ArticlePDF Available

Abstract

De stad is in: de oplossingen voor allerlei hedendaagse wereldproblemen worden steeds meer op lokaal niveau gezocht. Het lokaal bestuur krijgt door de decentralisaties meer verantwoordelijkheden en er wordt veel verwacht van de pragmatische vaardigheden van burgemeesters. Ook wordt grote hoop gevestigd op het zelforganiserend vermogen van de stad, die als laboratorium wordt gezien voor sociale verandering en verbetering. In dit themanummer onderwerpen wij een aantal van de hoge verwachtingen ten aanzien van steden en het lokaal niveau aan een kritische beschouwing. Wat kunnen steden daadwerkelijk waarmaken en wanneer verwordt de ‘hoop’ tot een ‘hype’? In dit inleidend artikel gaan we met name in op het idee dat in wijken en buurten door middel van zogenoemde living labs maatschappelijke vraagstukken op een laagdrempelige, innovatieve en pragmatische manier kunnen en moeten worden aangepakt.
ARTIKELEN
De stad als lab voor sociale verandering
Philip Marcel Karré, Iris Vanhommerig & Ellen van Bueren
De stad is in: de oplossingen voor allerlei hedendaagse wereldproblemen worden steeds
meer op lokaal niveau gezocht. Het lokaal bestuur krijgt door de decentralisaties meer
verantwoordelijkheden en er wordt veel verwacht van de pragmatische vaardigheden
van burgemeesters. Ook wordt grote hoop gevestigd op het zelforganiserend vermogen
van de stad, die als laboratorium wordt gezien voor sociale verandering en verbetering.
In dit themanummer onderwerpen wij een aantal van de hoge verwachtingen ten aan‐
zien van steden en het lokaal niveau aan een kritische beschouwing. Wat kunnen steden
daadwerkelijk waarmaken en wanneer verwordt de ‘hoop’ tot een ‘hype’? In dit inlei‐
dend artikel gaan we met name in op het idee dat in wijken en buurten door middel van
zogenoemde living labs maatschappelijke vraagstukken op een laagdrempelige, innova‐
tieve en pragmatische manier kunnen en moeten worden aangepakt.
Inleiding
Het is nog niet eens zo lang geleden dat steden vooral een negatief imago hadden.
Zij werden gezien als vies, vol en gevaarlijk en als broeinesten voor maatschappe‐
lijke problemen. Teruglopende leefbaarheid, criminaliteit en allerlei vormen van
economische en sociale achterstanden leken vooral steden te teisteren (Duyven‐
dak, Hendriks, & Van Niekerk, 2009). Wie kon, vertrok, bijvoorbeeld naar de
voorsteden of naar een slaapstad, groeikern of New Town (Berg & Geluk, 2009).
Wie achter bleef, had vaak de middelen niet om de stad te ontvluchten en leefde
in achterstandswijken met allerlei sociale spanningen: er was sprake van segrega‐
tie tussen wijken en buurten met ‘kansarme’ en met ‘kansrijke’ bewoners (Veld‐
boer, Duyvendak, & Bouw, 2007). Bestuurlijke en planologische ingrepen, met
name vanuit een modernistisch perspectief gericht op maakbaarheid, verlichtten
de problemen niet, maar, volgens bijvoorbeeld Jacobs (1961), verergerden of ver‐
oorzaakten ze zelfs. Veel steden waren in verval (Skifter Andersen, 2003) en
menigeen beklaagde zelfs de dood van de (met name postindustriële) stad (zie
over dit debat bijvoorbeeld Newton, 1986).
Die tijden zijn voorbij. De stad is niet dood, integendeel (Hall, 2003). Steden zijn
terug van weggeweest, worden herontdekt en zijn bezig met een heuse triomf‐
tocht (Glaeser, 2011): meer en meer mensen willen er wonen (of moeten dat
doen, om te overleven, zie bijvoorbeeld Sanders, 2010) en steden worden gezien
als de powerhouses van onze nieuwe, met name creatieve en dienstenindustrie
(Florida, 2002; 2005; 2008). Ook zien we een verschuiving van hoe naar de stad
wordt gekeken als het gaat om de aanpak van maatschappelijke problemen: was
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
3
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
Philip Marcel Karré, Iris Vanhommerig & Ellen van Bueren
zij voorheen vooral de plaats of context waar die problemen zich voordeden of
konden ontstaan, zo is de stad inmiddels in veel van het maatschappelijke, poli‐
tieke en wetenschappelijke debat veranderd tot juist dé bestuurslaag om deze
maatschappelijke problemen op te pakken en op te lossen. Nu is het de natiestaat
die af heeft gedaan. Stadsbestuurders, met name burgemeesters, worden in
invloedrijke publicaties gepresenteerd als nieuwe helden (Bradley & Katz, 2013;
Barber, 2013). Zij zijn daadkrachtige Macher en door pragmatisme gedreven pro‐
bleemoplossers. Niet de ideologie, maar het geboekte resultaat voor de burger
telt.
De oplossingen voor allerlei hedendaagse wereldproblemen (terrorisme, klimaat‐
verandering, migratie, et cetera) lijken steeds meer op lokaal niveau te worden
gezocht. Ook klassieke overheidsverantwoordelijkheden worden nu vaker op dat
niveau belegd. Zo krijgen in Nederland decentrale overheden nieuwe taken en
worden stelsels van publieke voorzieningen herzien,
1
met een fundamentele aan‐
passing van de klassieke verzorgingsstaat als gevolg, zo schrijft bijvoorbeeld SCP-
directeur Putters: ‘De Nederlandse verzorgingsstaat transformeert richting een
verzameling verzorgingssteden. Zorg, arbeid, onderwijs, huisvesting en welzijn
liggen steeds nadrukkelijker op het bordje van gemeenten en van burgers zelf.’
(Putters, 2013).
In tijden van verdergaande decentralisatie en de (vermaarde) opkomst van de par‐
ticipatiesamenleving zijn het niet alleen de bestuurders van steden die een
belangrijke rol toegedicht krijgen in de aanpak van maatschappelijke vraagstuk‐
ken. Juist op lokaal niveau, in de wijken en buurten van steden en andere
gemeenten, zijn burgers steeds nadrukkelijker actief: ‘Veel steden barsten bijna
uit hun voegen van allerlei bruisende, sociale initiatieven’ (De Boer & Van der
Lans, 2013). Innovatie en creativiteit staan daarbij voorop: de stad wordt gezien
als een heus sociaal laboratorium, waarin geëxperimenteerd wordt met leuke, ver‐
nieuwende manieren om allerlei problemen op te lossen en maatschappelijke
meerwaarde te creëren. In living labs werken overheden, bedrijven en kennis‐
instellingen samen. Daarnaast krijgen burgers als eindgebruikers van veel
publieke voorzieningen een belangrijke rol: zij zijn niet alleen coproducenten,
maar vaak leidend in dit proces. Er wordt veel verwacht van het zelforganiserend
vermogen van de stad (zie bijvoorbeeld Uitermark, 2012; De Boer & Van der Lans,
2014; Miazzo & Kee, 2014; Schleijpen & Leatemia, 2014).
In dit themanummer onderwerpen wij een aantal van de hoge verwachtingen ten
aanzien van steden en het lokaal niveau aan een kritische beschouwing. Wat kun‐
nen steden er daadwerkelijk van waarmaken en wanneer verwordt de ‘hoop’ tot
een ‘hype’? Wij sluiten daarbij aan bij de drie themanummers die Bestuurskunde de
afgelopen jaren reeds aan het onderwerp stad heeft gewijd:
In het winternummer 2010 hebben wij aandacht besteed aan urban govern‐
ance en wat meervoudige manieren van sturing betekenen voor steden en
hun bestuurders.
1 Zie ook het themanummer van
Bestuurskunde van voorjaar 2014.
4 Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
De stad als lab voor sociale verandering
In het voorjaarsnummer van 2012 hebben wij een aantal grootstedelijke
vraagstukken belicht, alsook de vraag gesteld welke nieuwe vormen van col‐
lectief handelen daar bij passen.
En in het herfstnummer van 2013 hebben wij besproken, wat het betekent
dat gemeenten zich vaak als eerste overheid zien en zich naar buiten toe ook
zo presenteren.
Ook sluiten we aan bij de themanummers die we aan zelfsturing en -regulering
hebben gewijd en doen we een voorschot op het aankomend themanummer over
burgerparticipatie (zomer 2015).
In dit inleidend artikel gaan we met name in op het concept living lab en de ver‐
wachtingen die er aan gekoppeld worden in de aanpak van maatschappelijke
vraagstukken. De stad is een belangrijke experimenteerruimte geworden, een proef‐
tuin of broedplaats voor nieuwe praktijken, die op een kleinschalige en laagdrem‐
pelige manier met betrokkenheid van de eindgebruiker worden ontwikkeld en
getest. In dit artikel staan we kritisch stil bij deze ontwikkeling, alsook de ver‐
wachtingen en overtuigingen die erachter schuilgaan. Onze centrale vraag in dit
artikel luidt: wat betekent de focus op de stad als lab precies, wat kunnen we
ervan verwachten en wat moeten we doen om die verwachtingen waar te maken?
Theoretisch achtergrond
Het concept ‘living lab’, vaak ook aangeduid als ‘urban lab’ of ‘field lab’, heeft de
afgelopen paar jaar vleugels gekregen in discussies over stedelijke vernieuwing en
het onderzoek ernaar. Wat het precies betekent en hoe het zich als verander- en
onderzoeksinstrument onderscheidt van andere tools, is echter vaak niet hele‐
maal duidelijk. In toepassingen gericht op veranderingen in grootstedelijk beleid
met politiek en maatschappelijk draagvlak is dat misschien ook niet echt erg; het
gaat er dan immers om concepten te gebruiken, die energie losmaken en door
iedereen op verschillende manieren kunnen worden ingevuld. Maar deze vaagheid
geeft ook de zwakte aan van het concept, in elk geval van hoe het in de Neder‐
landse beleidscontext wordt ingevuld. Er wordt, net als van steden en hun bewo‐
ners, veel verwacht van living labs en men kan zich afvragen of zij die verwachtin‐
gen daadwerkelijk kunnen waarmaken. Ook interessant is om te bekijken hoe
living labs zich verhouden tot andere governance-achtige arrangementen waarbij
bewoners een centrale rol spelen in veranderpraktijken op lokaal niveau.
Het idee achter het living lab komt oorspronkelijk uit de techniek en wordt vaak
toegeschreven aan de aan het MIT Media Lab verbonden professor William J.
Mitchell (Dutilleul, Birrer, & Mensink, 2010, p. 63). Door de technische vooruit‐
gang en de mogelijkheden die hedendaagse ICT biedt (denk bijvoorbeeld aan de
Internet of Things, maar ook Web 2.0 en sociale media) zag Mitchell een kans om
bij onderzoek naar innovatie in met name domotica (huisautomatisering) de
gebruiker er gelijk bij te betrekken, zoals bijvoorbeeld ook gebruikelijk is in Design
Thinking, een andere hippe term, die is komen overwaaien uit de wereld van de
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
5
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
Philip Marcel Karré, Iris Vanhommerig & Ellen van Bueren
(technische) productontwikkeling (zie bijvoorbeeld Brown, 2009; Dorst, 2011). Al
snel werd de methodiek van het living lab opgepakt in andere contexten en ook
gebruikt voor de aanpak van allerlei maatschappelijke vraagstukken (logistiek,
wonen, zorg, welzijn, onderwijs, duurzaamheid, et cetera). Hierdoor zijn er inter‐
nationaal honderden van dit soort labs actief, bijvoorbeeld verbonden in de Euro‐
pean Network of Living Labs (ENoLL). In Nederland zijn living labs in steeds meer
steden en gemeenten te vinden.
Door de brede toepassing, heeft de term living lab inmiddels meer dan één invul‐
ling gekregen. In hun overzichtsartikel over living labs als instrumenten in sociale
innovatie beschrijven Dutilleul, Birrer en Mensink (2010, p. 64) er vijf:
‘[Living lab] may refer to (1) an innovation system consisting of organised
and structured multi-disciplinary networks fostering interaction and collabo‐
ration, (2) in vivo monitoring of a “living” social setting generally involving
experimentation of a technology, (3) an approach for involving users in the
product development process, or (4) organisations facilitating the network,
maintaining and developing its technological infrastructure and offering rele‐
vant services; finally, the term may also refer to (5) the eponymous European
movement.’
Er bestaat dus geen alomvattende, breed gedragen definitie van wat een living lab
is, maar op basis van hun onderzoek naar overkoepelende kenmerken van een
aantal ervan beschrijven Bergvall-Kareborn en Stahlbrost (2009) een living lab als
volgt:
‘A Living Lab is a user-centric innovation milieu built on every-day practice
and research, with an approach that facilitates user influence in open and dis‐
tributed innovation processes engaging all relevant partners in real-life con‐
texts, aiming to create sustainable values.’
Door deze brede definitie en verschillende invullingen vertoont het begrip over‐
eenkomsten met verwante concepten als open innovation (Chesbrough, 2009),
crowdsourcing (Howe, 2009) en de interactieve mogelijkheden van web 2.0
2
(O’Reilly, 2005; Vanhommerig & Karré, 2014). Net zoals deze worden living labs
met name gebruikt in de aanpak van maatschappelijke vraagstukken, die, omdat
zij complex, betwist en kokeroverstijgend zijn, vaak als hardnekkig (of wicked)
worden aangeduid en daarom vragen om een multidisciplinaire aanpak. Steeds
gaat het erom, dat de aanpak voor het vraagstuk in kwestie in samenwerking met
de eindgebruiker moet worden ontwikkeld in een proces, waarin vijf kernwaarden
centraal staan: openheid, daadwerkelijke invloed van alle betrokkenen, realisme,
focus op de creatie van meerwaarde, en duurzaamheid (Bergvall-Kareborn &
Stahlbrost, 2009). In de context waarin living labs zijn ontwikkeld, techniek en
bedrijfsleven, zijn de eindgebruikers met name consumenten van nieuwe techni‐
2 Zie ook het themanummer, dat wij in de zomer van 2011 aan dit onderwerp hebben gewijd.
6 Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
De stad als lab voor sociale verandering
sche toepassingen (denk aan allerlei vernuftige snufjes in Smart Houses, zoals zelf‐
regelende thermostaten of koelkasten, die zelf de boodschappen doen). In het
publieke domein zijn de eindgebruikers burgers in de rol van consumenten van
overheidsdiensten.
Discussie
Hoe past dit nieuwe concept in de bestaande bestuurskundige kennis? In hoe‐
verre is het daadwerkelijk ‘nieuw’? Het betrekken van de eindgebruiker in het
ontwikkelproces is natuurlijk geen nieuw concept. Elmore (1979) schreef al over
‘backward mapping’, waarbij het beleidsontwerp begint bij de kenmerken en het
gedrag van de eindgebruiker, in tegenstelling tot de top-down ontwerpstrategie
van ‘forward mapping’. Ook interactieve beleidsvoering (Edelenbos, 2000) en
coproductie met de burger in talloze verschillende verschijningsvormen en grada‐
ties van participatie (Pröpper, 2009) zijn allesbehalve nieuwe verschijnselen.
Hoewel er over de resultaten van living labs nog niet veel bekend is, weten we uit
onderzoek naar vergelijkbare vormen van coproductie dat de voordelen die ook
aan living labs worden toegeschreven, niet altijd worden waargemaakt. Directe
participatie van burgers wordt vaak aangeprezen als ‘democratischer’ dan besluit‐
vorming door volksvertegenwoordigers (voor een kritische reflectie zie Michels,
2011), maar we weten ook dat vooral bepaalde groepen burgers de weg naar deze
inspraak- en meebeslismogelijkheden weten te vinden (zie bijvoorbeeld Uiter‐
mark, 2014). Intensieve vormen van participatie kosten tijd en energie, en lang
niet iedereen zal de gepercipieerde opbrengst die investering waard vinden. Die
kosten-batenafweging zal vooral positief uitvallen als de opbrengst hoog, of de
investering laag is. Oftewel: voor diegenen die veel te winnen of te verliezen (‘not
in my backyard!’) hebben bij een besluit, ofwel hoogopgeleid zijn, waardoor deel‐
name aan een living lab hen niet al te veel extra tijd en moeite kost. De veelgepre‐
zen eindgebruiker is dus lang niet altijd makkelijk te inventariseren en te betrek‐
ken, zeker als die tot de groep ‘kansarme’ stadsbewoners behoort.
Een tweede belemmering waarmee naar ons idee in veel van de lofzangen op ste‐
den en living labs nauwelijks rekening wordt gehouden, betreft het vraagstuk van
de verduurzaming. Wat living labs charmant en aantrekkelijk maakt, is hun klein‐
schaligheid en laagdrempeligheid, maar ook het idee dat door de geografische
afbakening en betrokkenheid van de direct belanghebbenden maatwerk mogelijk
wordt. Voor het vraagstuk in kwestie is dat inderdaad een niet te onderschatten
voordeel, maar het maakt het vervolgens ook ingewikkeld om projecten en op één
plek beproefde oplossingen op te schalen en/of ook op andere plekken tot uitvoe‐
ring te brengen, die per definitie verschillende kenmerken zullen hebben. Daar
komt ook nog bij dat de verantwoording over de daadwerkelijk geboekte resulta‐
ten vaak niet aanwezig of gebrekkig is. Hierdoor weten we vaak niet wat van alle
hoge verwachtingen ook daadwerkelijk in de praktijk is gebracht, en wordt ons de
mogelijkheid ontnomen om te leren van wat goed ging en fout liep, waardoor de
bredere toepassing van de in het living lab geboekte innovaties ook weer in het
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
7
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
Philip Marcel Karré, Iris Vanhommerig & Ellen van Bueren
geding komt. Dat is met name belangrijk, omdat het succes van living labs staat
en valt met de kwaliteit van de samenwerking en hun multidisciplinaire aanpak:
beide zijn vaak alles behalve dan een sinecure, met name omdat waarden en
belangen van de verschillende betrokken partijen natuurlijk altijd óók een rol spe‐
len.
Dat brengt ons tot de laatste, maar zeker meest belangrijke kanttekening die naar
ons idee te trekken is bij het concept van het living lab en de hoge politieke en
maatschappelijke verwachtingen die erachter schuilgaan. De keuze om de aanpak
voor een bepaald vraagstuk in samenwerking te ontwikkelen tussen verschillende
partijen en met bijzondere aandacht voor de eindgebruiker in de vorm van een
living lab, is allesbehalve pragmatisch en apolitiek. In veel beschouwingen over de
stad als lab (zie bijvoorbeeld De Boer & Van der Lans, 2013) wordt vaak afgegeven
op meer traditionele manieren van politieke wilsvorming en de rol daarin van wat
als ‘de oude garde’ wordt neergezet. Misschien dat dit het succes verklaart van een
manier om sociale innovatie te bewerkstelligen die niet ideologisch overkomt,
maar afkomstig is uit het bedrijfsleven en daar wordt ingezet om tot allerlei tech‐
nische productinnovaties te komen. In het publieke domein hebben wij echter
niet te maken met producten die wij zo goed mogelijk moeten afstemmen op de
wensen en behoeften van de consument (de vermaarde eindgebruiker). De vraag‐
stukken waarmee steden en hun bewoners te maken hebben, zijn toch net wat
ingewikkelder en de groep burgers als eindgebruikers is toch wat diverser.
Spreken deze kanttekeningen allemaal tegen het gebruik van living labs? Nee,
maar ze laten wel zien, dat het vaak niet gemakkelijk is om methoden en technie‐
ken uit andere contexten zomaar in het publieke domein van de grote stad te
droppen en toe te passen. Ook is het belangrijk om te waarschuwen voor al te
hoge verwachtingen en het gebrek aan een adequate verantwoording en mogelijk‐
heden om te leren. In de stad staat veel op het spel en daarom is het belangrijk
om niet naïef te zijn in de aanpak van grootstedelijke vraagstukken. Het komt
misschien lekker stoer en daadkrachtig over om pragmatisch en met een duide‐
lijke missie en visie te werk te gaan. De ervaring leert echter dat deze aanpak in
het publieke domein vaak niet tot de gewenste resultaten leidt (De Bruijn & Ten
Heuvelhof, 2007).
Verdere opbouw themanummer
Naast deze inleiding en kritische beschouwing van het fenomeen living lab bevat
dit themanummer een aantal artikelen die verschillende van de verwachtingen
belichten waar steden en het lokaal niveau in het algemeen mee te maken hebben.
Omdat wat er op dit moment daar gebeurt vrij divers is en tot gevarieerde praktij‐
ken leidt, hanteren wij eveneens een breed en met name agenderend en verken‐
nend perspectief. Wij hopen zodoende tot een rijk geschakeerd beeld te komen
van wat op dit moment gebeurt in de praktijken van en rond steden en hoe je er
als bestuurskundige onderzoeker en practitioner naar kunt kijken.
8
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
De stad als lab voor sociale verandering
Robert Duiveman sluit in zijn bijdrage aan bij de verwachtingen die wij in dit
inleidend artikel schetsen over hoe de stad als lab kan bijdragen aan maatschap‐
pelijke verbetering en vooruitgang. Hij kijkt daarvoor naar nieuwe kennisarrange‐
menten om tot een breed gedragen aanpak te komen voor maatschappelijke pro‐
blemen in steden. Er zijn nieuwe kennisarrangementen nodig om te bepalen wat
er in een gegeven situatie aan de hand is en hoe er het beste mee kan worden
omgegaan. Dit doet zich duidelijk voor in discussies rondom de aanpak van weer‐
barstige stedelijke problemen. Tegen deze achtergrond zijn in het onderzoeks‐
programma Kennis voor Krachtige Steden van Platform31 consortia van weten‐
schappers en stedelijke partijen gevormd. Duiveman gebruikt dit programma als
casestudy voor zijn beschouwing en om lessen te trekken voor het verbeteren van
adequate kennispraktijken rondom stedelijke vraagstukken.
Martijn van der Steen en Ilsa de Jong haken in hun bijdrage aan bij de verwach‐
tingen ten aanzien van burgemeesters als pragmatische en resultaatgedreven pro‐
bleemoplossers par excellence. Zij laten zien hoe burgemeesters zich vandaag de
dag soepel moeten bewegen in een aantal netwerken en hoe deze nieuwe rol zich
verhoudt tot hun meer klassieke verantwoordelijkheden.
Henk de Jong, voormalig gemeentesecretaris van Amsterdam, neemt de discussie
rondom de positie van burgemeesters naar aanleiding van het boek van Benjamin
Barber als uitgangspunt voor zijn betoog, dat hij eind 2014 heeft uitgesproken als
Van Slingelandt-lezing. Als bestuurskundige die de afgelopen jaren in New York
heeft gewoond en gewerkt, kijkt De Jong kritisch naar hoe in het gesprek inzich‐
ten uit de VS onkritisch worden overgenomen. Ook laat hij zien dat je ook daar de
uitspraken over de nieuwe rol van steden met een korreltje zout moet nemen.
Zijn Van Slingelandt-lezing wordt aangevuld door het co-referaat, dat Klaartje
Peters heeft verzorgd.
Martin de Jong, Simon Joss, Daan Schraven, Changjie Zhan en Margot Weijnen
staan in hun bijdrage stil bij de verwachtingen achter de eco-city en het begrip
duurzaamheid in een stedelijke context. Duurzaamheid is een van de grootste uit‐
daging voor steden: politiek en maatschappij verwachten van hen om met name
hier resultaat te boeken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de discussies over onder‐
zoek dat aantoont dat Rotterdammers vanwege de vuile lucht in hun stad drie
jaar eerder doodgaan dan andere Nederlanders. Ook in dit debat buitelen verschil‐
lende begrippen en concepten over elkaar heen, zoals ‘sustainable cities’, ‘green
cities’, ‘digital cities’, ‘intelligent cities’, ‘smart cities’, intelligent cities’, ‘informa‐
tion cities’, ‘knowledge cities’, ‘resilient cities’; ‘eco-cities’, ‘low carbon cities’ en
‘liveable cities’. Net als bij het begrip living lab worden deze concepten vaak voor
elkaar ingewisseld en is niet altijd even duidelijk wat ermee bedoeld wordt; in elk
geval, zo blijkt uit de toepassing ervan in beleidsteksten en de maatschappelijke
en politieke discussie, ‘bekken ze wel lekker’. In hun bijdrage proberen De Jong,
Joss, Schraven, Zhan en Weijnen orde te brengen in dit debat. Op basis van een
uitgebreide literatuurstudie hebben zij de betekenis ontfutseld van alle genoemde
begrippen en wat zij voor steden, hun bestuurders en bewoners betekenen. Op
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
9
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
Philip Marcel Karré, Iris Vanhommerig & Ellen van Bueren
deze manier brengen zij scherpte en nuance in een debat dat last heeft van een
lawine van concurrerende begrippen en invullingen.
Naast wetenschappelijke artikelen bevat dit themanummer ook twee praktijk‐
reflecties. Gerard Nijboer schetst hoe in Rotterdam wordt gewerkt aan, in en met
living labs. En Willem van Winden beschrijft aan de hand van een aantal cases in
binnen- en buitenland de uitdagingen rondom deze samenwerkingsverbanden.
Wij sluiten het themadeel af met een bijdrage waarin wij de conclusies samenvat‐
ten van de afzonderlijke bijdragen. Op basis daarvan schetsen wij een onderzoeks-
en praktijkagenda, die recht doet aan de gevarieerde praktijken die vandaag de
dag in steden te vinden zijn.
Literatuur
Barber, B. (2013). If mayors ruled the world: Dysfunctional nations, rising cities. Yale: Yale
University Press.
Berg, J.J., & Geluk, M. (red.). (2009). Vernieuwing van de nieuwe stad: Groeikernen van slaap‐
stad naar droomstad. Almere: International New Town Institute.
Bergvall-Kareborn, B., & Stahlbrost, A. (2009). Living Lab – An Open and Citizen-Centric
Approach for Innovation. International Journal of Innovation and Regional Development,
1(4), 356-370.
Boer, N. de, & Lans, J. van der. (2013). De verzorgingsstaat voorbij. De Groene Amsterdam‐
mer, 2 oktober, https:// www. groene. nl/ artikel/ de -verzorgingsstaat -voorbij.
Boer, N. de, & Lans, J. van der. (2014). DEcentraal. De stad als sociaal laboratorium. Amster‐
dam: Atlas Contact.
Bradley, J., & Katz, B. (2013). The metropolitan revolution: How cities and metros are fixing
our broken politics and fragile economy. Washington, DC: Brookings Institution Press.
Brown, T. (2009). Change by design. New York, NY: Harper Collins.
Chesbrough, H. (2009). Open innovation: The new imperative for creating and profiting from
technology. Harvard, MA: Harvard Business School Press.
Dutilleul, B., Birrer, F.A.J., & Mensink, W. (2010). Unpacking European Living Labs: Analy‐
sing Innovation’s Social Dimensions. Central European Journal of Public Policy, 4(1):
60-85.
Dorst, K. (2011). The core of ‘design thinking’ and its application. Design Studies, 32(6),
521-532.
De Bruijn, H., & Heuvelhof, E. ten. (2007). Management in netwerken: Over veranderen in
een multi-actorcontext. Den Haag: Uitgeverij Lemma.
Duyvendak, J.W., Hendriks, F., & Niekerk, M. van. (Eds.). (2009). City in sight: Dutch deal‐
ings with urban change. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Elmore, R.F. (1979). Backward mapping: Implementation research and policy decisions.
Political Science Quarterly, 94(4), 601-616.
Edelenbos, J. (2000). Proces in vorm: Procesbegeleiding van interactieve beleidsvorming over
lokale ruimtelijke projecten. Utrecht: Uitgeverij Lemma.
Elmore, R.F. (1979). Backward mapping: Implementation research and policy decisions.
Political Science Quarterly, 94(4), 601-616.
Florida, R. (2002). The rise of the creative class: And how it’s transforming work, leisure, com‐
munity, and everyday life. New York, NY: Basic Books.
10
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
De stad als lab voor sociale verandering
Florida, R. (2005). The flight of the creative class: The new global competition for talent. New
York, NY: Harper Business.
Florida, R. (2008). Who’s your city? How the creative class is making where to live the most
important decision of your life. New York, NY: Basic Books.
Glaeser, E. (2011). Triumph of the city: How our greatest invention makes us richer, smarter,
greener, healthier, and happier. London: Penguin.
Hall, P. (2003). The end of the city? ‘The report of my death was an exaggeration’. City,
7(2), 141-152.
Howe, J. (2009). Crowdsourcing: How the power of the crowd is driving the future of business.
New York, NY: Random House.
Jacobs, J. (1961). The death and life of great American cities. New York, NY: Random House.
Miazzo, F., & Kee, T. (Eds.). (2014). We own the city: Enabling community practice in architec‐
ture and urban planning in Amsterdam, Hong Kong, Moscow, New York and Taipei. Haar‐
lem/Valiz: Trancity.
Michels, A. (2011). De democratische waarde van burgerparticipatie: Interactief bestuur en
deliberatieve fora. Bestuurskunde, 20(2), 75-84.
Newton, K. (1986). The death of the industrial city and the urban fiscal crisis. Cities, 3(3),
213-218.
O’Reilly, T. (2005). What is web 2.0? Design patterns and business models for the next genera‐
tion of software. http:// www. oreilly. com/ pub/ a/ / web2/ archive/ what -is -web -20. html.
Pröpper, I. (2009). De aanpak van interactief beleid. Bussum: Coutinho.
Putters, K. (2013). Het smalle pad van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad.http:// www.
socialevraagstukken. nl/ site/ 2013/ 05/ 25/ het -smalle -pad -van -verzorgingsstaat -naar -
verzorgingsstad/ .
Sanders, D. (2010). De trek naar de stad. Amsterdam: Bezige Bij.
Schleijpen, R., & Leatemia, L. (2014). Pioniers in de stad: Wijkondernemers delen kennis en
praktijk. Haarlem: Trancity/Valiz.
Skifter Andersen, H. (2003). Urban sores: On the interaction between segregation, urban decay
and deprived neighbourhoods. Aldershot: Ashgate.
Uitermark, J. (2012). De zelforganiserende stad. In Raad voor de Leefomgeving en Infra‐
structuur (red.), Essays toekomst van de stad. (pp. 5-9) Den Haag: Rli.
Uitermark, J. (2014). Verlangen naar Wikitopia. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotter‐
dam.
Vanhommerig, I., & Karré, P.M. (2014). Public accountability in the internet age: Changing
roles for governments and citizens. International Review of Public Administration, 19(2),
206-217.
Veldboer, L., Duyvendak, J.W., & Bouw, C. (red.). (2007). De mixfactor: integratie en segrega‐
tie in Nederland. Amsterdam: Boom.
Bestuurskunde 2015 (24) 1
doi: 10.5553/Bk/092733872015024001001
11
Dit artikel uit Bestuurskunde is gepubliceerd door Boom Lemma uitgevers en is bestemd voor Hogeschool van Amsterdam
... De drie projecten die in dit themanummer zijn beschreven, zijn op te vatten als living labs (Dekker, Franco Contreras & Meijer, 2019). Waar living labs hun oorsprong hebben in ICT, denk bijvoorbeeld aan slimme energiemeters in huizen en smart city-toepassingen in steden, worden zij nu steeds vaker ingezet voor sociale en publieke innovatie (Bergvall-Kåreborn & Ståhlbröst, 2009;Karré, Vanhommerig & Van Buuren, 2015). Het ontwikkelen en testen van een nieuwe oplossing in de context waarin ze toegepast gaan worden, is een generatieve vorm van experimenteren (Ansell & Bartenberger, 2016). ...
... Als centra van economische en sociale activiteiten, grote infrastructurele projecten, broedplaatsen van innovatie, technologische veranderingen en levensstijlveranderingen, spelen steden nu en in de toekomst een prominente rol in de aanpak van grote maatschappelijke problemen (Faber, Weijnen & De Goede, 2016;Ge, Dou & Liu, 2017;Godschalk, 2003;Newman, Beatley & Boyer, 2009;Sachs, 2015;Termeer et al., 2011;Van der Heijden, 2014). In binnen-en buitenland staat het lokale bestuursniveau dan ook hoog op de beleidsagenda voor het voeren van klimaatbeleid (Barber, 2013;Bulkeley, 2010Bulkeley, , 2013Karré, Vanhommerig & van Bueren, 2015). ...
Thesis
Full-text available
Klimaatverandering is een van de grootste uitdagingen van deze tijd en vereist dringende aanpak, alleen de mate waarin gemeenten het vermogen hebben om klimaatbeleid te voeren kan worden betwist. In de beleidspraktijk lopen Nederlandse gemeenten tegen allerlei belemmeringen aan. De hoofdvraag van het onderzoek is als volgt: Wat is het gemeentelijke handelingsperspectief voor klimaatbeleid en hoe worden gemeenten hierin bevorderd en beperkt door de Rijksoverheid? Voor het beantwoorden van deze vraag zijn de theorieën over wicked problems, decentralisatie, governance, mainstreaming en beleidsarrangementen gebruikt en de onderzoeksstrategieën van bureauonderzoek en de meervoudige casestudy. Uit de analyse blijkt dat het gemeentelijke handelingsperspectief voor klimaatbeleid relatief groot is gezien gemeenten sterk inzetten op het mainstreamen van het klimaatbeleid met gevestigde beleidsdomeinen. Hierdoor ontstaat een patchwork waarmee gemeenten op een breed scala aan initiatieven uit de markt en samenleving in kunnen spelen. Als stimulans voor de gemeenten zet de Rijksoverheid financiële, juridische en kennisgerelateerde hulpbronnen in. Desalniettemin blijkt de beleidspraktijk weerbarstig. Het beeld dat gemeenten over te weinig juridische, financiële en kennis hulpbronnen beschikken voor het voeren van klimaatbeleid wordt door gemeenten momenteel breed gedragen. Als oplossing hiervoor vragen gemeenten de Rijksoverheid om een versnelde ontwikkeling van het beleidsarrangement voor klimaatverandering op nationaal niveau.
... Given these alleged benefits, it is no surprise that, in recent years, the "urban living lab" has become a popular development approach on which hope is fixed to accelerate the generation and adoption of sustainable innovations in the urban system in the light of the urban sustainability transition. However, evaluative accounts of urban living labs in practice indicate that many of these experience difficulty in achieving the full benefits of this approach (Bulkeley & Castán Broto, 2013;Franz et al., 2015;Karré et al., 2015;. These authors point to a lack of methodological deepening of the living lab approach as a reason for such difficulties. ...
... Er wordt met name veel verwacht van het zelforganiserend vermogen van burgers: het idee is dat zij beter dan bijvoorbeeld de overheid of marktpartijen in staat zijn om met creatieve en vernieuwende aanpakken te komen voor allerlei grootstedelijke vraagstukken. De stad is in deze visie een belangrijke experimenteerruimte, een proeftuin of broedplaats voor nieuwe sociale en economische praktijken, die vaak onder de noemer "sociale innovatie" worden geschaard (Brandsen, Cattacin, Evers, & Zimmer, 2016;Karré, Vanhommerig & Van Bueren, 2015;Karré, Rahimy, Ter Avest & Walraven, 2017). Voorbeelden zijn burgerinitiatieven, sociale ondernemingen of "living labs", waarin verschillende groepen samenwerken aan de aanpak van een bepaald vraagstuk. ...
... Verbinden van praktijken om tot nieuwe inzichten te komen staat centraal in talloze labs, experimenten, leerkringen en communities of practice (Karré et al, 2015). Vooralsnog ontbreekt het aan een gedeeld kader om de verschillende ervaringen en bevindingen met elkaar te delen. ...
Research
Full-text available
In Rotterdam zijn diverse wijkcoöperaties actief. Dit zijn bewonersinitiatieven waarbij ten behoeve van de leefbaarheid ondernemende activiteiten worden ontplooid die vaak innovatief of experimenteel zijn. In een wijkcoöperatie worden een sociale en een bedrijfsmatige manier van werken met elkaar verbonden, bijvoorbeeld door werkgelegenheid te bieden aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt of door het aanjagen en verbinden van initiatieven in de wijk. Gemeenten zijn vaak nog niet ingericht en ingespeeld om wijkcoöperaties te faciliteren. In opdracht van de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken hebben bestuurskundigen dr. Philip Karré en dr. Ingmar van Meerkerk onderzoek gedaan hoe deze relatie tussen wijkcoöperatie en gemeente versterkt kan worden waardoor zij op een productieve en duurzame manier bij kan dragen aan de aanpak van diverse maatschappelijke uitdagingen in de stad Rotterdam.
Article
This special issue contains five articles based on empirical research into energy transition at the local level. The focus is on the role of local authorities in the energy transition and on partnerships between local authorities (municipalities, provinces, regions) and local communities in the area of sustainable development. The three guest editors have also written an introduction and conclusion for this special issue.
Book
Full-text available
City in Sight presents recent scholarship on the various issues facing todays Dutch metropolitan areas, including immigration and the growing diversity among the urban population, urban restructuring and neighborhood renewal, shifts in urban governance, and the promotion of active citizenship. With its wealth of information and up-to-date research, this text will appeal to scholars of urban politics and social history from all over the globe.
Article
Full-text available
The Internet has created opportunities for instant and cheap communication, including communication between government and citizens. The interactive capabilities of Web 2.0 in general and social media in particular have turned this communication from a (mostly) one-way stream to an interactive experience. This low-cost, accessible medium has levelled the playing field between government and citizen: everyone now has the means to organize and spread a message at their fingertips. As a result, the role of citizens in the public discourse has changed: they have become monitorial citizens and armchair auditors. Public accountability, one of the key processes in any democracy, is changing and become a more dynamic process. In this article we describe this trend and discuss its implications.
Article
In the face of the most perilous challenges of our time-climate change, terrorism, poverty, and trafficking of drugs, guns, and people-the nations of the world seem paralyzed. The problems are too big, too interdependent, too divisive for the nation-state. Is the nation-state, once democracy's best hope, today democratically dysfunctional? Obsolete? The answer, says Benjamin Barber in this highly provocative and original book, is yes. Cities and the mayors who run them can do and are doing a better job. Barber cites the unique qualities cities worldwide share: pragmatism, civic trust, participation, indifference to borders and sovereignty, and a democratic penchant for networking, creativity, innovation, and cooperation. He demonstrates how city mayors, singly and jointly, are responding to transnational problems more effectively than nation-states mired in ideological infighting and sovereign rivalries. Featuring profiles of a dozen mayors around the world-courageous, eccentric, or both at once-If Mayors Ruled the World presents a compelling new vision of governance for the coming century. Barber makes a persuasive case that the city is democracy's best hope in a globalizing world, and great mayors are already proving that this is so.
Book
Nederlanders willen geen segregatie, maar in de dagelijkse praktijk blijkt het integreren van kwetsbare groepen vaak moeilijk van de grond te komen. Zo vrezen huiseigenaren waardeverlies als er minder draagkrachtige bewoners in hun buurt komen, dubben hoger opgeleide ouders over de vraag of ze hun kinderen wel moeten laten pionieren op een zwarte school, stuiten gemengde stellen op veel weerstand en vereenzamen gehandicapten in een gewone wijk omdat ze daar geen aansluiting vinden. In De mixfactor: integratie en segregatie in Nederland worden de wensen, praktijken en effecten van mengingspolitiek verkend. Hoe staat het anno 2007 met onze mengingsidealen? Aan de orde komen succes- en faalfactoren op het gebied van werk, vermaatschappelijking van zorg, onderwijs, welzijn, wonen, sport en opvoeding. Naast een beschrijving van wat er al dan niet gebeurt, hebben de auteurs aandacht voor de vraag waar menging het meest nodig en mogelijk is.
Book
A pioneering urban economist presents a myth-shattering look at the majesty and greatness of cities.America is an urban nation, yet cities get a bad rap: they're dirty, poor, unhealthy, environmentally unfriendly . . . or are they? In this revelatory book, Edward Glaeser, a leading urban economist, declares that cities are actually the healthiest, greenest, and richest (in both cultural and economic terms) places to live. He travels through history and around the globe to reveal the hidden workings of cities and how they bring out the best in humankind. Using intrepid reportage, keen analysis, and cogent argument, Glaeser makes an urgent, eloquent case for the city's importance and splendor, offering inspiring proof that the city is humanity's greatest creation and our best hope for the future.