ArticlePDF Available

Bookreview // Mariëlle Polman, De keerzijde van het leven. Anton van Duinkerken als literatuurcriticus bij De Tijd.

Authors:

Abstract

Ongetwijfeld was W.J.M.A. Asselbergs, meer bekend als Anton van Duinkerken, de belangrijkste katholieke letterkundige tijdens het interbellum en de naoorlogse jaren van de vorige eeuw. Deze 'veelomvattende mens' (1903-1968) heeft die reputatie onder meer verworven door zijn veelzijdige aanwezigheid in de literaire wereld. Hij was niet alleen dichter en essayist, maar ook literatuurhistoricus, hoogleraar, criticus en tijdschrift¬redacteur. Het is dan ook toe te juichen dat Van Duinkerken in een van die hoedanigheden belicht wordt in een academische studie. Op 11 januari 2000 promoveerde Mariëlle Polman aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op de literatuurcriticus Van Duinkerken, precieser: op de criticus van het dagblad De Tijd. De keerzijde van het leven is een omvangrijk boek, niet in de laatste plaats doordat bijna de helft in beslag wordt genomen door bijlagen, waarvan een nuttige bibliografie van 156 bladzijden de grootste is. Daarin zijn alle artikelen beschreven die Van Duinkerken in De Tijd publiceerde gedurende de periode dat hij werkzaam was voor deze krant, van 1927 tot en met 1952. Uit dit corpus selecteerde Polman de ruim 800 recensies van contem¬poraine Nederlandstalige literatuur. Deze verzameling vormt het materiaal voor haar onderzoek naar 'de literatuuropvatting' van Van Duinkerken.
1
Hans Anten
Mariëlle Polman, De keerzijde van het leven. Anton van Duinkerken als
literatuurcriticus
bij De Tijd (1927-1952). Nijmegen (Valkhof Pers) 2000. 522 pp.
Ongetwijfeld was W.J.M.A. Asselbergs, meer bekend als Anton van Duinkerken, de
belangrijkste katholieke letterkundige tijdens het interbellum en de naoorlogse jaren
van de vorige eeuw. Deze 'veelomvattende mens' (1903-1968) heeft die reputatie onder
meer verworven door zijn veelzijdige aanwezigheid in de literaire wereld. Hij was niet
alleen dichter en essayist, maar ook literatuurhistoricus, hoogleraar, criticus en
tijdschriftredacteur. Het is dan ook toe te juichen dat Van Duinkerken in een van die
hoedanigheden belicht wordt in een academische studie. Op 11 januari 2000
promoveerde Mariëlle Polman aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op de
literatuurcriticus Van Duinkerken, preciezer: op de criticus van het dagblad De Tijd.
De keerzijde van het leven is een omvangrijk boek, niet in de laatste plaats
doordat bijna de helft in beslag wordt genomen door bijlagen, waarvan een nuttige
bibliografie van 156 bladzijden de grootste is. Daarin zijn alle artikelen beschreven die
Van Duinkerken in De Tijd publiceerde gedurende de periode dat hij werkzaam was
voor deze krant, van 1927 tot en met 1952. Uit dit corpus selecteerde Polman de ruim
800 recensies van contemporaine Nederlandstalige literatuur. Deze verzameling vormt
het materiaal voor haar onderzoek naar 'de literatuuropvatting' van Van Duinkerken.
Daartoe is globaal het volgende parcours doorlopen: na 'de verantwoording van de
methode' wordt in het eerste hoofdstuk een korte introductie gegeven op De Tijd en
leven en werk van Van Duinkerken tot aan 1952, het jaar dat hij in Nijmegen Gerard
Brom opvolgde als hoogleraar Nederlandse en Algemene letterkunde. Hoofdstuk II
geeft een 'kwantitatieve analyse' van al zijn bijdragen aan De Tijd, dus ook van
artikelen over bijvoorbeeld godsdienstige onderwerpen, oudere literatuur en
buitenlandse letterkunde. Hoofdstuk III beschrijft de door Van Duinkerken expliciet
geformuleerde ideeën over literatuurkritiek in een dagblad, en in hoofdstuk IV wordt
zijn kritische praktijk belicht. Het vijfde hoofdstuk bevat een hoofdzakelijk
kwantitatieve bespreking van de auteurs die Van Duinkerken opvoert als
vergelijkingspunt ter ondersteuning van zijn oordeel. Tevens staat hier het
voorbehoud centraal dat hij aan vele boeken toekent. Tenslotte worden in een
conclusie de kritische theorie en praktijk met elkaar vergeleken.
Ofschoon Van Duinkerken, in de woorden van Oversteegen, een onvervalste
vertegenwoordiger was van de jaren dertig met hun accent op de wereldbeschouwing,
is het beeld dat tot dusver van hem is gegeven er overwegend een van een open
katholiek die als redacteur van het relatief moderne literaire jongerentijdschrift De
gemeenschap de zogenaamde bidprentjescultuur bestreed en de clerus trotseerde. Zijn
opvatting van 'dienstbare schoonheid' impliceerde een pleidooi voor de relatieve
autonomie van kunst en het hanteren van esthetische normen naast
levensbeschouwelijke criteria in kritieken. In dit beeld past ook zijn toetreden in 1934
als eerste katholiek tot de redactie van de liberale De gids, zijn geloof in de naoorlogse
doorbraakgedachte, en zijn lidmaatschap van de Partij van de Arbeid. Tegen deze
achtergrond van ruimdenkendheid en progressiviteit betekent de studie van mevrouw
1
Polman een verrassing omdat de dagbladcriticus Van Duinkerken de accenten bepaald
anders legt. Hier verdedigt hij poëticale denkbeelden die vanuit een hedendaags
perspectief veelal moesten leiden tot de 'verkeerde' keuzes: tégen literatuur van Ter
Braak, Du Perron, Marsman, Elsschot, Bordewijk, Blaman, Hermans, Van het Reve;
vóór werk van Coolen, De Man, Timmermans, Querido, Van Ammers-Küller.
Hield Van Duinkerken er nogal uiteenlopende literatuuropvattingen op na of
past het inzetten van verschillende maatstaven, afhankelijk van het medium waarin
wordt gepubliceerd, binnen een veelomvattend poëticaal spectrum? Dergelijke vragen
worden door de schrijfster niet beantwoord omdat geen vergelijkend onderzoek is
verricht. Het is jammer dat een vergelijking van Van Duinkerkens kritische
werkzaamheden in dezelfde periode voor De Tijd, De gemeenschap en De gids niet is
ondernomen. Door zich te beperken tot het dagblad laboreert het verhaal van Polman
aan een eenzijdigheid die het achterhalen van 'de' literatuuropvatting van Van
Duinkerken onmogelijk maakt.
Ofschoon Polman terecht stelt dat aandacht voor institutionele aspecten
onontbeerlijk is, blijft toch onderbelicht in hoeverre factoren die buiten het literaire
werk liggen een effect hebben op het recenseren, op kritische strategieën en
oordeelsvorming. Omdat nogal wat gegevens ongenoemd blijven of niet worden
geproblematiseerd, komt het werken voor De Tijd soms in een raadselachtig
perspectief te staan. Zo meen ik bijvoorbeeld dat in het eerste hoofdstuk een algemeen
exposé opgenomen had moeten worden over het functioneren van kranten en hun
medewerkers gedurende de bezetting. Wellicht zou daarin de verklaring zijn gegeven
voor de wel zeer spectaculaire groei van het aantal abonnees van De Tijd. Vooral door
het verdwijnen van andere kranten, aldus Polman, steeg dat van 9800 voor 1940 tot
74.421 in 1944. Waarom bleef dit conservatieve opinieblad voor de katholieke
intellectueel gespaard voor de opheffing die andere bladen wel trof? In de
oorlogsjaren werd de Duitse letterkunde in De Tijd besproken door de
nationaalsocialist en N.S.B-er Gerard Wijdeveld. Van Duinkerken, inmiddels ontslagen
als redacteur, moet naar ik vermoed weinig gelukkig zijn geweest met deze collega.
Niettemin annuleerde hij zijn medewerking niet. Hebben financiële overwegingen -
zijn gezin telde acht kinderen - hier zwaarder gewogen dan meer principiële
afwegingen als de wens ideeën over tal van onderwerpen onder de aandacht van een
groot publiek te brengen? Over de invloed van confessionele lezers op aard en
strekking van de boekbesprekingen stelde Van Duinkerken in een terugblik: 'onder de
lezers leefde sterk de verwachting, dat wij niets zouden aanbevelen als het schadelijk
was voor hun idee van fatsoen. Deze verwachting tiranniseerde de kunstrubriek van
alle bladen. Verdenking van toegeeflijkheid jegens libertijnse geschriften of voorstel-
lingen bracht het brood van iedere journalist in gevaar.' Was de censurerende hand
van de lezer zo krachtig dat Van Duinkerken in 1939 in De Tijd over Walschaps roman
Houtekiet oordeelt: de 'literatuur zou niets gemist hebben' als dit boek niet verschenen
was? Of zijn het oprechte morele bezwaren, voortkomend uit poëticale principes, die
hem zo'n uitspraak ingaf? Het zijn dergelijke vragen die Polman in haar studie te
weinig stelt. Complicerend met betrekking tot Houtekiet is overigens het door de
schrijfster niet vermelde gegeven dat deze roman in 1939 in De gids verscheen, onder
verantwoordelijkheid van de redacteuren Werumeus Buning en Van Duinkerken...
Als gezegd baseerde Polman haar onderzoek op de artikelen over
Nederlandstalige tijdgenoten. Door deze selectie blijft een groot aantal voor de
1
constructie van Van Duinkerkens literatuuropvattingen belangrijke bijdragen buiten
beschouwing. Met name het negeren van de talrijke besprekingen van oudere
Nederlandse letterkunde en Franse literatuur lijkt mij een discutabele beslissing. In het
tweede hoofdstuk worden deze stukken alleen genoemd en niet inhoudelijk
besproken. De presentatie 'in vogelvlucht' van alle krantenpublicaties van Van
Duinkerken krijgt hier allengs zo'n opsommend karakter dat ik mij afvroeg of al die
kwantitatieve gegevens (data, titels, aantallen) niet overzichtelijker middels tabellen en
grafieken in een bijlage ondergebracht hadden kunnen worden.
De volgende drie hoofdstukken bevatten de kern van de studie. Ondanks haar
interpretatieve terughoudendheid en parafraserende benadering geeft Polman de
lezer een duidelijk beeld van de dagbladcriticus Van Duinkerken, voor wie de
katholieke levensbeschouwing de allesbepalende norm was. Sleutelbegrippen van zijn
levensbeschouwelijke (en daaruit afgeleide formele) maatstaven als
'levensaanvaarding', 'hartelijkheid', 'gezelligheid', 'personages van vlees en bloed',
'eerlijke sentimentaliteit', een 'natuurlijke en ongekunstelde stijl', geven aan dat
literatuur die met het tegenovergestelde van deze zo geformuleerde criteria in
verband wordt gebracht, onaanvaardbaar is. Dat betekent dus afwijzing van het
Modernisme - Du Perrons Het land van herkomst wordt in alle opzichten ondeugdelijk
bevonden -, afwijzing van de nieuwe zakelijkheid waartoe hij de voor hem te verstan-
delijke Bordewijk met zijn moreel verwerpelijk personage Bint rekent, verwerping van
het cynisme en de illusieloosheid in romans van onder anderen Vestdijk, Ter Braak en
Hermans, verwerping van stijlexperimenten en genredoorbreking, van uiteindelijk
iedere literatuur die geen verheffende ontroering teweegbrengt en die slechts door
weinigen - de 'unhappy few' - gelezen kan worden. Polman bespreekt Van Duinker-
kens kritische praktijk antithetisch, dat wil bijvoorbeeld zeggen: eerst alles wat onder
'levensaanvaarding' valt, daarna de overkoepelende categorie 'levensangst'.
Aangezien de tegenstelling reeds verdisconteerd is in de behandeling van de eerste
noemer wordt met name de lectuur van het vierde hoofdstuk door te veel herhaling
een enigszins vermoeiende bezigheid.
In de wijze waarop Polman de resultaten van haar onderzoek presenteert, maar
niet alleen daarin, wordt zichtbaar wat ik de grootste zwakte van haar boek vind: het
gebrek aan distantie ten opzichte van de protagonist. Dat blijkt onder meer uit de
omstandigheid dat Polman dikwijls Van Duinkerkens stem in haar vertellerstekst laat
doorklinken, zonder dat steeds duidelijk wordt of de terminologie van hem of van
haar is. Een voorbeeld bevat de volgende zin over Van Leeuwens
literatuurgeschiedenis Drift en bezinning; Polman schrijft: 'Veertien jaren later
verschijnt de tweede druk van dit overzicht van de moderne letterkunde, waarin Van
Leeuwen laat zien nog steeds onwetend te zijn over zaken waarover hij denkt iets te
kunnen beweren.' Het gebrek aan afstand manifesteert zich ook in de frequente
ontlening van de termen van Van Duinkerken zelf, in het citeren zonder interpretatief
commentaar, en in de parafrases en het overnemen van Van Duinkerkens
standpunten. Tenslotte laat Polman zich in haar studie naar mijn idee te veel sturen
door haar hoofdpersoon. Er is natuurlijk niets op tegen in te gaan op Van Duinkerkens
relatie tot 'de heersende literatuurkritiek tussen 1927 en 1952' teneinde zijn eigen
kritische opvattingen meer reliëf te geven. Maar de critici die vervolgens de revue
passeren zijn slechts degenen over wie Van Duinkerken zich in De Tijd heeft
uitgelaten. Dat die reflecties bijna nooit betrekking hebben op het metier van
1
dagbladcriticus en dat hij zich na de Tweede Wereldoorlog kennelijk onthoudt van dat
soort reacties, betekent voor Polman geen belemmering om volgzaam de door Van
Duinkerken aangegeven weg te bewandelen zodat 'de heersende literatuurkritiek
tussen 1927 en 1952' allerminst het repoussoir vormt. Zo wordt over de kritische
attitude van Coster iets gezegd of beter: Van Duinkerkens standpunt weergegeven,
naar aanleiding van Costers activiteiten als essayist en bloemlezer; Van Duinkerkens
visie op de critici Greshoff, Ter Braak en Du Perron komt slechts ter sprake in de
context van het literaire tijdschrift Forum; Binnendijk en Van Wessem krijgen alleen
aandacht in de context van het literaire tijdschrift De vrije bladen, en de criticus Van
Leeuwen wordt uitsluitend besproken in zijn hoedanigheid van
literatuurgeschiedschrijver. Over uiteenlopende collega-dagbladcritici als Ritter,
Vestdijk, Nijhoff, Van Vriesland, Bordewijk, Gomperts, Van der Veen en Dubois heeft,
zo neem ik aan, Van Duinkerken zich niet expliciet uitgelaten in De Tijd. Op hun
kritische theorie en praktijk gaat Polman dus niet in, en dat is jammer. Enige
zelfstandig uitgevoerde, vergelijkende excursies immers zouden hier en elders
overeenkomsten en verschillen aan het licht hebben gebracht waardoor De keerzijde van
het leven waarschijnlijk een rijker, minder eenzijdige en kritischer studie zou zijn
geworden.
Universiteit Utrecht
In: Nederlandse letterkunde 5 (2000), nr. 4, p. 361-365
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.