BookPDF Available

Cohortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, derde meting 2013/14

Authors:
  • Semi-retired

Figures

No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
Cohortonderzoek COOL5-18
Technisch rapport basisonderwijs, derde meting 2013/14
Geert Driessen | Dorothé Elshof | Lia Mulder | Jaap Roeleveld
o n d e r w ij s l o o p b a n e n
o h o r t o n d e r z o e k
COHORTONDERZOEK COOL5-18
Cohortonderzoek COOL5-18
Technisch rapport basisonderwijs, derde meting 2013/14
Geert Driessen
Dorothé Elshof
Lia Mulder
Jaap Roeleveld
iv
De particuliere prijs van deze uitgave is € 15,-
Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00.
Foto omslag: Nationale Beeldbank.
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAG
Driessen, Geert.
Cohortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, derde meting
2013/14. Geert Driessen, Dorothé Elshof, Lia Mulder & Jaap Roeleveld - Nijmegen:
ITS / Amsterdam: Kohnstamm Instituut
ISBN 978 90 5554 483 7
NUR 840
ITS-Projectnummer: 34001328
2015 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen / Kohnstamm Instituut Amsterdam
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze
uitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm
of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de
voorafgaande schriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen.
No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any
other means without written permission from the publisher.
v
Vo orwoord
In het schooljaar 2007/08 is, als voortzetting van de vroegere PRIMA- en VOCL-
cohorten, een nieuw cohortonderzoek gestart. Dit onderzoek, COOL5-18 genoemd,
volgt leerlingen van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan door het primair en voortge-
zet onderwijs en het mbo. Vier aspecten van de ontwikkeling van leerlingen staan in
het onderzoek centraal:
de cognitieve ontwikkeling: kennis en vaardigheden in het Nederlands, reke-
nen/wiskunde en Engels;
onderwijsloopbanen in primair, secundair en tertiair onderwijs;
de ontwikkeling van sociale competenties, waaronder burgerschapscompetenties;
de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Om de leerlingen op deze vier aspecten te volgen worden op diverse momenten toet-
sen en vragenlijsten afgenomen bij leerlingen, leraren, directies en ouders. Daarnaast
wordt de gehele schoolloopbaan van de leerlingen in kaart gebracht. De gegevens
hierover worden verkregen door koppeling van de cohortgegevens aan de Onderwijs-
nummerbestanden die beheerd worden door het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS).
Het doel van COOL5-18 is in de eerste plaats een representatief beeld te geven van de
prestaties en schoolloopbanen van diverse categorieën leerlingen. Omdat COOL5-18
meerdere metingen kent, kan niet alleen een beeld worden geschetst van de situatie op
een bepaald moment, maar kunnen ook ontwikkelingen in kaart worden gebracht.
Met behulp van de gegevens die in COOL5-18 worden verzameld, kunnen bovendien
uiteenlopende beleidsmaatregelen worden geëvalueerd en kan ook nieuw beleid wor-
den voorbereid.
Er waren drie ronden van gegevensverzameling gepland: in 2007/08, 2010/11 en
2013/14. Wat betreft het basisonderwijs zijn over de eerste twee COOL-metingen
inmiddels diverse rapportages verschenen, waaronder per meting een zogenaamd
technisch rapport’. In dat rapport wordt verslag gedaan van de dataverzameling en
wordt een beschrijving gegeven van alle gegevens die zijn verzameld. Het betreft
onder meer de toetsprestaties taal, lezen en rekenen/wiskunde, gezinskenmerken,
houdings- en gedragskenmerken, burgerschapscompetenties, niet-schoolse cognitieve
capaciteiten, resultaten op de Cito Eindtoets en het advies voortgezet onderwijs. Het
doel van het technisch rapport is tweeledig: het functioneert als verantwoording en
vi
codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerk
waarin de eerste resultaten worden gepresenteerd.
Het voorliggende rapport is het technische rapport over de derde (en laatste) meting
van COOL5-18 in het basisonderwijs, uitgevoerd in schooljaar 2013/14. Het heeft
dezelfde opzet als het rapport over de eerste twee metingen.
Het COOL5-18-onderzoek in het basisonderwijs is een samenwerkingsproject van het
ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen en het Kohnstamm Instituut van de Uni-
versiteit van Amsterdam. Voor het onderzoek in het voortgezet onderwijs en mbo zijn
het Cito in Arnhem en het GION in Groningen verantwoordelijk. Over de resultaten
van dat onderzoek wordt apart door de betreffende instituten gerapporteerd.
vii
Inhoud
Voorwoord v
Deel I Het veldwerk 1
1 De steekproef van scholen en leerlingen 3
1.1 Inleiding 3
1.2 Nagestreefde referentiesteekproef 3
1.3 Nagestreefde aanvullende steekproeven 5
1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef 5
1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholen 8
1.6 Omvang van de leerlingensteekproef 9
2 De dataverzameling 11
2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning 11
2.1.1 Fasen en kalender 11
2.1.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van
administratieve gegevens 11
2.1.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens 12
2.1.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling 13
2.1.5 Fase 4: Uitstroomformulieren en schoolinformatielijst 14
2.2 Overzicht van de verzamelde data 14
2.3 Rapportage aan de scholen 16
Deel II De schoolgegevens 17
3 De schoolinformatielijst 19
3.1 Procedure en respons 19
3.2 De schoolkenmerken 19
Deel III De leerlinggegevens 23
4 Achtergronden van de leerlingen 25
viii
5 De taal-, lees- en rekentoetsen 31
5.1 De taal-, lees- en rekentoetsen 31
5.1.1 Groep 2 31
5.1.2 Groep 5 32
5.1.3 Groep 8 33
5.1.4 Afname en scoring 34
5.2 Respons 34
5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheid 35
6 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 39
6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test 39
6.2 Respons 41
6.3 Schaalconstructie 42
6.4 De NSCCT-scores 42
7 Het leerlingprofiel 45
7.1 Procedure en respons 45
7.2 Prestaties, gedrag en houding 47
7.2.1 Schaalconstructie 47
7.2.2 Schaalscores 49
7.3 Gezin, zorg en onderwijskundige bijzonderheden 57
7.3.1 Gezin 57
7.3.2 Zorg 59
7.3.3 Onderwijskundige bijzonderheden 68
8 Het zorgprofiel 73
8.1 Procedure en respons 73
8.2 Aandeel zorgleerlingen 74
8.3 Kenmerken van zorgleerlingen 76
8.3.1 Overzicht problemen en beperkingen 76
8.3.2 Clustering van problemen 78
8.3.3 Zorgzwaarte 82
8.4 Overige vragen zorgprofiel 83
8.4.1 Speciale voorzieningen 83
8.4.2 Steun door ouders 86
8.4.3 Zorgcapaciteit 86
8.4.4 Ervaren zorgzwaarte 86
ix
9 De Leerlingenvragenlijst 91
9.1 Procedure en respons 91
9.2 Motivatievragen groep 5 en groep 8 92
9.2.1 Schaalconstructie 93
9.2.2 Schaalscores 95
9.3 Extra motivatievragen groep 8 97
9.3.1 Schaalconstructie 99
9.3.2 Schaalscores 101
10 De vragenlijst Burgerschapscompetenties 103
10.1 De vragenlijst 103
10.2 Respons 105
10.3 Schalen 106
10.4 Schaalscores 110
11 Het uitstroomformulier groep 8 113
11.1 Het uitstroomformulier 113
11.2 Respons 113
11.3 De Eindtoets basisonderwijs 114
11.4 Vervolgadvies voortgezet onderwijs 117
Deel IV De gezinsgegevens 119
12 De oudervragenlijst groep 2 121
12.1 Inleiding 121
12.2 Respons 121
12.3 Beschrijving van de resultaten 123
12.3.1 Samenstelling van het gezin 124
12.3.2 Achtergrondgegevens van de ouders of verzorgers 126
12.3.3 De voor- en vroegschoolse periode 134
Literatuur 139
Deel I
Het veldwerk
1 De steekproef van scholen en leerlingen
1.1 Inleiding
Meer dan tien jaar (tussen 1994 en 2005) hebben het ITS te Nijmegen en het Kohn-
stamm Instituut te Amsterdam het PRIMA-cohortonderzoek in het basisonderwijs
uitgevoerd. Vanaf schooljaar 2007/08 is PRIMA opgevolgd door een nieuw cohort-
onderzoek: COOL5-18 (CohortOnderzoek OnderwijsLoopbanen van 5 tot 18 jaar)1,
waarbij het ITS en Kohnstamm Instituut wederom verantwoordelijk zijn voor het
onderzoek in het basisonderwijs. De eerste meting van COOL is in schooljaar
2007/08 uitgevoerd; de tweede in 2010/11 en de derde, waarover hier wordt gerap-
porteerd, in schooljaar 2013/14. Bij het COOL-onderzoek zijn de leerlingen uit de
groepen 2, 5 en 8 van enkele honderden basisscholen betrokken.
De scholensteekproef in het COOL-cohortonderzoek bestaat uit twee delen: een lan-
delijk representatieve steekproef (de zogenoemde referentiesteekproef) en een aanvul-
lende steekproef van scholen met een hoge concentratie van allochtone en autochtone
kinderen uit lagere sociaal-economische milieus. Deze opzet zorgt ervoor dat er vol-
doende achterstandsleerlingen in de steekproef zijn opgenomen, en dat er tevens
uitspraken gedaan kunnen worden over scholen met een uiteenlopende sociaal-
etnische leerlingenpopulatie.
1.2 Nagestreefde referentiesteekproef
De referentiesteekproef is bedoeld om algemene uitspraken te doen over het basison-
derwijs. Deze steekproef moet dan ook een zo goed mogelijke afspiegeling zijn van
de totale populatie basisscholen. Voor het selecteren van de referentiesteekproef zijn
richting, provincie en urbanisatiegraad van de vestigingsgemeente van de school de
belangrijkste criteria, samen met het kenmerk schoolscore. De schoolscore geeft een
indicatie van de sociaal-etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van een
school; hoe hoger de score, hoe groter de sociaal-etnische achterstand van de school.2
1 Ter wille van de leesbaarheid gebruiken we hierna de verkorte aanduiding COOL, zonder 5-18.
2 De schoolscore wordt berekend door het gewogen aantal leerlingen van een school (dus met verdis-
contering van hun wegingsfactor) te delen door het ongewogen aantal leerlingen. De uitkomst van
deze rekensom wordt met 100 vermenigvuldigd en is door ons vervolgens ingedikt tot zes catego-
rieën.
4
Tabel 1.1 Verhoudingen in de landelijke schoolpopulatie (schooljaar 2013/14,
N=6807) met betrekking tot schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad en
bijbehorende streefaantallen in de referentiesteekproef
landelijk %
nagestreefde n
Schoolscore
100-104
56.4
226
105-109
20.6
82
110-119
11.5
46
120-139
7.2
29
140-159
3.2
13
>159
1.1
4
Richting
openbaar
32.9
132
protestants-christelijk
29.8
119
rooms-katholiek
25.5
102
overig bijzonder
11.8
47
Provincie
Groningen
4.5
18
Friesland
6.7
27
Drenthe
4.2
17
Overijssel
8.1
32
Flevoland
2.8
11
Gelderland
13.7
55
Utrecht
7.1
28
Noord-Holland
13.6
54
Zuid-Holland
17.6
70
Zeeland
3.3
13
Noord-Brabant
12.9
52
Limburg
5.6
22
Urbanisatiegraad
niet stedelijk
16.9
68
weinig stedelijk
28.1
112
matig stedelijk
20.0
80
sterk stedelijk
21.9
88
zeer sterk stedelijk
13.1
52
totaal
100.0
400
Met het bij de voorbereidingen van het veldwerk meest recente scholenbestand van
het ministerie van OCW, gebaseerd op de telling van peildatum 1 oktober 2013, kon
worden vastgesteld hoe de landelijke verdeling van deze kenmerken er op dat mo-
ment uitzag. Door dezelfde percentuele verdeling over te brengen op een referen-
tiesteekproef van 400 scholen, werd duidelijk naar welke aantallen diende te worden
gestreefd. In Tabel 1.1 geven we de procentuele landelijke verdeling en de nage-
streefde aantallen scholen weer.
1.3 Nagestreefde aanvullende steekproeven
De totale COOL-steekproef wordt gevormd door een representatief deel en een aan-
vullend deel van achterstandsscholen. Als criterium voor de laatstgenoemde aanvul-
lende steekproef is de schoolscore-verdeling gebruikt. Er is naar gestreefd om voor de
aanvullende steekproef in iedere schoolscore-categorie, met uitzondering van de
categorie 100-104, ten minste 30 scholen te werven. Daarmee zouden naar verwach-
ting voldoende achterstandsleerlingen in de steekproef worden opgenomen en konden
tevens uitspraken worden gedaan over scholen met een uiteenlopende sociaal-
etnische samenstelling. Gegeven de nagestreefde aantallen in de referentiesteekproef
(zie ook Tabel 1.1) leidde dat tot de in Tabel 1.2 weergegeven aantallen voor de na-
gestreefde totale steekproef.
Tabel 1.2 Nagestreefde aantallen scholen per schoolscore-categorie in de referen-
tiesteekproef, de aanvullende steekproef en de totale steekproef
Schoolscore
referentie-
steekproef
aanvullende
steekproef
totaal
100-104
226
0
226
105-109
82
30
112
110-119
46
30
76
120-139
29
30
59
140-159
13
30
43
>159
4
30
34
totaal
400
150
550
1.4 Omvang en representativiteit van de uiteindelijke scholensteekproef
De uiteindelijke totale steekproef van COOL in schooljaar 2013/14 bestaat uit 437
basisscholen; dat is dus veel minder dan beoogd. Daar komen we in hoofdstuk 2
uitgebreider op terug. Kanttekening bij dit aantal is dat verschillende dépendances
van één school afzonderlijk in de steekproef kunnen voorkomen. In dat geval is er
sprake van meer locaties waarop alle aan de COOL-meting deelnemende groepen (2,
5 en 8) aanwezig zijn. Achter deze werkwijze steekt zowel een inhoudelijk als een
financieel-organisatorisch motief. Ten eerste blijkt het vaak te gaan om gefuseerde
scholen die slechts in beperkte mate samenwerken; ten tweede zou het alternatief
(elke administratieve eenheid met al zijn locaties beschouwen als één school) leiden
tot een enorme verhoging van het aantal te toetsen leerlingen.
6
In hoofdstuk 2 wordt beschreven op welke wijze de COOL-scholen geselecteerd en
benaderd zijn. Hier dient echter alvast enige toelichting gegeven te worden op de
wijze waarop omgegaan werd met de selectiecriteria tijdens de werving. De werving
begon met het verzoek aan de scholen die al aan de tweede meting van COOL hadden
meegedaan om ook aan de derde meting mee te werken. Indien zij aangaven daar niet
toe bereid te zijn, werd voor die uitgevallen school een vervanger gezocht die wat
betreft schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad zoveel mogelijk leek op
de uitgevallen school. Daarbij bleek het gaandeweg vrijwel onmogelijk om alle vier
de selectiecriteria steeds een even zwaar gewicht te geven. Dat heeft vooral te maken
met het forse percentage scholen dat negatief op ons deelnameverzoek bleek te reage-
ren (zie hoofdstuk 2).
In Tabel 1.3 worden de nagestreefde en feitelijke verdelingen van de referentiesteek-
proef over de vier selectiekenmerken (schoolscore, richting, provincie en urbanisatie-
graad) weergegeven (‘feitelijke n’). In totaal zitten er 340 scholen in de referen-
tiesteekproef. Dat het er minder zijn dan de 400 beoogde scholen, heeft te maken met
het feit dat de totale steekproef kleiner was dan vooraf was gepland.
De schoolkenmerken zijn afkomstig van het departementale bestand van schooljaar
2013/14, dat naar BRIN-nummer is gerangschikt. Dat betekent dat, waar er in de
COOL-steekproef sprake is van meer schoollocaties met elk een eigen schoolnum-
mer, aan elk van die locaties dus de kenmerken van de gehele school gekoppeld zijn.
We zien wat afwijkingen bij de schoolscore-categorie 100-104 (ondervertegenwoor-
digd), provincie (Utrecht ondervertegenwoordigd) en stedelijkheid (niet-stedelijk wat
oververtegenwoordigd, sterk-stedelijk wat ondervertegenwoordigd). Met behulp van
de χ2-toets is nagegaan of er sprake is van significante verschillen (p<0.01) tussen de
nagestreefde en feitelijke n, waarmee de representativiteit van de referentiesteekproef
in het geding zou zijn. Dat bleek echter nergens het geval te zijn. De verhoudingen
naar schoolscore, provincie, richting en urbanisatiegraad zijn in de referentiesteek-
proef goed in overeenstemming met de landelijke verhoudingen. Dat betekent dat de
referentiesteekproef representatief is in alle genoemde opzichten.
Tabel 1.3 Nagestreefde en feitelijke verdeling van de 340 scholen in de referen-
tiesteekproef, naar schoolscore, richting, provincie en urbanisatiegraad
nagestreefde verdeling
feitelijke verdeling
%
%
n
Schoolscore
100-104
56.4
50.9
173
105-109
20.6
22.4
76
110-119
11.5
13.5
46
120-139
7.2
7.6
26
140-159
3.2
4.1
14
>159
1.1
1.5
5
Richting
openbaar
32.9
34.4
117
protestants-christelijk
29.8
28.2
96
rooms-katholiek
25.5
24.7
84
overig bijzonder
11.8
12.6
43
Provincie
Groningen
4.5
2.6
9
Friesland
6.7
5.0
17
Drenthe
4.2
3.5
12
Overijssel
8.1
9.7
33
Flevoland
2.8
2.6
9
Gelderland
13.7
13.2
45
Utrecht
7.1
3.8
13
Noord-Holland
13.6
15.6
53
Zuid-Holland
17.6
20.6
70
Zeeland
3.3
6.2
21
Noord-Brabant
12.9
11.8
40
Limburg
5.6
5.3
18
Urbanisatiegraad
niet stedelijk
16.9
20.0
68
weinig stedelijk
28.1
29.1
99
matig stedelijk
20.0
17.9
61
sterk stedelijk
21.9
18.2
62
zeer sterk stedelijk
13.1
14.7
50
totaal
100.0
100.0
340
Bij de selectiecriteria is de schoolgrootte niet betrokken. Volledigheidshalve is ach-
teraf nagegaan of de scholen in de referentiesteekproef afwijken van de landelijke
populatie qua het totale aantal leerlingen. Daartoe hebben we eveneens gebruik ge-
maakt van het scholenbestand van het Ministerie van OCW van schooljaar 2013/14.
De gemiddelde schoolgrootte in de referentiegroep is iets kleiner dan die in de popu-
latie: 199 tegen 217 landelijk.
8
Het streven was om in de aanvullende steekproef 30 extra scholen te werven in elke
categorie boven de 100-104. In Tabel 1.4 staan de feitelijke aantallen.
Tabel 1.4 – Feitelijke schoolscore-verdeling in de totale steekproef
Schoolscore
referentie-
steekproef
aanvullende
steekproef
totaal
100-104
173
9
182
105-109
76
10
86
110-119
46
27
73
120-139
26
27
53
140-159
14
21
35
>159
5
3
8
totaal
340
97
437
In alle schoolscore-categorieën zijn minder dan 30 scholen geworven voor de aanvul-
lende steekproef. Voor de categorieën 105-109 en 110-119 is dat geen bezwaar omdat
er in die categorieën al relatief veel scholen in de referentiesteekproef zitten. Dat het
aantal in de categorie >159 niet is gehaald, komt doordat ook het totale aantal scholen
in Nederland in deze categorie laag is (1.4%), waardoor het lastig is om bij non-
respons vervangende scholen te vinden.
Het totaal aantal scholen dat aan de derde COOL-meting heeft deelgenomen bedraagt
437. Niet alle scholen hebben op alle instrumenten volledige data aangeleverd. In de
volgende hoofdstukken worden per instrument de responscijfers weergegeven, en
wordt een beschrijving gegeven van de beschikbare data.
1.5 Aantallen oude en nieuwe COOL-scholen
Bij de derde COOL-meting bevat de totale steekproef 437 basisscholen die uiteenval-
len in een referentiesteekproef van 340 scholen en een aanvullende steekproef van 97
achterstandsscholen. Van deze 437 steekproefscholen namen er 250 (57%) ook deel
aan de tweede COOL-meting in 2010/11. Aan de scholen die bij de tweede meting
van COOL waren betrokken en niet meer aan de derde meting mee wilden doen, is
gevraagd of ze toch bereid waren om de toetsscores aan te leveren van de leerlingen
die in 2013/14 in groep 5 en 8 zaten en die drie jaar eerder in groep 2 en 5 aan
COOL2 hadden meegedaan. Er zou dan geen nieuwe groep 2 bij het onderzoek wor-
den betrokken en er zouden geen andere instrumenten worden afgenomen, maar het
zou in ieder geval informatie opleveren over het prestatieniveau van de uit COOL2
bekende leerlingen. Ruim 20% van de scholen die dit verzoek hebben gekregen was
daartoe bereid.
Het werven van nieuwe scholen ter vervanging van uitgevallen COOL-scholen ver-
liep zeer moeizaam. Na verschillende wervingsrondes bedroeg de respons uiteindelijk
slechts 2.5%. Het aantal benaderde scholen en de responspercentages staan in Tabel
1.5.
Tabel 1.5 – Aantallen benaderde scholen en respons
Type scholen
benaderd
respons
n
n
%
COOL2-scholen
550
250
45.5
COOL2-scholen (alleen toetsscores)
180
39
21.7
vervanging
5900
148
2.5
totaal
6630
437
1.6 Omvang van de leerlingensteekproef
Ten behoeve van de derde COOL-meting hebben de 437 deelnemende basisscholen
gegevens verstrekt over hun leerlingen in de groepen 2, 5 en 8. In totaal bleek het te
gaan om ruim 28.500 leerlingen; een gemiddelde van 65 leerlingen per school in de
drie jaargroepen samen. In Tabel 1.7 is te zien hoeveel leerlingen per steekproef en
jaargroep dit betreft.
Tabel 1.7 – Totaal aantal leerlingen per jaargroep
referentiesteekproef
aanvullende steekproef
totale steekproef
n
%
n
%
n
%
groep 2
7279
32.2
1716
29.1
8995
31.5
groep 5
7449
32.9
2026
34.4
9475
33.2
groep 8
7907
34.9
2152
36.5
10059
35.3
totaal
22635
100.0
5894
100.0
28529
100.0
In Tabel 1.8 is te zien hoeveel procent van de leerlingen ook heeft deelgenomen aan
de tweede meting van COOL.
10
Tabel 1.8 Totaal aantal leerlingen per jaargroep in de derde COOL-meting, en
percentage daarvan dat bekend is uit de tweede COOL-meting
totale steekproef
n
% in COOL2
groep 2
8995
0.0
groep 5
9475
50.8
groep 8
10059
59.7
totaal
28529
Groep 2 is per definitie een nieuwe groep. Het percentage bekende leerlingen in groep
5 en 8 samen ligt op 55 procent. Van de voormalige COOL2 leerlingen is dus 45
procent niet meer bij COOL3 betrokken. Dat komt deels door de uitval van scholen
en deels doordat leerlingen in de tussentijd zijn blijven zitten, naar een andere basis-
school zijn gegaan of naar het speciaal (basis)onderwijs zijn verwezen. Wat de uitval
op leerlingniveau betreft gaat het in totaal om ruim 1800 leerlingen die op dezelfde
school zijn blijven zitten, bijna 3000 leerlingen die naar een andere basisschool zijn
gegaan, waarvan ruim 600 leerlingen naar het speciaal (basis)onderwijs zijn verwe-
zen. Daarnaast hebben circa 100 leerlingen een klas overgeslagen. Deze ‘verdwenen’
leerlingen worden in ieder geval via het Onderwijsnummer en zo mogelijk via de
nieuw school verder gevolgd. Ook de leerlingen die zijn uitgevallen omdat de school
niet meer aan COOL mee wilde doen, worden via het Onderwijsnummer verder ge-
volgd. De uitgevallen leerlingen blijven hier verder buiten beschouwing; er wordt in
een aparte rapportage aandacht aan deze groep leerlingen besteed.
Binnen COOL zijn verschillende instrumenten afgenomen. Door ziekte, tussentijdse
uitstroom of andere oorzaken varieert de respons per instrument Op deze respons
wordt hierna in de betreffende hoofdstukken ingegaan.
11
2 De dataverzameling
2.1 Onderscheiden fasen en tijdsplanning
2.1.1 Fasen en kalender
Bij de dataverzameling van de derde COOL-meting valt een viertal fasen te onder-
scheiden: de werving van deelnemende scholen, gecombineerd met het opvragen van
enkele administratieve gegevens (fase 1), de verzameling van aantallen, namen en
enkele achtergrondgegevens van de leerlingen in de toetsgroepen (fase 2), de toetsaf-
names en gelijktijdige overige dataverzamelingen in groep 2, 5 en 8 (fase 3), en ten
slotte de verzameling van uitstroomgegevens groep 8 en een schoolinformatielijst
(fase 4).
De bijbehorende kalender staat hieronder vermeld. Elke fase wordt in de paragrafen
hierna beschreven.
Kalender dataverzameling derde COOL-meting
Fase 1: april – september 2013
Fase 2: september december 2013
Fase 3: januari – april 2014
Fase 4: mei – juni 2014
2.1.2 Fase 1: Benadering van scholen en opvragen van administratieve gege-
vens
De eerste benadering van scholen was vooral bedoeld om hun bereidheid tot deelna-
me te checken, maar werd gecombineerd met het aanbieden van een kort vragenlijstje
over een aantal administratieve zaken. Alle scholen die drie jaar eerder aan de tweede
meting van COOL hadden deelgenomen, ontvingen in april 2013 deze vragenlijst. Op
basis van hun respons is bepaald hoeveel nieuwe scholen nog nodig waren; dat bleken
er 260 te zijn. Nagegaan is wat de kenmerken moesten zijn van deze nieuwe scholen,
in eerste instantie qua schoolscore en vervolgens ook zoveel mogelijk naar provincie,
richting en urbanisatiegraad (zie ook par. 1.4). Met het oog op de te verwachten hoge
non-respons werd uit het departementale bestand vervolgens een veelvoud van deze
12
benodigde scholen geselecteerd, die daarop zijn benaderd met dezelfde vragenlijst als
die de voormalige COOL-scholen hadden ontvangen.
Omdat deze ronde niet het benodigde aantal scholen opleverde, is nog een wervings-
ronde gehouden waarin vrijwel alle overige scholen uit het departementale bestand
zijn benaderd.
Uiteindelijk is op deze manier het aantal van 437 scholen gerealiseerd. Daartoe zijn in
totaal circa 6500 scholen benaderd; de 550 deelnemers van de vorige meting en daar-
naast bijna 6000 nieuwe scholen (zie par. 1.5).
2.1.3 Fase 2: Verzameling van leerlinggegevens
Zodra een school had aangegeven bereid te zijn om aan het onderzoek deel te nemen,
werd bij die school opgevraagd welke leerlingen in het onderzoeksjaar in groep 2, 5
en 8 zaten. Per parallelgroep werden behalve de namen van die leerlingen ook enkele
achtergrondkenmerken opgevraagd (zie hoofdstuk 4). Deze gegevens konden geau-
tomatiseerd worden aangeleverd, mits de scholen gebruik maakten van het admini-
stratiepakket ESIS-A of ParnasSys. Aan de hand van een bijgevoegde instructie kon-
den de scholen met een paar eenvoudige handelingen de gevraagde gegevens vanuit
hun administratieprogramma naar een bestand exporteren, en dit bestand vervolgens
naar de COOL-onderzoekers opsturen. Scholen die geen gebruik maakten van ESIS-
A of ParnasSys konden de namen en enkele achtergrondgegevens van leerlingen via
een beveiligd internetadres aanleveren.
Bij de verwerking van de gegevens van de bekende scholen, werd de nieuwe informa-
tie vergeleken met die in de bestanden van COOL2. Zo kon worden nagegaan welke
leerlingen ook drie jaar eerder aan het onderzoek hadden deelgenomen en welke
leerlingen nieuw waren.
Bij de verwerking van de opbrengst van fase 2 werd aan elke leerling die volgens de
opgave van de scholen in groep 2, 5 of 8 zat, een uniek respondentnummer toege-
kend. In dit nummer was ook het schoolnummer en de jaargroep verwerkt. De namen
en respondentnummers werden vervolgens voorgedrukt op de instrumenten en ant-
woordbladen die voor deze leerlingen in fase 3 en 4 werden ingezet. De school- en
respondentnummers vormen de basis van de opgebouwde school- en leerlingbestan-
den, waarin alle in 2013/14 verzamelde gegevens zijn opgenomen.
13
2.1.4 Fase 3: Toetsafnames en gelijktijdige overige dataverzameling
Alle toetsen in het COOL-onderzoek zijn afkomstig uit het Cito-Leerlingvolgsysteem
(zie ook hoofdstuk 5), met uitzondering van de NSCCT, de Niet-Schoolse Cognitieve
Capaciteiten Test. Aangezien het merendeel van de scholen de Citotoetsen zelf al
afneemt en de toetsscores van hun leerlingen in een computerprogramma invoert,
hebben we voor het onderzoek zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de toetsgege-
vens die al op de school aanwezig waren.
De scholen c.q. groepsleerkrachten hebben een uitvoerige handleiding ontvangen,
waarin de procedures voor afname, nakijken en invoeren van de scores duidelijk en
uitgebreid werden uitgelegd. Samengevat zag de procedure er als volgt uit: de betrok-
ken scholen namen alle Cito-LVS-toetsen die in het COOL-onderzoek worden ge-
bruikt op een zelfgekozen tijdstip in de periode januari-maart af, en maakten daarbij
gebruik van eigen toetsmateriaal. Was dat materiaal voor een of enkele toetsen niet op
de school aanwezig, dan werd het door de onderzoekers (in bruikleen) aangeleverd.
Na de toetsafnames werden de toetsen door de school zelf nagekeken.
Scholen die gebruik maakten van het computerprogramma Cito-LOVS, ESIS-B of
ParnasSys kregen een instructie om de scores op een eenvoudige manier naar een
bestand te exporteren; dat bestand werd vervolgens via e-mail naar de onderzoekers
gestuurd. Scholen die de toetsscores niet of in een ander computerprogramma invoer-
den, kregen de mogelijkheid om de scores via internet in te voeren.
Voor de coördinatie van het onderzoek zijn regiocoördinatoren ingesteld. Die hadden
binnen een bepaalde regio een aantal scholen onder hun hoede. Zij waren verant-
woordelijk voor het controleren, aanleveren en ophalen van het materiaal, en fun-
geerden als vraagbaak voor de scholen. Deze coördinatoren zijn voor het verrichten
van hun werkzaamheden uitgebreid mondeling en schriftelijk geïnstrueerd.
Voorafgaande aan de toetsperiode zijn op alle scholen in een voorbereidend gesprek
tussen regiocoördinator en team de procedures doorgenomen en afspraken over de
planning gemaakt. Tevens nam de coördinator bij dit eerste bezoek het materiaal mee
voor de afname van de andere instrumenten dan de Citotoetsen: de NSCCT, de ou-
dervragenlijsten, de leerlingprofielen en leerlingvragenlijsten. Ingevulde instrumenten
werden aan het einde van de toetsperiode door de regiocoördinator weer meegeno-
men. Vragenlijsten die nog niet waren ingevuld, konden de scholen per post later
alsnog retourneren.
Bij de oudervragenlijsten waren aparte toelichtingen in het Nederlands, Turks, Ara-
bisch en Engels bijgevoegd. Hierin werd onder meer het doel van het onderzoek
uitgelegd en werd er tevens op gewezen dat, wanneer de ouders bezwaar hadden
tegen deelname van hun kind aan het onderzoek zij dit aan de school konden melden,
waarna de betreffende gegevens niet zouden worden meegenomen in het onderzoek.
14
Deze vragenlijsten gingen ook vergezeld van een instructie voor het invullen. De
vragenlijsten zijn via de groepsleerkrachten onder de leerlingen verspreid. Nadat de
ouders de vragenlijst hadden ingevuld, konden ze die in een gesloten enveloppe weer
via hun kind bij de school inleveren.
In februari kregen de leerkrachten van de groepen 2, 5 en 8 een brief met het verzoek
om, via een speciale code, in te loggen op een COOL-webpagina. Daarin stonden de
namen van de leerlingen uit hun klas. Van elke leerling kon worden aangegeven of de
betreffende leerling een ‘zorgleerling’ was, en over die leerlingen werden enkele
vragen gesteld met betrekking tot hun zorgproblematiek (het ‘zorgprofiel’).
2.1.5 Fase 4: Uitstroomformulieren en schoolinformatielijst
De laatste fase in de dataverzameling bestond uit twee schriftelijke onderdelen, name-
lijk de uitstroomformulieren en een schoolinformatielijst. Op de optisch inleesbare
uitstroomformulieren konden de leerkrachten van groep 8 of de directeur over elke
leerling van groep 8 het schooladvies voor voortgezet onderwijs, de Cito-
Eindtoetsscore en de vermoedelijke VO-school aangeven. Met de schoolinformatie-
lijst werden enkele gegevens over de school opgevraagd, zoals het onderwijskundig
concept en Voor- en Vroegschoolse Educatie. De uitstroomformulieren en schoolin-
formatielijst zijn in mei 2014 per post aan de COOL-scholen toegestuurd; ook de
retournering door de scholen verliep per post.
2.2 Overzicht van de verzamelde data
In de verschillende fasen van dataverzameling werd via diverse instrumenten en
bronnen en op verschillende niveaus informatie verzameld. Zonder in details te tre-
den, laten we in Tabel 2.1 de herkomst en het niveau van de verzamelde informatie
zien.
15
Tabel 2.1 – Verzamelde gegevens naar fase, instrument, bron en niveau
Fase/instrument
Informatie verstrekt
door/ verzameld bij
Informatieniveau
school
groep
leerling
Fase 1
wervingsvragenlijst
directie
deelnamebereid-
heid, school-
kenmerken
Fase 2
ESIS/ParnasSys -
export-instructie of
excel-bestand
directie, administratie of
leerkrachten groep 2, 5, 8
aantal groepen
2, 5, 8
groepsnamen,
locaties groep
2, 5, 8
groep, naam,
achtergrond-
kenmerken
Fase 3
Citotoets Taal voor
Kleuters
leerlingen groep 2
toetsscores
Citotoets Rekenen
voor Kleuters
leerlingen groep 2
toetsscores
Citotoets Woorden-
schat
leerlingen groep 5, 8
toetsscores
Citotoets Begrijpend
lezen
leerlingen groep 5, 8
toetsscores
Citotoets Technisch
lezen (Drie-Minuten-
Toets)
leerlingen groep 5, 8
toetsscores
Citotoets Rekenen/
Wiskunde
leerlingen groep 5, 8
toetsscores
NSCCT (Niet-
Schoolse Cognitieve
Capaciteiten Test)
leerlingen groep 5
testscores
leerlingprofiel
leerkrachten groep 2, 5, 8
beoordeling, aan-
pak, bijzonderheden
leerlingvragenlijst
leerlingen groep 5, 8
motivatie, school-
welbevinden
vragenlijst burger-
schapscompetentie
leerlingen groep 8
burgerschaps-
competenties
zorgprofiel
leerkrachten groep 2, 5, 8
informatie over
zorgleerlingen en
zorgproblematiek
oudervragenlijst
ouders groep 2 en
nieuwe leerlingen 5, 8
kenmerken ouders,
gezin, opvoeding
Fase 4
uitstroomformulier
directie/ leerkracht
groep 8
uitstroomgegevens
overgang VO
schoolinformatielijst
directie
schoolkenmer-
ken (bv. onder-
wijskundig
concept, VVE)
16
Over elk van deze instrumenten wordt in het vervolg van dit rapport in afzonderlijke
hoofdstukken gerapporteerd.
2.3 Rapportage aan de scholen
Vlak voor de zomervakantie hebben de scholen een schoolrapport ontvangen met de
resultaten van hun leerlingen. In deze rapportage is veel aandacht besteed aan de
prestaties van de leerlingen en de school in relatie tot leerlingen en scholen elders in
het land met een vergelijkbare sociaal-etnische achtergrond. Ook van de leerlingpro-
fielen, leerlingvragenlijsten en zorgprofielen zijn in het ‘landelijk vergelijkend
schoolrapport’ enkele resultaten opgenomen.
Deel II
De schoolgegevens
19
3 De schoolinformatielijst
3.1 Procedure en respons
Aan de directies van de scholen zijn enkele vragen gesteld over het onderwijsconcept,
onderwijskundige ontwikkelingen, de samenstelling van de kleuterbouw en het ge-
bruik van VVE-programma’s. Daarvoor is gebruik gemaakt van een vragenlijstje van
één pagina. Binnen de referentiesteekproef bedroeg de respons hierop 80% en binnen
de totale steekproef 71.2%. Nagegaan is of de respons samenhing met de sociaal-
etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie van de school. Dat is gedaan aan de
hand van de schoolscore, die een indicatie geeft van het aandeel achterstandsleerlin-
gen op een school: hoe hoger de score, hoe meer achterstand (zie hoofdstuk 1). Bin-
nen de referentiesteekproef bedroeg de gemiddelde schoolscore van de responderende
scholen 110.2 en van de niet responderende scholen 107.2 (p=0.09; eta=0.09); binnen
de totale steekproef waren de gemiddelde scores respectievelijk 112.3 en 115.1
(p=0.09; eta=0.08). Er zijn dus wat kleine verschillen tussen beide steekproeven wat
betreft het aandeel achterstandsleerlingen, maar de verschillen zijn niet significant; er
is derhalve geen sprake van selectieve respons.
3.2 De schoolkenmerken
Bij de presentatie van de antwoorden op de vragen hierna houden we de volgorde van
de vragenlijst aan. Steeds wordt de vraag letterlijk weergegeven, waarna in tabelvorm
de verdeling van de antwoorden volgt. Er vindt daarbij steeds een uitsplitsing plaats
naar referentiesteekproef en totale steekproef.
20
Tabel 3.1 – V1. Heeft uw school een bepaald onderwijsconcept, zo ja welk? (in %)
Toelichting: Als u van een bepaald onderwijsconcept wel elementen toepast maar het
concept is niet of nog niet in zijn geheel op de school van toepassing, vult u dan in
‘gedeeltelijk’
referentiesteekproef (n=272)
totale steekproef (n=311)
geheel
gedeeltelijk
geheel
gedeeltelijk
Montessori
1.8
--
1.9
--
Jenaplan
2.2
1.1
2.6
1.6
Dalton
4.4
7.7
4.5
7.4
Vrije school
--
--
--
0.3
Freinet
--
--
--
--
Ontwikkelingsgericht onderwijs
4.0
18.8
3.9
19.0
Ervaringsgericht onderwijs
--
5.1
0.3
6.1
Natuurlijk leren, authentiek leren, e.d.
1.1
2.9
1.0
2.9
Samenwerkend leren, zelfsturend leren, e.d.
2.9
18.8
2.6
18.3
anders
12.1
5.5
11.9
4.8
Tabel 3.2 – V2. Is uw school bezig met een van de volgende ontwikkelingen? (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
nee
ja
i.v.*
n
nee
ja
i.v.*
n
- Voorschool of andere vorm van
samenwerking met voorschoolse
voorzieningen
29.9
57.0
13.1
221
27.5
59.7
12.8
258
- Integraal kindcentrum
76.5
9.2
14.3
196
74.1
12.3
13.6
228
- Brede School
54.6
36.7
8.7
207
51.5
40.2
8.3
241
- Onderwijstijdverlenging
86.4
12.0
1.6
191
86.0
12.2
1.8
221
- Schakelklas(sen)
85.1
14.4
.5
194
80.1
18.6
1.3
226
- Met Woorden in de Weer
77.3
17.0
5.7
194
72.2
22.5
5.3
227
- Taalverbetertraject
60.3
30.7
9.0
199
58.3
32.2
9.6
230
- Rekenverbetertraject
73.7
21.6
4.7
190
73.8
20.8
5.4
221
- Project Op Maat (TOM)
95.6
3.8
0.5
183
95.3
4.3
.5
211
- Omgaan met verschillen
39.0
54.8
6.2
210
37.3
55.7
7.0
244
- Activiteiten gericht op
hoogbegaafde leerlingen
16.0
61.8
22.3
238
17.4
60.4
22.2
270
- Opbrengstgericht werken
5.4
89.9
4.7
258
6.1
89.8
4.1
295
- Wetenschap en Techniek
47.8
38.9
13.3
203
47.2
39.6
13.2
235
- Andere schooltijden
62.2
20.6
17.2
209
63.0
20.2
16.8
238
* i.v.=in voorbereiding
21
Tabel 3.3 V3. Wordt in de kleutergroepen een van de volgende programma’s ge-
bruikt? (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
nee
ja
n
nee
ja
n
Piramide
79.3
20.7
184
74.3
25.7
214
Kaleidoscoop
98.1
1.9
162
97.3
2.7
184
Basisontwikkeling
83.3
16.7
174
84.3
15.7
197
Ko Totaal
86.0
14.0
172
84.8
15.2
197
BAS-project
80.9
19.1
178
81.9
18.1
199
een ander programma
40.8
59.2
147
40.1
59.9
167
Tabel 3.4 – V4. Hoe zijn op uw school de kleutergroepen samengesteld? (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
wij hebben aparte groepen 1 en 2
13.7
13.3
groep 1 en 2 zijn bij ons gecombineerd
73.3
74.4
anders
13.0
12.3
n
270
309
Deel III
De leerlinggegevens
25
4 Achtergronden van de leerlingen
Dit hoofdstuk beschrijft een aantal achtergrondkenmerken van de leerlingen en hun
ouders. Het gaat om gegevens die in het begin van het schooljaar 2013/14 zijn ver-
strekt door de scholen (doorgaans afkomstig uit de administraties). In totaal zijn van
28529 leerlingen deze kenmerken bekend. In Tabel 4.1 wordt een overzicht van de
kenmerken gepresenteerd; daarbij maken we net zoals in de rest van dit hoofdstuk
een uitsplitsing naar steekproef en groep.
Uit de tabel valt (in de regels met ‘n’) op te maken dat de aantallen leerlingen per
kenmerk variëren. Een eerste reden daarvoor is dat de scholen niet alle informatie
even consequent hebben aangeleverd. Waarschijnlijk ontbreekt een deel van de in-
formatie in de schooladministraties. Een tweede reden heeft te maken met de gezins-
samenstelling. Een kleine 10% van de gezinnen betreft eenoudergezinnen. Doorgaans
gaat het daarbij om gezinnen met alleen een moeder. Dit heeft consequenties voor de
respons op vragen die in het onderzoek apart zijn gesteld over de vader en moeder.
Bij die vragen ligt het aantal ‘missings’ bij de vaders per definitie veel hoger.
Het verschil in samenstelling van de referentie- en totale steekproef komt vooral tot
uitdrukking bij het kenmerk OAB-gewicht. Dit gewicht geeft een indicatie van (mo-
gelijke) onderwijsachterstanden die gerelateerd zijn aan het thuismilieu van de leer-
lingen. Scholen ontvangen in het kader van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB)
op basis van het aantal achterstandsleerlingen extra financiële middelen van het mi-
nisterie van OCW om deze achterstanden te bestrijden. Of een kind een achterstands-
kind is, wordt momenteel bepaald op grond van het opleidingsniveau van de ouders.
Er worden drie gewichtscategorieën onderscheiden:
0.0 geen achterstand;
0.3 kinderen van wie beide ouders maximaal LBO/VBO/VMBO hebben gehad;
1.2 kinderen van wie één van de ouders maximaal basisonderwijs heeft gehad en de
ander maximaal LBO/VBO/VMBO.
26
Tabel 4.1 – Achtergrondkenmerken van de leerlingen
referentiesteekproef
totale steekproef
grp. 2
grp.5
grp. 8
totaal
grp. 2
grp. 5
grp. 8
totaal
Maximaal aantal leerlingen
7279
7450
7906
22635
8995
9476
10058
28529
Leeftijd per 01-01-14 (gem.)
5.7
8.8
11.8
8.9
5.7
8.8
11.8
8.9
n
7116
7366
7839
22321
8785
9370
9970
28125
Sekse (%)
jongen
51.8
50.7
48.8
50.4
52.0
50.3
49.2
50.5
meisje
48.2
49.3
51.2
49.6
48.0
49.7
50.8
49.5
n
7121
7131
7585
21837
8764
9086
9651
27501
Verblijfsduur in Nederland (%)
< 1 jaar
0.1
0.1
0.4
0.2
0.1
0.1
0.3
0.2
1-3 jaar
0.8
0.5
0.2
0.5
0.8
0.6
0.3
0.5
4-5 jaar
0.5
0.6
0.2
0.4
0.5
0.9
0.3
0.6
> 5 jaar
2.7
3.1
2.7
2.8
2.4
3.0
2.8
2.7
altijd
95.9
95.7
96.4
96.0
96.2
95.4
96.3
95.9
n
5009
5895
6431
17335
5749
7316
8035
21100
Gezinssamenstelling (%)
volledig
93.3
91.9
92.3
92.5
92.4
90.6
90.7
91.2
alleen moeder
5.4
6.1
5.9
5.8
6.3
7.4
7.5
7.1
alleen vader
1.0
1.3
1.0
1.1
1.1
1.4
1.1
1.2
anders
0.2
0.6
0.8
0.6
0.2
0.6
0.7
0.5
n
7072
7329
7852
22253
8677
9272
9957
27906
OAB-gewicht (%)
0.0
86.4
85.9
85.4
85.9
83.8
82.2
80.6
82.1
0.3
7.5
7.6
8.3
7.8
7.8
8.6
9.7
8.8
1.2
6.1
6.5
6.3
6.3
8.4
9.2
9.7
9.1
n
7008
7275
7778
22061
8646
9238
9883
27767
In Tabel 4.2 volgen gegevens over het geboorteland van de ouders van de leerlingen.
27
Tabel 4.2 – Geboorteland van de ouders van de leerlingen (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
grp. 2
grp.5
grp. 8
totaal
grp. 2
grp. 5
grp. 8
totaal
Geboorteland vader
Nederland
81.8
82.1
83.2
82.4
75.8
76.3
77.3
76.5
Suriname
1.3
1.6
2.2
1.8
1.5
2.0
2.5
2.0
Antillen/Aruba
1.1
0.5
0.7
0.7
1.2
0.7
0.8
0.9
Molukken
0.0
0.0
0.1
0.0
0.0
0.0
0.1
0.0
Turkije
3.6
3.8
3.7
3.7
5.1
5.4
6.0
5.5
Marokko
5.1
5.2
4.4
4.9
6.9
7.2
6.3
6.8
voormalig Joegoslavië
0.4
0.3
0.5
0.4
0.7
0.4
0.6
0.6
voormalige Sovjet-Unie
0.0
0.0
0.0
0.0
0.1
0.0
0.1
0.1
Polen
0.5
0.3
0.2
0.3
0.5
0.3
0.2
0.3
China
0.2
0.2
0.2
0.2
0.2
0.2
0.2
0.2
overig oost-Europa
0.3
0.2
0.1
0.2
0.3
0.2
0.2
0.2
Irak
0.3
0.4
0.2
0.3
0.4
0.4
0.3
0.4
Afghanistan
0.2
0.2
0.1
0.2
0.2
0.3
0.1
0.2
Somalië
0.4
0.5
0.4
0.4
0.5
0.6
0.5
0.5
ander westers land
1.1
1.1
0.9
1.0
1.3
1.1
0.9
1.1
ander niet-westers land
3.7
3.6
3.0
3.4
5.2
4.7
3.9
4.6
n
6698
6970
7513
21181
8160
8713
9408
26281
Geboorteland moeder
Nederland
80.3
81.0
82.4
81.3
75.2
74.8
76.3
75.5
Suriname
1.4
1.8
2.3
1.9
1.8
2.4
2.8
2.4
Antillen/Aruba
1.2
0.6
0.6
0.8
1.3
0.8
0.9
1.0
Molukken
0.0
0.0
0.1
0.0
0.0
0.0
0.1
0.0
Turkije
3.4
3.4
3.4
3.4
4.6
5.1
5.5
5.1
Marokko
4.5
4.9
4.3
4.6
6.0
6.8
6.1
6.3
voormalig Joegoslavië
0.4
0.3
0.5
0.4
0.6
0.4
0.6
0.5
voormalige Sovjet-Unie
0.2
0.2
0.2
0.2
0.3
0.2
0.2
0.2
Polen
0.7
0.5
0.4
0.5
0.8
0.6
0.4
0.6
China
0.3
0.3
0.2
0.3
0.3
0.3
0.2
0.3
overig oost-Europa
0.5
0.4
0.2
0.3
0.5
0.5
0.3
0.4
Irak
0.3
0.3
0.2
0.3
0.3
0.3
0.3
0.3
Afghanistan
0.2
0.2
0.2
0.2
0.3
0.3
0.2
0.3
Somalië
0.5
0.6
0.4
0.5
0.7
0.8
0.5
0.7
ander westers land
1.5
1.4
1.2
1.3
1.5
1.4
1.1
1.3
ander niet-westers land
4.7
4.1
3.5
4.1
5.9
5.2
4.5
5.2
n
6954
7179
7685
21818
8529
9035
9707
27271
De totale steekproef onderscheidt zich sterk van de referentiesteekproef wat betreft
het grotere aandeel allochtone ouders – hetgeen ook werd nagestreefd.
28
In Tabel 4.3 wordt een overzicht gegeven van de ouderlijke opleidingsniveaus. Het
betreft hier een inschatting door de school, vaak afkomstig uit de administratie, waar-
bij gekozen kon worden uit vier categorieën: maximaal LO/BaO, maximaal
LBO/VBO, maximaal MBO (incl. MAVO, HAVO, VWO) of HBO/WO.
Tabel 4.3 – Opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
grp. 2
grp.5
grp. 8
totaal
grp. 2
grp. 5
grp. 8
totaal
Opleiding vader
max. LO/BaO
5.8
6.3
5.9
6.0
7.6
8.7
8.6
8.3
max. LBO/VBO
18.5
20.9
22.4
20.7
19.2
21.7
23.8
21.7
max. MBO
44.3
42.2
41.4
42.6
44.0
41.4
40.2
41.8
HBO/WO
31.4
30.5
30.2
30.7
29.2
28.2
27.4
28.2
n
6491
6799
7368
20658
7847
8446
9162
25455
Opleiding moeder
max. LO/BaO
6.5
6.8
6.7
6.7
8.9
9.9
10.4
9.7
max. LBO/VBO
12.7
14.4
16.2
14.5
13.5
15.2
17.2
15.4
max. MBO
49.1
50.0
50.5
49.9
48.4
48.3
48.5
48.4
HBO/WO
31.7
28.8
26.6
28.9
29.3
26.6
23.9
26.5
n
6842
7074
7649
21565
8346
8861
9586
26793
In het COOL-onderzoek wordt naast de wegingsfactor (het OAB-gewicht; zie Tabel
4.1) nog een andere gedetailleerdere maat voor de sociaal-etnische achtergrond ge-
hanteerd. Die maat is geconstrueerd op basis van de gegevens uit de vorige drie tabel-
len, te weten het geboorteland en het opleidingsniveau van de ouders en de gezinssa-
menstelling. De resulterende variabele ‘sociaal-etnische achtergrond’ kan de volgen-
de waarden aannemen:
1. kinderen van niet-westerse allochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding
op LBO-niveau hebben gevolgd;
2. kinderen van autochtone ouders die beiden ten hoogste een opleiding op LBO-
niveau hebben gevolgd;
3. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder
een opleiding op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan
HBO/WO);
4. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding
op MBO-niveau heeft gevolgd (meer dan LBO, maar minder dan HBO/WO);
5. kinderen van niet-westerse allochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder
een opleiding op HBO/WO-niveau heeft gevolgd;
29
6. kinderen van autochtone ouders van wie de hoogst opgeleide ouder een opleiding
op HBO/WO-niveau heeft gevolgd.
In deze indeling worden onder allochtone ouders ouders verstaan die niet in Neder-
land zijn geboren. Allochtone ouders met een westerse achtergrond zijn tot de catego-
rie autochtone ouders gerekend; gelet op de verdeling van de prestaties van hun kin-
deren is dat het meest logisch. In het geval van een eenoudergezin, heeft de indeling
plaatsgevonden op basis van de gegevens van die ene ouder. Als er sprake is van één
ouder van Nederlandse en één ouder van buitenlandse herkomst, vormt het herkomst-
land van de moeder het uitgangspunt. Deze variabele zal hierna in deze rapportage
steeds worden gebruikt om eventuele verschillen tussen leerlingen wat betreft hun
prestaties, gedrag en houding te duiden. In Tabel 4.4 staat de verdeling van dit ken-
merk.
Tabel 4.4 – Sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
grp. 2
grp.5
grp. 8
totaal
grp. 2
grp. 5
grp. 8
totaal
max. LBO allochtoon
5.8
6.9
6.3
6.3
8.0
9.8
9.9
9.3
max. LBO autochtoon
8.5
8.4
9.0
8.6
8.9
8.9
10.0
9.3
max. MBO allochtoon
6.5
5.7
5.8
6.0
8.3
7.8
7.8
7.9
max. MBO autochtoon
37.6
39.6
40.3
39.2
36.1
36.8
37.6
36.9
HBO/WO allochtoon
4.2
3.8
3.0
3.7
5.0
4.8
3.6
4.4
HBO/WO autochtoon
37.4
35.7
35.5
36.2
33.7
31.9
31.2
32.2
n
6959
7204
7747
21910
8503
9019
9720
27242
31
5 De taal-, lees- en rekentoetsen
5.1 De taal-, lees- en rekentoetsen
In Tabel 5.1 geven we allereerst per jaargroep een overzicht van de toetsen die zijn
afgenomen. Daarna lichten we elk van de toetsen kort toe. Alle toetsen zijn onderdeel
van het leerlingvolgsysteem van het Cito; het gaat steeds om LOVS-versie. Bij deze
COOL-meting is steeds de M-versie (midden schooljaar) afgenomen. Voor uitgebrei-
dere informatie over de toetsen verwijzen we naar www.cito.nl.
Tabel 5.1 – Overzicht afgenomen toetsen (tussen [..] aantallen items)
Groep
Taal
Lezen
Rekenen
2
Taal voor Kleuters
(oudste kleuters)
LOVS [60]
Rekenen voor Kleuters
(oudste kleu
ters) [48]
5
Woordenschat [70]
Drie Minuten Toets [120]
Begrijpend lezen [50]
Rekenen/Wiskunde [56]
8
Woordenschat [70]
Drie Minuten Toets [120]
Begrijpend lezen [55]
Rekenen/Wiskunde [96]
5.1.1 Groep 2
Taal voor Kleuters
In de toets Taal voor Kleuters (versie oudste kleuters) zijn aspecten van de taalontwik-
keling (conceptueel bewustzijn) en de ontluikende geletterdheid (metalinguïstisch be-
wustzijn) opgenomen.
Conceptueel bewustzijn: hieronder vallen passieve woordenschat en kritisch luiste-
ren. Dit is het herkennen van begrippen en het begrijpen van korte teksten.
Metalinguïstisch bewustzijn: hieronder vallen schriftoriëntatie, klank en rijm, laat-
ste en eerste woord horen en auditieve synthese. Metalinguïstisch bewustzijn is de
vaardigheid om af te zien van de betekenis en te letten op de vorm, bijvoorbeeld de
gerichtheid van kinderen op geschreven taal en de gerichtheid op klanken.
32
Rekenen voor Kleuters
In de toetsen voor groep 2 zijn opdrachten opgenomen over getalbegrip (omgaan met
de telrij, omgaan met hoeveelheden, omgaan met getallen), meten (lengte, omtrek,
oppervlakte, inhoud, gewicht en tijd) en meetkunde (oriënteren en lokaliseren, con-
strueren, opereren met vormen en figuren). De toets bestaat uit twee delen van 24
opgaven. De afname van elk deel duurt ongeveer 20 tot 30 minuten.
5.1.2 Groep 5
Woordenschat
De toets Woordenschat LOVS meet de ontwikkeling van de woordenschat van kinde-
ren in geschreven taal. Bij elke opgave moeten leerlingen een zin lezen waarin steeds
een woord of een uitdrukking vetgedrukt is. Onder de zin staan vier antwoorden. De
leerlingen moeten bepalen welke van de vier antwoorden het beste de betekenis
weergeeft van het vetgedrukte zinsdeel.
Drie Minuten Toets
Met de Drie Minuten Toets, kortweg ook wel DMT genoemd, wordt vastgesteld hoe
goed een leerling losse woorden van uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklan-
ken, oftewel hoe goed een leerling is in technisch lezen. Hoewel veruit de meeste
leerlingen in groep 5 geen problemen meer hebben met het correct lezen van woor-
den, blijft het technisch lezen een belangrijk aandachtspunt.
De DMT is een leessnelheidstoets en telt drie verschillende kaarten. In één minuut
moeten leerlingen zoveel mogelijk woorden van een kaart hardop lezen.
Op leeskaart 1 staan woorden van het type ‘km’ (uil), ‘mk’ (koe) en ‘mkm’ (pen).
Op leeskaart 2 staan woorden van het type ‘mmkm’ (spin), ‘mkmm’ (bank),
‘mmkmm’ (krant), ‘mmmkm’ (schroef) en ‘mkmmm(m)’ (herfst).
Op leeskaart 3 ten slotte, staan woorden met twee, drie en vier lettergrepen, zoals
‘geluid’, ‘koningin’, ‘papegaaien’.
Het is niet noodzakelijk om bij alle leerlingen van groep 5 alle drie de leeskaarten af
te nemen. Uit onderzoek is namelijk bekend dat leerlingen die correct en vlot meerlet-
tergrepige woorden kunnen lezen ook kortere woorden goed kunnen lezen. Daarom
wordt eerst bij alle leerlingen leeskaart 3 afgenomen. Leerlingen die daarop meer dan
een bepaalde score behalen, hoeven kaart 2 en 1 niet meer te lezen. Dit geldt landelijk
gezien voor 50 tot 75% van de leerlingen. Zij zijn na leeskaart 3 dus klaar met de
afname.
De verschillende leeskaarten kunnen met elkaar vergeleken worden. De vaardigheids-
score behorend bij een score op kaart 3 is te vergelijken met de vaardigheidsscore
behaald bij een totaalscore op kaarten 1, 2 en 3.
Wat betreft het afnametijdstip geldt hetzelfde als voor groep 2.
33
Begrijpend lezen
De toets Begrijpend lezen bestaat uit een aantal teksten met meerkeuze-opgaven en is
bedoeld om het niveau vast te stellen van de vaardigheid om teksten te begrijpen.
De toets bestaat uit drie modules die verschillen in moeilijkheid. Module 1 past bij de
gemiddelde vaardigheid van leerlingen in groep 5. Module 2 is gemakkelijker en
module 3 is moeilijker. Alle leerlingen maken de eerste module. Afhankelijk van hun
score op de eerste module, maken de minder goede lezers daarna de tweede module
en de betere lezers de derde module. Elke leerling maakt dus twee van de drie modu-
les, dus deel 1 en 2 of deel 1 en 3. Alle leerlingen maken module Start, gevolgd door
Vervolg 1 voor de minder goede lezers en Vervolg 2 voor de betere lezers.
Rekenen/Wiskunde
De toets Rekenen/Wiskunde bevat de volgende leerstofonderdelen:
1. Getallen en getalrelaties: structuur van de telrij en van getallen, en relaties tussen
getallen.
2. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken.
3. Hoofdrekenen: vermenigvuldigen en delen.
4. Complexere toepassingen: opgaven waarbij leerlingen meerdere bewerkingen
moeten uitvoeren, bijvoorbeeld zowel optellen als aftrekken.
5. Meten en meetkunde: begrippen die in meetsituaties gebruikt worden.
6. Tijd: basiskennis en begrip van klok en kalender.
7. Geld: rekenen met munten en bankbiljetten.
5.1.3 Groep 8
Woordenschat
Voor een beschrijving, zie groep 5.
Drie Minuten Toets
Met de Drie Minuten Toets wordt vastgesteld hoe goed een leerling losse woorden
van uiteenlopende moeilijkheidsgraad kan verklanken, oftewel hoe goed een leerling
is in technisch lezen. Bij kinderen in groep 8 komt het verklanken van woorden over
het algemeen snel tot stand, zodat zij hun aandacht volledig kunnen richten op het
begrijpen van teksten. Toch zijn er in deze fase nog steeds leerlingen bij wie het tech-
nisch lezen niet geautomatiseerd verloopt. Voor een verdere beschrijving, zie groep 5.
Begrijpend lezen
Voor een beschrijving, zie groep 5.
34
Rekenen/Wiskunde
De toets Rekenen/Wiskunde bevat de volgende leerstofonderdelen:
1. Getallen: structuur van de telrij en structuur van getallen.
2. Automatisering van elementaire optel-, aftrek-, vermenigvuldig- en deeloperaties.
3. Hoofdrekenen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met getallen sec
en in toepassingssituaties.
4. Bewerkingen op papier, waarbij kinderen uitrekenpapier mogen gebruiken om
een cijferalgoritme toe te passen of bijvoorbeeld tussenuitkomsten te noteren.
5. Breuken: basiskennis en toepassingen.
6. Verhoudingen: basiskennis en toepassingen.
7. Procenten: basiskennis en toepassingen.
8. Meten: lengte/omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht.
9. Meetkunde: diverse aspecten uit de meetkundige oriëntatie.
10. Tijd: klok en kalender.
11. Schattend rekenen.
De onderdelen samen vormen de schaal Rekenen algemeen.
5.1.4 Afname en scoring
Het Cito schrijft voor alle toetsen een bepaalde periode voor waarin ze moeten wor-
den afgenomen (de toetskalender). De scholen konden de in COOL gebruikte toetsen
gewoon volgens deze toetskalender inplannen.
De scores op de toetsen zijn uitgedrukt in zogenoemde vaardigheidsscores. Vaardig-
heidsscores hebben als voordeel dat ze over jaargroepen heen op één continue schaal
liggen en met elkaar kunnen worden vergeleken. Binnen COOL geldt dit in principe
voor de toetsen die in groep 5 en groep 8 zijn afgenomen (dus niet voor de twee toet-
sen voor groep 2).
5.2 Respons
In totaal bevat het COOL-bestand gegevens van 28529 leerlingen (zie Tabel 4.1). Het
betreft de leerlingen waarvan de scholen bij aanvang van het schooljaar hebben aan-
gegeven dat zij op dat moment in de betreffende klassen zaten. Van al deze leerlingen
zijn in principe ook de achtergrondgegevens bekend die door de scholen zijn
verstrekt en zijn opgeslagen in het administratiebestand (‘het totaalbestand’). Ten
opzichte van deze groep hebben 27147 (95.2%) leerlingen ook een of meer toetsen
gemaakt; van 4.8% van de leerlingen zijn dus geen toetsgegevens beschikbaar. Deze
35
non-respons kan bijvoorbeeld te maken hebben met absentie door ziekte of door
verhuizing tussen het moment van de verzameling van de administratieve gegevens
en de afname van de toetsen. De respons verschilt per groep. In de referentiesteek-
proef bedraagt de respons voor de drie groepen achtereenvolgens 96.9, 98.7 en
96.6%; in de totale steekproef gaat het om 94.7, 96.3 en 94.5%.
Om na te gaan of er sprake is van selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelin-
gen van de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand
afgezet tegen de verdeling in het toetsbestand. Daarvoor hebben we gebruik gemaakt
van de COOL-SES variabele (zie Tabel 4.4). In Tabel 5.2 geven we voor de drie
jaargroepen samen de verdelingen weer, uitgesplitst naar referentiesteekproef. In de
tabel beperken we ons overigens tot de leerlingen waarvan de sociaal-etnische achter-
grond bekend is.3
Tabel 5.2 – Respons op de toetsen: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnen het
totaalbestand en binnen het toetsbestand (groepen 2, 5 en 8 samen; in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
totaal
toets
totaal
toets
LBO all.
6.3
6.4
9.3
9.1
LBO aut.
8.6
8.6
9.3
9.2
MBO all.
6.0
6.0
7.9
7.9
MBO aut.
39.2
39.2
36.9
37.0
HBO/WO all.
3.7
3.6
4.4
4.4
HBO/WO aut.
36.2
36.2
32.2
32.4
n
21910
21461
27242
26079
De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-
taalbestand en het toetsbestand zijn verwaarloosbaar, maximaal 0.2%-punten.
5.3 De taal-, lees- en rekenvaardigheid
In Tabel 5.3 5.6 worden de verdelingen van de toetsscores gepresenteerd: het ge-
middelde, de standaarddeviatie en het aantal leerlingen (gem., sd, n) waarop deze
3 Dat geldt ook voor alle hierna volgende tabellen waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar soci-
aal-etnische achtergrond.
36
betrekking hebben. Dat gebeurt steeds uitgesplitst naar steekproef en groep en verder
nog naar sociaal-etnische achtergrond.
Tabel 5.3 – Toetsscores taal, lezen en rekenen
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Groep 2
Taal voor Kleuters
65.9
11.2
6971
65.1
11.3
8374
Rekenen voor Kleuters
83.8
12.3
6960
83.1
12.3
8388
Groep 5
Woordenschat
63.5
15.0
6954
62.4
15.1
8581
Drie Minuten Toets
72.8
17.2
7115
72.9
17.0
8824
Begrijpend lezen
24.9
14.1
7208
24.3
14.0
8949
Rekenen/Wiskunde
71.9
15.5
7286
71.2
15.5
9009
Groep 8
Woordenschat
96.6
14.2
6362
95.4
14.2
8024
Drie Minuten Toets
101.3
14.5
6836
101.3
14.4
8556
Begrijpend lezen
54.9
18.8
7451
53.6
19.0
9272
Rekenen/Wiskunde
110.5
12.8
7407
109.8
13.0
9237
Tabel 5.4 – Toetsscores taal en rekenen groep 2, naar sociaal-etnische achtergrond
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Taal voor Kleuters
LBO all.
57.0
10.3
392
56.7
9.7
630
LBO aut.
63.3
10.3
563
62.8
10.5
691
MBO all.
59.7
9.5
440
59.7
9.7
650
MBO aut.
65.9
10.6
2528
65.6
10.7
2899
HBO/WO all.
62.1
10.7
282
61.2
10.5
394
HBO/WO aut.
69.3
10.8
2526
69.2
10.9
2738
Rekenen voor Kleuters
LBO all.
75.1
11.1
387
74.6
10.9
634
LBO aut.
80.9
11.8
552
80.5
11.9
682
MBO all.
77.7
11.2
435
77.7
11.2
656
MBO aut.
83.6
11.3
2536
83.2
11.4
2907
HBO/WO all.
80.5
12.0
282
80.3
11.5
397
HBO/WO aut.
87.5
12.2
2529
87.4
12.3
2740
37
Tabel 5.5 Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 5, naar sociaal-etnische achter-
grond
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Woordenschat
LBO all.
50.8
13.2
471
50.6
12.6
801
LBO aut.
59.2
14.1
563
58.4
14.2
716
MBO all.
54.7
13.2
397
54.3
13.1
648
MBO aut.
63.8
13.5
2678
63.5
13.7
3038
HBO/WO all.
60.2
15.5
265
58.5
15.2
408
HBO/WO aut.
68.8
14.6
2396
68.6
14.7
2625
Drie Minuten Toets
LBO all.
72.3
17.1
487
72.3
16.4
824
LBO aut.
69.6
17.3
579
70.1
17.2
748
MBO all.
73.8
16.2
399
74.3
15.9
655
MBO aut.
71.9
17.0
2721
72.0
16.9
3114
HBO/WO all.
78.1
16.0
267
77.1
15.9
414
HBO/WO aut.
74.2
17.4
2463
74.1
17.4
2694
Begrijpend lezen
LBO all.
15.6
12.0
481
16.1
11.8
819
LBO aut.
19.6
13.8
583
19.7
14.0
755
MBO all.
18.2
12.7
403
18.7
12.3
663
MBO aut.
24.3
13.3
2777
24.1
13.3
3179
HBO/WO all.
23.6
13.2
269
22.7
13.0
417
HBO/WO aut.
29.8
13.7
2496
29.7
13.8
2739
Rekenen/Wiskunde
LBO all.
62.4
16.2
484
62.8
15.5
820
LBO aut.
66.7
16.3
589
66.6
16.1
760
MBO all.
64.6
15.6
403
65.2
15.3
662
MBO aut.
71.4
14.5
2807
71.1
14.5
3200
HBO/WO all.
72.2
16.6
269
70.7
15.9
417
HBO/WO aut.
76.9
14.2
2533
76.8
14.3
2771
38
Tabel 5.6 Toetsscores taal, lezen en rekenen groep 8, naar sociaal-etnische achter-
grond
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Woordenschat
LBO all.
84.9
12.6
435
84.9
12.3
817
LBO aut.
91.3
13.6
548
90.7
13.4
755
MBO all.
89.5
12.5
393
88.7
11.5
653
MBO aut.
96.1
12.9
2467
95.7
13.0
2844
HBO/WO all.
94.7
13.5
186
93.3
13.2
280
HBO/WO aut.
102.2
13.7
2213
102.1
13.7
2415
Drie Minuten Toets
LBO all.
102.8
14.4
453
102.5
14.0
848
LBO aut.
99.0
14.9
603
99.2
14.6
827
MBO all.
102.8
14.8
398
102.8
13.7
666
MBO aut.
99.8
14.8
2678
99.7
14.8
3080
HBO/WO all.
105.1
12.9
202
104.4
12.8
304
HBO/WO aut.
102.7
13.9
2373
102.4
14.1
2580
Begrijpend lezen
LBO all.
43.3
16.9
472
42.9
16.6
883
LBO aut.
45.2
16.3
654
44.2
16.8
889
MBO all.
48.6
17.8
425
48.0
17.2
701
MBO aut.
53.0
17.4
2951
52.5
17.5
3370
HBO/WO all.
56.1
17.5
219
54.1
17.9
321
HBO/WO aut.
62.4
18.2
2600
62.2
18.5
2827
Rekenen/Wiskunde
LBO all.
104.5
15.0
462
104.9
14.0
877
LBO aut.
104.7
12.1
650
104.1
12.5
884
MBO all.
108.5
13.5
424
108.0
13.2
703
MBO aut.
109.2
12.4
2937
108.8
12.5
3358
HBO/WO all.
111.4
11.7
220
111.3
11.9
322
HBO/WO aut.
114.8
11.6
2584
114.7
11.7
2812
39
6 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test
6.1 De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test
De Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT; Van Batenburg & Van der
Werf, 2004) is bedoeld om leerkrachten op de basisscholen een objectieve second
opinion te geven over de niet-schoolse capaciteiten van hun leerlingen. Leerkrachten
willen weten hoe goed hun leerlingen op en buiten de school om kunnen leren. Met
behulp van de NSCCT kunnen ze leerlingen opsporen die onder hun niveau presteren
en daar iets aan doen. In groep 8 kan de test tevens worden gebruikt bij het schoolad-
vies.
De oorspronkelijke test bevat verbale, numerieke en ruimtelijke items voor kinderen
in groep 4, 6 en 8. Inmiddels is de test beschikbaar voor kinderen in groep 4 t/m 8. De
test bestaat uit vijf onderdelen, namelijk figuur samenstellen, exclusie, getallenreek-
sen, categorieën en analogieën.
De NSCCT is (in 1990) genormeerd en op zijn psychometrische kwaliteiten onder-
zocht. De test is in 2005 door het COTAN op alle criteria ‘voldoende’ tot ‘goed’
beoordeeld, met uitzondering van de normen die als verouderd worden beoordeeld. In
het schooljaar 2013/14 heeft daarom een nieuw onderzoek plaatsgevonden en zijn de
resultaten daarvan opnieuw aangeboden aan het COTAN. Voor meer informatie zie
www.nscct.2ya.com.
Speciaal voor COOL is er bij de start van dit cohortonderzoek op basis van de versies
voor groep 4 en 6 een nieuwe versie ontwikkeld voor groep 5. De eerste drie subtests
tellen elk 15 items, de laatste twee elk 20 items. De totale test telt dus 85 items. Om
een indruk te geven van de inhoud van de test volgt hierna per subtest een voorbeeld
van een opgave.
40
Figuur samenstellen
Bij deze test zie je voor de streep telkens een vierkantje waar een stukje van af is. Het
stuk dat er af is staat tussen de figuren achter de streep.
Exclusie
Hieronder zie je vier figuren. Boven de figuren staan de letters A, B, C en D. Eén
figuur is anders dan de andere. Zoek de letter van de figuur die anders is dan de rest.
Getallenreeksen
In deze taak staan voor de streep rijtjes getallen waarin telkens één getal is weggela-
ten. Achter de streep staan ook getallen. Boven die getallen staan de letters A, B, C en
D. Je moet steeds dat getal kiezen dat weggelaten is in de rij voor de streep.
Categorieën
Voor de streep zie je drie plaatjes, die bij elkaar horen. Achter de streep zie je vier
plaatjes waarvan er precies één hoort bij de drie figuurtjes voor de streep.
41
Analogieën
Hieronder zie je in het vakje voor de streep bovenaan twee dingen die bij elkaar ho-
ren. In het voorbeeld zijn dat een klein poppetje en een groot poppetje. Daaronder zie
je een klein bloemetje en een vraagteken. Op de plaats van het vraagteken moet iets
komen dat op dezelfde manier bij het bloemetje past als het grote poppetje bij het
kleine. Je kunt het vinden bij de vier dingen achter de streep A, B, C en D. Zoek de
letter die past bij het plaatje dat op de plaats van het vraagteken moet komen. Welk
plaatje is dat?
6.2 Respons
Het COOL-bestand bevat voor groep 5 gegevens van 7450 leerlingen in de referen-
tiesteekproef en 9476 in de totale steekproef. In de referentiesteekproef heeft 88.1%
van de leerlingen aan de testafname meegedaan en in de totale steekproef 80.5%. Ten
opzichte van de leerlingen die ook hebben deelgenomen aan de afname van de taal-,
lees- en rekentoetsen bedraagt de respons 88.1%, respectievelijk 80.0%.
Om te controleren op mogelijke selectieve uitval hebben we de feitelijke verdelingen
van de sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het administratiebestand
afgezet tegen de verdeling in het NSCCT-bestand. Daarvoor is gebruik gemaakt van
de COOL-SES variabele. In Tabel 6.1 staan de verdelingen, uitgesplitst naar referen-
tiesteekproef en totale steekproef.
Tabel 6.1 Respons op de NSCCT: verdeling sociaal-etnische achtergrond binnen
het totaalbestand en binnen het NSCCT-bestand (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
totaal
NSCCT
totaal
NSCCT
LBO all.
6.9
7.5
9.6
9.1
LBO aut.
8.3
8.7
8.8
9.0
MBO all.
5.7
5.9
7.7
7.3
MBO aut.
39.5
39.4
37.0
37.7
HBO/WO all.
3.8
3.8
4.8
4.4
HBO/WO aut.
35.8
34.8
32.1
32.6
n
7152
6318
8742
7023
42
De verschillen tussen de verdeling van sociaal-etnische achtergrond binnen het to-
taalbestand en het NSCCT-bestand zijn zeer klein.
6.3 Schaalconstructie
Op basis van de binnen COOL verzamelde gegevens is de betrouwbaarheid (Cron-
bachs alfa) van elk van de vijf subtests bepaald. Die waren (voor de totale steekproef)
achtereenvolgens 0.73, 0.74, 0.76, 0.82 en 0.79. Ook is nog de betrouwbaarheid van
de gehele test bepaald; die bedroeg 0.91. Factoranalyse op de vijf subtests liet één
generale factor zien die 51.9% van de variantie verklaart.
De scores op elk van de subtests en van de test als geheel zijn gesommeerd tot een
totaalscore.
6.4 De NSCCT-scores
In Tabel 6.2 staan eerst de scores op elk van de subtests en op de test als geheel, uit-
gesplitst naar steekproef. In Tabel 6.3 volgt de verdere uitsplitsingen naar sociaal-
etnische achtergrond.
Tabel 6.2 – De NSCCT-scores
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Figuur samenstellen
10.2
2.8
6565
10.1
2.9
7632
Exclusie
11.9
2.7
6565
11.8
2.7
7632
Getallenreeksen
11.0
2.5
6565
10.9
2.5
7632
Categorieën
15.7
3.4
6565
15.6
3.4
7632
Analogieën
13.3
4.0
6565
13.1
4.0
7632
NSCCT totaal
62.1
11.1
6565
61.6
11.2
7632
43
Tabel 6.3 – De NSCCT-scores, naar sociaal-etnische achtergrond
referentiesteekproef
totale steekproef
gem.
sd
n
gem.
sd
n
Figuur samenstellen
LBO all.
8.7
3.1
474
8.8
3.2
681
LBO aut.
9.5
3.0
553
9.5
3.0
662
MBO all.
9.2
3.1
372
9.2
3.0
541
MBO aut.
10.3
2.7
2512
10.2
2.8
2735
HBO/WO all.
10.1
2.9
245
10.0
2.9
319
HBO/WO aut.
10.9
2.5
2206
10.9
2.5
2352
Exclusie
LBO all.
10.6
3.1
474
10.6
3.1
681
LBO aut.
11.2
2.9
553
11.1
2.9
662
MBO all.
11.3
3.0
372
11.2
3.0
541
MBO aut.
11.9
2.6
2512
11.9
2.6
2735
HBO/WO all.
11.7
2.9
245
11.7
2.8
319
HBO/WO aut.
12.5
2.3
2206
12.4
2.3
2352
Getallenreeksen
LBO all.
10.0
2.6
474
10.0
2.7
681
LBO aut.
10.3
2.6
553
10.3
2.6
662
MBO all.
10.3
2.4
372
10.4
2.4
541
MBO aut.
10.9
2.5
2512
10.9
2.5
2735
HBO/WO all.
11.0
2.6
245
10.9
2.6
319
HBO/WO aut.
11.6
2.4
2206
11.6
2.4
2352
Categorieën
LBO all.
14.0
3.8
474
14.0
3.9
681
LBO aut.
14.8
3.7
553
14.9
3.6
662
MBO all.
14.4
3.7
372
14.5
3.5
541
MBO aut.
15.8
3.3
2512
15.7
3.3
2735
HBO/WO all.
15.4
3.4
245
15.1
3.7
319
HBO/WO aut.
16.4
2.9
2206
16.4
2.9
2352
Analogieën
LBO all.
11.5
3.7
474
11.3
3.8
681
LBO aut.
12.1
3.9
553
12.0
3.9
662
MBO all.
11.6
3.8
372
11.7
3.8
541
MBO aut.
13.2
3.9
2512
13.1
3.9
2735
HBO/WO all.
13.1
3.8
245
12.9
3.9
319
HBO/WO aut.
14.4
3.8
2206
14.4
3.8
2352
NSCCT totaal
LBO all.
54.8
11.4
474
54.7
11.7
681
LBO aut.
57.8
11.7
553
57.7
11.5
662
MBO all.
56.8
11.7
372
56.9
11.3
541
MBO aut.
62.1
10.6
2512
61.9
10.7
2735
HBO/WO all.
61.3
10.8
245
60.6
11.0
319
HBO/WO aut.
65.8
9.8
2206
65.7
9.8
2352
45
7 Het leerlingprofiel
7.1 Procedure en respons
Aan de leerkrachten van de groepen 2, 5 en 8 is het zogenaamde leerlingprofiel voor-
gelegd. Hierin konden zij hun mening geven over elke leerling uit hun klas met be-
trekking tot:
de leerlingprestaties;
het gedrag;
de relatie met de leerling;
de achtergrond van de leerling;
zorg en andere onderwijskundige bijzonderheden;
het karakter van de leerling.
Om vergelijkingen met gegevens uit de voorgaande COOL- en PRIMA-metingen
mogelijk te maken, zijn in het leerlingprofiel voor een deel dezelfde vragen opgeno-
men als die in PRIMA en in COOL zijn gesteld. Dit betreft de vragen over leerling-
prestaties en leerlinggedrag en een aantal vragen over de achtergrond van de leerling,
namelijk die over het sociaal milieu van de leerling, en vragen over onderwijskundige
bijzonderheden.
De vragen over de relatie van de leerkracht met de leerling, zorg, enkele vragen over
de achtergrond van de leerling en vragen over het karakter van de leerling zijn in de
metingen van het COOL-onderzoek vergeleken met PRIMA nieuw toegevoegd.
De relatie van de leerkracht met de leerling is gemeten met behulp van een verkorte
versie van de Leerling-Leerkracht Relatie Vragenlijst van Koomen, Verschueren &
Pianta (2007). Deze vragenlijst is een Nederlandstalige versie van de Student-Teacher
Relationship Scale van Pianta (2001).
Wat de achtergrond van de leerling betreft zijn in COOL vragen over echtscheiding
en gezinsproblemen toegevoegd.
De vragen over zorg zijn ontleend aan een leerlingprofiel gericht op zorgleerlingen
dat aan de zesde meting van PRIMA toegevoegd werd in het kader van het bij die
meting behorende centrale onderzoeksthema ’Zorgleerlingen en leerlingenzorg in het
basisonderwijs’ (Smeets e.a., 2007).
De vragen over het karakter van de leerling zijn gebaseerd op de vijf dimensies van
de Five Factor Personality Inventory (Hendriks, 1997).
46
In dit hoofdstuk worden schaal- en betrouwbaarheidsanalyses beschreven van alle in
het leerlingprofiel opgenomen schalen.
De op naam gestelde leerlingprofielen zijn door de regiocoördinatoren voor het veld-
werk bij hun eerste bezoek op school achtergelaten, zodat de leerkrachten ze in de
periode van de feitelijke toetsafnames konden invullen. Na de toetsafnames hebben
de regiocoördinatoren de formulieren weer meegenomen. Nog niet ingevulde formu-
lieren konden de leerkrachten nazenden.
Binnen de referentiesteekproef is van 87.6% van de leerlingen een leerlingprofiel
beschikbaar. Uitgesplitst naar jaargroep gaat het achtereenvolgens om 89.0, 87.6 en
86.4%. Binnen de totale steekproef ligt de respons duidelijk lager, namelijk op
81.7%. Uitgesplitst naar jaargroep gaat het om 84.5, 80.9 en 79.9%.
Of er sprake is van selectieve uitval hebben we gecontroleerd door de feitelijke verde-
ling naar sociaal-etnische achtergrond van de leerlingen in het COOL-leerlingen-
bestand af te zetten tegen de respons op de leerlingprofielen. De resultaten staan in
Tabel 7.1, waarbij we een uitsplitsing maken naar de referentie- en totale steekproef.
Tabel 7.1 Respons op de leerlingprofielen; verdeling sociaal-etnische achtergrond
binnen het totaalbestand en binnen het leerlingprofielbestand (in %)
referentiesteekproef
totale steekproef
totaal
profiel
totaal
profiel
LBO all.
6.3
6.2
9.3
8.2
LBO aut.
8.6
9.1
9.3
9.4
MBO all.
6.0
6.0
7.9
7.4
MBO aut.
39.2
39.4
36.9
37.7
HBO/WO all.
3.7
3.6
4.4
4.1
HBO/WO aut.
36.2
35.6
32.2
33.1
n
21910
19230
27242
22239
In zowel de referentiesteekproef als de totale steekproef verschilt de verdeling van de
respons naar sociaal-etnische herkomst nauwelijks met die in de totale COOL-
steekproef: de verschillen zijn overal minder dan 1%.
47
7.2 Prestaties, gedrag en houding
7.2.1 Schaalconstructie