ArticlePDF Available

Draagkrachtmodellen in reewildbeheer

Authors:
  • Vogelbescherming Nederland
  • Jasja Dekker Dierecologie
  • Arcadis Nederland

Figures

No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
foto Eric Bergmeester
3
november 2015
Reeënbeheer in Nederland is in bewe-
ging. De populatie groeit en rechters
kijken kritisch naar de onderbouwing van
afgegeven ontheffingen. Afschot werd
altijd bepaald aan de hand van draag-
krachtmodellen. In dit artikel beschrijven
we hoe dat werkt, zowel het gebruik
van draagkracht voor de afschotbepa-
ling als de modellen. Daarnaast geven wij
de nadelen van deze werkwijze weer en
tot slot worden mogelijke alternatieven
beschreven.
> Het ree doet het goed in Nederland. De afgelo-
pen decennia is niet alleen het aantal reeën fors
gegroeid - met schattingen tot 100.000 dieren
voor heel Nederland - maar het ree heeft zich
ook over vrijwel heel Nederland verspreid (figuur
1). Op deze populatie vindt van oudsher beheer
plaats. Begin vorige eeuw was dat benuttings-
jacht, waarbij dieren werden geschoten met
behoud van gezonde populaties, met een flinke
Draagkrachtmodellen
in reewildbeheer
Jasja Dekker (Jasja Dekker Dierecologie),
Stefan Vreugdenhil en Hans Hollander
(Bureau van de Zoogdiervereniging)
populatiegroei en individuen met goede conditie
en een mooi gewei. Later kwam daar bij dat men
alleen van het genot van jacht gebruik mocht
maken als men ook zorgde voor voorkomen of
vergoeding van wildschade. Met de invoering
van de Flora- en faunawet in 2002 zijn beheer en
schadebestrijding van reeënpopulaties bij wet
geregeld en is het ree geen jachtwild meer maar
een beschermde inheemse soort.
Wettelijke redenen voor afschot
Het doden van reeën is in de Flora- en faunawet
verboden. Afschot van reewild is wel mogelijk op
basis van een aanwijzing (artikel 68) of ontheffing
(artikel 68), die een provincie kan verlenen. Er
moet dan sprake zijn van een ‘erkend’ belang dat
van toepassing is voor reeënafschot:
In belang van openbare veiligheid: afschot ter
voorkoming van aanrijdingen met het wegver-
keer.
In belang van veiligheid van het luchtverkeer:
afschot ter voorkoming van aanvaringen met
vliegtuigen op start- en landingsbanen van
vliegvelden.
Ter voorkoming van belangrijke schade aan
gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij
en wateren.
Ter voorkoming van schade aan flora en fauna,
bijvoorbeeld als zeldzame plantensoorten
lokaal door overbegrazing van reeën dreigen te
verdwijnen.
De Flora- en faunawet staat afschot toe, onder
de voorwaarde dat eerst wordt geïnvesteerd in
het voorkómen van schade of het oplossen van
knelpunten. Preventie van gewasschade kan
bijvoorbeeld door het plaatsen van rasters of
boommanchetten en op locaties met risico’s
voor de verkeersveiligheid (bijvoorbeeld door
het beperken van de maximumsnelheid of het
invoeren van snelheidsremmende maatregelen of
wildsignaleringssystemen). Andere belangen zijn
opgenomen in het ‘Besluit beheer en schadebe-
strijding dieren’ uit het jaar 2000:
Het voorkomen en bestrijden van onnodig lij-
den van zieke of gebrekkige dieren. In de prak-
tijk is daardoor afschot mogelijk van dieren
die zijn verwond bij een aanrijding, verstrikt
in netten of rasters, of om ziekte, gebreken of
verhongering te voorkomen.
4november 2015
Het reguleren van de populatie, mits daar
aanleiding toe is vanuit schadehistorie, of
wanneer de maximale populatieomvang in
relatie tot de draagkracht van een gebied daar
oorzaak toe geeft.
Populatiebeheer via draagkrachtmodellen
Wildbeheereenheden voeren het reewildbeheer
uit. Zij doen dit onder verantwoordelijkheid
van een Faunabeheereenheid dat hiervoor een
faunabeheerplan opstelt. Dit plan moet worden
goedgekeurd door de provincie. Het faunabe-
heerplan levert de onderbouwing voor beheer op
grond van één of meer van de genoemde erkende
belangen. Het reewildbeheer wordt in de praktijk
vooral ingevuld op basis van het reguleren van
de populatie. Het doel is een populatiedichtheid
te realiseren waarbij schade aan belangen uit de
Flora- en faunawet wordt beperkt. Om deze dicht-
heid, de ‘draagkracht’, vast te stellen wordt vrijwel
altijd een theoretisch rekenmodel gebruikt,
namelijk het draagkrachtmodel van Van Haaften.
Er worden wel alternatieven voorgesteld voor het
inschatten van de draagkracht. Een voorbeeld is
de benadering die Schoon in 2005 voorstelde. Een
belangrijke innovatie daarbij was het onderscheid
tussen ecologische en maatschappelijke draag-
kracht (zie kader ‘drie maal draagkracht’). Nadeel
van dit model is dat de ecologische draagkracht
van een gebied als parameter in het model moet
worden ingevoerd en juist die draagkracht is de
grote onbekende. Daarnaast zijn er nog andere
modellen, maar het toepassen van modellen blijft
problematisch omdat er altijd problemen kleven
aan het gebruik van (een berekende) ecologische
draagkracht als basis voor populatiebeheer.
Beperkingen aan model ‘Van Haaften’
In de jaren vijftig zijn in het buitenland draag-
krachtmodellen ontwikkeld, zoals die van Ucker-
mann en van Mottl. Vervolgens publiceerde de
wildbioloog Van Haaften in 1968 voor Nederland
een model waarmee op basis van het landschap
in een jachtterrein een optimale dichtheid van
reeën wordt bepaald. Het is belangrijk te beseffen
dat in dit model werd gestuurd op een reeënstand
met dieren van goed gewicht en met een goed
ontwikkeld gewei. Het ging hier dus niet om een
ecologische draagkracht, maar om een draag-
kracht voor een optimale wildstand in de destijds
kleine jachtvelden. Schadebeperking was van
secundair belang.
Maar het landschap veranderde en het ree paste
zijn gedrag hierop aan. Dit lijkt vooral in land-
bouwgebieden en open cultuurlandschappen het
geval te zijn. Deze nieuwe situatie leidde tot een
aantal aanpassingen van de methode Van Haaften,
zoals die van Vereniging Het Reewild uit 2007. Zo
ontstond een waaier aan methoden. Daarnaast is
de beschrijving van de oorspronkelijke methode
van Van Haaften op een aantal punten niet
specifiek, zodat gebruikers eigen keuzes maken
(zie kader ‘draagkrachtmethode van Van Haaften’).
Hierdoor werd de waaier aan toepassingswijzen
alleen maar breder.
De methode Van Haaften werd ook op steeds gro-
tere schaal toegepast. Ging het in de jaren zestig
nog om kleine jachtvelden, intussen wordt het
model toegepast op gehele wildbeheereenheden
of zelfs hele provincies. Het model van Van Haaf-
ten maakt gebruik van onder andere lengte van
de veldgrens per oppervlakte. Daardoor worden
de voorspellingen bij deze opschaling heel anders
en wordt de beoordeling van draagkracht steeds
gelijker tussen verschillende landschappen.
Kortom, het gebruikte draagkrachtmodel van Van
Haaften komt voort uit een type wildbeheer dat
afwijkt van wat voorgeschreven is in de Flora-
en faunawet, is ontwikkeld voor een landschap
dat flink is veranderd en waarin de oppervlakte
waarop beheerd wordt, sterk is toegenomen. Het
is daarnaast ook duidelijk dat het getelde aantal
reeën in het algemeen lager ligt dan het werke-
lijke aantal in een gebied.
Nadelen aan de draagkrachtbenadering
Het is de vraag of het gebruik van een draag-
krachtbepaling met Van Haaften of met een
alternatief model anno 2015 nog wel een valide
basis is voor afschotbepaling. Past deze werkwijze
nog bij de huidige verspreiding en grootte van de
Nederlandse reeënpopulatie? Ten eerste wordt de
draagkracht van een gebied in de modelmatige
benaderingen beschouwd als een statisch getal.
Maar de draagkracht in een gebied kan fluctueren,
zowel door natuurlijke als menselijke oorzaken.
Bij een zachte winter is er meer voedsel en bij nat
of koud weer zullen er meer dieren een natuur-
lijke dood sterven. De ecologische draagkracht is
dus geen vast getal. Op basis van bodem, land-
schap en begroeiing (inclusief landbouwgewas-
sen) een vaste streefdichtheid bepalen, zoals de
nu gebruikte methoden voorschrijven, zorgt dus
vrijwel altijd voor een over- of onderschatting.
Ten tweede worden de tellingen bij het vaststel-
len van afschot gehanteerd als exacte aantallen
waarin reeën zouden voorkomen. Dat aantal,
minus de bepaalde draagkracht, levert het te
realiseren afschot in een gebied. Het bepalen van
het aantal reeën is echter enorm moeilijk. De
reewildtellingen die reewildbeheerders uitvoeren
(één telling per jaar) leveren in de praktijk een
onderschatting van de aantallen. Dichtbegroeide
gebieden zijn vanzelfsprekend lastiger te tellen
dan open gebieden.
Ten derde: zelfs als het aantal dieren exact
bekend zou zijn, is het bepalen van die draag-
kracht moeilijk. Het gaat bij populatiebeheer van
het ree vooral om het voorkomen en beperken
van landbouw-, bosbouw- en verkeersschade en
ziektes. Het idee is dat die zaken niet voorkomen
bij ‘lage’ dichtheden reeën. Maar juist de relatie
tussen dichtheid en het optreden van ziektes,
ongelukken en schade bij hertachtigen is complex
en onderzoeken laten tegenstrijdige uitkomsten
zien. Ondanks jarenlang reeënbeheer volgens de
draagkrachtbenadering neemt het aantal reeën
verder toe, wat ook geldt voor het aantal aange-
2009
T R
2010
T R
2011
T R
2012
T R
2013
T R
Groningen 1.056 872 1.088 855 1.114 909 1.131 874 1.136 902
Friesland 1.634 1.202 1.890 1.300 1.794 1.340 1.752 1.291 1.683 1.261
Drenthe 3.550 2.930 3.610 3.202 3.620 3.114 3.617 2.656 2.798 2.097
Overijssel 3.067 2.775 4.478 3.697 4.600 3.429 3.203
Flevoland 540 540 486 480 402 440 386 380 369
Gelderland 3009 3870 2907 2877 2912
Noord-Holland 0 0 0 0 0 0 0 17 0 41
Zuid-Holland 229 225 193 237 372 281
Zeeland 50 106 103 77 158 64 239
Noord-Brabant 3.100 3.000 3.050 3.075 2.924
Limburg 3.411 2.070 3.221 1.903 3.201 1.725 2.735 1.786 2.461 1.565
Figuur 1. Waarnemingen van reeën vanaf 2004
(Bron: NDFF/Zoogdierdatabank van Zoogdiervereniging)
Tabel 1. Toegekend (T) en gerealiseerd (R) afschot zoals geregistreerd door de Faunabeheereenheden van
een aantal provincies. Provincies waarvoor geen of tegenstrijdige gegevens werden gevonden zijn hier niet
weergegeven. (Bron: Koch, 2014. Reeënbeheer in Nederland. Inventarisatie naar het reeënbeheer in Nederland. Afstudeerverslag
Hogeschool InHolland, Delft.)
foto Maaike Plomp
5
november 2015
reden dieren op bijvoorbeeld de Veluwe en in de
provincie Utrecht. Deze toename kan overigens
ook veroorzaakt worden door het feit dat het
afschot, dat op basis van de modellen en tellingen
is bepaald, veelal niet wordt gehaald (tabel 1).
Wellicht doordat de tellingen en daardoor het be-
rekende toegekende afschot een overschatting is.
Nieuwe benadering
Het is tijd de papieren werkelijkheid aan te
passen aan de veldsituatie. Het reeënbeheer in
Nederland kan een goede impuls krijgen door de
onderstaande cruciale aanpassingen:
1. Beschouw tellingen niet als absolute waar-
heid, maar als indicatief. Beheer niet op aantal
reeën tot achter de komma, maar beschouw en
gebruik ze als populatietrends.
2. Afschotbepalingen aan de hand van draag-
krachtmodellen zijn een te zwakke basis voor
verantwoord ingrijpen. Beheer dus op schade
en ga uit van de trends in populatieontwikke-
lingen van reeën en ga niet uit van de model-
len. Flinke lokale toenamen van de reewild-
populatie mogen worden afgeremd op basis
van daadwerkelijk opgetreden schade. Als er
geen sprake is van schade is niet-ingrijpen het
devies.
3. Om dit te realiseren moet de relatie tussen be-
heer en schade aan verkeer, land- en bosbouw
wetenschappelijke onderbouwd worden.
Wij menen dat op deze manier het reewildbeheer
beter onderbouwd kan worden. Deze nieuwe
beheervorm dient tegemoet te komen aan de hier-
voor beschreven kritiekpunten. Met een nieuwe
benadering zal een beter onderbouwde afschotbe-
paling tot stand komen die beter past bij de hui-
dige verspreiding en omvang van de Nederlandse
reeënpopulatie én bij de actuele wetgeving en
jurisprudentie. Het traditionele populatiebeheer
op basis van verouderde modellen waarin letter-
lijk een ‘wildgroei’ is ontstaan, ontbeert een basis
in de wet, de wetenschap en de veldkennis.
De aangepaste werkwijze zal leiden tot maatwerk:
het aanpassen van afschot op basis van schade,
niet-ingrijpen in bepaalde gebieden, intensiever
en ook selectiever beheer in andere gebieden en,
in een derde categorie, gebieden waar het huidige
beheer wordt gehandhaafd. Daarnaast kan en
moet er meer gebeuren met lokale landschaps-
inrichting en andere maatregelen om schade
te voorkomen. In alle drie de categorieën blijft
monitoring van verkeersslachtoffers en schade
noodzakelijk.
Naar een uitvoering!
Aanpassingen in traditioneel beheer kunnen en
zullen niet van de ene op de andere dag plaats
vinden. Vasthouden aan waar men in gelooft, is
de mens eigen. Toch hopen wij met dit artikel
een pad te effenen voor een realistischer reewild-
beheer op basis van feiten in plaats van traditie.
Hierbij wordt reewildbeheer niet anders ingevuld
dan beheer van andere beschermde inheemse
diersoorten. Faunabeheerders en niet-faunabe-
heerders zullen moeten samenwerken om het
reewildbeheer aan te passen aan de veranderde
juridische kaders en de ecologische realiteit van
het ree anno 2015 en daarna.<
Jasja Dekker, info@jasjadekker.nl
Drie maal draagkracht
De term draagkracht heeft in de discussies over
reewildbeheer meerdere betekenissen gekre-
gen. Men kan drie invullingen van draagkracht
onderscheiden:
• Ecologische draagkracht: De maximale
dichtheid dat een organisme kan bereiken
in een bepaald gebied. Het gaat dus om een
situatie zonder ingrijpen door de mens. Bij
het ree wordt deze dichtheid bepaald door
het voedselaanbod in de winter en het land-
schap. Wanneer populaties deze dichtheid
bereiken of overstijgen, worden zij door
dichtheidsafhankelijke processen geregu-
leerd, zoals minder nakomelingen, minder
voortplanting of vaker voorkomen van
ziekten. Populaties fluctueren dus rond de
ecologische draagkracht. Voedselconcurren-
ten en predatoren bepalen mede de uiteinde-
lijke stand.
• Draagkracht in sensu Van Haaften: Van
Haaften richtte zich met zijn dichtheids-
model op het bereiken van een dichtheid
waarbij het ree in goede gezondheid is en
een mooi gewei ontwikkelt.
• Maatschappelijke draagkracht: Dit is de
dichtheid waarbij geen overmatige schade
aan landbouw, verkeer en de overige belan-
gen in betekenis van de Flora- en faunawet
ontstaat.
De draagkachtmethode van
Van Haaften
In de methode wordt de draagkracht berekend
aan de hand van het landschap in het betref-
fende gebied. De landschapsfactoren waarop de
score wordt gebaseerd zijn:
• Degrenslengtetussendekkingenopen
veld als percentage van de totale aanwezige
veldgrenslengte.
• Percentageoppervlaktedatweideofakker
is.
• Hetpercentageoppervlaktedatpermanent
dekking geeft. Gewassen die maar enkele
maanden aanwezig zijn tellen dus niet mee.
Een dekkingspercentage van meer dan
tachtig procent krijgt een lagere score als de
omgeving uit bos bestaat.
• Verdelingvanboomsoorten.Bijverdeling
van boomsoorten krijgen verschillende
samenstellingen naaldhout, loofhout en
aanwezigheid van ondergroei en/of eik
verschillende punten. De punten vermenig-
vuldigd met het percentage dat elk type bos
uitmaakt van het totaal wordt verrekend tot
een score.
• Zuurtegraadvandebodem.
In het oorspronkelijke model van Van Haaften
uit 1968 wordt ook nog gescoord op aanwezig-
heid van de parasiet leverbot en van andere
hoefdieren in het gebied. Een complicatie bij
het toepassen is dat dekking en open gebied
in de methodebeschrijving niet helder wordt
gedefinieerd. Voor al deze eigenschappen
wordt het aantal verdiende punten bepaald en
opgeteld. Deze totaalscore wordt vertaald in
een dichtheid (aantal/ha) die het gebied kan
dragen. De puntenscore in cultuurlandschappen
wordt vertaald naar hogere dichtheden, omdat
de draagkracht in cultuurlandschappen relatief
hoger is.
Article
Full-text available
Transmission of experience about prey and habitat supports the survival of next generation of wolves. Thus, the parent pack (PP) can affect whether young migrating wolves (loners) kill farm animals or choose to be in human environments, which generates human–wolf conflicts. Therefore, we researched whether the behavior of loners resembles PP behavior. After being extinct, 22 loners had entered the Netherlands between 2015 and 2019. Among them, 14 could be DNA-identified and linked with their PPs in Germany. Some loners were siblings. We assessed the behavior of each individual and PP through a structured Google search. PP behavior was determined for the loner’s rearing period. Similarity between loner and PP behavior was significant (p = 0.022) and applied to 10 of 14 cases: like their PPs, three loners killed sheep and were near humans, five killed sheep and did not approach humans, while two loners were unproblematic, they did not kill sheep, nor were they near humans. Siblings behaved similarly. Thus, sheep killing and proximity to humans may develop during early-life experiences in the PP. However, by negative reinforcement that can be prevented. New methods are suggested to achieve that. As a result, new generations may not be problematic when leaving PPs.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.