de ELIDA. Dit is een in
Vlaanderen gebruikte schaal om de behoefte
aan hulp van derden bij ADL activiteiten te
beoordelen (lichamelijke verzorging, voeding,
kleding, onderhoud leefomgeving en daarmee
samenhangend onderhouden van contacten
met de buitenwereld). Deze schaal meet een
aan ‘intensiteit van ondersteuningsbehoef-
ten’ verwant concept (Buntinx et al., 2007).
Verwacht mag worden dat de ELIDA positief
correleert met de SIS. De correlaties tussen de
SIS Sectie 1 uitkomsten en de ELIDA schaal
zoals gevonden in de Vlaamse normeringstu-
die staan eveneens in tabel 4.
Alle correlaties liggen ruim boven de mini-
mumwaarde r=0,35 die geldt voor een rele-
vante criteriumvaliditeit (Thompson et al.,
2004).
4.3 Constructvaliditeit
Constructvaliditeit verwijst naar de mate
waarin de schaaluitslagen daadwerkelijk het
construct weerspiegelen dat de schaal beoogt
te meten. In geval van de SIS gaat het om de
samenhang tussen SIS uitslagen en fenomenen
die wel (of juist niet) geacht worden samen
te hangen met het construct ‘ondersteunings-
behoefte’. De constructvaliditeit kan worden
onderzocht door op logische of empirische
Tabel 4: Pearson correlaties van SIS subschalen (A-F) en SIS- Index met het onafhankelijk
oordeel over de intensiteit van ondersteuningsbehoeften op het betreffende domein (A-F)
respectievelijk met de ELIDA schaal.
Onafhankelijk oordeel
begeleiders
Onafhankelijk oordeel
begeleiders
ELIDA
USA 1 Nederlandse pilot Vlaamse studie 1
N studie 106 101 4.211
SIS
onderdeel
deel A 0,66 0,79 0,86
deel B 0,51 0,73 0,69
deel C 0,46 0,81 0,55
deel D 0,59 0,76 0,55
deel E 0,53 0,81 0,69
deel F 0,62 0,75 0,58
SIS Index 0,62 0,83 0,74
USA 1: Thompson et al., 2004; Nederlandse pilot: Buntinx, 2008b; Vlaamse studie 1: Buntinx et al., 2007.
NTZ 1-2010 13
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
gronden stellingen te formuleren over het ver-
band tussen SIS schaaluitslagen en fenomenen
die samenhangen met ‘intensiteit van onder-
steuningsbehoefte’. Vervolgens worden deze
stellingen in de praktijk getoetst. Hierna volgt
een aantal toetsen van de constructvaliditeit
voor de Nederlandstalige SIS. Waar mogelijk
worden ook de uitkomsten van de Ameri-
kaanse originele versie vermeld.
4.3.1 Intercorrelatie van SIS subschaal scores
Indien de subschalen van de SIS verschillende
aspecten van hetzelfde construct ‘ondersteu-
ningsbehoefte’ meten, dan zal er een relevante
correlatie tussen de subschalen moeten be-
staan van ten minste r=0,35 (Thompson et al.,
2004; Linn et al., 2000).
In tabel 5 staan de intercorrelaties tussen de
subschalen: in elke cel geeft het eerste cijfer de
intercorrelatie in de Nederlandse normgroep;
het tweede cijfer geeft deze waarde in de
Vlaamse normgroep; het derde cijfer (schui-
ne druk) is de oorspronkelijke Amerikaanse
waarde. Het valt op dat de Nederlandse en
Vlaamse intercorrelaties hoger zijn dan de
oorspronkelijke. De Nederlandse en Vlaamse
waarden liggen overigens in dezelfde lijn als
de intercorrelaties in de Spaanse en Italiaanse
studies (Verdugo et al, 2008a en Cottini et
al;., 2008). Ook Claes et al. vinden intercor-
relaties van dezelfde grootte in hun gemengde
Nederlands-Vlaamse onderzoeksgroep (p.
335). De reden voor het verschil met de Ame-
rikaanse waarden is onduidelijk. In ieder geval
Tabel 5: Intercorrelaties (Pearson) van de SIS subschalen en SIS Index in de Nederlandse studie / de
Vlaamse studie 1 en / de Amerikaanse normgroep
SIS
SECTIE 1
onderdeel deel A deel B deel C deel D deel E deel F
deel A
deel B 0,84/0,84/0,50
deel C 0,57/0,77/0,43 0,66/0,85/0,45
deel D 0,59/0,73/0,30 0,62/0,77/0,34 0,85/0,82/0,54
deel E 0,86/0,85/0,56 0,84/0,86/0,52 0,70/0,85/0,40 0,71/0,79/0,48
deel F 0,70/0,76/0,46 0,77/0,85/0,51 0,77/0,84/0,51 0,77/0,82/0,46 0,82/0,85/0,51
SIS Index 0,86/0,90/0,60 0,89/0,94/0,59 0,86/0,93/0,62 0,86/0,89/0,59 0,93/0,94/0,62 0,91/0,93/0,59
Alle correlaties zijn significant op p>.01
Nederlandse studie: Thompson et al., 2010; Vlaamse studie 1: Buntinx et al., 2007); Amerikaanse normgroep: Thompson
et al., 2004.
14 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
ondersteunt de grootte van de intercorrelaties
de constructvaliditeit van de Nederlandstalige
versie van de SIS.
4.3.2 Relatie SIS en intelligentieniveau
Het is logisch dat een hoger intelligentieniveau
gepaard zou gaan met meer competenties en
een lagere behoefte aan ondersteuning en vice
versa. Om deze stelling te toetsen werden de
SIS subschaaluitslagen van de vier niveaus van
verstandelijke beperking (licht, matig, ernstig,
diep) berekend en onderzocht met ANOVA en
de Bonferroni post hoc test tussen de niveaus.
De niveauclassificatie gebeurde op basis van
dossiergegevens met betrekking tot intelligen-
tieniveau (IQ).
In de Nederlandse normeringsgroep
(N=570, beschreven in Thompson et al.,
2010) blijken de verschillen in de gemiddelde
SIS subschaaluitslagen tussen de niveaus van
verstandelijke beperking alle statistisch sig-
nificant (df 3; F tussen 54,8 en 312,9; alle
p<.001). De Bonferroni post hoc test is even-
eens significant voor 38 van de 42 mogelijke
verschillen tussen de niveaus en de gemiddelde
SIS subschaal en SIS Index uikomsten. Alleen
de verschillen in SIS scores tussen de groepen
‘ernstig’ en ‘diep’ verstandelijk beperkt, in de
subschalen B,C,D,F en in de SIS Index, zijn
niet statistisch significant.
In de Vlaamse normgroep (N=4.211, be-
schreven in Thompson et al., 2010) zijn de
verschillen in de gemiddelde SIS subschaal-
uitslagen tussen de niveaus van verstandelijke
beperking alle statistisch significant (df 3; F
tussen 707,3 en 1.333,6; p<.001). De Bonfer-
roni post hoc test is significant (p<.001) voor
alle verschillen tussen de niveaus van verstan-
delijke beperking in alle subschalen en de SIS
Index (42 mogelijkheden).
Figuur 2 laat zien dat er sprake is van een
grote overlap tussen individuele scores voor
intensiteit van algemene ondersteuningsbe-
hoeften (SIS Index) in de vier niveaus van ver-
standelijke beperking. Hoewel de gemiddelde
intensiteit van algemene ondersteuningsbe-
hoeften tussen de niveaus van verstandelijke
beperking wel statistisch significant van el-
kaar verschillen is het ‘niveau van verstande-
lijke beperking’ in individuele gevallen geen
goede weergave van de ‘behoefte aan on-
dersteuning’. In de groep mensen met lichte
of matige verstandelijke beperkingen komen
vele situaties voor waarbij de intensiteit van
ondersteuningsbehoefte gelijk of groter is dan
bij personen die vallen in de groep ‘ernstig’ of
‘diep/zeer ernstig’ verstandelijk beperkt.
Deze bevinding is relevant voor de praktijk:
voor het beoordelen van individuele zorg-
zwaarte of voor toedeling van middelen vormt
de niveaukwalificatie van ‘verstandelijk func-
tioneren’ cq ‘niveau van verstandelijke beper-
king’ geen goede basis. Voor het beoordelen
van zorgzwaarte dient te worden uitgegaan van
de individuele ondersteuningsbehoeften van de
persoon en niet van zijn of haar niveaulabel.
4.3.3 Relatie SIS en adaptieve vaardigheden
Het ligt voor de hand dat mensen met een
hoger niveau van adaptieve vaardigheden
een lagere intensiteit van ondersteuningsbe-
hoeften zullen hebben dan mensen met een
NTZ 1-2010 15
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
lager niveau van adaptieve vaardigheden en
vice versa. Dit kan worden onderzocht door
de correlatie te berekenen op uitslagen voor
schalen voor adaptieve vaardigheden (zoals
bijvoorbeeld: de VABS, SRZ, ABS) en SIS sco-
res. De verwachting is dat deze negatief zullen
correleren.
In tabel 6 staan de correlaties tussen de
uitslagen op de Vineland Adaptive Behavior
Scale (VABS-Z) en de SIS subschalen van
Sectie 1 zoals gevonden in een Amerikaanse
groep (Thompson et al., 2004) en in een Ne-
derlands-Vlaamse groep mensen met verstan-
delijke beperkingen (Claes et al., 2009).
In Vlaanderen werd daarnaast de correlatie
tussen SIS en de ‘Barthel’ schaal onderzocht
bij 1.549 personen uit de normeringgroep
waarvoor een Barthel uitslag beschikbaar was
(Buntinx et al., 2007). De Barthel schaal (ge-
baseerd op Wade, 1992) meet de mate van
zelfstandigheid bij zelfzorg en mobiliteit. Een
hogere score reflecteert een hogere mate van
zelfstandigheid. Het ligt voor de hand dat de
behoefte aan ondersteuning hiermee negatief
zal correleren. Verwacht mag worden dat de
grootste correlatie gevonden zal worden tus-
sen de Barthel Zelfzorg schaal en de SIS Sectie
1A schaal waarin ondersteuning bij zelfzorg is
opgenomen. In tabel 7 staan de Pearson cor-
relaties tussen de Barthel schaal en de SIS sub-
schalen en Indices. Deze zijn in de verwachte
richting en alle significant (p<.01).
Figuur 2: Spreiding van intensiteit van algemene ondersteuningsbehoeften (SIS Index) in
de vier groepen van ‘niveau verstandelijk functioneren’ (N=4.211)
SIS-Index
Verstandelijk Niveau
140.00
120.00
100.00
80.00
60.00
Licht Matig Ernstig Zeer ernstig
16 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
Er kan worden geconcludeerd dat de relaties
tussen de SIS en schalen voor adaptief gedrag
de constructvaliditeit van de SIS ondersteu-
nen. De grootte van de correlaties toont een
gedeelde variantie tussen 25 en 60 procent
(bij r=0,51 resp. r=0,77). Dit wijst er op dat
de constructen ‘ondersteuningsbehoeften’ en
‘adaptieve vaardigheden’ of ‘competenties’
maar in beperkte mate overlappen en feitelijk
verschillende constructen zijn.
Ook hier geldt dat bij het beoordelen van
zorgzwaarte niet zondermeer uitsluitend of
hoofdzakelijk kan worden gesteund op ‘(te-
kort aan) competenties’. Recent Amerikaans
onderzoek van Wehmeyer et al. (2009) laat
zien dat de SIS-Index in combinatie met de
uitkomsten van SIS Sectie 3 een betere voor-
speller is van zorgzwaarte-categorie dan ge-
bruikelijke procedures op basis van persoon-
lijke competenties.
4.3.4 Relatie SIS, leeftijd en geslacht
De auteurs van de SIS stellen dat ondersteu-
ningsbehoeften van (volwassen) mensen met
verstandelijke beperkingen niet nauw gere-
lateerd hoeven te zijn aan de chronologische
leeftijd. Inderdaad vonden zij lage Pearson-
correlaties (r tussen -.01 en -.11) tussen SIS
scores en de leeftijd van de proefpersonen. In
de Nederlandse en Vlaamse normeringgroep
Tabel 6: Correlaties tussen enerzijds
de SIS subschalen van Sectie 1 en SIS
index en anderzijds de uitkomsten op de
Vineland Adaptive Behavior Scale - Z
VABS totale
score
VABS totale
score
USA 1 NL/VL
N studie 178 75
SIS
onderdeel
deel A -0,61 -0,84
deel B -0,57 -0,76
deel C -0,45 -0,41
deel D -0,48 -0,42
deel E -0,52 -0,81
deel F -0,49 -0,65
SIS Index -0,59 -0,77
N 178 75
USA 1: Thompson et al., 2004; NL/VL : Claes et al. 2009
Tabel 7: Correlaties tussen de Barthel schaal
(totaal en subschalen Zelfzorg en Mobiliteit)
en de SIS subschalen en SIS Index (N=1.549)
Barthel
totaal
Barthel
zelfzorg
Barthel
mobiliteit
Barthel totaal 1,00
Barthel zelfzorg 0,92 1,00
Barthel mobiliteit 0,92 0,69 1,00
SIS deel A -0,70 -0,75 -0,53
SIS deel B -0,46 -0,51 -0,34
SIS deel C -0,35 -0,42 -0,23
SIS deel D -0,33 -0,41 -0,21
SIS deel E -0,49 -0,55 -0,35
SIS deel F -0,38 -0,45 -0,25
SIS Index -0,51 -0,58 -0,36
NTZ 1-2010 17
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
werden eveneens zeer lage correlaties gevon-
den (Tabel 8) tussen de variabelen ‘leeftijd’ en
SIS scores.
Tabel 8: Pearson correlaties tussen leeftijd
en SIS score in de Nederlandse (NL) en
Vlaamse normgroep (VL)
SIS Sectie 1
onderdeel
NL VL
deel 1A 0,02 0,08*
deel 1B -0,02 0,06*
deel 1C -0,16*0,05*
deel 1D -0,18*-0,01
deel 1E -0,04*0,08*
deel 1F -0,13*0,01
SIS Index -0,10*0,05*
N 570 4211
* p<.001
Beide variabelen hebben een gemeenschap-
pelijke variantie van minder dan één procent.
De correlatie tussen geslacht en SIS Index is
0,01.
4.4 Factorvaliditeit
Het is mogelijk om door middel van factorana-
lyse na te gaan of de structuur van de schaal
(zes subschalen voor zes domeinen van onder-
steuningsbehoefte) ook in de SIS data wordt
teruggevonden. In een Spaanse factorstudie bij
600 mensen met verstandelijke beperkingen
werd de structuur van Sectie 1 bevestigd (Ver-
dugo et al., 2006). Kuppens et al. (2009) gin-
gen door middel van confirmatorische factor-
analyse in een Vlaamse steekproef (N=14.862)
na of de oorspronkelijke structuur van 6 fac-
toren (die de 6 SIS-subdomeinen van Sectie 1
weerspiegelen) kon worden bevestigd. Ook
vergeleken zij dit 6-factoren model met een
1-factor model. De totale steekproef werd at
random in twee groepen verdeeld, zodat twee
afzonderlijke factoranalyses konden worden
uitgevoerd met als doel cross-validatie. In
beide deelgroepen bevestigen de fitmaten dat
het model met 6 factoren uitstekend past bij
de data (SBS-χ²(1112, N = 6,306) = 8,628.27,
RMSEA = .033, CFI = .997, SRMR = .032,
BIC = 9,617 resp. SBS-χ²(1112, N = 6,257)
= 7,078.190, RMSEA = .029, CFI = .998,
SRMR = .033, BIC = 8,066). Tevens stellen
de auteurs vast dat het 6-factoren model een
betere fit geeft met de data dan het 1-factor
model (SBS-χ²(1127, N = 6,306) = 27,550.33,
RMSEA = .061, CFI = .990, SRMR = .051,
BIC = 28,408). Uit de factoranalyse kwamen
hoge factorladingen (alle boven .65, p<.001)
en hoge factorcorrelaties (range r =.76-.91)
naar voren. Eerder waren ook relatief hoge
subschaal intercorrelaties gevonden (zie: pa-
ragraaf 4.3.1). Niettemin blijken de 6-facto-
ren de onderliggende structuur beter weer te
geven, dan de oplossing met één factor. De
studie bevestigt dat ‘ondersteuningsbehoefte’
een multidimensioneel construct is en betrek-
king heeft op activiteiten in huis, activiteiten
in de samenleving, leren en permanente vor-
ming, arbeidsmatige activiteiten, gezondheid
en veiligheid en sociale activiteiten. In mul-
tiple groepsanalyses (Kuppens et al., 2009)
bleek de factorstructuur daarenboven stabiel
in afzonderlijke subgroepen te onderscheiden
op basis van geslacht, leeftijd, complexiteit en
ernst van de verstandelijke beperking. De SIS
18 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
meet met andere woorden hetzelfde construct
met dezelfde accuraatheid bij mannen en bij
vrouwen, bij jongere en bij oudere mensen,
bij mensen met enkelvoudige en meervoudige
beperkingen en bij mensen met lichte, matige,
ernstige of diepe verstandelijke beperkingen.
De gemiddelde factorscores zijn zoals te ver-
wachten hoger in de groep van mensen met
meervoudige dan met enkelvoudige beperkin-
gen. In de subgroepen van mensen met lichte,
matige, ernstige of diepe verstandelijke beper-
kingen zijn ook de factorladingen verschil-
lend. Dat kan erop wijzen dat bepaalde items
of factoren een verschillende betekenis hebben
voor de verschillende subgroepen. Men dient
daarom voorzichtig te zijn met kwantitatieve
vergelijkingen van ondersteuningsbehoeften
tussen verschillende niveaus van ernst van de
verstandelijke beperking.
5 Toepassingen
Inmiddels is in Nederland en Vlaanderen bij
meerdere organisaties ervaring opgedaan met
diverse toepassingen van de SIS. Het navol-
gende overzicht is daarop gebaseerd.
5.1 Leren van het ‘ondersteuningsperspectief’
De SIS gaat niet om wat mensen met verstan-
delijke beperkingen ‘kunnen’ of ‘niet kunnen’
maar om de ondersteuning die zij nodig heb-
ben om een leven te leiden als volwaardig lid
van de samenleving. Het leren afnemen van de
SIS en toepassing in de praktijk heeft een di-
dactische functie voor zover wordt geleerd om
te kijken naar iemands ondersteuningsbehoef-
ten in plaats van te kijken naar ‘wat iemand
niet kan’ of ‘wel kan’ (competenties). Zelfs
indien iemand met verstandelijke beperkingen
bepaalde vaardigheden beheerst wil dat nog
niet zeggen dat deze persoon bij het gebruiken
hiervan in de praktijk geen ondersteuning no-
dig zou hebben.
Omdat bij het afnemen van de SIS een groot
aantal activiteiten onder de loep wordt ge-
nomen leert men ondersteuningsbehoeften
onderkennen die in de routine van bestaande
hulpverlening soms niet als zodanig worden
onderkend. Gebruik van de SIS leidt tot meer
bewustwording van aanwezige ondersteu-
ningsbehoeften en tot het met andere ogen
kijken naar de behoeften van mensen met ver-
standelijke beperkingen.
5.2 Input voor een individueel onder-
steuningsplan
De SIS neemt als instrument een specifieke po-
sitie in binnen een breder ondersteuningspro-
ces. Dit proces bestaat uit vijf componenten:
(1) onderkennen van persoonlijke wensen en
doelen van de persoon; (2) in kaart brengen van
ondersteuningsbehoeften vanuit professioneel
perspectief (hierbij is de SIS een specifiek hulp-
middel); (3) het plannen van ondersteuning
op basis van de eerste twee componenten, het
omschrijven van beschikbare hulpmiddelen en
beoogde uitkomsten; (4) het bewaken van im-
plementatie en voortgang; en (5) het evalueren
en terugkoppelen van uitkomsten (Thompson
et al., 2008b; 2009; Van Loon, 2008a). Voor
het inventariseren van aandachtspunten als
input voor het individueel ondersteuningsplan
(IOP) biedt de SIS in totaal vierentachtig con-
crete items die een groot aantal relevante on-
derwerpen van ‘Kwaliteit van Bestaan’ bestrij-
NTZ 1-2010 19
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
ken en daarenboven ondersteuningsbehoeften
met betrekking tot bijzondere medische en ge-
dragsmatige problemen in kaart brengen. Ge-
bruik van die ‘checklist’ kan leiden tot voor
het betreffende individu belangrijke (nieuwe)
doelen of aandachtspunten. Handreikingen
voor het gebruik van de SIS ten behoeve van
het IOP staan in Schalock et al., 2008a. Een
Nederlands voorbeeld van methodische inte-
gratie van SIS items in de voorbereiding van
een IOP (component 1 en 2) is de handleiding
‘cliëntverhaal’ opgesteld door Radar (2009).
5.3 Profiel van ondersteuningsbehoeften
SIS scores kunnen worden omgezet in een
individueel profiel van ondersteuningsbehoef-
ten. Een profiel maakt relatieve verschillen
in ondersteuningsdomeinen bij een persoon
visueel. Ook is het mogelijk om profielen op
twee tijdstippen te vergelijken om te kijken of
er veranderingen in de intensiteit van onder-
steuningsbehoeften optreden. Het profiel kan
worden uitgewerkt op de laatste pagina van
het SIS scoreformulier.
5.4 Groepsprofielen van ondersteunings-
behoeften
SIS scores van meerdere personen met ver-
standelijke beperkingen kunnen worden geag-
gregeerd op niveau van een ondersteunings-
unit of –team, op niveau van een voorziening,
of regio of divisie. Op die manier kan een
groepsprofiel worden opgesteld. Zo wordt
het mogelijk vergelijkingen tussen groepen te
maken wat betreft intensiteit van ondersteu-
ningsbehoeften. In de handleiding staan voor-
beelden van toepassingen.
5.5 Evaluatie van middelenverdeling
SIS uitkomsten kunnen worden gerelateerd
aan de verdeling van financiële of personele
middelen in een organisatie. Op die manier
kan worden getoetst of de verdeling van mid-
delen binnen de organisatie de verschillen in
intensiteit van ondersteuningsbehoeften van
de cliënten weerspiegelt. De ratio achter deze
toepassing is dat groepen met een hogere
intensiteit van ondersteuningsbehoeften lo-
gischerwijze de beschikking over meer mid-
delen zouden dienen te hebben dan groepen
met lagere intensiteit. Deze toepassing moet
met zorg worden uitgevoerd en dient ingebed
te zijn in een breder evaluatietraject. Men
dient zich immers te realiseren dat de ge-
noemde ratio weliswaar logisch is maar dat
middelenverdeling ook door andere factoren
dan ondersteuningsbehoeften wordt bepaald
(denk aan: omvang van groep/team; locatie
van de voorziening; bijzondere problematie-
ken). Daarenboven kunnen cliënten eventueel
ook hulpbronnen voor hun ondersteuning
gebruiken buiten het budget van de organi-
satie (bijvoorbeeld: uitkering; ondersteuning
door thuiszorg; hulp vanuit het sociale net-
werk) zodat geconstateerde verschillen in
middelentoedeling binnen de organisatie niet
noodzakelijk problematisch hoeven te zijn.
Voorbeelden van onderzoek naar de verdeling
van financiële en personele middelen worden
besproken in Buntinx et al., 2006a en 2006b;
Schalock et al., 2008b; Van Loon, 2008b.
5.6 Individuele allocatie van middelen
Toekenning van individuele ondersteunings-
budgetten dient uiteraard rekening te houden
20 NTZ 1-2010
met de intensiteit van ondersteuningsbehoef-
ten van de betreffende personen. Aangezien
de SIS een maat voor de intensiteit van on-
dersteuningsbehoeften biedt, ligt voor de
hand dat de SIS bruikbaar kan zijn voor mid-
delenallocatie. Hiernaar heeft vooral in de
Verenigde Staten onderzoek plaatsgevonden
en in dertien staten wordt de SIS betrokken
bij het toekennen van persoonlijke budgetten
(Zaharia et al., 2008; Fortune et al., 2008,
2009; Kimmich et al., 2009; Wehmeyer et al.,
2009; zie ook: www.siswebsite.org). Ook in
Vlaanderen vindt onderzoek plaats naar ge-
bruik van (onderdelen van) de SIS bij de allo-
catie van persoonlijk budget door het Vlaams
Agentschap voor Personen met een Handicap
(Cornelis et al., 2009). Deze onderzoeken ma-
ken duidelijk dat gezien de verantwoordelijk-
heid die met middelenallocatie is gemoeid, de
methodiek strikt langs empirische weg en bin-
nen een zorgvuldig valideringstraject dient te
worden ontwikkeld. Daarenboven werden in
deze trajecten extra vragen ontwikkeld (voor-
al voor situaties van extreme ondersteunings-
behoeften) om de nauwkeurigheid te vergro-
ten. Een voordeel van gebruik van de SIS in
een dergelijk traject is dat met één instrument
informatie kan worden verzameld die zowel
voor inhoudelijke processen (voorbereiding
IOP; opstellen ondersteuningsprofiel) als voor
de evaluatie en allocatie van middelen bruik-
baar is.
5.7 Onderzoek
De SIS kan worden gebruikt in zowel prak-
tijkonderzoek als in wetenschappelijk onder-
zoek waarbij informatie over de intensiteit
van ondersteuningsbehoeften een rol speelt.
De SIS kan fungeren als afhankelijke variabele
of als basis voor classificatie van categorieën
van intensiteit van ondersteuningsbehoeften
of als moderatorvariabele (in multivariate
analyses).
5.8 Gebruik van de SIS bij andere
doelgroepen dan personen met een
verstandelijke beperking
De vraag wordt soms gesteld of de SIS ook
toepasbaar is bij andere doelgroepen, zoals
personen met een motorische of zintuiglijke
beperking, niet-aangeboren hersenletsel of
autisme. Een kleinschalig onderzoek (Gus-
cia et al., 2006) bevestigde de validiteit van
het instrument bij een groep personen met
niet-aangeboren hersenletsel. Bossaert et al.,
(2009) onderzochten de psychometrische ei-
genschappen van de SIS bij andere groepen
dan mensen met verstandelijke beperkingen.
Uit beide onderzoeken komen aanwijzingen
voor de mogelijkheid van gebruik van de
SIS als assessmentinstrument voor onder-
steuningsbehoeften bij andere doelgroepen.
Verder onderzoek is echter nodig, in het bij-
zonder naar de formulering van items en de
standaardisering. De huidige normen zijn in
andere groepen uiteraard niet van toepas-
sing.
6 Discussie en conclusie
In de huidige SIS is alleen Sectie 1 als meet-
schaal geconstrueerd en gestandaardiseerd.
Sectie 2 en Sectie 3 worden niet als meetin-
strument maar als signaallijsten gebruikt.
Omdat Sectie 2 op dezelfde wijze als Sectie 1
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
NTZ 1-2010 21
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
is geconstrueerd en ook de beide subschalen
van Sectie 3 met kwantitatieve scores werken,
ligt voor de hand dat het psychometrisch on-
derzoek wordt uitgebreid naar deze schaal-
secties (2 & 3). Gezien de betekenis van deze
subschalen voor het geheel van het professio-
nele onderzoek van ondersteuningsbehoeften,
is studie naar de integratie van Sectie 2 en 3 in
een totaaloordeel over ondersteuningsbehoef-
ten een verdere logische stap.
Alle SIS subschalen en de SIS-Index leveren
zeer hoge Cronbach-alfa waarden op. Daar-
naast zijn de item discriminatie-indices van
de SIS relatief hoog (Thompson et al., 2006,
p. 85). Ook zijn de intercorrelaties tussen de
subschalen relatief hoog. Dit alles wijst er op
dat de SIS over-gedetermineerd is. In principe
zou de SIS als meetinstrument ingekort kun-
nen worden zonder daarbij betrouwbaarheid
te verliezen (De Vellis, 2003). In studies waar-
in de SIS wordt gebruikt als voorspeller of
determinant van een persoonlijk budget blijkt
inderdaad dat niet alle items nodig zijn om
tot accurate beoordeling van intensiteit van
ondersteuningsbehoeften te komen (Fortune
et al., 2009; Cornelis et al., 2009). In studies
naar de toepasbaarheid van de SIS bij mensen
met niet verstandelijke beperkingen (zintuig-
lijke, motorische, NAH, ASS gerelateerde pro-
blematiek) werd eenzelfde conclusie bereikt
(Maes et al., 2008; Bossaert et al., 2009).
Factoranalyse laat niettemin zien dat de
huidige schaalstructuur met de zes subschalen
van Sectie 1 zeer robuust is. Daarnaast zijn
alle items gekozen als representatieve inhou-
delijke indicatoren van het concept ‘onder-
steuningsbehoefte’. Het verdient daarom aan-
beveling de SIS in haar geheel toe te passen
omdat daarmee een breed en valide spectrum
van ondersteuningsbehoeften van een persoon
ontstaat en uitkomsten op kwalitatief niveau
relevant zijn als input voor persoonlijke on-
dersteuningsplannen. Voor gespecialiseerde
kwantitatieve toepassingen zoals het toeken-
nen van ondersteuningsbudget op basis van
intensiteit van ondersteuningsbehoeften, kun-
nen (combinaties van) items met het hoogste
voorspellend gewicht empirisch worden gese-
lecteerd.
Voor toepassing van de SIS in de praktijk is
van belang te wijzen op de grote overlap van
de spreiding van SIS uitslagen tussen de clas-
sificatieniveaus van verstandelijke beperking.
Hoewel (in grote groepen) statistisch signifi-
cante verschillen in gemiddelde zorgzwaarte
tussen verschillende niveaus van verstandelijke
beperking wel degelijk aanwezig zijn, worden
grote overlappingen in spreiding van individu-
ele uitkomsten van intensiteit van ondersteu-
ningsbehoeften aangetroffen. Dit betekent dat
kwalificaties in termen van ‘licht’, ‘matig’,
‘ernstig’ of ‘diep’ verstandelijk beperkt weinig
zeggen over de intensiteit van ondersteunings-
behoeften van een individu en niet bruikbaar
zijn om deze te beoordelen.
In paragraaf 5 werd aangegeven dat de SIS
voor meerdere toepassingen kan worden ge-
bruikt. Om de SIS in elke situatie goed toe te
passen en te interpreteren, rekening houdend
met haar psychometrische eigenschappen, is
het van belang dat de schaal wordt gebruikt
22 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
na goede instructie en onder supervisie van
een gedragswetenschapper die vertrouwd is
met de eigenschappen van gedragsschalen in
het algemeen en met de specifieke kenmerken
van de SIS in het bijzonder.
Concluderend kan worden gesteld dat de
psychometrische eigenschappen van de Ne-
derlandstalige versie van de SIS voldoen aan
de wetenschappelijke eisen van constructie,
betrouwbaarheid en validiteit. Aanvullende
informatie uit buitenlandse studies onderbou-
wen verder de robuustheid van de schaal.
Zoals elke schaal of test voor het meten van
psychologische constructen dient de SIS op
voorgeschreven manier te worden afgenomen
en gescoord. Instructies, toelichtingen bij de
items en voorbeelden van scoring zijn opge-
nomen in de handleiding. Hierin staan ook de
Nederlandse en Vlaamse normtabellen voor
het omzetten van ruwe uitslagen in standaard-
scores waardoor vergelijkingen tussen perso-
nen of groepen mogelijk worden en ondersteu-
ningsprofielen kunnen worden opgesteld.
Auteurs
Dr. W.H.E. Buntinx, senior onderzoeker
Gouverneur Kremers Centrum en Capaci-
teitsgroep Beleid, Economie & Organisatie
van de Zorg, Maastricht University
Prof. dr. B. Maes, gewoon hoogleraar Cen-
trum voor Gezins- en Orthopedagogiek van
de K.U.Leuven
Drs. C. Claes, docent Orthopedagogiek Ho-
geschool Gent - Departement Sociaal-
Agogisch Werk en Onderzoeker Associatie
Ugent
Prof. dr. L.M.G. Curfs, hoogleraar Verstande-
lijke Handicap, Universiteit Maastricht/Aca -
demisch Ziekenhuis Maastricht en directeur
van het Gouverneur Kremers Centrum
Correspondentie-adres:
w.buntinx@beoz.unimaas.nl
Literatuur
Bossaert, G., Kuppens, S., Buntinx, W., Molleman, C., Van
den Abeele, A., & Maes, B. (2009). Usefulness of the
Supports Intensity Scale (SIS) for persons with other
than intellectual disabilities. Research in Develop-
mental Disabilities, 30, 1306–1316.
Buntinx, W.H.E., Groot, W.N.J., Maaskant, M.A. &
Adriaens, L. (2006a). Kosten vermaatschappelijking
van de zorg voor mensen met verstandelijke beperkin-
gen. Studie naar de personeelskosten van gedeconcen-
treerd wonen versus wonen op een instellingsterrein.
Maastricht: Universiteit Maastricht (BEOZ).
Buntinx, W.H.E. (2003). Wat is een verstandelijke handi-
cap? Definitie, assessment en ondersteuning volgens
het AAMR-model. Nederlands Tijdschrift voor de
Zorg aan verstandelijk gehandicapten, 29 (1), 4-24.
Buntinx, W.H.E. & Groot, W.N.J. (2006b). ‘Support
Intensity Scale’ (SIS) RADAR. Onderzoek van de
relatie ondersteuningsbehoefte en allocatie van mid-
delen. Maastricht: Universiteit Maastricht (BEOZ).
Buntinx, W.H.E., Molleman, C, & Abeele, A. van den
(2007). Rapportage Vlaamse normeringstudie van de
Supports Intensity Scale (SIS-NL1.0). Maastricht /
Brussel: Maastricht University BEOZ / VAPH.
Buntinx, W.H.E. (2008a). Dutch Translation of the
Supports Intensity Scale. In R.L. Schalock, J.R.
Thompson & M. J. Tassé. International Implemen-
tation of the Supports Intensity Scale™ (p. 15-17).
Washington, DC: American Association on Intellec-
tual and Developmental Disabilities.
Buntinx, W.H.E. (2008b). The Dutch Version of the Sup-
ports Intensity Scale. In R.L. Schalock, J.R. Thompson
& M. J. Tassé. Psychometric Properties of the Supports
Intensity Scale™ (p. 6-10). Washington, DC: Ameri-
can Association on Intellectual and Developmental
Disabilities.
Cicchetti, D. V., & Sparrow, S. A. (1981). Developing
criteria for establishing interrater reliability of spe-
cific items: Applications to assessment of adaptive
NTZ 1-2010 23
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
behavior. American Journal on Mental Deficiency,
86, 127–137.
Claes, C., Hove, G. van, Loon, J. van, Vandevelde, S., &
Schalock R.L. (2009). Evaluating the inter-respondent
(consumer vs. staff) reliability and construct validity
(SIS vs. Vineland) of the Supports Intensity Scale on
a Dutch sample. Journal of Intellectual Disability
Research. 53 (4) 329–338.
Cornelis, T., Abbeele, A, van den, Ermen, L. van, Jonckheere,
B., Boel, J. & Molleman, C. (2009). Syntheserapport:
Zorgzwaarte-instrument. Brussel: VAPH.
Cottini, L., Fedeli, D., Leoni, M., & Croce, L. (2008). La
Supports Intensity Scale nel panorama riabilitativo
italiano. Standardizzazione italiana e procedure psi-
cometriche. American Journal on Mental Retardation
- Italian Edition, 6(1), 21-38.
Edgerton, R. (1967). The cloak of competence: Stigma
in the lives of the mentally retarded. Berkeley, CA:
University of California Press.
Edgerton, R.B. (2001). The hidden majority of individuals
with mental retardation and developmental disabili-
ties. In A. Tymchuk, K. C. Lakin, and R. Luckasson
(Eds.), The forgotten generation: The status and chal-
lenges of adults with mild cognitive limitations (pp.
3-19). Baltimore, MD: Paul H. Brookes.
Fortune, J., Kimmich, M.H., & Ch. Giuseppina (2008).
The Virginia System for Resource Allocation: Equi-
tably Serving People with Developmental Disabilities
on the Comprehensive HCBS Waiver. Portland (OR):
Human Services Research Institute.
Fortune, J., Auerbach, K., Melda, K., Agosta, J. & Smith,
D. (2009). Colorado Supported Living Services (SLS)
Waiver: Equitably Serving People with Developmental
Disabilities with SIS-informed Spending Caps Using
Uniform Methodology for Resource Allocation. Port-
land (OR): Human Services Research Institute.
Guscia, R., Harries, J., Kirby, N., Nettelbeck, T., & Taplin,
J. (2006). Construct and criterion validities of the Ser-
vice Needs Assessment Profile (SNAP): A measure of
support for people with disabilities. Journal of Intel-
lectual and Developmental Disability, 31, 148-155.
Kimmich, M., Agosta, J., Fortune, J., Smith, D., Melda,
K., Auerbach, K., & Taub, S. (2009). Developing
Individual Budgets and Reimbursement Levels Using
the Supports Intensity Scale. Portland (OR): Human
Services Research Institute.
Kuppens, S., Bossaert, G., Buntinx, W., Molleman, C.
Abbeele, A. van den, & Maes, B. (accepted for publi-
cation, dec. 2009). Factorial Validity of the Supports
Intensity Scale (SIS). American Journal on Intellectual
and Developmental Disabilities.
Linn, R.L., & Gronlund, N.E. (2000). Measurement and
assessment in teaching (8th ed.). Upper Saddle River
(NJ): Prentice-Hall.
Loon, J. van (2008a). Een persoonsgerichte Ondersteu-
ningsmethodiek. Het methodisch bevorderen van
Kwaliteit van Bestaan voor mensen met een verstan-
delijke beperking. J. van Loon & G. van Hove. Per-
soonsgerichte ondersteuning en Kwaliteit van Bestaan
(p. 64-81). Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Loon, J. van (2008b). The Arduin Benchmark. In Schal-
ock, R.L., Thompson, J.R. & Tassé, M.J., Resource
Allocation and the Supports Intensity Scale™: Four
Papers on Issues and Approaches (p. 19-21). Wash-
ington, DC: AAIDD.
Luckasson, R., Brothwick-Duffy, S., Buntinx, W., Coulter,
D., Craig, P., Reeve, A., Schalock, R., Snell, M.,
Spitalnik, D., Spreat, S., & Tassé, M. (2002). Mental
Retardation: Definition, Classification and Systems
of Supports. Washington: American Association on
Mental Retardation.
Maes, B., Bossaert, G., Kuppens, S., Buntinx, W.,
Molleman, C., & Van den Abbeele, A. (2008). Inscha-
ling van bijzondere doelgroepen met de Supports
Intensity Scale (SIS-NL 1.0). Onderzoeksrapport.
Leuven: Katholieke Universiteit Leuven.
Morin, D., & Cobigo, V. (2009). Reliability of the Sup-
ports Intensity Scale (French Version). Intellectual and
Developmental Disabilities. 47 (1), 24–30.
RADAR (2009). Handleiding Cliëntverhaal. Proeven van
het leven. Maastricht: RADAR.
Schalock, R.L., Thompson, J.R. & Tassé, M.J. (eds)
(2008a). Relating Supports Intensity Scale Informa-
tion to Individual Service Plans. Washington, DC:
AAIDD.
Schalock, R.L., Thompson, J.R. & Tassé, M.J. (2008b).
Resource Allocation and the Supports Intensity
Scale™: Four Papers on Issues and Approaches.
Washington, DC: AAIDD.
Schalock, R.L., Borthwick-Duffy S.A., Bradley, V.J.,
Buntinx, W.H.E., Coulter, D.L., Craig, E.M., Gomez,
S.C., Lachapelle, Y., Luckasson, R., Reeve, A.,
Shogren, K.A., Snell, M.E., Spreat, S., Tassé, M.J.,
Thompson, J.R., Verdugo-Alonso, M.A., Wehmeyer,
M.L., & Yeager, M.H. (2010). Intellectual Disability:
Definition, Classification, and Systems of Supports
(Eleventh edition).Washington, D.C.: AAIDD.
Snell M.E., Luckasson, R., Borthwick-Duffy, S., Bradley,
V. Buntinx, W.H.E., L. Coulter D. et al. (2009).
Characteristics and Needs of People With Intellectual
Disability Who Have Higher IQs. Intellectual and
Developmental Disabilities, 47 (3): 220–233.
24 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
Speth, W.S.D. (2005). Vergelijkenderwijs. Een onderzoek
naar zorgintensiteit, toegekend met de CIZ indicatie
en gemeten met de Supports Intensity Scale (doctoraal
scriptie). Maastricht: Universiteit Maastricht.
Tassé, M.J., Schalock, R., Thompson, J.R., & Wehmeyer,
M. (2005, 20092). Guidelines for interviewing people
with disabilities: Supports Intensity Scale. American
Association on Intellectual and Developmental Dis-
abilities: Washington, DC.
Thompson, J. R., Hughes, C., Schalock, R. L., Silverman, W.,
Tasse, M. J., Bryant, B.R., Craig, E. M., & Campbell,
E. M. (2002). Integrating Supports in Assessment and
Planning. Mental Retardation, 40 (5), 390-405.
Thompson, J.R., Bryant, B.R., Campbell, E.M., Craig,
E.M., Hughes, C.M., Rotholz, D.A., Schalock, R.L.,
Silverman, W.P., Tassé, M.J. & Wehmeyer, M.L.
(2004). Supports Intensity Scale. Users Manual.
Washington: American Association on Mental Retar-
dation.
Thompson, J.R., Bryant, B.R., Campbell, E.M., Craig,
E.M., Hughes, C.M., Rotholz, D.A., Schalock, R.L.,
Silverman, W.P., Tassé, M.J. & Wehmeyer, M.L. –
vertaling: W.H.E. Buntinx (2006). Supports Intensity
Scale. Schaal Intensiteit van Ondersteuningsbehoef-
ten. Handleiding. Utrecht: NGBZ.
Thompson, J. R., Tassé, M. J., McLaughlin, C. A. (2008a).
Interrater Reliability of the Supports Intensity Scale
(SIS). American Journal on Mental Retardation. 113
(3), 231-237.
Thompson, J.R. (2008b). Ondersteuning en Ondersteu-
ningsbehoeften. Een uitnodiging om de toekomst uit
te vinden. In J. van Loon & G. van Hove. Persoons-
gerichte ondersteuning en Kwaliteit van Bestaan (p.
41-62). Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Thompson, J.R., Bradley, V., Buntinx, W.H.E.,
Schalock, R.L., Shogren, K.A., Snell, M., & Wehmey-
er M.L. (2009). Conceptualizing Supports and the
Support Needs of People with Intellectual Disabilities.
Intellectual and Developmental Disabilities. 47 (2),
135–146.
Thompson, J.R., Bryant, B.R., Campbell, E.M., Craig,
E.M., Hughes, C.M., Rotholz, D.A., Schalock, R.L.,
Silverman, W.P., Tassé, M.J. & Wehmeyer, M.L.
vertaling: W.H.E. Buntinx (2010). Supports Inten-
sity Scale. Schaal Intensiteit van Ondersteunings-
behoeften. Handleiding. Houten: Bohn Stafleu van
Loghum.
Unen, F. van (2003). Inzichtelijk verzorgd (doctoraal scrip-
tie). Maastricht: Universiteit Maastricht.
De Vellis, R. F. (2003). Scale development: Theory and
applications (2nd ed.). Thousand Oaks, CA: Sage.
Verdugo, M., Arias, B., Ibanèz, A., & Gómez, L. (2006).
Validation of the Spanish version of Supports Inten-
sity Scale. Journal of Applied Research in Intellectual
Disabilities, 19, 274.
Verdugo, M.A., Arias, B. e Ibáñez (2007a). La Escala de
Intensidad de Apoyos (SIS): Adaptación inicial al
contexto español y análisis de sus propiedades psico-
métricas. Siglo Cero, 38(2), 5-16.
Verdugo, M. A., Arias, B. e Ibáñez, A. (2007b). SIS.
Escala de Intensidad de Apoyos. Manual. Adaptación
española. Madrid: TEA [Adaptación española de J.R.
Thompson et al. (2004). Supports Intensity Scale-SIS,
Manual. AAIDD].
Verdugo, M.A., & Arias, B. (2008). SIS: Adaptation to
Spanish Context. Salamanca: INICO Universidad
de Salamanca (PowerPoint presentatie, ANFFAS SIS
conferentie, Rome, Feb. 2008).
Wade, D.T. (1992). Measurement in Neurological Rehabi-
litation. Oxford: Oxford University Press.
Wehmeyer, M., Chapman, T., Little T., Thompson, J.,
Schalock, R., & Tassé, M. (2009). Efficacy of the
Supports Intensity Scale (SIS) to Predict Extraordinary
Support Needs. American Journal on Intellectual and
Developmental Disabilities, 114 (1), 3–14.
NTZ 1-2010 25
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
Samenvatting
Sinds het verschijnen van de Nederland-
se vertaling van de Supports Intensity
Scale (SIS) in 2006 hebben verschillen-
de wetenschappelijke studies plaatsge-
vonden. Daarmee is het mogelijk een
overzicht te geven van de psychome-
trische eigenschappen van deze schaal
en van de toepassingsgebieden. In dit
artikel wordt, na een korte toelichting
op de constructie, gerapporteerd over
de betrouwbaarheid en validiteit aan
de hand van Nederlandse en Vlaamse
studies. Uitkomsten van internationale
studies worden gebruikt als spiegelin-
formatie.
De interne consistentie van de Neder-
landstalige SIS is zeer hoog. De split-half
betrouwbaarheid is eveneens hoog. De
standaardmeetfout is klein. De gevonden
waarden komen overeen met deze uit de
oorspronkelijke publicatie en uit inter-
nationale studies. Internationale studies
laten een goede test-hertest, inter-inter-
viewer en inter-respondent overeenkomst
zien. Voor de Nederlandstalige versie
zijn deze gegevens nog niet bekend. De
cliënt-respondent score-overeenkomst
van de Nederlandstalige versie is wel
onderzocht en is zoals verwacht lager;
dit wijst op de noodzaak de inschatting
van intensiteit van ondersteuningsbe-
hoeften niet exclusief op cliëntinformatie
te baseren maar altijd meerdere bronnen
te raadplegen.
Summary
Aim. After publication of the Dutch ver-
sion of the Supports Intensity Scale (SIS)
in 2006, several studies were conducted
to investigate the reliability and validity
of the scale in the Netherlands as well as
in the Dutch speaking region of Belgium
(Flanders).
Method. Studies took place separately in
both populations of persons with intel-
lectual disability. Both standardization
samples were fully representative for
the population characteristics of ‘age’,
‘gender’ and ‘severity of ID’. The Dutch
sample size was N= 570; The Flem-
ish sample size was 4.211. Apart from
these samples, data from other studies
(convenience samples) were also used
to investigate specific questions (inter-
nal consistency of F, DST and TOS
scores separately: table 2; correlations
with VABS and Barthel scale: tables 7 and
8). Additionally, reliability and validity
information from studies in the USA,
Spain, Italy and Canada were used to
compare scale property outcomes.
Results. Reliability in terms of inter-
nal consistency (Cronbach alpha) and
splithalf method showed in both popula-
tions ‘very good’ to ‘excellent’. SEM in
the Dutch sample was 1,5; SEM in the
Flemish sample was 2,1. No data are yet
available with respect to test-retest, inter-
interviewer and inter-respondent congru-
ence. However, one study on the congru-
26 NTZ 1-2010
De Nederlandstalige versie van de Supports Intensity Scale
De validiteit van de SIS werd onderzocht
met betrekking tot inhoudsvaliditeit, cri-
teriumvaliditeit, constructvaliditeit en
factorvaliditeit. Alle uitkomsten onder-
steunen de validiteit van de Nederlands-
talige SIS als meetinstrument voor alge-
mene ondersteuningsbehoeften.
Toepassing van de SIS is mogelijk voor
verschillende doeleinden. De SIS is een
didactisch instrument voor het leren van
het ondersteuningsperspectief als alter-
natief voor het (in)competentieperspec-
tief. De SIS kan aandachtspunten leveren
voor een Individueel Ondersteuningsplan
en levert een individueel of groepsprofiel
van ondersteuningsbehoeften. De SIS kan
worden gebruikt voor het toetsen van een
bestaande middelenverdeling binnen een
organisatie, voor individuele toewijzing
van middelen, en voor onderzoek.
Geconcludeerd wordt dat de Neder-
landstalige SIS een betrouwbare en vali-
de schaal is voor het professionele onder-
zoek van de intensiteit van ondersteu-
ningsbehoeften van mensen met verstan-
delijke beperkingen. De psychometrische
eigenschappen van de Nederlandstalige
versie zijn volledig in lijn met deze van
de originele Amerikaanse, Italiaanse,
Spaanse en Canadese versie. Zoals voor
elke test en schaal geldt ook voor de SIS
dat afname, scoring en toepassing zorg-
vuldig en met kennis van zaken dienen
te gebeuren. Supervisie door een GZ-
psycholoog is daarom gewenst.
ence between client respondent and pro-
fessional respondent SIS scores showed
weaker correlations than professional
respondent-professional respondent cor-
relations (table 3). Scale scores obtained
from interviews of persons with ID are
significantly lower than scale scores
obtained from professional respondents.
This is in support of the SIS standard
practice of interviewing at least two dif-
ferent knowledgeable respondents.
Content validity is enhanced by the trans-
lation procedure guaranteeing conform-
ity with the original SIS. Criterion valid-
ity correlations (with independent staff
judgment of supports needs, between r=
.75 & .83; with Flemish ELIDA scale for
daily life support needs, between r= .55
& .86) are all well above the minimum
value of r=.35. Construct validity shows
relevant subscale inter-correlations, sig-
nificant differences of mean SIS scores
between four ‘levels of severity of ID’,
and relevant negative correlations with
the VABS and Barthel scales for adaptive
behavior. No relevant correlations exist
between SIS and ‘age’ or ‘gender’. Final-
ly, factor analysis strongly confirms the
present structure of the six subscales of
SIS section 1. The factor study also sup-
ports the validity of the present SIS struc-
ture over a 1 factor solution in spite of
relatively high subscale inter-correlations
and high Cronbach alpha values.
NTZ 1-2010 27
W.H.E. Buntinx, B. Maes, C. Claes en L.M.G. Curfs
The article concludes with an overview
of SIS applications in the context of
staff education, individual support plans,
individual and group profile of support
needs, evaluation of resource use, alloca-
tion of resources, research and a reflec-
tion on the usefulness of the SIS in other
populations than ID.
Conclusion: Empirical studies are strong-
ly in support of the reliability and valid-
ity of the Dutch version of the SIS.
Comparison with international studies
shows that the psychometric properties
of the Dutch SIS are fully in line with
the American original as well as with the
Italian, the Spanish and the Canadian
versions. It is advised to also investigate
the psychometric properties of Sections
2 and 3 and to research combined use of
all sections for providing overall support
need information.
Vervolg Engelse summary
Article
Full-text available
Background To help people with intellectual disabilities lead a more independent life, it is important to promote their self‐management. This study evaluated the effectiveness of a self‐management training for people with intellectual disabilities directed at independent functioning in daily life. Method In the training, 17 people with intellectual disabilities worked on personal self‐management goals covering a wide range of everyday affairs. Primary outcome measures focused on goal attainment, independence and support needs. Moreover, outcomes regarding psychopathological behaviour and quality of life were explored. Data were collected before and at the start of the training, and 3, 6, 9 and 12 months later. Results The training contributed to the attainment of self‐management goals and to the reduction in support needs (p < 0.01). There were no changes in independence, psychopathological behaviour and quality of life. Conclusions Results indicate that the training supports people with intellectual disabilities to self‐manage their daily affairs.
Article
Full-text available
The Supports Intensity Scale (SIS) was developed to provide information on the support needs of persons with intellectual disability. Our aim here was to evaluate the factorial validity of the SIS in a sample of 14,862 persons with intellectual disability. The structure of the instrument as promulgated by the developers was tested and its stability evaluated across gender, age, disability complexity, and disability severity groups. Confirmatory factor analysis supported the originally proposed subscale structure. The six-factor structure yielded strict factorial invariance across gender, age, and disability complexity, whereas invariance of factor configuration was merely established across disability severity groups. Possible explanations and implications of these findings are discussed.
Article
Full-text available
This is the fourth article in a series of articles from the Terminology and Classification Commit- tee of the American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD). The intent of these articles is to communicate the organization's thoughts on critical issues associated with terminology, definition, and classification in
Article
In this 2002 manual (10th edition), the American Association on Mental Retardation (AAMR), through its Ad Hoc Committee on Terminology and Classification, continues its contribution of information on the definition and classification of the state of functioning currently known as mental retardation. With this work, the AAMR attempts to state, describe, organize, and extend the thinking in the field of mental retardation that has occurred over the past 10 years since the publication of the AAMR's 1992 manual. The present manual contains and describes the logical continuation in conceptualizing mental retardation as functional and contextual. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)
Article
In response to the shift from a system-centred care model to a person-centred support model, the Supports Intensity Scale (SIS) has been developed as an instrument to assess the support needs of persons with intellectual disabilities. The instrument is used as a tool for constructing individual support plans, as well as a tool for resource allocation. The aim of the present study was to evaluate the usefulness of the SIS for persons with other than intellectual disabilities. Therefore, the psychometric properties of the SIS were investigated in a sample of 1303 persons with other than intellectual disabilities. Confirmatory factor analysis failed to support the originally proposed six-factor model within this sample. However, an explorative examination of the underlying structure resulted in a shortened version of the SIS, including four subscales and 22 items. Further analyses revealed satisfying results for reliability, construct validity, and criterion validity of the shortened assessment tool (SIS-NID).