ArticlePDF Available

Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling

Authors:
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 17
Inleiding
Er is waarschijnlijk geen levensfase waarin zulke grote ver-
anderingen plaats vinden als de adolescentie. Het gedrag
van jongeren dat hiermee gepaard gaat is een uiting van de
ontwikkeling van de eigen identiteit richting volwassenheid
(Crone 2008; 2012). Een grootschalig Nederlands onder-
zoek naar de gezondheid en het welzijn van jongeren laat
een aantal trends over de jaren heen zien (De Looze et al.,
2013; Ter Bogt, Van Dorsselaer & Vollebergh, 2002). Ten
eerste verloopt bij circa één op de vijf jongeren hun ontwik-
keling niet vlekkeloos en is er sprake van problemen. Ten
tweede neemt externaliserend probleemgedrag toe met
de leeftijd en doet dit zich vaker voor bij jongens dan bij
meisjes. De grootste risico’s lopen jongeren met de laagste
opleidingsniveaus, jongeren uit gezinnen met een lagere
sociaal economische status en jongeren die niet met beide
biologische ouders wonen. In de literatuur wordt ook wel
gesproken van risicojongeren, overbelaste jongeren, kans-
arme jongeren of kwetsbare jongeren (Van Hoorik, 2011;
WRR, 2009). Een definitie van deze groep, waar draagvlak
voor bestaat, is de definitie van het Nederlands Jeugd Insti-
tuut (NJI, 2013). Volgens het NJI zijn risicojongeren ‘jonge-
ren, bij wie zich problemen voordoen, waardoor de psy-
chische, sociale of cognitieve ontwikkeling wordt bedreigd
waardoor zij een gevaar voor zichzelf of hun omgeving zijn,
V
Tineke Schoot en Susan van Hooren
Vaktherapie in het
jongerenwerk
Een positieve ontwikkeling
“Als ik speel over mezelf, dan hoop ik dat er iemand is die denkt: ik ben niet
alleen” – jongere uit het project.
Vaktherapeuten, jongerenwerkers en relevante betrokkenen zochten
gezamenlijk naar invulling van de transitie in de Jeugdzorg. Het RAAK-
onderzoek ‘Vaktherapie in het Jongerenwerk’ bood een kans om na te gaan
hoe community arts therapy preventief kan worden ingezet bij kwetsbare
jongeren met externaliserend gedrag.
In dit artikel …
… interprofessionele samenwerking van vakthera-
peuten en jongerenwerkers vanuit Communities of
Practice;
… laagdrempelige preventieve interventies voor
kwetsbare jongeren met externaliserend gedrag
gericht op empowerment;
… aanwijzingen dat het sociaal functioneren en het
zelfbeeld van kwetsbare jongeren bevorderd kun-
nen worden.
18 | Schoot en Van Hooren: Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling.
dat er bewijs is waaruit blijkt dat inzetten op beschermende
factoren effectief is om probleemgedrag tegen te gaan en
het zelfbeeld te vergroten (Van Hoorik, 2011; Donnellan,
Trzesniewski, Robins, Moffitt & Caspi, 2005).
Transitie
De transitie van de jeugdzorg betekent dat er vroegtijdige
ondersteuning wordt geboden dicht bij de jongere in zijn
directe leefomgeving. De verwachting is dat hierdoor de
kans verkleint dat er bij kwetsbare jongeren problemen
optreden dan wel verergeren, waardoor er mogelijk gevaar
ontstaat voor overlastgevend of delinquent gedrag en
specialistische zorg nodig is. De transitie vereist competen-
ties van betrokken professionals om interprofessioneel te
kunnen samenwerken en jongeren adequaat en vroegtijdig
te ondersteunen. Professionals die zich met name richten
op deze risicojongeren zijn jongerenwerkers. Zij komen in
toenemende mate in aanraking met deze groep. Jongeren-
werkers ervaren het als een knelpunt dat zij niet voldoende
geëquipeerd zijn om de soms heftige problematiek in een
complexe context te hanteren (Schoot & Van den Broek,
2013). Dit biedt kansen voor vaktherapeuten, daar zij be-
schikken over de competenties om psychische, sociale en/
of emotionele problemen in een complexe context adequaat
te hanteren.
Door vaktherapeuten en jongerenwerkers interprofessioneel
in de wijk (outreachend) te laten werken, kan er op een
laagdrempelige wijze worden gewerkt aan psychische pro-
blemen van jongeren. Vanuit deze context is de verwach-
ting dat vaktherapeuten de zorg voor kwetsbare jongeren
in de wijk kunnen verbeteren door methodische inzet van
beeldende, dans en beweging-, drama-, muzikale interven-
ties gericht op therapeutische doelen. Versterking van de
eigen kracht van jongeren en van het probleemoplossend
vermogen van hun opvoeders en sociale omgeving kan
hierbij een belangrijke insteek zijn (NJI, 2013; Van Yperen &
Stam, 2010; Van Yperen & Westering, 2010; Van Yperen &
Woudenberg, 2011; Cardol, 2012; Van Regenmortel, 2002;
2009).
Community Arts Therapy
Het outreachend werken met inzet van creatieve middelen
is in het buitenland al langer een trend onder vakthera-
peuten. Het staat bekend onder de term Community Arts
Therapies (Pavlicevic & Ansdell, 2004). Dit is een recente
ontwikkeling waarbij vaktherapie in de ambulante setting
(gezinnen, scholen, jongerencentra en wijken) wordt toege-
past om gedragsveranderingen bij probleemjongeren te be-
werkstelligen. Hierbij maken vaktherapeuten, docenten en
jongerenwerkers gebruik van uitgangspunten van beelden-
de therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie,
muziektherapie en psychomotorische therapie. In Nederland
of zelf gevaar lopen, of (vroegtijdig) buiten de maatschappij
dreigen te vallen.’
Meestal is er niet één oorzaak van problemen bij deze jon-
geren aan te wijzen, maar gaat het om een samenspel van
verschillende factoren. Factoren die een bedreiging vormen
voor een goede ontwikkeling zijn risicofactoren. Bieden ze
jongeren juist bescherming, dan noemen we ze bescher-
mende of protectieve factoren. De term ‘risicofactor’ ver-
wijst naar een gebeurtenis, omstandigheid of eigenschap,
waarvan bekend is dat er een statistisch grotere kans is op
een (soms veel later optredend) probleem in de ontwikke-
ling van een kind waarmee het risico geassocieerd is (Van
Hoorik, 2011). Sommige risico’s zijn in de jongeren zelf gele-
gen, zoals een laag intelligentieniveau of gebrekkige zelfbe-
heersing, andere zijn buiten henzelf gelegen, zoals beperkte
opvoedingskracht van de ouder(s), armoede, of delinquente
vrienden (Weerman & Van der Laan, 2006; Heiden-Attema
& Van der Bol, 2000). Voorbeelden van beschermende
factoren zijn goede communicatieve vaardigheden, opvoe-
dingsvaardigheden van ouders en sociale betrokkenheid
in de buurt (Gleser et al., 1981; Plaisier, 2007). Ook het
ontwikkelen van talenten en vaardigheden en het hebben
van dromen en ambities kunnen worden beschouwd als be-
schermende factoren (Kooimans, 2009). In dit kader wordt
steeds vaker ook de term empowerment gebruikt.
Empowerment
Empowerment wordt gezien als een proces van versterking,
waarbij individuen, organisaties of gemeenschappen grip
krijgen op de eigen situatie en hun omgeving en dit berei-
ken via het verwerven van controle, het aanscherpen van
kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie (Van
Regenmortel, 2009). Ontwikkeling op sociaal gebied en
op het gebied van de identiteit sluit hierbij aan. Het proces
van empowerment heeft betrekking op de versterking van
beschermende factoren van jongeren en van hun omgeving.
De verwachting is dat de versterking van deze bescher-
mende factoren bijdraagt aan preventie van delinquent
gedrag door resistance en desistance (Abdallah, Kooimans
& Raven, 2013; Kooijmans, 2009; Van Hoorik, 2011). Met
resistance to crime wordt bedoeld het kunnen weerstaan
van criminaliteit, terwijl desistance from crime het afzien
van criminaliteit betekent. De literatuur maakt inzichtelijk
Een versterking
van beschermende factoren
draagt bij aan de preventie
van delinquent gedrag
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 19
voldeden aan de in- en exclusiecriteria. Jongeren die be-
horen tot de harde kern van criminele jongeren werden van
deelname uitgesloten. Bij de hanggroepjongeren was geen
sprake van selectie. De grootte van de zes benaderde groe-
pen varieerde van 7 tot 15 jongeren, tussen 6 en 21 jaar.
Per project was de leeftijdsrange smaller. Met uitzondering
van één groep meisjes (dans en beweging), bevatten alle
groepen zowel jongens als meisjes. Allen hadden affiniteit
met de desbetreffende kunstdiscipline. De projecten vonden
plaats in aandachtswijken (met uitzondering van het project
dans en beweging).
De ontwikkeling van de interventies
Per CoP werd gestuurd op de ontwikkeling van een
laagdrempelige interventie die aansloot bij de doelstelling
van het project en bij de interesses en behoeften van de
jongeren. Gezien de essentiële bijdrage van alle betrokken
partijen werd voor de ontwikkeling en afstemming van de
interventies gekozen voor een Participerend Actiegericht
Onderzoek (PAR). Het actiegerichte element werd gevormd
door directe en specifieke aanwijzingen die uit het onder-
zoek naar voren kwamen voor afstemming op de jongeren
(De Boer & Smaling, 2011). Vanwege het participerend ka-
rakter van dit ontwikkeldeel van het onderzoek werd tevens
gekozen voor de uitgangspunten van responsief onderzoek
(Abma & Widdershoven, 2006). Bij deze benadering wordt
onderzoek opgevat als een gezamenlijk, interactief zoek-
proces met belanghebbenden, in dit geval de leden van de
CoP. De interventies werden op deze manier ontwikkeld
vanuit co-creatie, vanuit gezamenlijke kennis en inzichten
(De Boer & Smaling, 2011). Bij responsief onderzoek vindt
uitwisseling plaats van perspectieven, hetgeen leidt tot be-
wustwording en wederzijds begrip (Abma & Widdershoven,
2006). De uitwisseling van perspectieven vond plaats tijdens
het gehele proces.
Er werden uiteindelijk in totaal vijf interventies uitgevoerd
(zie Tabel 1 en kadertekst voor een typering). De hoeveel-
heid sessies varieerde van vier tot twaalf bijeenkomsten.
In één geval was er sprake van een kick-off-bijeenkomst
gecombineerd met een compleet weekend. De interventies
hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken. Ten eerste
opereerden de interventies op het snijvlak van welzijn en
(preventieve) psychosociale gezondheidszorg. Ten tweede
waren ze samengesteld uit enerzijds activiteiten rond het
creatieve proces en anderzijds activiteiten gericht op het
psychosociale ontwikkelingsproces van de jongeren. Verder
hadden de interventies een positieve benadering gericht op
sterke kanten en actieve participatie door jongeren.
Dataverzameling
Om het proces en de ervaren effecten van de interventies
te meten werden kwalitatieve en kwantitatieve gegevens
is deze vorm van vaktherapie nog onvoldoende ontwikkeld
en onderzocht (Schoot & Van den Broek, 2013). Er is hier
wel in toenemende mate sprake van sociaal-agogische
interventies, waarbij kunstdisciplines, zoals muziek, dans en
beweging, beeldend en drama worden ingezet. Veelal wordt
dit uitgevoerd door jongerenwerkers, al dan niet in samen-
werking met community artists (Kooimans, 2009; Nielen,
2013). Vaktherapie wordt daar niet of nauwelijks bij ingezet,
terwijl deze bijdrage op basis van internationale literatuur
wel potentie lijkt te hebben.
Om dit nader uit te zoeken werd nagegaan hoe vakthera-
peuten en jongerenwerkers hun krachten kunnen bundelen
en aansprekende, laagdrempelige en effectieve interventies
voor kwetsbare jongeren kunnen afstemmen op een brede
groep van kwetsbare jongeren in de wijk, zodat bescher-
mende factoren van deze jongeren (en hun omgeving)
bevorderd worden.
Onderzoeksmethode
Het onderzoeksproject startte met het vormen van Commu-
nities of Practice (CoP). Een CoP is een groep die bestaat
uit leden die een gedeelde belangstelling of passie hebben
en een gezamenlijk doel om die belangstelling of passie
verder te ontwikkelen (Wenger, 2002). Binnen deze CoP’s
werden interventies in co-creatie ontwikkeld en vond een
evaluatie van het proces en van het ervaren effect plaats.
Er werden zes CoP’s opgestart rond groepen kwetsbare
jongeren volgens de principes van de World Health Or-
ganization (2010). De projectleiders oriënteerden zich op
bestaande initiatieven en zochten contact met de betrokken
jongerenwerkers om de samenwerkingsmogelijkheden te
verkennen. Een CoP bestond uit een projectleider (docent-
onderzoeker van het lectoraat KenVak), een jongerenwerker,
een vaktherapeut dans en beweging, drama, muziek of
beeldend en een groep kwetsbare jongeren. In totaal betrof
het 5 projectleiders, 4 vaktherapeuten, 6 jongerenwerkers
en 56 jongeren. In de specifieke context werd dit nog
aangevuld met een mentor, een leerkracht, een gedrags-
wetenschapper, een kinderwerker en een community artist.
Bij enkele CoP’s was sprake van overlap van rollen.
De doelgroep betrof een groep jongeren (jongens en
meisjes) van 6 tot 21 jaar, met aanwezige externaliserende
problemen of met aanwezigheid van meerdere risicofacto-
ren hiervoor. De betrokken jongerenwerkers benaderden de
jongeren voor deelname en beoordeelden of de jongeren
Jongerenwerkers adviseerden:
“Presenteer je niet als professor of therapeut
want dan ben je ze kwijt.”
gezamenlijk gepland (behandelintegriteit) werd na afloop van
elke bijeenkomst een procesevaluatie met alle betrokkenen
gehouden aan de hand van enkele vooraf geformuleerde
topics (verwachtingen, verloop en de ervaren bevorderende
en belemmerende factoren). De vaktherapeuten verzamel-
den deze informatie. Aanvullend werden er semi-gestructu-
reerde interviews gehouden door onafhankelijke studenten
verzameld gedurende de uitvoering van de interventies. Dit
vond plaats bij alle partijen van de CoP en op meerdere
momenten (zie Tabel 2).
(Responsieve) Procesevaluatie
Om uitwisseling van perspectieven en ervaringen te
realiseren én om na te gaan of de interventie verliep zoals
20 | Schoot en Van Hooren: Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling.
Tabel 2: Toegepaste dataverzamelingsmethoden, meetmomenten en participanten
Methoden Meetmomenten Participanten
Proces-evaluatie per bijeenkomst
Verloop interventie volgens uitgangspunten
bevorderende en belemmerende factoren
Na afloop elke sessie Vaktherapeut met jongeren
(en incidenteel jongerenwerker)
Programma-evaluatie inhoud per bijeenkomst
Ervaren effecten
Na afloop elke sessie Vaktherapeut met jongeren
(en incidenteel jongerenwerker)
Aanvullende interviews
Gestuurd door topiclijst bij alle betrokken
professionals CoP
Op afspraak Doelgerichte selectie van
betrokkenen CoP
Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ)
versie jongeren
Voorafgaand aan de eerste sessie; na afloop
van de laatste sessie
Jongeren
Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ)
versie professional
Voorafgaand aan de eerste sessie; na afloop
van de laatste sessie
Professional (jongerenwerker/
kinderwerker/mentor)
Rosenberg Self Esteem Scale (RSE) Voorafgaand aan de eerste sessie; na afloop
van de laatste sessie
Jongeren
Tabel 1: Kenmerken van de oorspronkelijke zes Communities of Practice en van de interventies
Locatie Centrale betrokkenen bij de evaluaties Naam interventie Sessies Leeftijdsrange
jongeren
Drama
Maastricht, Mariaberg
Projectleider
Vaktherapeut
Jongerenwerker
Jongeren (N=7)
Community artist
Masterclass Mariaberg 1x kick-off
Dag 1
Dag 2
Dag 2 finale
12-19 jaar
Beeldend
Maastricht, Bazuinstraat
Projectleider
Vaktherapeut
Kinderwerker
Jongeren (N=9)
Het Bazuinatelier 12 sessies
Zomercarrousel
6-12 jaar
Muziek
Sittard, Eysenhegge
Projectleider
Vaktherapeut
Jongerenwerker/vakleerkracht
Jongeren (N=8)
Vindplaats School 5 sessies 12-18 jaar
Muziek
Stein, Hangplekken
Projectleider
Vaktherapeut
Jongerenwerker
Jongeren (N=circa 15)
Project Kofferbak Kennismaking1Onbekend
Dans en beweging
Cadier en Keer, Keerpunt
Projectleider
Vaktherapeut
Jongerenwerker/gedragswetenschapper
Jongeren (N=8)
Dansproject Stichting
Jeugdzorg Sint Jozeph
6 sessies 12-17 jaar
Dans en beweging
Kerkrade, Impuls
Projectleider
Vaktherapeut
Jongerenwerker/gedragswetenschapper
Jongeren N=9 (meiden)
Dansproject Jongerenwerk
Impuls
4 sessies 15-21 jaar
1 De muziek-interventie ‘Project Kofferbak’ werd na de kennismaking gestaakt. Door lange tijd tussen de kennismaking en de eerste
bijeenkomst bleken de jongeren niet langer gemotiveerd.
tegorieën (‘niet waar’, ‘beetje waar’, ‘zeker waar’). Er zijn vijf
subschalen van elk vijf items, namelijk ‘emotionele pro-
blemen’, ‘gedragsproblemen’, ‘hyperactiviteit/aandachts-
tekort’, ‘problemen met leeftijdsgenoten’ en ‘pro-sociaal
gedrag’. Een totale probleemscore kan worden berekend
door de scores op de subschalen op te tellen (met uitzon-
dering van subschaal ‘pro-sociaal gedrag’). Psychometri-
sche kwaliteiten van deze lijst zijn voldoende (Goedhart et
al., 2003; Muris et al., 2003). In het kader van het huidige
onderzoek werd ervoor gekozen om enkel de subschalen
op te nemen die passen bij de externaliserende problemen
van de doelgroep en de focus op het bevorderen van de
sterke krachten van de interventies. Dit leidde tot een keuze
voor de subschalen ‘gedragsproblemen’, ‘hyperactiviteit’
bij de professionals van elke CoP. Deze interviews werden
gestuurd door een topiclijst. Gezien de aard van de doel-
groep hadden alle gehanteerde kwalitatieve methoden een
informeel karakter (Ten Haaft, 2011).
Evaluatie van ervaren effecten
Na afloop van elke bijeenkomst was er een programma-
evaluatie in dialoog met de betrokkenen om na te gaan
welke effecten werden ervaren. Topics hiervoor werden ont-
leend aan de Helpful Aspects of Therapy Form (Elliott, 2001),
te weten ‘positieve en negatieve ervaringen en leerervarin-
gen’. Verder werden kwantitatieve gegevens verzameld met
de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) en met de
Rosenberg Self Esteem Scale (RSE) (Roosenberg, 1965).
De SDQ is bedoeld om jongeren met een hoog risico op
psychosociale problemen te signaleren en tegelijkertijd
sterke kanten van een kind in kaart te brengen. Er werd
gekozen voor de vragenlijsten versie jongeren en versie
professional/ouders (Van Widenfelt et al., 2003). Beide vra-
genlijsten bevatten in totaal 25 items, die zijn geformuleerd
aan de hand van stellingen. Elk item bevat drie antwoordca-
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 21
Het Bazuinatelier
Schoolgaande kinderen, behorend tot het netwerk van
een kinderwerker in een aandachtsbuurt in Maastricht,
werden uitgenodigd om naar ‘Het Bazuinatelier’ te komen.
Samen met een leerkracht van de basisschool werden
zij geselecteerd. De kinderen werd gevraagd hoe zij hun
buurt leuker en vrolijker konden maken. Zij werden gesti-
muleerd om hun ideeën te ontwikkelen en uit te werken.
Gedurende een periode van vijf maanden werkten de
kinderen in het buurtcentrum aan een ontwerp voor een
muurschildering. Er werd toegewerkt naar een feestelijke
opening met behulp van de buurt.
Dansprojecten SJSJ en Jongerenwerk Impuls
Aan jongeren die in de eindfase van hun behandeling
verkeerden uit diverse groepen van een Justitiële Jeugd-
inrichting in Cadier en Keer, werd een aantal danswork-
shops aangeboden. De jongeren werden geselecteerd
door een gedragswetenschapper en de groepsleiders.
Er was een introductiebijeenkomst, zes bijeenkomsten en
een evaluatie. De bijeenkomsten vonden plaats na school-
tijd in de gymzaal van het instituut. Er werd toegewerkt
naar de opname van een dans-videoclip die na afloop
werd gepresenteerd aan de betrokkenen.
Op basis van de ervaringen in voorgaand project werd in
een jongerencentrum van Impuls te Kerkrade een nieuwe
dansgroep samengesteld voor jongeren die extra on-
dersteuning konden gebruiken. Een groep meiden werd
geselecteerd door de jongerenwerker. Er waren vier bij-
eenkomsten. Ook hier werd toegewerkt naar de opname
van een dans-videoclip.
Vindplaats School
Gebaseerd op de aanname dat jongeren beter te benade-
ren zijn via school werd contact opgenomen met het Leer-
weg Ondersteunend Onderwijs te Sittard. De selectie van
jongeren gebeurde door de mentor en de leerkracht mu-
ziek. De geselecteerde jongeren namen na schooltijd deel
aan vijf muzieksessies in het muzieklokaal van de school.
De jongeren speelden in bandformatie en werkten naar een
eigen rap of lied met als eindproduct een opname.
Masterclass drama
Voor deze interventie werd aansluiting gezocht bij het
buurttheater van een aandachtswijk te Maastricht. De
participerende jongeren waren allen al betrokken bij het
buurttheater. Naast het jongerenwerk was ook een com-
munity artist (regisseur) betrokken bij de interventie. De
masterclass drama is een kortdurende maar intensieve
interventie die zich afspeelde in een weekend. Na een
introducerende en voorbereidende kick-off bijeenkomst
werd toegewerkt naar een terugspeeltheatervoorstelling
voor de buutbewoners. De bijeenkomsten vonden plaats
in het buurtcentrum.
Bij een op de vijf jongeren
verloopt de ontwikkeling niet vlekkeloos
en is er sprake van problemen
willen deelnemen aan het onderzoek had geen gevolg voor
deelname aan de interventie. Alle onderzoeksgegevens
werden geanonimiseerd en vertrouwelijk behandeld. In de
rapportages werd de anonimiteit en privacy van de jongeren
volledig beschermd. De verkregen informatie is niet herleid-
baar tot individuen.
Resultaten van de (responsieve) procesevaluatie
De kwalitatieve data gaven inzicht in het participerend
proces van ontwikkeling, afstemming en uitvoering van
de interventies en in de daarbij ervaren bevorderende en
belemmerende factoren. De ervaringen konden worden
geordend tot drie groepen beïnvloedende factoren, namelijk
de (interdisciplinaire) samenwerking in dialoog met de jon-
geren, het laagdrempelig karakter van de interventie en tot
slot organisatorische en maatschappelijke factoren.
De responsieve evaluaties boden gelegenheid voor bewust-
wording en erkenning van elkaars wensen en voorkeuren,
sterke kanten en beperkingen, verwachtingen, mogelijkhe-
den en werkwijzen. Een relatie gekenmerkt door wederzijds
vertrouwen, gelijkwaardigheid, respect en betrokkenheid
bleek daarbij cruciaal.
Jongerenwerkers droegen met name bij aan het bereiken
en afstemmen op de (zorgmijdende) jongeren door hun
vertrouwensrelatie en presentie. Jongerenwerkers adviseer-
den de vaktherapeuten: “Presenteer je niet als professor of
therapeut want dat schrikt af. Dan ben je ze kwijt.”
Vaktherapeuten presenteerden zich daarom in eerste
instantie als kunstvakdocenten. Ze droegen met name bij
door hun deskundigheid in de kunstdiscipline, door hun
ongedwongen, maar toch methodische aanpak van de
bijeenkomsten, door hun competenties rond psychosociale
problematiek en door de methodische inzet van de vakthe-
rapeutische discipline als non-verbaal communicatiemiddel
via supportieve en re-educatieve werkwijzen. Jongeren voel-
den zich uitgenodigd om hun mening te geven en bijdrage
te leveren en ervoeren erkenning voor hun bijdrage.
De betrokkenen waren van mening dat het werken aan
het kunstproduct werkte als een laagdrempelig, veilig en
motiverend aangrijpingspunt voor de ontwikkeling van de
jongeren. Een jongere verwoordde dat als volgt: “Ik vond
het leuk, er zat veel actie in (...) jullie waren gewoon heel
leuk, gezellig en zonder slijmen. Fantastisch.”
en ‘pro-sociaal gedrag’. Een hoge score betekent meer ge-
dragsproblemen, meer hyperactiviteit en minder pro-sociaal
gedrag.
De RSES (Rosenberg, 1965) is een zelfevaluatieschaal
om het zelfbeeld in kaart te brengen. Het invullen duurt vijf
minuten. De beoordeling per item gebeurt op een 4-punts-
schaal, van ‘helemaal mee eens’ tot ‘helemaal niet mee
eens’. De twaalf items worden opgeteld tot een totaalscore.
Een hoge score duidt op een laag zelfbeeld. De schaal heeft
goede klinimetrische kwaliteiten (Blascovich & Tomaka,
1993).
Analyse van de data
Kwalitatieve data werden geanalyseerd volgens enkele
principes van de Grounded Theory Methodology (Strauss
& Corbin, 1998). Hiertoe werden data op niveau van de
projectgroepen inductief voorzien van open codes, die zo
dicht mogelijk bij de ervaring van de respondent lagen.
Vervolgens werden codes geordend tot categorieën. Hierbij
werd deductief gebruikgemaakt van de bij de dataverza-
meling gehanteerde (topic)lijsten. Om op generiek niveau
uitspraken te kunnen doen, werden de resultaten van de
projectgroepen op basis van constant comparison verder
geordend tot projectgroep overstijgende, generieke catego-
rieën.
De kwantitatieve gegevens werden beschrijvend geana-
lyseerd. Allereerst werden gemiddelden en standaard-
deviaties berekend voor elke meting. Vervolgens werd per
jongere de verschilscore per (sub)schaal tussen de voor- en
de nameting in kaart gebracht om zodoende een beeld te
krijgen van het profiel. Vanwege het geringe aantal jongeren
dat de vragenlijsten had ingevuld, werden er geen toetsen
toegepast. Het risico zou anders groter zijn dat er foutief
geconcludeerd zou worden dat de interventie geen effect
laat zien.
Kwaliteitseisen en ethische overwegingen
Om de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek te
verhogen (Guba & Lincoln, 1995) werd gebruikgemaakt van
triangulatie van onderzoekers, onderzoeksmethoden en
databronnen. Er werd een member check gedaan bij de be-
trokken professionals. Er werd een peer-debriefing gedaan
door het voorleggen van (tussentijdse) resultaten aan leden
van de CoP en aan het projectleidersoverleg.
Deelname aan het onderzoek was geheel vrijwillig en vond
plaats in het kader van de vrije tijd. Ethische aspecten
werden besproken met een lector, tevens kinderrechter.
Op zijn advies werd vanwege de verwaarloosbare risico’s
afgezien van een aanvullende medisch-ethische toetsing
van het project. Reguliere ethische maatregelen werden in
acht genomen. Ouders werden geïnformeerd (schriftelijk en/
of mondeling) over de interventie en het onderzoek. Niet
22 | Schoot en Van Hooren: Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling.
Vaktherapeuten en jongerenwerkers
werken interprofessioneel en laagdrempelig
in de wijk om de zorg voor
kwetsbare jongeren te verbeteren
(laatste sessie) heerst er een positieve dynamiek. De
meiden stimuleren en motiveren elkaar. Komen met
constructieve ideeën en ideeën die uitvoerbaar zijn.”
Vaktherapeut dans en beweging van Dansproject Stich-
ting Jeugdzorg Sint Joseph.
“De jongeren ondersteunden elkaar in het medium,
of waren bijvoorbeeld bereid hun plaats af te staan
aan een ander.”
Vaktherapeut muziek van Vindplaats School.
“De kinderen hebben inmiddels veel ideeën, be-
denken de meeste belangrijke dingen uit zichzelf,
werken vandaag goed samen. Schieten soms door
in ideeën, maar zijn wel enthousiast, vooral om zo
veel verantwoordelijkheid te mogen nemen en mee
te denken.”
Vaktherapeut beeldend van Het Bazuinatelier.
De categorie ‘ontwikkeling van identiteit’ beschrijft de
ontwikkeling van de persoonlijkheid van de jongere. De
ontwikkelde subcategorieën tonen positieve veranderin-
gen in het zelfbeeld (trots, zelfvertrouwen en gevoel van
eigenwaarde) en in autonomie (bewustwording, reflectie op
en verantwoordelijkheid voor eigen gedrag, regie over eigen
keuzes en uitbreiding van gedragsmogelijkheden). Over het
algemeen kan worden gesteld dat de actieve participatie
door jongeren in de uitvoering als ook de evaluatie van de
interventie, en het feit dat hun mening en ervaringen serieus
werden genomen, bijdroegen aan gevoelens van erkenning
en eigenwaarde.
Identiteitsontwikkeling werd expliciet gekoppeld aan talen-
tontwikkeling en aan de ontwikkeling van creatieve inbreng
tot talent. Het creatief proces en de ontwikkeling van talent
bood aanknopingspunten voor succeservaringen.
Enkele uitspraken van jongeren en medewerkers ter illustra-
tie van de identiteitsontwikkeling:
“Ik moest mijn tekening heel groot op een houten
plaat zetten. Dat was best wel moeilijk. Ik heb nog
nooit zo’n groot schilderij gemaakt. Maar het is wel
mooi geworden en ik vind het te gek, dat het hier
straks wordt opgehangen.”
Jongere van Het Bazuinatelier (beeldend).
“Inzet van danselementen bij het structureren van de
bewegingen die de jongeren laten zien, zorgt voor
concentratie en motivatie. Door het oppikken van
bewegingsimpulsen en deze in de choreografie te
verwerken voelen jongeren zich gezien.”
Vaktherapeut dans-beweging van Dansproject Stichting
Jeuzgdzorg Sint Joseph.
De positieve benadering, het kortdurend karakter van de
interventie, het enthousiasme van de betrokken professio-
nals en het creëren van gelegenheid tot succeservaringen
bevorderden dit proces.
Minder positieve en negatieve ervaringen deden zich met
name voor in de randvoorwaardelijke sfeer. Een organisato-
rische belemmerende factor bleek de (geografische) afstand
van betrokkenen evenals de (afgebakende) inzet op project-
basis van de vaktherapeuten en projectleiders, discontinuï-
teit door vakanties en vrije dagen bij de jongerenwerkers
en gebrek aan de (flexibele) beschikbaarheid van adequate
ruimte. De samenwerking met de gemeente kwam onvol-
doende van de grond waardoor de tentoonstelling van het
atelier geen doorgang vond. Maatschappelijke onrust in
relatie tot transitie in de jeugdzorg bleek een belemmerende
factor op maatschappelijk niveau.
Resultaten van de evaluatie van ervaren effecten
Kwalitatief
Uit de kwalitatieve analyses kwamen twee centrale catego-
rieën van ervaren effecten naar voren: sociale ontwikkeling
(subcategorieën: interactie, verbinding en samenwerking)
en ontwikkeling van de eigen identiteit (subcategorieën:
autonomie en zelfbeeld).
De categorie ‘sociale ontwikkeling’ beschrijft een proces
van toenemende samenwerking en interactie van de jonge-
ren in relatie tot de groepsgenoten, professionals en tot de
buurt. Wat opvalt is dat deze effectcategorie bij de jongeren
van alle projectgroepen naar voren kwam. De subcatego-
rieën omvatten uitingen van luisteren naar elkaar, betrok-
kenheid, verbondenheid, zeggenschap bij de onderlinge
samenwerking en uitbreiding van het gedragsrepertoire en
van het probleemoplossend vermogen. Alleen bij de inter-
venties ‘Masterclass Mariaberg’ (drama) en ‘Het Bazuina-
telier’ (beeldend) betroffen de ervaren effecten ook sociale
interactie in relatie tot de buurt. Hier werd een toenemende
betrokkenheid en zeggenschap bij de onderlinge samen-
werking en bij de leefsituatie in de buurt geuit, evenals een
positieve bijdrage aan de leefsituatie in de buurt. Er werden
diverse voorbeelden gegeven van wederzijds toenemend
begrip, verdraagzaamheid en verantwoordelijkheid.
Enkele uitspraken van jongeren en medewerkers ter illustra-
tie van de sociale ontwikkeling:
“Je kunt van toneel leren om socialer te zijn enzo,
omdat je in een groep bent enzo. Je leert eigenlijk
best wel veel, alleen al door naar toneel te gaan.”
Jongere van de Masterclass Mariaberg (drama).
“Er is een lijn te zien van afwachtend/aftastend naar
grenzen opzoeken/uitproberen naar coöperatief
gedrag. (…) Tijdens het opnemen van de videoclip
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 23
zes van de acht jongeren), een toename van pro-sociaal
gedrag (bij twee van de drie jongeren) en een toename van
de zelfwaardering (bij vier van de vijf jongeren). Verder wordt
zichtbaar dat de veranderingen in positieve richting (daling
in scores, behalve bij de subschaal pro-sociaal gedrag)
“Je merkt dat mensen het leuk vinden en dan wil je
een stapje hoger, kijken wat de mensen er dan van
denken … Ik wist niet dat ik dat kon.”
Jongere van de Masterclass Mariaberg (drama).
“Er zijn diverse aanwijzingen van de jongeren zelf
dat zij meer zichzelf durven zijn en trots zijn op hun
deelname.”
Vaktherapeut muziek Vindplaats School.
Kwantitatief
Er waren acht jongeren die zowel bij de voor- als de name-
ting vragenlijsten hadden ingevuld (zeven vanuit Masterclass
Mariaberg (drama) en één vanuit Het Bazuinatelier (beel-
dend). Door ontbrekende waarden kon er voor één persoon
geen score worden bepaald voor de subschaal ‘gedrags-
problemen’. De gemiddelde scores en de standaarddevi-
aties op de SDQ en RSE zijn te zien in Tabel 3. Hieruit valt
op te maken dat de SDQ-scores van de jongerenversie een
verwachte richting vertonen, namelijk dat de gemiddelde
scores na afloop van de interventie lager lijken te zijn in ver-
gelijking met voor de interventie. Dat lijkt erop te wijzen dan
er sprake is van minder gedragsproblemen en hyperactivi-
teit en meer pro-sociaal gedrag na afloop van de interventie.
De RSE totaalscore liet eenzelfde verandering zien in de
verwachte richting, hetgeen zou betekenen dat er na afloop
van de interventie een hoger zelfbeeld lijkt te worden erva-
ren door de jongere dan voor de interventie. Dit was echter
niet zichtbaar bij de SDQ-scores van de professional-versie.
Bij de professionals is de SDQ-score na de interventie ho-
ger, wat zou betekenen dat de professionals na de interven-
tie meer gedragsproblemen ervaren bij de jongeren.
De verschilscores per jongere worden getoond in Figuur 1.
Wanneer er sprake was van een verandering, dan betrof
dit in de meeste gevallen een verandering in de verwachte
richting, namelijk een afname van gedragsproblemen (bij
drie van de vier jongeren) een afname van hyperactiviteit (bij
24 | Schoot en Van Hooren: Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling.
Tabel 3: Gemiddelde scores en standaarddeviatie van SDQ versie
Jongeren, SDQ versie professional en RSE
Meetinstrument Voormeting
Gem. (SD)
Nameting
Gem. (SD)
SDQ-versie Jongeren
Gedragsproblemen
Hyperactiviteit
Pro-sociaal gedrag
2,7 (1,7)
5,4 (1,6)
7,9 (1,7)
1,6 (1,3)
4,5 (1,6)
8,3 (1,4)
SDQ-versie Professional
Gedragsproblemen
Hyperactiviteit
Pro-sociaal gedrag
1,9 (2,3)
5,4 (1,6)
8,4 (1,5)
2,3 (3,0)
5,5 (1,8)
8,5 (1,7)
RSE 20,6 (6,0) 17,5 (5,0)
Noot: Een afname op de scores van de subschalen SDQ gedrags-
problemen, SDQ Hyperactiviteit en RSE betekent minder gedrags-
problemen, minder hyperactiviteit en een hoger zelfbeeld. Voor de
subschaal SDQ prosociaal gedrag geldt dat een toename in score
een verbetering betekent wat betreft het pro-sociaal functioneren.
SDQ Gedragsproblemen
2
1
0
-1
-2
-3
-4
SDQ Hyperactiviteit
2
1
0
-1
-2
-3
-4
SDQ Prosociaal gedrag
2
1
0
-1
-2
-3
-4
Rosenberg Selfesteem
2
0
-2
-4
-6
-8
-10
1 2 3 4 5 6 7 8
1 2 3 4 5 6 7 8
1 2 3 4 5 6 7 8
1 2 3 4 5 6 7 8
Figuur 1: Verschilscores per jongere voor de SDQ subschalen en
de RSE totaalscore.
veelal aan de straatcultuur. Bovendien werkt dit met name
in de eigen (peer)kring en minder in andere sociale ver-
banden. Het breder inzetbaar maken van de sterke kanten
van jongeren in andere sociale verbanden is een doel van
talentontwikkeling, waarbij het kunstproces fungeert als een
geschikt medium (Van Hoorik, 2011; Metz, 2013).
Doordat er binnen de ontwikkelde interventie de succeser-
varingen als uitgangspunt worden genomen en er in co-cre-
atie wordt samengewerkt, kan er een veilige basis ontstaan
van wederzijds respect en erkenning, waardoor het mogelijk
wordt om identiteit, zelfbeeld en sociaal functioneren te
laten ontwikkelen en een proces van empowerment in gang
te zetten. Het kunstproces was binnen de ontwikkelde inter-
ventie een belangrijk middel om dit teweeg te brengen.
Methodologische reflectie
Het participatief en responsief karakter van het onderzoek
met de jongeren bood optimaal gelegenheid voor aanslui-
ting bij de jongeren en voor erkenning van hun inbreng.
De sterkte van aansluiting bij de natuurlijke sociale context
van dit praktijkgerichte onderzoek ging echter gepaard met
onderzoek bij kleine, heterogeen samengestelde groepen.
Dit staat op gespannen voet met enkele methodologische
wetmatigheden zoals het realiseren van voldoende aantal
deelnemers en het streven naar een homogene doelgroep
(Hutschemaekers, 2009). Door het geringe aantal ingevulde
lijsten was het niet mogelijk om te toetsen of er daadwer-
kelijk verandering zichtbaar was over de tijd over de gehele
groep. Daarom werd de verandering in de tijd per jongere
onderzocht. De kwantitatieve resultaten moeten daarom
met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. De
relatie tussen de ontwikkeling van beschermende facto-
ren enerzijds en criminaliteit en overlastgevend gedrag
anderzijds is in theorie aanwezig, maar kon met dit type
onderzoek verder niet worden onderzocht. Ondanks de
beperking van de onderzoeksgroep maakte de triangulatie
van methoden, instrumenten en databronnen inzichtelijk dat
vergelijkbare resultaten naar voren kwamen als het gaat om
de ervaringen van de jongeren.
Conclusie
Op meerdere fronten blijkt vaktherapie in het jongeren-
werk een positieve ontwikkeling. Dit project laat zien
meer uitgesproken waren dan de veranderingen in nega-
tieve richting. De grootste veranderingen zijn zichtbaar voor
de subschaal hyperactiviteit en de RSE totaalscore.
Discussie
Vaktherapeuten bleken samen met jongerenwerkers in staat
om elkaar te versterken in hun werkwijzen en in co-creatie
laagdrempelige interventies af te kunnen stemmen op de
jongeren. De relatie met de jongeren, de erkenning van hun
bijdrage en het gezamenlijk werken aan een kunstproduct
bleken belangrijke succesfactoren bij de ontwikkeling van
beschermende factoren bij de jongeren.
Via de CoP traden de betrokken partijen, elk met inzet
van hun sterke kanten, gezamenlijk op als change agents.
Versterking en mobilisering van een goed functionerend net-
werk worden ook door Hermans (2010) genoemd als een
beschermende factor voor de ontwikkeling van kwetsbare
jongeren. Alle geïnventariseerde bevorderende en belem-
merende factoren werden aan het eind van dit onderzoeks-
project verwerkt tot een checklist ‘Do’s en Don’ts voor
Vaktherapie in het Jongerenwerk’. Deze is te beschouwen
als een leidraad voor het succesvol uitvoeren van dergelijke
interventies in de toekomst door andere vaktherapeuten en
jongerenwerkers met vergelijkbare doelgroepen en situaties
(Van den Broek & Schoot, 2013).
De met diverse meetinstrumenten en methoden verkregen
kwalitatieve en kwantitatieve resultaten versterken elkaar als
het gaat om datgene wat jongeren zelf ervoeren. Het geheel
toont een ontwikkeling in de verwachte richting zoals erva-
ren door de jongeren, namelijk een hoger zelfbeeld, meer
ervaren sterke kanten en minder problemen. Met andere
woorden, de resultaten lijken te duiden op versterking van
beschermende factoren bij de jongeren en hun omgeving,
te weten sociale ontwikkeling (individu en buurt) en ontwik-
keling van identiteit (zelfbeeld en autonomie).
De ervaringen van de professionals bij de kwalitatieve
analyses tonen een ontwikkeling bij de jongeren in het
sociaal functioneren en in hun identiteit. Dit kwam niet tot
uiting in de kwantitatieve resultaten, waarin de professionals
gevraagd werd of en in hoeverre ze vonden dat er sprake
was van gedragsproblemen of pro-sociaal gedrag. Een
mogelijke verklaring hiervoor is dat de betrokken profes-
sionals zich gaandeweg meer bewust zijn geworden van
de gedragingen die benoemd werden in de items van het
meetinstrument in relatie tot het gedrag van de jongeren.
Hierdoor zou het tweede meetmoment een realistischer
beeld kunnen geven van het gedrag en kan er geen ade-
quate vergelijking gemaakt worden tussen het eerste en
tweede meetmoment.
Een belangrijk element van de interventie was de ontwikke-
ling van de sterke kanten van de jongeren. Risicojongeren
beschikken doorgaans al over sterkten, maar ontlenen deze
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 25
De meningen en ervaringen
werden serieus genomen,
wat bijdroeg aan het gevoel
van erkenning en eigenwaarde
• Cardol,G.(2012).Eerst denken en dan doen: Over het versterken
van de eigen kracht van gezinnen en het beter benutten van het so-
ciale netwerk. Verkregen van http://www.zuyd.nl/~/media/Files/On-
derzoek/Kenniskring%20Opvoeden%20in%20het%20Publike%20
Domein/cardol_lectoralerede-webversie.pdf
• Crone,E.A.M.(2008).Het puberende brein: Over de ontwikkeling
van de hersenen in de unieke periode van de adolescentie. Amster-
dam: Bakker.
• Crone,E.A.M.(2012).Het sociale brein van de puber. Amsterdam:
Bakker.
• Donnellan,M.B.,Trzesniewski,K.H.,Robins,R.W.,Moffitt,T.
E. & Caspi, A. (2005). Low self-esteem is related to aggression,
antisocial behavior, and delinquency. Psychological science, 16(4),
328-335.
• Elliot,R.(2001).Helpful Aspects of Therapy Form. Verkregen van
http://www.experiential-researchers.org/instruments/elliott/hat.html
• Gleser,G.G.,Green,B.L.&Winget,C.(1981).Prolonged psy-
chosocial effects of disaster: A study of Buffalo Creek. New York:
Academic Press.
• GoedhartA,TreffersF.&Widenfelt,B.van(2003).Vragennaar
psychische problemen bij kinderen en adolescenten: de Strenghts
and Difficulties Questionnaire (SDQ). Maandblad Geestelijke Volksge-
zondheid, 58, 1018-1035.
• Guba,E.G.&Lincoln,Y.S.(1989).Fourth generation evaluation.
Newbury Park, CA: Sage Publications.
• Haaft,G.ten(red.).(2011).Gesneden koek? Tips voor Jeugdonder-
zoek. Den Haag: ZonMw.
• Heiden-Attema,N.&Bol,M.W.vander(2000).Moeilijke jeugd:
Risico- en protectieve factoren en de ontwikkeling van delinquent
gedrag in een groep risicojongeren. Den Haag: Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatiecentrum.
• Hermanns,J.(2010).Goedgeregeldejeugdzorg?InH.M.Pijnen-
burg (red.), Zorgen dat het werkt: werkzame factoren in de zorg voor
jeugd, (pp. 61-79). Amsterdam: SWP.
• Hoorik,I.van(2011).(Hoe) werkt talentontwikkeling bij “risicojon-
geren”? Bouwstenen voor nader onderzoek. Utrecht: Nederlands
Jeugdinstituut.
• Hutschemaekers,G.(2009).Wetten in de weg en praktische bezwa-
ren. Nijmegen: Radboud Universiteit.
• Kooijmans,M.(2009).Battle zonder knokken: Talentcoaching van
risicojongeren. Amsterdam: SWP.
• Looze,M.de,Dorsselaer,S.van,Roos,S.de,Verdurmen,J.,Ste-
vens, G., Gommans, R., . . . & Vollebergh, W. (2013). Gezondheid,
welzijn en opvoeding van Jongeren in Nederland. Trimbos instituut,
Universiteit van Utrecht. Verkegen van: http://www.hbscnederland.
nl/uploads/publicaties/openbaar/hbsc_rapport_2013.pdf
• Metz,J.(2013).De waarde(n) van het Jongerenwerk. Hogeschool
van Amsterdam. Verkregen van https://www.hva.nl/wp-content/
uploads/2012/01/131008-lectorale-rede-judith-metz.pdf
• MurisP.,Meesters,C.&Berg,F.vanden(2003).TheStrengthsand
Difficulties Questionnaire (SDQ): Further evidence for its reliability and
validity in a community sample of Dutch children and adolescents.
European Child and Adolescent Psychiatry, 12, 1-8.
• Nielen,M.(2013).Community arts door de ogen van de maker: Een
persoonlijk verslag van Marij Nielen. Verkregen van http://issuu.com/
vrede/docs/publicatieklinkersvoorterweijde
• NJI,(2013).Thesaurus van het Nederlands Jeugdinstituut. Verkre-
gen van http://www.nji.nl/Transitie-jeugdzorg
• NJI,(2013).Transitie jeugdzorg. Verkregen van http://www.nji.nl/
Transitie-jeugdzorg
• O’Cathain,A.,Murphy,E.&Nicholl,J.(2007).Integrationandpubli-
cations as indicators of “yield” from mixed methods studies. Journal
of Mixed Methods Research, 1(2), 147-163.
• Pavlicevic,M.&Ansdell,G.(Eds.)(2004).Community music therapy.
London; New York: Jessica Kingsley.
• Plaisier,J.(2007).Jong en veelbelovend: Ontwikkeling van erkende
gedragsinterventies voor jeugdige delinquenten door de Raad voor
de Kinderbescherming. Utrecht: Raad voor de Kinderbescherming,
Landelijk Bureau.
26 | Schoot en Van Hooren: Vaktherapie in het jongerenwerk. Een positieve ontwikkeling.
hoe vaktherapie kan worden ingezet in lerende gemeen-
schappen met jongerenwerkers en kwetsbare jongeren.
Succes factoren hierbij waren de samenwerkingsrelatie, het
gezamenlijk werken aan een kunstproduct, de positieve
benadering en de participatie op basis van sterke kanten
van alle betrokkenen. De evaluaties leveren aanwijzingen
op van een positieve ontwikkeling bij jongeren: minder
problemen en een beter zelfbeeld. Daarnaast zijn er sig-
nalen uit de buurt betreffende de ontwikkeling van sociaal
en cultureel kapitaal, te weten actieve participatie bij de
interventie, toenemende tolerantie en verantwoordelijkheid
voor de jeugd en trots bij de uitvoering.
De ontwikkelde interventies zijn concrete voorbeelden van
hoe jongerenwerkers en vaktherapeuten hun krachten
kunnen bundelen binnen de transitie van de jeugdzorg. De
ontwikkelde interventies lijken een veelbelovend perspectief
om het proces van empowerment van kwetsbare jongeren
te bevorderen.
Aanbevelingen
Vanuit dit onderzoeksproject kunnen er vier aanbevelingen
worden gedaan. Ten eerste wordt bij verdere implementatie
aanbevolen om de buurtbewoners een explicietere rol toe te
bedelen bij de uitvoering en presentatie. Verder is het wen-
selijk om vervolgonderzoek te verrichten naar de effecten
van de ontwikkelde interventies bij kwetsbare jongeren op
desistance en resistance van delinquent gedrag. Ten derde
wordt aanbevolen om alternatieve kwantitatieve onder-
zoeksmogelijkheden te verkennen rekening houdend met
het zorgmijdend karakter van de doelgroep. Tot slot zou
in vervolgonderzoek gedifferentieerd moeten worden naar
vaktherapeutische discipline, geslacht en leeftijd van de
doelgroep, daar dit factoren zijn die beïnvloeden waarom de
interventie wel of niet slaagt.
Literatuur
• Abdallah,S.,KooimansM.,&Raven,T.(2013).Perspectieven
op Talentontwikkeling in het Jongerenwerk: Succeservaringen,
rolmodellen en het rechte pad. Verkregen van http://www.hva.nl/
kenniscentrum-dmr/wp-content/uploads/2013/11/Perspectieven-
op-talentontwikkeling-in-het-jongerenwerk.pdf
• Abma,T.A.&Widdershoven,G.(2006).Responsieve methodologie:
Interactief onderzoek in de praktijk. Den Haag: BoomLemma.
• Blascovich,J.&Tomaka,J.(1993).MeasuresofSelf-Esteem.InJ.P.
Robinson, P.R. Shaver & L.S. Wrightsman (eds.), Measures of Per-
sonality and Social Psychological Attitudes. (3th ed., pp. 115-160).
Ann Arbor: Institute for Social Research.
• Boer,F.de&Smaling.A.(red.).(2011).Benaderingen in kwalitatief
onderzoek: Een inleiding. Den Haag: BoomLemma.
• Bogt,T.ter,Dorsselaer,S.van&Vollebergh,W.(2002).HBSCNe-
derland 2002: Psychische gezondheid, risicogedrag en welbevinden
van Nederlandse scholieren. Verkregen van http://www.hbsc-neder-
land.nl/uploads/publicaties/openbaar/HBSC_Rapport_2002.pdf
• Broek,E.vanden&Schoot,T.(red.).(2011).Do’s en Don’ts voor
Vaktherapie in het Jongerenwerk: Checklist algemene uitgangs-
punten behandelmethoden/ interventies voor vaktherapie in het
jongerenwerk. Heerlen: Zuyd Hogeschool.
Daarnaast danken wij de partners van het consortium: Tra-
jekt Heuvelland, Stichting Jeugdzorg Sint Joseph, Herlaar-
hof, Hogeschool Utrecht, Zuyd Hogeschool.
Samenvatting
Vaktherapeuten (drama, beeldend, dans en beweging,
muziek) en jongerenwerkers zochten gezamenlijk naar
invulling van de transitie in de Jeugdzorg. Daartoe hebben
zij Communities of Practice ingericht. Middels participerend
actieonderzoek en responsieve evaluaties werden interpro-
fessionele interventies afgestemd op kwetsbare jongeren.
Het doel was om beschermende factoren van jongeren te
bevorderen en externaliserend probleemgedrag te voor-
komen. Het evaluatieonderzoek toont aanwijzingen dat de
interventies een bijdrage lijken te leveren aan de sociale
ontwikkeling en het zelfbeeld van jongeren. De ontwikkelde
innovatieve samenwerkingsverbanden en interventies lijken
een veelbelovend perspectief om het proces van empower-
ment van kwetsbare jongeren te bevorderen. <
Informatie over de gehanteerde vaktherapeutische
werkwijzen, methoden en werkvormen is te vinden op
www.kenvak.nl.
• Regenmortel,T.van(2002).Empowerment en maatzorg: een kracht-
gerichte psychologische kijk op armoede. Leuven: Acco.
• Regenmortel,T.van(2009).Empowermentalsuitdagendkadervoor
sociale inclusieve en moderne zorg. In: Journal of Social Interven-
tion: Theory and Practice. 18(4), 22-42.
• Rosenberg,M.(1965).Society and the adolescent self-image. Prin-
ceton, N.J.: Princeton University Press.
• Schoot,T.&Broek,E.vanden(red).(2013).Vaktherapie binnen de
setting van het Jongerenwerk: Resultaten van de inventarisatiefase
maart-oktober 2011. Heerlen: Zuyd Hogeschool.
• Smeijsters,H.(2010).Praktijkonderzoeknaarinterventies:Vakthera-
pie in Justitiële Jeugdinrichtingen en Gesloten Jeugdzorg. Tijdschrift
voor Vaktherapie, 1, 9-17.
• Strauss,A.L.&Corbin,J.M.(1998).Basics of qualitative research:
Techniques and procedures for developing grounded theory.
Thousand Oaks, CA: Sage.
• WetenschappelijkeRaadvanRegeringsbeleid(WRR)(2009).Ver-
trouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren (r83
janog). Amsterdam: AU
• Widenfelt,B.M.van,Goedhart,A.W.,Treffers,P.D.&Goodman,R.
(2003). Dutch version of the Strengths and Difficulties Questionnaire
(SDQ). European Child & Adolescent Psychiatry, 12(6), 281-289.
• Yperen,T.A.van&Stam,P.(2010).Opvoeden versterken. Den
Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Verkregen van
http://www.vng.nl
• Yperen,T.A.van&Westering,Y.C.van(2010).Pijlers voor nieuw
jeugdbeleid. Verkregen van http://www.nji.nl/Pijlers_voor_nieuw_
jeugdbeleid_2010.pdf
• Yperen,T.A.van&Woudenberg,A.van(2011).Werk in uitvoering:
Bouwen aan het nieuwe jeugdstelsel. Verkregen van http://www.nji.
nl/nl/Werk_in_uitvoering.pdf
• Weerman,F.M.,&vanderLaan,P.H.(2006).Derelatietussen
spijbelen, voortijdig schoolverlaten en jeugdcriminaliteit. Justitiële
Verkenningen, 32(6), 39-53.
• Wenger,E.,McDermott,R.&Snyder,W.M.(2002).Cultivating Com-
munities of Practice: A Guide to managing knowledge. Boston, MA:
Harvard Business School Press.
• WetenschappelijkeRaadvoorhetRegeringsbeleid,(2009).Vertrou-
wen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren (r83 jan
09). Amsterdam: Amsterdam University Press.
• WorldHealthOrganization(2010).Framework for Action on interpro-
fessional Education & Collaborative Practice. Verkregen van http://
whqlibdoc.who.int/hq/2010/WHO_HRH_HPN_10.3_eng.pdf
Over de auteurs
Tineke Schoot is hoofddocent en onderzoeker aan Zuyd
Hogeschool. Zij was als programmaleider verbonden aan
het RAAK-programma ‘Vaktherapie in het Jongerenwerk’.
Momenteel coördineert zij vanuit KenVak een aantal vervolg-
activiteiten rond dit programma.
E: Tineke.schoot@zuyd.nl
Susan van Hooren is lector van het landelijk lectoraat
Kennisontwikkeling Vaktherapieën en teamleider van de
landelijke masteropleiding ‘Master of Arts Therapies’. Daar-
naast is zij als universitair docent werkzaam bij de faculteit
Psychologie en Onderwijswetenschappen van de Open
Universiteit.
Dankwoord
Wij danken de projectleiders Elsa van den Broek, Gemmy
Willemars, Ina van Keulen, Nanon Janssen en Peter Dae-
men, en alle betrokkenen van de Communities of Practice
voor hun participatie.
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/3, jaargang 11, © FVB | 27
advertentie
Cognitieve gedragstherapie en vaktherapie I
www.rino.nl/810 start 21 september 2015
Schematherapie en vaktherapie
www.rino.nl/825 start 23 september 2015
Interpersoonlijke psychotherapie (IPT) en vaktherapie
www.rino.nl/829 30 oktober en 9 november 2015
7 belangrijke thema’s in de vaktherapie
www.rino.nl/874 start 4 november 2015
Een eigen praktijk
www.rino.nl/857 13 en 27 november 2015
Groepsdynamica
www.rino.nl/416 najaar 2015
Seksueel misbruik van adolescenten
www.rino.nl/552 start 7 maart 2016
TIP: Zoek op onze website op trefwoord VAKTHERAPEUT
www.rino.nl
Leidseplein 5 - 1017 PR Amsterdam - (020) 625 08 03 - info@rino.nl
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Book
Full-text available
Scholen moeten aan dreigende schooluitvallers niet alleen kennis overdragen volgens de gestelde leerdoelen, maar ook structuur en verbondenheid leren. Alleen op scholen met een dergelijke brede taakopvatting (‘plus’-scholen) bestaat een reële kans dat de meest kwetsbare jongeren binnen de maatschappij blijven. Dat is de conclusie van de WRR in het rapport Vertrouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren (rapport nr. 83, 2009).
Article
Full-text available
Book
Jeugdcriminaliteit leidt tot problemen in onze maatschappij, waar het steeds zoeken is naar een goed antwoord. Er is veel discussie, ook over hoe we moeilijke jongeren op het rechte pad moeten krijgen, of houden. Harder straffen? Vroegtijdig ingrijpen? Meer begeleiding? Het boek Battle zonder knokken is het resultaat van een verkennend onderzoek naar projecten in het land waarbij uitgegaan wordt van de talenten en potenties van risicojongeren. De conclusie van het onderzoek is dat deze aanpak, beschreven als talentcoaching, het bewustzijn en gedrag van risicojongeren positief kan beïnvloeden. Maike Kooijmans beschrijft de kenmerken en mogelijkheden van talentcoaching en de dilemma’s waar professionals mee te maken krijgen. Hoewel sociaalagogisch werkers gewend zijn te focussen op krachten en kansen van mensen, blijkt deze denk- en werkwijze ten aanzien van risicojongeren niet vanzelfsprekend en binnen het justitiële veld zelfs vernieuwend. Vaker worden risicofactoren, de deficiënties en het wangedrag gekozen als uitgangspunt voor de aanpak. Battle zonder knokken is geschreven voor professionals en studenten uit de sociaalagogische beroepspraktijk die zich in hun werk of studie richten op probleem- en risicojongeren. Ook voor beleidsmakers en methodiekontwikkelaars kan het boek een inspiratiebron zijn. Maike Kooijmans (1964) is docent aan de Academie voor Sociale Studies, onderzoeker bij het Expertisecentrum Veiligheid van het lectoraat Jeugd en Veiligheid van Avans Hogeschool in ‘s-Hertogenboschen en is als promovendus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Article
Een krachtgerichte basismethodiek voor de begeleiding van mensen in armoede gekaderd binnen het empowermentparadigma.
Article
A mixed methods study has the potential to produce knowledge that is unavailable to a qualitative study and a quantitative study undertaken independently. Any unique insight or ``yield'' from a mixed methods study may be difficult to assess in practice. However, given that integration of data or findings from different components of a study is a core characteristic of mixed methods research, two possible indicators of yield can be used: first, the extent to which researchers exploit the potential for integration in mixed methods studies; and second, the way in which this integration is communicated in peer-reviewed journal articles. Here, the authors apply these indicators to mixed methods studies in health services research in the United Kingdom.
Book
There are few topics so fascinating both to the research investigator and the research subject as the self-image. It is distinctively characteristic of the human animal that he is able to stand outside himself and to describe, judge, and evaluate the person he is. He is at once the observer and the observed, the judge and the judged, the evaluator and the evaluated. Since the self is probably the most important thing in the world to him, the question of what he is like and how he feels about himself engrosses him deeply. This is especially true during the adolescent stage of development.