ArticlePDF Available

Honours, tool for promoting excellence

Authors:

Abstract and Figures

Er is veel enthousiasme voor de ontwikkeling van honoursonderwijs Honoursonderwijs is snel in omvang toegenomen in het WO en (recent) ook in het HBO. De innoverende kwaliteiten brengen veel enthousiasme teweeg bij de betrokkenen studenten, docenten en onderwijsleiding. Honours is ‘anders, niet meer van hetzelfde’ Honours is anders door meer diepgang, interactiviteit, samenwerkend leren, uitdaging, ontdekkend leren, reflectie, eigen initiatief en interesse, zelfstandigheid en soms competitie. Het contact student-docent is essentieel gezien voor het inspirerende karakter. Studeren met zeer gemotiveerde medestudenten is een belangrijke stimulans. De honoursdocent functioneert ook als voorbeeld voor wetenschap en collegialiteit. Honoursonderwijs is vooral ánder onderwijs met accent op een hogere complexiteit van de stof. Modellen voor honoursprogramma’s Het drie window model biedt een referentiekader waarbij de beschreven vier cases van (universitair) honoursonderwijs illustraties vormen. Deze programma’s kunnen een modelfunctie hebben. De overzichten, uitspraken op basis van ervaring en voorbeelden van ‘good practice’ kunnen nuttig zijn bij het opzetten van nieuwe programma’s. Afstemming (matching) student-opleiding bij de toelating én tijdens het programma Matching van student en honoursprogramma gebeurt bij de selectie en tijdens het programma. Evaluaties en persoonlijke feedback spelen een duidelijke rol om een geschikt honoursprogramma te ontwikkelen en studieactiviteiten af te stemmen op de beoogde talentontwikkeling. Diversiteit aan honoursprogramma’s Er is een zeer grote diversiteit aan honoursprogramma’s. Niet één honoursprogramma is volledig vergelijkbaar met een ander. Er zijn verschillende manieren om deze programma’s inhoud en vorm te geven. Ze veranderen ook regelmatig inhoudelijk en organisatorisch, er is sprake van een dynamische ontwikkeling. Ook kwaliteitsbewaking van dit onderwijs moet daarom maatwerk zijn. Succes in honours zichtbaar via een aantal indicatoren Succes van honoursonderwijs is vooralsnog moeilijk ‘hard’ te meten in termen van succes in wetenschap en beroep; daarvoor zijn de programma’s te nieuw en zijn er ook methodologisch grote obstakels. Uit evaluaties komen ’praktijkindicatoren’ voor de kwaliteit, zoals de perceptie van studenten om uitdagende, moeilijke dingen te doen, hard te werken en goede resultaten te boeken. Honours als onderdeel van een instellingsbeleid gericht op talentontwikkeling Bij instellingen voor hoger onderwijs is talentontwikkeling steeds meer onderdeel van het onderwijsbeleid. Dit beleid is o.a. gericht op het ontwikkelen en faciliteren van honoursonderwijs, het ondersteunen van docenten bij de ontwikkeling van initiatieven, en professionalisering van de docenten. Wensen uit het maatschappelijk en wetenschappelijk veld: IQ maar ook EQ. In interviews met het werkveld wordt de nadruk gelegd op initiatiefkracht, verandercapaciteit, ambitie en doorzettingsvermogen. Dit kan ‘vertaald’ worden naar een onderwijsomgeving door meer aandacht te vragen voor het matchen van talent in vraaggestuurd onderwijs, stof aanbieden met een grotere complexiteit naast een hogere moeilijkheidsgraad, sociale vaardigheden, diversiteit, interdisciplinariteit, groeipotentieel, emotionele vaardigheden (EQ), parallelle onderzoekslijnen, samenwerken in open netwerken en domeindoorbrekend denken. Honoursonderwijs als ‘tool for promoting excellence’ De casestudies laten vele signalen zien dat extra talentontwikkeling daadwerkelijk lukt. Juist een groep studenten die veel kan en gemotiveerd is, vindt hier een mogelijkheid om zich verder te ontwikkelen op een manier die bij hen past. Ze krijgen meer vakinhoudelijk verdieping of verbreding, training in communicatie, samenwerken en leidinggeven, aandacht voor ethiek, mondiaal denken e.d. Deze kwaliteiten zijn zowel in wetenschap én professionele praktijk van belang. Honoursprogramma’s vormen ook een stimulans voor vernieuwing vanwege het niveauverhogend effect op de opleiding of instelling, en geven een versterking van de kerntaak van universiteit en hogeschool: talentontwikkeling, dieper- en verdergaande vorming en excellentie in de professionele praktijk en wetenschap. Honoursprogramma’s zijn voor instellingen ook een laboratorium voor onderwijsinnovatie. Agenda voor de toekomst Het honoursonderwijs is een succes. Het onderzoek, dat tot bovenstaande conclusies heeft geleid, vormt de basis voor een agenda voor de toekomst. Deze agenda heeft tot doel excellentie in het onderwijs verder te ontwikkelen, en omvat de volgende actiepunten: 1. Versterking beeldvorming van honoursprogramma’s Coherente beeldvorming van honoursprogramma’s is cruciaal voor het succes ervan. Dit geldt voor de potentiële deelnemers én voor de werkgevers van deze talentvolle afgestudeerden. De lijst met tien ‘kernpunten van een volledig ontwikkeld honoursprogramma’ kan daarbij uitgangspunt zijn. Tien kernpunten van een volledig ontwikkeld honoursprogramma 1. Het honoursprogramma heeft een ‘missie statement’ dat uitgangspunt is voor de voorlichting, opzet, uitvoering en kwaliteitszorg van het honoursonderwijs. 2. Selectie van studenten op interesse voor het honoursprogramma, een actieve werkhouding en bovengemiddelde inhoudelijke capaciteiten 3. Docenten die inspireren tot excellente prestaties, een diepgaande discussie stimuleren en een voorbeeldfunctie vervullen voor studenten 4. Didactiek gericht op excellentie met uitdagende opdrachten van een hoog inhoudelijk niveau en divers in vormgeving met een nadruk op ‘ontdekkend leren’ 5. Inhoudelijk verdiepend én verbredend programma-aanbod waarbij ook aandacht is voor leiderschaps-, communicatieve en sociale vaardigheden. 6. Waardering voor excellente prestaties en veel ruimte voor nieuwe ideeën en creatieve initiatieven van studenten; facilitering daarvan, vooral als die buiten de gebaande kaders vallen 7. Veel aandacht voor feedback van docenten en medestudenten op individuele talentontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling door het programma heen 8. Studenten stimuleren elkaar ook via teamwerk, honours communities en extra-curriculaire activiteiten 9. Voldoende omvang (minimaal 20% van de opleiding), intensiteit en duur van het honoursprogramma zodat talenten zich echt kunnen ontwikkelen 10. Een organisatie die specifiek het honoursprogramma ondersteunt met voldoende bestuurskracht en middelen en met een grote inbreng van studenten. 2. Honoursonderwijs meer financiële zekerheid geven Het is dringend noodzakelijk de financiering van honoursonderwijs een structurele plaats te geven in de begrotingen van de instellingen. Tijdelijk is extra financiering noodzakelijk voor verdere ontwikkeling. 3. Honours onderwijs uitbreiden Bij sommige opleidingen is er nog een reservoir aan talent dat niet via honoursprogramma’s wordt aangeboord. Bij veel opleidingen is er nog geen disciplinair honoursaanbod. Bij de meeste universiteiten is er ook geen universiteitsbreed interdisciplinair aanbod. Soms zijn er te weinig plaatsen beschikbaar of wordt de toegang beperkt door te weinig aandacht voor diversiteit (gender en allochtonen). Een omvangrijker en rijker aanbod is gewenst. De aandacht voor talentontwikkeling moet verder uitgebouwd en versterkt worden. 4. Meer didactische expertise voor honoursprogramma’s nodig Onderzoek is noodzakelijk naar de effectiviteit van honoursprogramma’s, de kenmerken van succesvolle honoursdocenten en studenten, de sociologische aspecten en de (lange termijn) effecten voor studenten. Dit onderzoek zal ook moeten leiden tot een versterking van de didactische expertise van de docenten in honoursprogramma’s. 5. Aandacht voor de doorgaande lijn van talentontwikkeling van basisonderwijs tot hoger onderwijs Het is gewenst een lijn te ontwikkelen voor talentontwikkeling van basisonderwijs via middelbaar en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs tot en met hoger onderwijs en daarna. Op die manier zou talentontwikkeling blijvend gestimuleerd kunnen worden tijdens de onderwijsloopbaan van leerlingen en studenten. Aansluitingsproblemen tussen de onderwijssystemen moeten worden aangepakt bijvoorbeeld bij de overgang van voortgezet naar hoger onderwijs. Ook moet er een open systeem wordt gecreëerd waarin ook laatbloeiers een kans krijgen. 6. Optimale kenniscirculatie over honours Uitwisseling van onderzoeks- en ervaringsgegevens over honoursonderwijs is van vitaal belang om de uitbouw van honoursonderwijs te versterken. Het landelijk Plusnetwerk kan in Nederland eenzelfde nuttige rol vervullen als de National Collegiate Honors Council in de Verenigde Staten.
Content may be subject to copyright.
A preview of the PDF is not available
... Especially for countries like Austria, where Honors education is less common, international research on the effects and requirements for successful Honors programs should be reviewed. The following sections describe practical issues that should be consider and were found to be beneficial for the support of gifted university students (van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman, & Pilot, 2007). ...
... Admission to program and target group. The admission to Honors programs often depends on a combination of motivation, study progress and grades (van Eijl et al., 2007). However, research shows that noncognitive and personality characteristics appear to be more important for the predication of high achievements than grades or results of college admission tests (Rinn & Plucker, 2004). ...
... The contact between teacher and student is crucial to stimulate the student's thinking (Vialle & Quigley, 2009). This also includes feedback on the personal and academic development of the student (van Eijl et al., 2007). Wolfensberger (2012) found that gifted students at universities call for a specific pedagogical approach by teachers. ...
Chapter
Talent development programs are common in Austrian primary and secondary schools. However, when students start to study at university level this trend stops. The need to support gifted students at universities is rarely recognized and hardly ever met in Austria although research shows its importance. Therefore, a concept for supporting students that could be implemented in Austrian universities had to be developed from scratch. Based on literature regarding Honors education including the COOL methods developed by one of the authors and neurodidactic perspectives, a program for Austrian students was developed. Best practices from countries with longer traditions for Honors education were included to this project with considerations to the influence of cultural differences. In this process university students were interviewed to find their motivation for joining an Honors program, their expectations, and their ideas of what a successful program would entail. The analysis of the interviews shows the importance of the project in Austria and supports other countries finding of requirements for a successful Honors program.
... De Verenigde Staten nam hierin het voortouw. Daar werd in 1922 het eerste honoursprogramma gestart (Rinn & Plucker, 2004, in van Eijl et al., 2007). Later volgden Canada en Australië en in de jaren negentig volgde Nederland. ...
... Een ander belangrijke opsteker voor het onderwijs is dat het talentonderwijs kan dienen als proeftuin voor onderwijsvernieuwingen, doordat nieuwe methodieken en methoden in deze programma's kunnen worden ontwikkeld of uitgetest. Succesvolle onderdelen kunnen vervolgens worden ingevoerd in het reguliere programma, waardoor ook het reguliere programma profiteert van het talentonderwijs (Eijl et al., 2007). ...
... Inhoudelijk gezien gaat talentonderwijs niet om 'meer van hetzelfde' ten opzichte van reguliere programma's, maar om andere inhouden en soms andere werkvormen (van Eijl et al., 2007). Er bestaan meerdere opties voor het aanbieden van talentonderwijs, namelijk: specialistische verdieping, interdisciplinaire verbreding of versnelling. ...
... Ze zijn de personen bij uitstek die zicht hebben op de kwaliteiten en mogelijkheden van honoursprogramma's. Over het gehele project is een eindrapport verschenen ( Van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman & Pilot, 2007) waarin de inzichten opgedaan in de deelonderzoeken gebundeld worden en op basis daarvan aanbevelingen worden gedaan op het gebied van talentontwikkeling. Daarin worden ook vier Nederlandse voorbeelden van honoursprogramma's beschreven en wordt nader geanalyseerd wat deze programma's bijdragen aan talentontwikkeling van de deelnemende honoursstudenten. ...
... Ze zijn niet alleen zelf directeur van een honoursprogramma maar hebben vaak (veel) verschillende honoursprogramma's gevisiteerd zodat ze daar ook een overzicht van hebben. De vragen van de enquête zijn afgeleid uit een referentiekader over talentontwikkeling in honoursprogramma's zoals dat in het totaalonderzoek is ontwikkeld (Van Eijl, Wolfensberger, Schreve & Pilot, 2007). Ze hebben betrekking op de volgende aspecten: onderwijskundig, programmatisch, inhoudelijk, specificatie van talentontwikkeling en relevantie voor het afnemend veld. ...
Article
Full-text available
November 2006 is er onder de site visitors van de National Collegiate Honors Council (NCHC, Amerikaanse vereniging van betrokkenen bij honoursprogramma’s) in de VS een enquête gehouden om na te gaan hoe talentontwikkeling in Amerikaanse honoursprogramma’s gestalte kreeg en wat er de meerwaarde van is. Site visitors zijn onderwijsinspecteurs én adviseurs die door een universiteit kunnen worden gevraagd om hun honoursprogramma te evalueren en daarover te adviseren (zie bijlage 3). Ze worden daarin getraind door de NCHC. De resultaten van dit onderzoek zijn ervoor bedoeld om een beter beeld te krijgen van wat de meerwaarde van honoursprogramma’s voor talentontwikkeling kan zijn, ook voor Nederlandse honoursprogramma’s. Naast de enquête zijn er nog negen site visitors geïnterviewd over dit onderwerp. Over de resultaten daarvan is apart gerapporteerd (Van Eijl, Wolfensberger & Pilot, 2008). Enkele citaten uit de interviews zijn ter illustratie in dit rapport gebruikt (wat apart vermeld wordt).
... Een brede(re) visie op internationalisering (MBO-raad, 2016) biedt wellicht kansen om excellentie voor dit aspect goed in de instelling in te bedden. Het criterium 'context voor persoonlijke ontwikkeling', in het theoretisch kader benoemd doorVan Eijl et al. (2007), was niet opgenomen als criterium om 'excellentie'programma's in kaart te brengen, maar lijkt toch aanknopingspunten te bieden om de voorgestelde transitie van aanbodgericht naar meer vraaggericht programma vorm te geven. Hier ligt dan ook een interessant ontwikkelperspectief. Het betrekken van studenten bij de ontwikkeling van passende excellentieprogramma's en verbetering van de relatie met het beroepspraktijk is passend bij de beschrijvingvan Scott en Frana (2008) over excellentie in 2025. ...
Thesis
Full-text available
Excelling in an Appropriate Setting: An Exploratory Study of Desirable Characteristics of Excellence Programmes for Intermediate Vocational Education (MBO) Promoting excellence has long been broad education policy in the Netherlands; This focus, however, was lacking in Dutch Intermediate Vocational Education, called MBO. With a substantial investment in the development of programmes of excellence in this type of school, the ministry aims to change this. Especially since hardly any data on excellence in MBO are available, it is unknown whether excelling vocational students require other types of programmes of excellence than in higher education. Taking the characteristics of excellence programmes in MBO as a starting point, the purpose of this exploratory study is to make recommendations for designing future such programmes to suit the particular needs of MBO students. The research, that took place at a large MBO in the centre of the Netherlands, comprises three phases and is both qualitative and quantitative. In the preliminary research, four programmes were selected that meet the criteria of excellence programmes. At the same time, by means of a questionnaire, the type of excellence of 147 MBO students was mapped. To accomplish this, the Excellence Model of Youngworks, Motivaction, and National Platform Science & Technology (2012) was used. In the main study, systematic research into desirable characteristics of a programme of excellence in MBO was carried out. Here, the Concept Group Mapping method of Kane & Trochim (2007) was applied and a second focus group was added. For data collection and analysis, Concept Systems Global Max [software] (2014) was used. In the main study, 76 students, teachers, managers / directors and executives participated. They defined 76 jointly formulated characteristics of an excellence programme, which were then clustered. Quantitative analysis such as multidimensional scaling techniques and hierarchical cluster analysis was used to generate visual representations of a proposed sound excellence programme. Assessment of characteristics by the stakeholders, both on importance and feasibility, resulted in go-zones with the 36 most important and feasible characteristics. Data analysis and interpretation took place in two distinct focus groups. In the evaluation phase, these 36 characteristics were presented as a questionnaire to 102 vocational students. Results provided tools for designing excellence programmes for ROC Midden Nederland. The quartering of excellence types in the Excellence Model turned out not to be applicable (within the MBO). This outcome questions the distinctness of the two excellence types found, and therefore has been considered of limited value in the evaluation phase. Apparently, the 76 characteristics of an excellence programme may be grouped into 10 clusters, divided into student-oriented aspects, programme-oriented aspects and a teacher profile. The cluster selection marks the dividing line between program-oriented and student-oriented; clearly, students deemed selection less important than other stakeholders. Student-oriented aspects are the most important and most feasible; this is the low-hanging fruit. Programme-oriented aspects are least feasible; in particular, the relationship with the professional practice is inadequately addressed. Excellent students at ROC Midden Nederland could be challenged more; collaboration with the professional field would offer possibilities. This study contributes to the knowledge of programmes of excellence in MBO and provides input for a wider discussion on excellence education. Transition from a supply-driven to demand-driven excellence programme would seem to cater for the needs of vocational students. A selection highly focused on motivation would seem most suitable. It also suggests a revision of the questionnaire of the Excellence Model would be advisable. Finally, it appears the Group Concept Mapping method is suitable for visioning in education. A second focus group is therefore recommended. Keywords: Excellence programmes; characteristics; type of excellence; Group Concept Mapping; intermediate vocational education
... This program aimed at developing a broader vision on academic subjects and stimulating deeper understanding. An important activity of this program was to work on interdisciplinary assignments to prepare students for a leading role in society (Van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman, & Pilot, 2007). ...
Article
Full-text available
This study compared Dutch alumni who previously participated in an honors program (n = 72) to non-honors alumni who entered university as high-achieving high school students (n = 72) with regard to (1) final university grade point average (GPA) and (2) early career outcomes. Final grades were drawn from university files. Using an online questionnaire, participants were asked to rate themselves on work engagement and other characteristics in their current jobs. Results indicate that, compared to the non-honors control group, honors alumni had a higher study GPA at the end of their studies and higher work engagement after graduation, while job characteristics were found to be similar. Implications for educators and job recruiters are discussed.
... In het algemeen is er sprake van talentvolle aanstaande leraren die, juist door hun talenten en motivatie, veel dingen doen en het druk hebben. Hierdoor zullen zij alleen aan een speciaal programma deelnemen als het in hun beleving uitdagend is, goed in elkaar zit en perspectief biedt (Van Eijl et al., 2007). Uit de resultaten komen aanwijzingen naar voren waaruit blijkt dat de gelijkheidscultuur binnen de lerarenopleiding en de basisscholen heersend is. ...
... Dergelijk onderzoek kan ook aanwijzingen geven voor de inrichting van honoursprogramma's en de beoordeling van studieresultaten. Uit eerder onderzoek (Van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman & Pilot, 2007) is gebleken dat bij veel honoursprogramma's de vorming van communities belangrijk is. Deze honourscommunities zijn een gemeenschappelijk kernpunt en een ontmoetingsgelegenheid voor honoursstudenten, ze stimuleren extra uitwisseling en gedachtevorming en maken het nemen van initiatieven gemakkelijker. ...
Article
Full-text available
In het Nederlandse hoger onderwijs is talentontwikkeling voor studenten die meer kunnen en meer willen dan het reguliere onderwijs hun biedt, een belangrijk onderdeel van het onderwijsbeleid en een opvallende trend. Universiteiten en hogescholen werken aan honoursprogramma’s, Honours Colleges, Top Classes en andere activiteiten voor hun meest talentvolle studenten om die te stimuleren tot excellente prestaties. De overheid stimuleert talentontwikkeling ook via het zogenoemde Siriusprogramma. Talentontwikkeling is niet nieuw, maar het onderzoek daarnaar in het Nederlandse hoger onderwijs is dat wel. Dit artikel geeft een onderzoeksagenda waarbij de uitkomsten van twee bijeenkomsten met stakeholders als input gebruikt worden. Geïnventariseerde praktijkvragen zijn vanuit een theoretisch perspectief geordend in een onderzoeksagenda. Die agenda is bedoeld als startpunt voor visieontwikkeling over onderzoek, dat gekoppeld is aan praktijkvragen en aan theorievorming over talentontwikkeling.
... Er is gebruikgemaakt van een semigestructureerd interviewschema. De items zijn gebaseerd op een vragenlijst die is ontwikkeld ten behoeve van de inventarisatie van kenmerken van honoursprogramma's (Van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman & Pilot, 2007). Bij de studenten is naar belevingskenmerken gevraagd, terwijl bij de coördinatoren de algemene programmakenmerken en de keuzes daarbinnen zijn onderzocht. ...
Article
Full-text available
Instellingen voor hoger onderwijs die een excellentiebeleid willen ontwikkelen, staan voor de vraag wat ‘excellentie’ inhoudt en hoe dat kan worden vormgegeven in het onderwijsaanbod. In dit onderzoek is nagegaan hoe excellentie kan worden gedefinieerd en vormgegeven binnen de context van een hogeschool. Daartoe is instellingsbreed een aantal kenmerken geformuleerd waaraan het uitstroomprofiel van excellentieprogramma’s moet voldoen. In dit artikel wordt uiteengezet hoe vier excellentieprogramma’s in deze hogeschool zich tot deze kenmerken verhouden. Door de uitwisseling van ideeën rondom excellentie en de formulering van een hogeschoolbeleid hierover kunnen deze excellentieprogramma’s een herkenbare signatuur ontwikkelen. Daarnaast is de mogelijkheid gecreëerd dat studenten ook buiten deze programma’s, op basis van de kenmerken van het ‘sterrensysteem’, het predicaat excellentie kunnen verwerven.
... Dit rapport over succesfactoren bij honoursprogramma's sluit nauw aan bij een enquête onder site visitors waarover in een parallel rapport verslag is gedaan (Van Eijl, Wolfensberger & Pilot, 2008) Dit deelonderzoek vond plaats in het kader van het project 'Talentontwikkeling in Honoursprogramma's en de meerwaarde die dat oplevert'. Over het gehele project is een eindrapport verschenen (Van Eijl, Wolfensberger, Schreve-Brinkman & Pilot, 2007) Greef & Silva, 2008;Konijnendijk & Touwen, 2008;Scager, 2008;Wolfensberger, 2008). ...
Article
Full-text available
Met site visitors van de NCHC zijn in november 2006 interviews gehouden om een ‘inside view’ van het functioneren van honoursprogramma te krijgen. Deze programma ’s worden aangeboden aan de meer talenvolle en gemotiveerde studenten. Op dertien gebieden met betrekking tot opzet, organisatie en uitvoering van honoursprogramma’s is naar succesvolle en zwakke voorbeelden gevraagd (zie interviewschema, bijlage 1). De uitspraken uit de interviews zijn geordend naar deze gebieden. Opmerkelijke uitspraken zijn in de volgende paragraaf apart weergegeven bij wijze van samenvatting. In totaal zijn twee groepsinterviews en twee individuele interviews met in totaal acht site visitors gehouden. Eén interview kon om tijdsredenen niet doorgaan maar de betreffende site visitor heeft achteraf het interviewschema ingevuld en naar ons gemaild. Dit is ook verwerkt met de andere gegevens. Dat brengt het totaal op negen geïnterviewden. Dit zijn allen zeer ervaren site visitors, die tevens hebben tevens meegewerkt aan de eerder genoemde enquête waarover apart is gerapporteerd (Van Eijl, Wolfensberger & Pilot, 2008).
Article
Full-text available
The Secondary Triad Model (Reis & Renzulli, 1985) evolved after several years of experience with numerous field test sites in which the Enrichment Triad Model had been implemented at the elementary level. In early attempts at the junior and senior high school levels, several problems emerged that were not easily resolved through the use of the elementary administrative design. These problems included scheduling, finding time for creative/productive work in “content crowded” classes, and developing administrative and staff support. How to blend the gifted program into already existing options such as advanced placement, honors classes and extra-curricular activities was an additional concern. The Secondary Triad Model, which has been implemented in many sites, begins with the formation of an Interdisciplinary Planning Team (IPT) that includes faculty members who volunteer to participate from each of the major academic areas. This team plans and organizes program goals and activities, and meets on a regular basis to discuss curriculum compacting options for students and to plan schoolwide enrichment opportunities. The Secondary Model also includes the formation of Talent Pool classes which are based in the Enrichment Triad Model. These classes actually become self-contained Triad programs within each discipline and allow regular curriculum to be compacted so that students may participate in Type I and Type II activities within the subject, and “revolve into” Type III experiences, if interests develop.
Article
Full-text available
As universities actively compete for the best and brightest students, educators may wonder about the nature of these gifted students and what awaits them in college. Yet, research on the programs and opportunities provided for talented undergraduates at institutions of higher education is limited, leaving researchers to question what universities are doing for bright students. The purpose of this review is to examine recent research on academically talented undergraduates, both on the nature of the undergraduates themselves and the programs provided for them at public institutions of higher education. Areas in need of additional research are discussed.
Article
Full-text available
A major problem facing schools is lack of curricular differentiation and academic challenge for the most academically able students. Also, contemporary textbooks have been "dumbed down." Curriculum compacting is a flexible, research-based technique enabling high-ability students to skip work they already know and substitute more challenging content. A recent study and program development advice are included. (12 references) (MLH)
Article
Professionals in the fields of mental retardation and giftedness have much to teach each other as well as the field of human development in general. Examining the commonalities and differences between the fields in social issues, definitions, developmental differences from the norm, values and policy issues, and educational and long-term implications deepens insights about both normal and deviant development. The authors stress the importance of individual differences in the differential design of educational strategies and the application of approaches developed with specialized populations to normally developing children. Current social inequalities affect both of these fields in particular ways. Finally, numerous research agendas can be enhanced by including representatives of both ends of the normal curve.
Article
Systematic use of evaluation and assessment is one of the core principles guiding education. A considerable portion of current educational research addresses the effectiveness of evaluation and assessment at all levels of education. The relevance of assessment and evaluation has been dramatically increased by the current political tendency to decentralize the responsibility for educational processes. At the same time, students and parents are becoming more aware of differences in quality between schools and programs and more inclined to hold faculty and administrators accountable for their institutions' achievements. Both developments have led to a need for setting explicit standards for educational outcomes. Assessing and Evaluating Honors Programs and Honors Colleges: A Practical Handbook is intended to serve as an on-campus companion and guide for Honors administrators by helping them to establish new practices or to strengthen established ones. Basically, this monograph provides assistance from both theoretical and practical perspectives by suggesting rationales for assessment and evaluation and offering practical ideas for implementing or strengthening assessment and evaluation practices for Honors Programs and Honors Colleges. The reader will find rationales and objectives for evaluation and assessment practices as well as specific methods for using Honors consultants and Honors external reviewers. This monograph presents practical approaches to undertaking an Honors self-study, and it includes a self-study outline in the Appendices. Because Honors Programs and Honors Colleges differ widely in terms of administration, structure, curriculum, requirements, and institutional climate, the section related to assessment is, by necessity, more general. This handbook is not intended to standardize assessment and evaluation processes because Honors Programs and Honors Colleges value their differences and flexibility. Its purpose is to provide some guidelines to help deans and directors establish assessment and evaluation procedures that are effective for their individual programs or colleges. The monograph addresses the difference between Honors consultants and Honors external reviewers as well as the benefits derived from both sets of specialists. Very important to Honors directors and deans is the section concerning the external review process. This section provides Honors administrators explicit information on the various aspects of an external review. It details what administrators must do prior to a site visit, the goals and schedule for a successful site visit, and expectations subsequent to the site visit. The last section before the appendices offers directions for those who are interested in becoming an NCHC-recommended Site Visitor. Finally, the monograph contains appendices with several lists, examples, and models that can be useful to Honors administrators in the development of procedures for evaluating their Honors Program or Honors College.
Article
Chapter 12 : Girls and Women with Specific Extraordinary Talents Psychologists and educators have only recently begun to understand young people with specific extraordinary talent. The pioneering work of Julian Stanley and his colleagues at Johns Hopkins University sparked great interest in mathematically precocious students (Benbow & Stanley, 1984), who were found to be similar to academically gifted students in general yet who also had some unique needs. In 1983, Howard Gardner published his ground breaking work Frames of Mind: The Theory of Multiple Intelligence, suggesting that we give up the notion of intelligence as being one unit. Interest in students with specific talents has been growing since then. Several of the talents which have been studied are verbal giftedness or writing ability, mathematical giftedness, spatial-visual giftedness and musical giftedness. In The Handbook for Counseling Gifted and Talented (Kerr, 1991), I summarized what was known about the psychological adjustment and development of young people in each talent area; I later explored the specific needs of girls in each talent area (Kerr & Maresh, 1993). Here are some of the facts Susan Maresh and I discovered about girls and women with specific talents. Verbal Giftedness Girls and women have always excelled in verbal ability, which does not bear the stigma for females that mathematical ability does. Nick Colangelo and I (1990) found twice as many female as male perfect scorers on the English subtest of the ACT: Writing and other verbal careers such as teaching have had a longer history of female participation than most other careers. And yet as in most other fields eminence in writing is largely earned by men. According to Gardner, linguistic giftedness is among the later-developing abilities because its full flowering requires life experience, and precocious young talkers and readers do not necessarily become verbally gifted adults. Since girls are likely to speak, read and write earlier than boys, what appears to be verbal giftedness in a very young girl may in fact simply be evidence of this early developmental edge of girls over boys.
Article
This article presents WICS as a model of giftedness. WICS stands for Wisdom, Intelligence, Creativity, Synthesized. The article considers the relation between giftedness and expertise, and argues that giftedness is, ultimately, expertise in development. One cannot clearly distinguish between giftedness and expertise, because all measures of giftedness assess some kind of expertise, at least to an extent. The article then considers intelligence, creativity, and wisdom as elements of giftedness. It then draws some conclusions.