ArticlePDF Available

Inventarisatie van verwijzingspatroon, onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen

Authors:

Figures

Content may be subject to copyright.
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
Inventarisatie van verwijzingspatroon, onderzoek en behandeling van
kinderen met schrijfproblemen
Een digitale enquête.
Werkgroep Kinderfysiotherapie en Schrijven:
Ida Bosga-Stork*, Anneloes Overvelde, Ingrid van Bommel, Ria Nijhuis-Van der Sanden,
Mathieu van Cauteren, Bert Halfwerk, Bouwien Smits-Engelsman
Ingrid van Bommel, PT, MSPT
Mutsaertsstichting Zorgnet Limburg
Praktijk Kinderfysiotherapie Wessem
Docent Avans + Breda
Ida Bosga-Stork, PT, MRes CNS
Praktijk Kinderfysiotherapeut Doorn,
Docent Master Kinderfysiotherapie Utrecht
Mathieu van Cauteren PT MSPT
Praktijk Kinderfysiotherapie Beesel
Bert Halfwerk PT MSPT
Praktijk Kinderfysiotherapie Zwolle
Docent Master Kinderfysiotherapie Utrecht
Prof. Dr. M.W.G. Nijhuis-Van der Sanden
Professor and Chair in Allied Health Sciences
114 IQ healthcare, Radboud University Nijmegen Medical Centre
Head of the department Pediatric Physical Therapy, 818
University Children's Hospital, Radboud University Nijmegen Medical Centre
Anneloes Overvelde, PT, MRes CNS
Praktijk Kinderfysiotherapie Mierlo
Docent Avans+ Breda
Donders Centre for Cognition, Radboud University Nijmegen
Prof. Dr.B.C.M. Smits-Engelsman
Avans+ University for Professionals Breda
Professor at Dep.of Biomedical Kinesiology Leuven
Research Center for Movement Control and Neuroplasticity
*
Ida Bosga-Stork
De Beaufortweg 18
3941 PB Doorn
0343-412969
bosga@xs4all.nl
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
De ‘werkgroep kinderfysiotherapie en schrijven houdt zich bezig met visievorming over
onderzoek en behandeling van motorische schrijfstoornissen in Nederland. Een aantal
docenten, die nauw betrokken zijn bij de opleidingen kinderfysiotherapie Breda en
Utrecht en de daaraan verbonden nascholing ‘kinderen met schrijfstoornissen’, streven
uniformiteit van handelen bij diagnostiek, behandeling en voorlichting na. Een van de
doelen van de ‘werkgroep kinderfysiotherapie en schrijven’ is het ordenen van
informatie vanuit wetenschap en het werkveld om te komen tot een stroomdiagram, in
een later stadium gevolgd door een richtlijn, ten behoeve van kinderen met motorische
schrijfproblemen.
In samenspraak met het bestuur van de NVFK is besloten een enquête te doen uitgaan onder
de NVFK leden, met als doel het inventariseren van de wijze van onderzoek en behandeling
van kinderen die met schrijfproblemen bij de kinderfysiotherapeut worden aangemeld.
Tijdens het najaarscongres van de NVFK op 14 en 15 november 2008 is een
vooraankondiging gedaan van deze digitale enquête. Vervolgens is het adressenbestand van
de NVFK gebruikt om deze digitale enquête te verspreiden onder de kinderfysiotherapeuten.
De werkgroep kinderfysiotherapie en schrijven heeft middels deze enquête een
inventarisatie gemaakt van de praktijk en opleidingsgegevens van de kinderfysiotherapeuten
die zich bezig houden met schrijfproblemen. Ook de toestroom, het onderzoek en de
behandelwijze van deze kinderen zijn in kaart gebracht. Daarnaast is de behoefte aan een
richtlijn geïnventariseerd.
In het bestand van de NVFK zijn in november 2008 972 leden opgenomen, waarvan 753
bevoegde leden (geregistreerd als kinderfysiotherapeut), 206 aspirant leden, 7 ere leden en 6
leden van verdienste.
Tussen 21-11-2008 en 26-01-2009 hebben 375 van het totaal van 948 aangeschreven
kinderfysiotherapeuten uit het adressenbestand van de NVFK gereageerd op deze digitale
enquête (43% van de geregistreerde leden, 39% van alle leden). 22 van de respondenten
hebben aangegeven geen kinderen met schrijfstoornissen te behandelen (vraag 1), waarna een
groep van 353 respondenten is overgebleven voor beantwoorden van het verdere vervolg van
de vragen. De resultaten van deze groep worden hier gerapporteerd. Enkele respondenten (4)
hebben niet alle vragen beantwoord, waardoor er kleine verschillen in aantallen per antwoord
zijn ontstaan.
De informatie uit de enquête is geordend in
1. Kenmerken van de kinderfysiotherapeut,
2. Kenmerken van de praktijk (verwijzing en samenwerkingsverbanden)
3. Kenmerken van de behandeling
4. Antwoorden over een richtlijn
1. De kinderfysiotherapeut
Register kinderfysiotherapie NVFK
Van de 353 respondenten op deze enquête zijn er 326 geregistreerd als kinderfysiotherapeut in
het register van de NVFK, 14 wel kinderfysiotherapeut, maar niet geregistreerd als
kinderfysiotherapeut en 9 geen kinderfysiotherapeut, maar wel werkzaam met kinderen. Van
deze 353 respondenten (figuur 1) is het grootste gedeelte (243) meer dan 10 jaar werkzaam,
de meesten in de particuliere praktijk. Onder “anders” (figuur 2) zijn de specifieke
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
werkplaatsen zoals MKD, therapeutische centra, internationale school, vroegbehandeling en
adviescentra geplaatst.
Figuur 1
Figuur 2
In onderstaande tabel zijn de uren per week, die de kinderfysiotherapeut besteedt aan het
behandelen en begeleiden van kinderen, samengevoegd met het aantal uren specifiek besteed
aan schrijfproblemen.
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
Tabel 1
Percentage besteed aan schrijfstoornissen
25 %
50 %
75 %
Totaal
Aantal uren werkzaam met
kinderen
0 - 4 uur
1
1
4 - 8 uur
7
2
10
8 - 16 uur
34
18
2
56
16 - 24
uur
75
26
6
107
24 - 32
uur
85
32
3
120
full-time
43
11
2
56
Totaal
245
89
13
350
Scholing van de kinderfysiotherapeut
276 respondenten (79%) heeft een cursus gevolgd die gericht is op onderzoek en behandeling
van kinderen met schrijfproblemen. 75 respondenten (21%) hebben dit niet gedaan.
Figuur 3
Onder “anders” zijn een aantal cursussen/studiedagen/avonden gegroepeerd die eenmalig
vermeld en/of niet nader uitgelegd zijn: veel over gelezen c.q. zelfstudie (7), schrijven met
een Smile (3), cursus visuele opvoeding van B. Halfwerk (3) en een 20-tal eenmalig
voorkomende cursussen variërend van praktische training tot „ruitenwisserscursus‟.
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
De kinderfysiotherapeut die uit deze groep respondenten naar voren komt heeft de volgende
kenmerken: 46% van deze groep respondenten werkt langer dan 20 jaar met kinderen, 91% in
de 1e lijn gezondheidszorg en 25% op speciaal basisonderwijs, al dan niet vanuit een 1e lijn
praktijk. 60% van de respondenten werkt tussen de 16 en 32 uur en 15 % werkt fulltime met
kinderen.
Van het aantal uren dat gewerkt wordt, besteedt 70% van de respondenten een kwart (25%)
van de tijd aan het begeleiden van kinderen met schrijfproblemen, bij 25% procent van de
respondenten wordt de helft van de tijd (50%) hieraan besteed. Vijf respondenten werken
fulltime met kinderen met schrijfproblemen.
Bijna 80% van de respondenten heeft een cursus gevolgd om zich nader te oriënteren op de
behandeling van kinderen met schrijfproblemen. Opvallend zijn het grote aantal kleinere
cursussen/studiedagen/avonden.
2. De praktijk: verwijzing en samenwerkingsverbanden
Aanmeldingen
Wanneer kinderen met schrijfproblemen worden aangemeld komt de hulpvraag meestal van
de leerkracht (96%). Onder „anders‟ bij verwijzer vallen de schoolarts (13x) , ambulant
begeleider, logopedist of andere hulpverleners. Bij deze vraag is tevens aangegeven welk
percentage van de aangemelde kinderen gebruikt maakt van de DTF.
Figuur 4
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
Figuur 5
Het aantal nieuwe aanmeldingen per jaar is samengevoegd met het aantal kinderen dat ook
werkelijk in behandeling wordt genomen. Van de 351 respondenten zijn er 4 die meer dan
100 kinderen en 40 (11%) die minder dan 10 kinderen per jaar zien. De helft van de
respondenten (181, 51%) heeft tussen de 10 en 25 nieuwe aanmeldingen van kinderen met
schrijfproblemen per jaar, een kwart (97, 27%) 25-50 aanmeldingen. De verdeling van de
aanmeldingen over groep 1 tot en met 8 is weergegeven in figuur 6. Van de 348 respondenten
ziet 72% (253) geen kinderen uit het voortgezet onderwijs.
Tabel 2
Percentage kinderen dat in behandeling wordt
genomen
0 - 25
%
25 - 50 %
50 - 75 %
75 - 100 %
Totaal
Nieuwe aanmeldingen
per jaar (aantal)
< 10 kinderen
6
10
23
39
10 tot 25 kinderen
11
15
65
90
181
25 tot 50 kinderen
3
19
34
41
97
50 tot 100 kinderen
1
15
13
29
> 100 kinderen
2
2
4
Totaal
21
34
126
169
350
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
Figuur 6
Samenwerking met andere disciplines
Bij deze open vraag heeft de respondent zelf de discipline(s) waarmee samengewerkt wordt
ingevuld. De veel voorkomende samenwerkingsverbanden zijn in aantallen weergegeven in
de tabel. Daarnaast zijn er minder vaak voorkomende disciplines, onder de kolom “anders”
ingevoegd. Hieronder vallen: Motorische Remedial Teaching (16), optometrist (5), manueel
therapeut (4) en gz psycholoog (1), gedragskundige (1), maatschappelijk werk (1x),
pedagogisch medewerker (1), schrijfpedagoog (1) eurytmie therapeut (1), spelbegeleiding (1)
en osteopaat (1).
Figuur 7
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
3. De behandeling: meetinstrumenten en duur
Diagnostische en evaluatieve meetinstrumenten
De vragen naar het gebruik van diagnostische en evaluatieve meetinstrumenten zijn als open
vragen aangeboden. Hiermee is ruimte gegeven aan de eigen inbreng van de
kinderfysiotherapeut in de keuze van instrumenten. De bekende meetinstrumenten,
weergegeven in onderstaande tabel, spreken voor zich. Onder de kolom anders zijn een
aantal, al dan niet gestandaardiseerde, diagnostische en evaluatieve meetinstrumenten (a),
vragenlijsten (b), en observatiemethodieken (c) opgenomen, hieronder nader beschreven.
Figuur 8
Diagnostische meetinstrumenten
a. Minder vaak gebruikte meetinstrumenten: AKFTNOZ/algemeen neurologisch
onderzoek, neuromotorisch onderzoek (18x), Stambak (15), King Devicktest (15),
Groffmantest (4), lateralisatieonderzoek (6), Bulbena (6), pointileertest (5),
Goodenough Draw-A-Mantest (5), spierkrachttesten (4), Bioptoronderzoek (4),
lateralisatietests (3), HMKTK (3), mobiliteitsonderzoek (2,) Amiel/Tison en
neurologische onderzoek (2), neurologische testen volgens Touwen (cursus
M.Hadders (2), Huybrechts (2), Dominantieonderzoek van Muller (2) en A. van Engen
(1), verder 1-maal voorkomend : Beighton, Stambaktest voor auditief geheugen,
gnosistest, Head-Berges, Lezine, vingervolgtest, praxistest, MfM, TIG, manual form
perception, finger indentification, graphesthesietest, tactiele stimulus test,
oogmotorische test, Wiegersma, statische coördinatietest, PCM kleuters. MOT 4-6,
Eigen instrumenten vanuit de revalidatie (ontwikkeld uit andere instrumenten), SPL-
nl, reversal test, bilaterale coördinatietest, Vlaamse schrijfsnelheidstest, Valley links-
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
rechtsonderzoek, VRT, VRC, MVT, Edfeldt, coördinatietesten specifiek voor armen,
test voor visueel geheugen, Visual Recalltest, BSID, TGMD, KTT (Klap Tik Test),
VOUW (vouwblaadjestest), Bruininks-Oseretsky, taaltoets voor allochtonen,
schoolrijpheidstoets.
b. Vragenlijsten : Sensory Profile Vragenlijst (8), CVO/DCDQ (2), VAS-score bij
pijn(1), COPM (1), oudervragenlijst MABC, vragenlijst voor ouders van NVFK,
c. Observatie methodieken : SCSIT of observatie vlg NCSI of delen uit SI of SIT of
Observatie E.Rengerhart (18), Scorelijst schrijfonderzoek B.Smits-Engelsman (14)
Onderdelen uit observatie van A.v.Hagen (8), eigen observatie/onderzoek (6),
Methode Alger Hagen/Pregrafomotoriek (5), Schrijfmotorische toetsen uit Oseretsky :
doolhof en pointileer (5), handschrift en schrijfproduct van school (5),
schrijfdans/schrijftoets (3), knutselobservatie (2), taakgeoriënteerde observatie, laten
maken van tangrammen, schrijfpatronen groep 2 Evert van Dijk, eigen onderzoek
(gebaseerd op NDT principes), letteranalyse, onderdelen Kaat Timmermans, sneltest
om vingervlugheid te bekijken.
Evaluatieve Meetinstrumenten
a. Meetinstrumenten: Stambak (13), lateralisatieonderzoek (4), grafomotorische
onderzoek A. v. Hagen (2), pre-grafomotoriek (2), TIG, Stambak korte termijn
geheugen, Mulleronderzoek, stereognosie, vingergnosie, Lezine, visuele testen,
neurologische onderzoek (2), aanvullende testjes coördinatie handen en ogen (2),
motoscopie, herhaling testen waarop kind laag scoorde, dominantieproef linker en
rechter hand, MOT 4-6, VRT HMKTK (2), Kinderfysiotherapeutisch onderzoek (6),
Huybrechtse schoolrijpheidstest, Deelaspecten uit BHK, VMI, ABC en GHB.
b. Vragenlijsten: Terughoren oordeel leerkracht (15), DCD Q, GMO, COPM,
c. Observatiemethodieken: Eigen observatie (14), Beoordeling schrijfproduct eigen
schrijfschrift (10), Observatielijst Smits-Engelsman (7), SIT (6), schrijfdans (2),
schrijfpatronen Evert van Dijk, motorische observatielijst, taal en rekenschrift, eigen
instrument uit revalidatie, schrijfanalyse en letteranalyse, werken en toetsen zoals bij
A. v. Hagen geleerd en eigen ervaring.
Duur van de behandeling
Van het totaal van 350 respondenten zijn 3 respondenten binnen 2 maanden klaar met een
behandeling en hebben 8 respondenten meer dan een jaar nodig. 34% (119) van de
respondenten geeft een behandelduur van 2-4 maanden aan en 39 % (135) heeft 4-6 maanden
nodig.
4. Richtlijnen bij schrijfstoornissen.
Op de vraag of er behoefte bestaat aan een richtlijn voor kinderen met schrijfproblemen heeft
77% van de respondenten bevestigend geantwoord, 10 % ontkennend en 12 % heeft hier geen
mening over.
Naast deze gesloten vraag is ruimte gegeven om de mening over de richtlijn nader uit te
werken, een mogelijkheid waarvan velen gebruik hebben gemaakt (waarvoor dank!). Bij de
inventarisatie is er een groot aantal opmerkingen naar voren gekomen die ons kunnen helpen
bij de invulling van het protocol. Ook heeft een aantal kinderfysiotherapeuten spontaan hulp
aangeboden bij deze ontwikkelingen. Tenslotte zijn er een aantal kritische kanttekeningen
tevoorschijn gekomen: De meest voorkomende hiervan is de uitgesproken zorg over de
beperkende invloed van een richtlijn bij de uitvoering van de hulpverlening aan kinderen met
een grote diversiteit van schrijfproblemen.
Bosga-Stork, Overvelde, Van Bommel-Rutgers, Nijhuis-Van der Sanden, Van Cauteren, Halfwerk, Smits-Engelsman. (2009).
Inventarisatie van onderzoek en behandeling van kinderen met schrijfproblemen in de praktijk kinderfysiotherapie. Een
digitale enquête. Ned Tijdschr Kinderfysiother.
Praktijkgegevens en behandelingsachtergronden (3,4) leveren de volgende gegevens:
De hulpvraag bij kinderen met schrijfproblemen komt voor het grootste deel vanuit de school
(96%). Ook ouders komen met een hulpvraag op schrijfgebied (28%), waarbij door de
meerkeuze mogelijkheid van deze vraag een combinatie van de hulpvraag
leerkracht/ouder/kind gevormd kan zijn. De schoolarts is verantwoordelijk voor 3% van de
verwijzingen bij schrijfstoornissen. Bij ruim de helft van de kinderfysiotherapeuten (66%)
komt tussen de 50 en 100% van de kinderen via de directe toegankelijkheid het
behandelingstraject binnen. Drie kwart van de kinderfysiotherapeuten zien ongeveer 25
nieuwe kinderen met schrijfproblemen per jaar. Tussen de 25 en 75 % van deze kinderen
komen uit groep 3, 4 en 5. Van de 350 respondenten geeft bijna de helft (169, 48%) aan dat
tussen de 75 - 100 % van de kinderen die aangemeld worden, na onderzoek, ook
daadwerkelijk in behandeling genomen wordt. Tijdens een 8-32 urige werkweek, besteden de
kinderfysiotherapeuten 25-50 procent van hun tijd aan onderzoek en behandeling van
kinderen met schrijfproblemen. Bij de vraag naar samenwerking met andere disciplines valt
het aantal respondenten (85) dat de samenwerking met ouders aangeeft op, waarbij de vraag
zich voordoet of ouders gezien kunnen worden als een discipline of dat samenwerking met
ouders een gegeven is. Bij de hulpvraag “schrijfproblemen” is de verwachting dat de BHK,
een meetinstrument dat de schrijfvaardigheid meet en evalueert, het meest frequent gebruikt
wordt. Bij de diagnostische meetinstrumenten is de MABC, een instrument om de motorische
ontwikkeling in vergelijk met leeftijdsgenoten te beoordelen, het meest gebruikte
meetinstrument. Mogelijk is de interpretatie van „schrijven‟ in groep 1 en 2, van invloed
geweest op de antwoorden over de keuze van het soort diagnostisch en evaluatief
meetinstrument voor deze groep. Er lijkt een sterke behoefte aan na- en bijscholing te zijn,
zichtbaar in de enorme diversiteit aan vooral korte cursussen op het gebied van schrijven, die
door de kinderfysiotherapeuten gevolgd worden.
Slotconclusie
Werken volgens het HOAC model (waarbij een aanname gemaakt wordt over het ontstaan
van het schrijfprobleem genoemd in hulpvraag en een behandeling wordt onderbouwd), is
een van de pijlers bij het onderzoeken en behandelen van kinderen. Duidelijkheid in keuze en
het kunnen interpreteren van de uitkomsten van meetinstrumenten is een punt van aandacht
voor de verdere ontwikkeling van expertise op het gebied van de behandeling van
schrijfstoornissen. Ten tijde van de ontwikkeling van ecologische benaderingswijzen, “family
centered” werken en context gebonden behandeling, lijkt een discussie over de vormen van
samenwerking met de verschillende disciplines een noodzakelijke stap bij de begeleiding van
kinderen met schrijfproblemen.
De beslissing te kiezen voor het ontwikkelen van een protocol/ richtlijn „Kinderen met
motorische schrijfstoornissen wordt gedragen door de leden. De „werkgroep
kinderfysiotherapie en schrijven‟ is bevestigd in haar mening dat er een (te) grote diversiteit
in onderzoek en behandelen bestaat onder de Nederlandse kinderfysiotherapeuten en ziet
hierin een reden om allereerst een op beste evidentie gebaseerd protocol (flowchart) samen te
stellen, als start voor het ontwikkelen van een richtlijn. De werkgroep wordt hierin
ondersteund door het bestuur van de NVFK dat de ontwikkeling van protocol en richtlijn ziet
als een van de mogelijkheden om kwaliteit van handelen, gebaseerd op de beste evidentie, te
bevorderen.
... Already after one or two years of writing tuition (i.e., at the age of 6-7 years, Bosga-Stork et al., 2009), children with insufficient handwriting are often referred to a therapist. Accordingly, Biotteau et al. (2019) have suggested that occupational or paediatric physical therapy is crucial for effective improvement. ...
... In previous studies, the prevalence of handwriting problems among school-age children has been estimated to vary between 5 and 33% (Hamstra-Bletz & Blote, 1993; Karlsdottir & Stefansson, 2002; Rubin & Henderson, 1982; Smits-Engelsman, Niemeijer, & Van Galen, 2001). This wide variation in prevalence of clinical importance, because problems with handwriting have been identified as one of the most common reasons for referring school-age children to occupational or physiotherapy services (Bosga-Stork et al., 2009; Hammerschmidt & Sudsawad, 2004). Moreover, poor handwriting has been mentioned as one of the diagnostic criteria for Developmental Coordination Disorder (DCD; DSM-IV-TR, APA, 2000; ICD-10, WHO, 1992). ...
Article
Purpose: This study evaluates the reliability of the Detailed Assessment of Speed of Handwriting (DASH) in a Dutch-speaking sample of children. Methods: The sample included 650 boys and 513 girls (age range = 9-16 years). Handwriting speed measurements were obtained using the DASH. Interrater agreement, test-retest reliability, and internal consistency were calculated; gender and age effects were analyzed. Results: Interrater agreement shows excellent reliability with intraclass correlation coefficients of at least 0.94. Test-retest correlations ranged from r = 0.65 to r = 0.81. The internal consistency measures, calculated with Cronbach's alpha, were between 0.88 and 0.94. Both gender and age have a significant effect on handwriting speed, with F (7.1144) = 17.43 (P < .001) for gender and F (7.1144) = 21.8 (P < .001) for age. Conclusion: The DASH is a reliable assessment tool to evaluate handwriting speed of Dutch-speaking children. There is a tendency of girls to write faster than boys. Copyright © 2014 Wolters Kluwer Health|Lippincott Williams & Wilkins and Section on Pediatrics of the American Physical Therapy Association.
Full-text available
Article
Aim: The aim of this study was to review systematically evidence about the efficacy of motor interventions for children with developmental coordination disorder (DCD), and to quantify treatment effects using meta-analysis. Method: Included were all studies published between 1995 and 2011 that described a systematic review, (randomized) clinical trial, or crossover design about the effect of motor intervention in children with DCD. Studies were compared on four components: design, methodological quality, intervention components, and efficacy. Twenty-six studies met the inclusion criteria for the review. Interventions were coded under four types: (1) task-oriented intervention, (2) traditional physical therapy and occupational therapy, (3) process-oriented therapies, and (4) chemical supplements. For the meta-analysis, effect sizes were available for 20 studies and their magnitude (weighted Cohen's d [d(w) ]) was compared across training types. Results: The overall effect size across all intervention studies was d(w) =0.56. A comparison between classes of intervention showed strong effects for task-oriented intervention (d(w) =0.89) and physical and occupational therapies (d(w) =0.83), whereas that for process-oriented intervention was weak (d(w) =0.12). Of the chemical supplements, treatment with methylphenidate was researched in three studies (d(w) =0.79) and supplementation of fatty acids plus vitamin E in one study (no effect). The post hoc comparison between treatment types showed that the effect size of the task-oriented approach was significantly higher than the process-oriented intervention (p=0.01) and comparison (p=0.006). No significant difference in the magnitude of effect size between traditional physical and occupational therapy approaches and any of the other interventions emerged. Interpretation: In general, intervention is shown to produce benefit for the motor performance of children with DCD, over and above no intervention. However, approaches from a task-oriented perspective yield stronger effects. Process-oriented approaches are not recommended for improving motor performance in DCD, whereas the evidence for chemical supplements for children with DCD is currently insufficient for a recommendation.
Full-text available
Article
Poor handwriting has been shown to be associated with developmental disorders such as Developmental Coordination Disorder, Attention Deficit Hyperactivity Disorder, autism, and learning disorders. Handwriting difficulties could lead to academic underachievement and poor self-esteem. Therapeutic intervention has been shown to be effective in treating children with poor handwriting, making early identification critical. The SOS test (Systematic Screening for Handwriting Difficulties) has been developed for this purpose. A child copies a sample of writing within 5 min. Handwriting quality is evaluated using six criteria and writing speed is measured. The Dutch SOS test was administered to 860 Flemish children (7-12 years). Inter- and intrarater reliability was excellent. Test-retest reliability was moderate. A correlation coefficient of 0.70 between SOS and "Concise Assessment Methods of Children Handwriting" test (Dutch version) confirmed convergent validity. The SOS allowed discrimination between typically developing children and children in special education, males and females, and different age groups.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.