ArticlePDF Available

J. de Niet, Ziekentroosters op de pastorale markt 1550-1880

Authors:
Article

J. de Niet, Ziekentroosters op de pastorale markt 1550-1880

Niet, J. de, Ziekentroosters op de pastorale markt 1550-1880 (Dissertatie
Vrije Universiteit Amsterdam 2006, Rotterdam: Erasmus Publishing, 2006,
291 blz., 27,50, ISBN 90 5235 184 8).
In de geschiedschrijving van het protestantse pastoraat en meer in het
algemeen die van het protestants kerkelijk leven is de aandacht vooral
uitgegaan naar de predikant. Daaronder bestond echter nog een groot aantal
lagere kerkelijke ambten zoals dat van catechiseermeester of -meesteres,
stoelenzetster, togadrager, consistoriebediende, voorlezer, voorzanger en kran-
kenbezoeker of ziekentrooster. Over dit laatste aan h et eind van de
negentiende eeuw verdwenen ambt handelt het proefschrift van Johan de Niet
(promotor prof. dr. Willem Frijhoff, begeleider prof. dr. F. van Lieburg). Als
theoretische ondergrond fungeerde naar analogie van de medische geschiedenis
het begrip pastorale markt. De Niet ziet dit begrip evenals trouwens Frijhoff
al eerder deed voor de medische markt als een metafoor en niet als een markt
zoals economen die beschrijven. Voor de pastorale markt geldt in nog sterkere
mate dan voor de medische markt dat er weinig samenhang is tussen
concurrentieverhoudingen en prijsontwikkeling. De keuzes die gelovigen
maken worden sterk bepaald door de culturele bagage die ze meedragen en
door de institutionele inbedding van de aangeboden pastorale diensten. De
mogelijkheden om deze markt te betreden waren veel beperkter dan bij de
medische markt. Immers, alle aanbieders van deze zorg waren in dienst van de
overheid of een kerkgenootschap. Men zou mijns inziens ook kunnen spreken
van een onvolmaakte, door instituties gereguleerde markt waar de vragers naar
zorg veel minder keus hadden dan op andere markten.
Aangezien de functie van ziekentrooster in de Hervormde Kerk pas in 1816
landelijk werd geregeld, moest De Niet voor de periode daarvoor veel
onderzoek doen in locale archieven. Hij deed dit voor drie steden: Amsterdam,
verreweg de grootste stad van de Republiek en later Nederland, Leiden, een
grote stad in Holland die in de achttiende eeuw sterk achteruit ging en veel
armen telde, en Deventer, een middelgrote stad met een nagenoeg statische
economie. Hoofdbron waren de acta van de kerkenraad van de gereformeerde
gemeenten, de resolutieboeken van de stadsbesturen en de rekeningen van de
geconfisqueerde geestelijke goederen, waaruit tot ca. 1800 vaak de salarissen
van de ziekentrooster werden betaald. Al lezend verzamelde de onderzoeker
gegevens over 244 bedienaars van dit ambt (Amsterdam 154; Leiden 64 en
Deventer 26).
Enkele malen kijkt De Niet over de heg naar andere kerken, zoals naar de
lutheranen waar ook ziekentroosters werkzaam waren of naar de katholieke
kerk waar kloppen of geestelijke dochters dit werk deden. In de gereformeerde
kerk werd rond 1600 enkele malen melding gemaakt van vrouwelijke zieken-
bezoekers, diaconessen genaamd, maar dit zette niet door. Een voorstel van de
Amsterdamse vrijzinnige predikant P. H. Hugenholtz in 1871 om vrouwelijke
krankenbezoekers te benoemen haalde het ook al niet. De gereformeerde kerk
bleef tot diep in de twintigste eeuw een organisatie van mannen, maar onder
RECENSIES
WEBPUBLICATIE 1
de kerkbezoekers en de bezochte zieken waren vrouwen wel oververtegen-
woordigd. De onderzoeker gaat hier echter verder niet op in.
Na een korte inleiding volgen vier chronologische hoofdstukken over de
ontwikkeling van het ambt tussen 1563 en ca. 1880. Na dit chronologische
gedeelte gaat De Niet in op themata zoals profiel, arbeidsvoorwaarden, status,
het werk zelf, publicaties, verhouding tot predikant en kerkenraad enz. Vanaf
het prille begin behoorde het bezoeken, vermanen en troosten van zieken en
stervenden tot de kerntaken van de predikant, maar al spoedig bleek dat met
name in tijden van pestepidemieën hij dat werk niet alleen aan kon. In Londen
benoemde de kerkenraad van de gereformeerde vluchtelingengemeente daarom
in 1563 een ziekentrooster. Aanvankelijk was de afstand tussen predikant en
ziekentrooster nog niet zo groot, maar in de loop van de zeventiende eeuw
werd met de instroom van academisch gevormde predikanten deze afstand
steeds groter. Dat nam niet weg dat de functie van ziekentrooster aantrekkelijk
was. Het salaris was heel behoorlijk (in Amsterdam 800 gulden per jaar, terwijl
de predikanten daar maximaal 2200 gulden verdienden). Zij kwamen niet vaak
in botsing met de kerkenraad en waren niet zo ontvankelijk voor nieuwe, door
kerkenraden vaak met argusogen bekeken stromingen als het piëtisme dat in de
late zeventiende eeuw veel gereformeerde gelovigen in zijn greep kreeg, wat
leidde tot een opbloei van conventikels.
De scheiding van kerk en staat die in 1796 en volgende jaren werd
doorgevoerd was voor de lagere kerkelijke ambten nadelig omdat hun salaris
niet meer werd betaald uit de kantoren van de geestelijke goederen. Zij werden
zo veel meer afhankelijk van de kerkvoogdij die de geldmiddelen beheerde.
Het aantal ziekentroosters nam af en het salaris daalde. Het reglement van
1816 legde de al in de achttiende eeuw ontstane relatie tussen ziekentrooster en
godsdienstonderwijzer vast. De ziekentroosters werden voortaan gerekruteerd
uit het corps van godsdienstonderwijzers. In de tijd daarna kwam de
ziekentrooster klem te zitten tussen de predikant die het bezoeken van de
zieken tot een aan hem voorbehouden taak ging beschouwen en de godsdienst-
onderwijzer die aan de weg timmerde en door vorming van verenigingen zijn
positie versterkte. Beide beroepen maakten een professionaliseringsproces door.
Na 1870 besloot de ene na de andere kerkenraad meestal na het overlijden van
een ziekentrooster geen opvolger meer te benoemen. In de ziekenhuizen
hielden ze het nog het langste vol, maar in 1900 was het gedaan met de
krankenbezoeker.
De auteur beperkte zich gelukkig niet tot benoemingskwesties en reglemen-
ten die voorschreven hoe het hoorde, maar slaagde er in om de dagelijkse
praktijk vanonder het stof vandaan te halen. Er bestond een ongeschreven wet
dat de predikant de rijke en meer in aanzien staande zieken met een bezoek
vereerde, terwijl de ziekentrooster zich toelegde op de veel talrijker armen. In
een nota uit 1813 schreven enige Amsterdamse krankenbezoekers dat hun
werk nooit af was en dat zij koomen in wooningen daar het krield van
wandlijzen en dergelijk afschuwelijk gedierte. (257)
Johan de Niet heeft een interessant en gedegen boek geschreven over een
bijna vergeten beroepsgroep en daarmee een lacune opgevuld. Het boek geeft
ook meer inzicht in de veranderende verhouding tussen zielszorg en
RECENSIES
2WEBPUBLICATIE
gezondheidszorg en tussen medicus en zielzorger. Rond 1800 streefden de
ziekentroosters naar professionalisering, maar anders dan de schoolmeesters en
de predikanten slaagden zij daar niet in. Professionalisering lukt dus niet altijd.
Ton Kappelhof
RECENSIES
WEBPUBLICATIE 3
Hageman, M. J. M., Het kwade exempel van Gelre. De stad Nijmegen, de
Beeldenstorm en de Raad van beroerten, 1566-1568 (Dissertatie Nijmegen
2005, Werken uitgegeven doo r Gelre, Vereniging tot beoefening van
Gelderse geschiedenis, oudheidkunde en recht LIX; Nijmegen: Vantilt,
2005, 453 blz., 27,50, ISBN 90 77503 23 4).
Hoewel er in de loop der jaren heel wat lokale studies over de beelden-
storm verschenen zijn, is het lang geleden dat een lokale studie van een
dergelijke omvang werd gewijd aan de gebeurtenissen van 1566 en hun nasleep.
Op het eerste gezicht lijkt het wat verbazingwekkend dat juist Nijmegen het
onderwerp van zon studie is geworden; tenslotte sneuvelde er niet meer dan
een handvol beelden in de stad. Wat volgens Maarten Hageman, die in 2005
aan de Radboud Universiteit op deze studie promoveerde, echter wel om een
verklaring vroeg was het uitzonderlijke hoge aantal Nijmegenaren dat wegens
hun aandeel in de onlusten door de Raad van beroerten zou zijn veroordeeld.
Volgens de Liste des Condamnés van A.L.E. Vermeyden waren er 187
Nijmegenaren gevonnist, een beduidend hoger aantal dan in steden als Brugge,
Brussel, Breda en Middelburg. Hagemans aanvankelijke inzet was om dit te
verklaren en te verkennen welke socio-economische en politieke factoren een
rol hadden gespeeld in de Beeldenstorm.
Hageman heeft vele jaren aan dit project gewerkt en dat is goed te merken.
Enerzijds betekent het dat hij een buitengewoon gedegen en leesbaar boek
heeft afgeleverd. Anderzijds moet gezegd dat de oorspronkelijke vraagstelling
inmiddels wat verouderd is geraakt. Zijn conclusie dat de Nijmeegse beelden-
storm geen hongeroproer was zal inmiddels weinigen in het veld meer
verbazen, terwijl ook zijn bevinding dat de betrokkenen bij de geuzerij uit
alle sociale strata afkomstig waren ons niet meer hoeft te verwonderen.
Aangezien en passant ook nog bleek dat Vermeydens tellingen niet klopten, en
dat slechts 68 van de 187 Nijmeegse vonnissen werkelijk tegen inwoners van
de stad waren uitgesproken (de andere veroordeelden kwamen uit andere delen
van Gelre), lijkt veel van de raison dêtre voor dit boek te zijn vervaagd.
Maar gelukkig heeft Hageman het niet bij zijn oorspronkelijke vraagstelling
gelaten, en heeft dit boek wel degelijk andere verrassingen in petto. De
belangrijkste daarvan is dat de auteur zijn blik heeft verruimd tot de bredere
politieke context waarin de gebeurtenissen in Nijmegen zich ontvouwden. De
Nijmeegse Raad en de Sinter Claesmeesters (de zeer invloedrijke representan-
ten van de kooplieden in de stad) bleken in 1566 geneigd tot het tolereren van
gereformeerde prediking. Dat was deels omdat sommigen van hen zelf met de
reformatie sympathiseerden, maar ook omdat verzet tegen de inquisitie een
symbool was geworden van Gelderse pogingen om de gewestelijke privileges
te verdedigen tegen de nieuwigheden van de Habsburgse overheid. Gelderse
edellieden waren zeer actief in de adellijke oppositie tegen de plakkaten, terwijl
ook de Gelderse kwartieren, geleid door Nijmegen, hun eigen Geheime Unie
tegen de inquisitie sloten. Steeds luidruchtiger formuleerden ze de eis om hun
RECENSIES
WEBPUBLICATIE 1
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.