ArticlePDF Available

Een verkennend onderzoek naar taalverruwing

Authors:

Abstract

This paper consists of two parts. In the first part, an attempt will be made to define ?rude language? in a such way that it discerns itself from other types of negative language use. This definition uses concepts such as register, informalisation, appreciation, intensification and dysfemy. Possible problems with this definition are discussed with existing examples of ?rude language?. The second part of this paper explores to what extent the proposed definition can be used in empirical research. In a first survey after the effects of rude language, respondents have been asked their opinions about neutral or rude versions of (fictitious) newspaper items about political proposals. Results show that judgment is not related to personal traits such as age, gender, or political colour. Rude language does not affect the attitude towards the political proposal, but the proposing politician is perceived as less competent and attractive. Furthermore, it is judged as being less appropriate but more attractive than neutral language. This first experiment provides impetus for future research based on the proposed definition of rude language.
Een verkennend onderzoek naar
taalverruwing
Jan Renkema (Universiteit van Tilburg)
1
This paper consists of two parts. In the first part, an attempt will be made to
define rude languagein a such way that it discerns itself from other types of
negative language use. This definition uses concepts such as register, informa-
lisation, appreciation, intensification and dysfemy. Possible problems with this
definition are discussed with existing examples of rude language.
The second part of this paper explores to what extent the proposed definition
can be used in empirical research. In a first survey after the effects of rude
language, respondents have been asked their opinions about neutral or rude
versions of (fictitious) newspaper items about political proposals. Results
show that judgment is not related to personal traits such as age, gender, or
political colour. Rude language does not affect the attitude towards the politi-
cal proposal, but the proposing politician is perceived as less competent and
attractive. Furthermore, it is judged as being less appropriate but more attrac-
tive than neutral language. This first experiment provides impetus for future
research based on the proposed definition of rude language.
Inleiding
Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en Godslasterlijke femelarij! Ik heb
u geschapen, [] gij zijt opgegroeid tot een monster onder mijne pen []ik
walg van mijn eigen maaksel, [] stik in koffij, en verdwijn!
Aldus Multatuli, nu honderdvijftig jaar geleden, bijna aan het einde van zijn Max
Havelaar. Tegenwoordig zou de eerste zin uit dit beroemde citaat taalverruwing
worden genoemd. Maar kritiek op dit taalgebruik zou klinken als een loden kogel
op rottend hout. Gelet op de ernst van de zaak kon of wilde Eduard Douwes
Dekker Koning Willem III niet anders ter verantwoording roepen over de Neder-
landse Indonesië-politiek. Dit taalgebruik onderbouwt de ernst van de slotvraag
aan de Koning: of het zijn wil is dat daar ginds Uwe meer dan Dertig millioenen
onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?
25
Een recent voorbeeld van taalverruwing is de slogan in de Vlaamse overheids-
campagne uit 2008 voor tolerantie jegens homos: F*ck homos en heteros, ik
ben tolero.Dit taalgebruik riep veel kritiek op. Filip de Winter van Vlaams Belang
verwoordde die als volgt: De overheid doet net of die jongeren de hele dag hun
middelvinger omhoog steken en shiten f*ckroepen. Dit is een volstrekt ver-
keerde actie en die kost ook nog eens 112.000 euro.De verantwoordelijke minis-
ter verdedigde de slogan door te zeggen dat na overleg met jongeren duidelijk
was geworden dat juist dit taalgebruik voor de zo noodzakelijke mentaliteitsver-
andering zou kunnen zorgen.
Nog een recent voorbeeld. In het begin van 2009 werd bekendgemaakt dat het
bekende kleuterprogramma Sesamstraat voortaan op een vroeger tijdstip zou
worden uitgezonden. De commotie die hierover ontstond, kwam op verschillende
manieren in het nieuws. Hier twee voorbeelden:
2
Sesamstraat wordt kapot gemaakt.
De makers van Sesamstraat zijn woedend, omdat de populaire kleuterrubriek
weer moet verhuizen. Tommie, Pino, Ieniemienie en hun vriendjes zijn vanaf 2
februari al om vijf uur te zien.
NPS-sharia legt Pino en Ieniemienie op hakblok.
Welgoedverdegloeiendegoedver! Weer een stukje Nederlandse traditie rück-
sichtslos aan de kant geschoven. Voor de zesde maal binnen een paar jaar
dirigeert de NPS-directie Sesamstraat naar een ander tijdstip.
De eerste versie komt uit het Algemeen Dagblad; de tweede was afkomstig van de
populaire actualiteitensite GeenStijl.nl. Natuurlijk kan men zeggen dat de redac-
teuren van GeenStijl hun naam eer aan doen, dat het inderdaad geen stijlis om
NPS-beleid te vergelijken met de sharia. Maar de redactie van GeenStijl zal, gelet
op de doelstelling van deze site onder andere een open en vermakelijke discus-
sie’–waarschijnlijk niet ontvankelijk zijn voor het verwijt van taalverruwing.
Taalverruwing lijkt geen nieuw verschijnsel. Denk aan de beroemde kritieken
van de negentiende-eeuwse literator Lodewijk van Deyssel. In hedendaagse dis-
cussies lijkt de kwalificatie taalverruwingvooral gebruikt te worden door, als be-
houdend beschouwde, tegenstanders van onbeschaafde omgangsvormen. Ondui-
delijk blijft echter wat precies met taalverruwingwordt bedoeld. Gaat het om
schelden of pejoratief taalgebruik, zoals in het eerste voorbeeld? Bedoelt men dat
een schuttingwoord, zoals f*ck’–ook als het gemaskeerd is met een * niet in
een ander taaldomein gebruikt mag worden? Of gaat het om emotioneel taalge-
bruik zoals in het voorbeeld over Sesamstraat, in combinatie met een als niet juist
beoordeelde weergave van zaken? Immers, Sesamstraat kwam niet op het hak-
bloken is niet rücksichtslos aan de kant geschoven; het programma werd vol-
26
internationale neerlandistiek
gens critici van dit taalgebruik alleen maar naar een ander, wellicht ongunstiger
tijdstipverplaatst.
In de komende paragrafen wordt eerst het verschijnsel taalverruwing nader ver-
kend. De tweede paragraaf geeft een stilistisch kader waarin taalverruwing gezien
wordt als registerbreuk door informalisering of vulgarisering. De derde paragraaf
behandelt de pejoratieve aspecten van taalverruwing in het raamwerk van de ap-
praisal theory, onder gebruikmaking van de concepten intensivering en dysfemie.
Paragraaf vier opent met een definitie van taalverruwing. De problematische as-
pecten ervan worden bediscussieerd aan de hand van min of meer bekende voor-
beelden van (vermeende) taalverruwing. In de vijfde paragraaf wordt gespeculeerd
over mogelijke verklaringen voor taalverruwing. Deze verklaringen liggen ten
grondslag aan de onderzoeksvragen die de aanleiding vormden voor een verken-
nend onderzoek naar de effecten van taalverruwing. Paragraaf zes beschrijft het
onderzoeksmateriaal. De zevende paragraaf doet verslag van het onderzoek, en de
achtste paragraaf besluit met resultaten en discussie.
Stijl en registerbreuk, informalisering en vulgarisering
Het verschijnsel taalverruwing kan voor een deel inzichtgevend worden beschre-
ven met concepten uit de stilistiek, en dan met name de prozastilistiek. Het gaat
om de volgende vier concepten: stijl, registerbreuk, informalisering en vulgarise-
ring.
Uiteraard kan in het bestek van dit artikel geen recht worden gedaan aan de
diverse benaderingen in het stijlonderzoek. Zie Renkema (2004) voor de variëteit
aan stijldefinities en Burger en De Jong (2009) voor een overzicht van stilistische
verschijnselen. Maar omdat in dit onderzoek taalverruwing gezien wordt als een
stijlverschijnsel, moet wel iets gezegd worden over de stijlopvatting die hierin een
dominante rol speelt. Stijl wordt hier opgevat als het gegeven dat men in verschil-
lende bewoordingen ongeveer hetzelfde kan zeggen. Uiteraard kan men discus-
siëren of dan hetzelfdegezegd wordt, vandaar de toevoeging ongeveer (het-
zelfde). Met deze stijlopvatting wordt stijlonderzoek gefocust, zo men wil
verengd, tot onderzoek naar stilistische variatie.
Stilistische varianten kunnen beschreven worden vanuit de bekende driedeling
in communicatie: zender-boodschap-ontvanger. De boodschap krijgt een be-
paalde vorm (formulering) op basis van de keuze die een zender maakt. Deze
keuze wordt als stilistisch ervaren omdat de ontvanger de vorm vindt afwijken
van wat in een bepaalde situatie als normaal (als de norm) wordt ervaren.
3
Vanuit
deze stijlopvatting wordt taalverruwing gezien als een ab-normalestilistische
variatie, zoals bijvoorbeeld de slogan F*ck homos en heteroshierboven. De
slogan had ook kunnen luiden: Hou toch op over homos en heteros!De hier
gehanteerde stijlopvatting leidt tot analyse van mogelijke formuleringen, een ver-
27
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
klaring voor het gebruik, en ook onderzoek naar effecten van alternatieve bewoor-
dingen.
In de analyse van stilistische variatie in alledaags taalgebruik en de mogelijke
verklaring, speelt de situatie waarin de communicatie plaatsvindt een belangrijke
rol. Dit kan men al zien aan de diverse benamingen van stijlvarianten die (elemen-
ten uit) de situatie expliciet benoemen, zoals: baliestijl, kerktaal, oorlogstaal,
schuttingtaal en wetenschapsjargon. Dit situatieaspect van stijl wordt doorgaans
aangeduid met de term register(zie Reid 1956). De volgende metafoor kan hier
verhelderend werken. Zoals een orgel diverse registers heeft om eenzelfde mu-
ziekstuk in verschillende klankkleuren ten gehore te brengen, zo kent het taal-
systeem diverse registers om een bepaalde inhoud in verschillende situaties te
formuleren. Ook hier moet worden volstaan met een verwijzing naar hedendaags
onderzoek (Biber & Conrad 2001). Voor deze bijdrage is het voldoende om regis-
terte definiëren als stijl die past in een bepaalde situatie.
Hieronder een voorbeeld: twee herformuleringen van een vers uit het Bijbel-
boek Prediker (9:11) over de invloed van tijd en toeval. Voorafgaand eerst de weer-
gave in de Nieuwe Bijbelvertaling:
(1) Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hardloper de
wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn
brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom, hij die bekwaam is het
respect. Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.
(1a) Een objectieve beschouwing van eigentijdse verschijnselen dwingt tot de
conclusie, dat succes of falen in competitionele activiteiten geen tendens
vertoont tot correlatie met aangeboren capaciteiten, maar dat bij voortdu-
ring rekening gehouden moet worden met een aanzienlijk onvoorspelbaar-
heidselement.
(1b) Ach, goede cijfers halen? Je kunt mislukken in een dure baan. Ik ken men-
sen die op school niets uitvoerden en nu heel gelukkig zijn. Het hangt er
maar van af. En op het kerkhof zijn we weer allemaal gelijk.
Formulering (1a) ontleend aan Orwell (1968) hoort thuis in een wetenschap-
pelijk verslag of essay, en formulering (1b) roept de situatie op waarin een scho-
lier reageert op de aansporing om harder te studeren.
Met het concept registerkan stijlvariatie inzichtgevend worden beschreven
onder verwijzing naar de taalgebruikssituatie. Het concept biedt ook de mogelijk-
heid om te beschrijven hoe taalvormen uit de ene situatie gebruikt worden in een
andere situatie. Dit verschijnsel staat bekend als registerbreuk. Registerbreuk
treedt bijvoorbeeld op wanneer in een informeel register plotseling formele taal
wordt gehanteerd, of wanneer in beschouwend taalgebruik plotseling emotievolle
28
internationale neerlandistiek
woorden worden gehanteerd. Weer een voorbeeld. De jaarlijkse troonrede, die
doorgaans eindigt met een aanspreking van de leden der Staten Generaal en een
zegenwens, zou geen zin kunnen bevatten die behoort tot een peptalk, zoals blijkt
uit de volgende passage (Troonrede 2008
4
) waaraan na de eerste twee zinnen een
zin uit een heel ander register is toegevoegd:
(2) Op u, leden van de Staten-Generaal, rust hierbij een grote verantwoorde-
lijkheid. De regering ziet uit naar een goede samenwerking. Samen de
schouders eronder!
Voor het beschrijven van taalverruwing lijken twee vormen van registerbreuk rele-
vant: informalisering en vulgarisering. Bij informalisering wordt in een formele
context taal uit het informele register gebezigd. Een bekend voorbeeld in discus-
sies over taalverruwing is de toevoeging flapdrolin een Kamerdebat (mei 2009).
De minister van Ontwikkelingssamenwerking, Koenders, kreeg tot drie keer toe
deze kwalificatie toegevoegd door het Kamerlid Marijnissen. Toen de minister
ietwat bevreemd opkeek, vroeg de Kamervoorzitter of hij de woorden van Marij-
nissen niet wilde horen.
5
Het gebruik van dit woord werd kennelijk als ongepast
beschouwd. De verklaring hiervoor moet worden gezocht in de situatie: het Ka-
merdebat. Want had Marijnissen deze woorden s avonds na het debat gebruikt in
een informele context, bijvoorbeeld aan de bar in het perscentrum Nieuwspoort,
dan was er waarschijnlijk geen of veel minder kritiek gekomen op het taalgebruik.
Intrigerend is ook dat de minister naderhand zich tegen journalisten liet ontvallen
dat hij behoorlijk pissigwas geworden. Dit woord past in hetzelfde register als
flapdrol. Maar het gebruik van dit woord zal in deze context minder snel als
registerbreuk worden betiteld, omdat het toch min of meer als gepast wordt be-
schouwd in een informeel contact tussen een minister en een journalist.
Bij vulgariseren wordt, zeg maar, scheld-en-schuttingtaal gebruikt in een meer
formele situatie. Het bekendste voorbeeld is de kwalificatie kutmarokkanen(al
in Van Dale opgenomen als kut-Marokkaan), voor overlast veroorzakende Ma-
rokkaanse jongeren.
Appreciatie, intensivering en dysfemie
Een eerste verkenning van taalverruwing levert op dat het hier gaat om het stijl-
verschijnsel registerbreuk, het gebruik van een taalvariant uit een andere taalge-
bruikssituatie, en dan met name het register van straat(informaliseren) of
schutting(vulgariseren). Maar daarmee is slechts een deel van het verschijnsel
in kaart gebracht. Want bij taalverruwing speelt (zie de openingsvoorbeelden) ook
altijd mee dat de taalgebruiker in kwestie in het woordgebruik een betwistbaar te
negatief geformuleerde uitspraak doet. Hiermee komen we op het terrein van
oordelen in taalgebruik.
29
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
Het onderzoek hiernaar, en meer in het algemeen naar de detectie van attitude,
affect en appreciatie in taalgebruik, heeft met de publicatie van de appraisal theory
van Martin & White (2005) een enorme impuls gekregen. Deze theorie bouwt
voort op benaderingen binnen de Functional Grammar (Halliday & Matthiessen
2004) en werkt met zeer fijnmazige analyseschemas die onder andere tot doel
hebben om met behulp van critical discourse analysis de ideologisch bepaalde stand-
punten van de taalgebruiker op het spoor te komen. Het gaat hier bijvoorbeeld
om de vraag of, en zo ja hoe, we in berichtgeving over een opstand uit het gebruik
van terroristen vrijheidsstrijdervoor opstandelingde ideologie van de journa-
list of krant kunnen afleiden.
6
Binnen de Nederlandse stilistiek heeft deze appreciatietheorie nog nauwelijks
aandacht gekregen. Doorgaans wordt volstaan met de vaststelling dat in sommige
gevallen uit het taalgebruik een houding of opinie van de taalgebruiker valt af te
leiden, zoals in het bekende voorbeeld van het glas dat halfvolof halfleegis. In
stijlhandboeken wordt ook gewezen op het bestaan van zogenoemde woordtri-
pletten: een neutrale middentermmet een pejoratief (een woord met ongunstige
connotatie) en een melioratief (een woord met een gunstige connotatie). In (3)
enkele voorbeelden.
(3) Voorbeelden van woordtripletten met negatieve en positieve variant.
pejoratief middentermmelioratief
wijten aan toeschrijven aan danken aan
stank geur reuk
wijf vrouw dame
De connotaties van de woorden in dit soort tripletten liggen overigens niet vast.
Vaak kan een connotatie door toevoeging van ander verbaal materiaalworden
ontkracht. Het ongunstige wijfkan melioratief worden met de toevoeging lek-
ker, maar kan ook in deze combinatie in ironisch taalgebruik pejoratief worden
uitgelegd. Het neutrale geurkan met een verkleinwoord negatief worden: dat
heeft een geurtje, maar blijft neutraal in een geurtje op hebben. Het gunstige
reukwordt ongunstig met een pejoratief adjectief (in een kwade reuk staan).
Het melioratieve danken aankan in een beschuldigende context (dat heb je te
danken aan je slechte planningskwaliteiten) ook pejoratief worden uitgelegd. In
een stilistische analyse zal dus altijd de context moeten worden betrokken.
Tripletten als deze vormen geen systematisch onderdeel van het taalsysteem.
Bovendien behoeven ze geen oordeel van de taalgebruiker in kwestie te verwoor-
den. Ze kunnen immers gebruikt worden om de werkelijkheid te beschrijven
zoals die door spreker én luisteraar wordt ervaren. Toch lijkt een aspect van de
notie pejoratiefwel nodig bij een beschrijving van het verschijnsel taalverruwing.
In een pejoratief speelt soms een denigrerend aspect een rol, zoals in wijf. Een
30
internationale neerlandistiek
goed voorbeeld is de woordkeus waarmee Kamerlid Wilders bij de Algemene Be-
schouwingen in 2009 een belasting voor hoofddoekdraagsters voorstelde. Hij
noemde deze belasting kopvoddentaks. Het gebruik van het woord kopvodin
een Kamerdebat over hoofddoekjes zou men kunnen zien als alleen een register-
breuk, maar de soms felle reacties op dit woord lieten zien, dat er meer aan de
hand was. De reacties richtten zich vooral op de minachting die eruit sprak jegens
draagsters van hoofddoekjes.
7
Met het aanhalen van dit voorbeeld is overigens
niet gezegd dat kopvodeen vorm van taalverruwing is. Immers, dan zou elke
vorm van minachting in taalgebruik taalverruwing zijn.
Bij taalverruwing lijkt er nog iets anders aan de hand. Vaak gaat het om een
overdrijving of om een intensivering, zoals het ruwere rotschopvoor schop.
Men zou femelarijin het voorbeeld van Multatuli kunnen zien als een intensive-
ring van schijnheiligheid,ofop het hakblok leggen(uit het Sesamstraatvoor-
beeld) als intensivering van opofferen. Zie verder Renkema (1997) voor een ana-
lyseschema van intensiveringen en voor analyseproblemen. Echter, ook hier geldt
weer dat intensiveringalleen nog niet voldoende is om van taalverruwing te
spreken. Neem het volgende voorbeeld van dezelfde politicus Wilders. Hij ge-
bruikte enkele jaren geleden in een debat over de immigratietoestroom naar ons
land de formulering een tsunami van moslims. Maar deze overdrijving, zelfs met
de uiterst ongunstige connotatie van dood en verderf zaaien, is nog geen argu-
ment om hier van taalverruwing te spreken, want het gaat hier niet om register-
breuk door informalisering of vulgarisering.
Taalverruwing heeft dus wel te maken met pejoratie en met intensivering, maar
valt daarmee niet gelijk te stellen. Bovendien moet dan ook altijd weer de taalge-
bruikssituatie erbij worden betrokken. Immers, een pejoratief (wijf) of intensive-
ring (rotschop) kan precies de werkelijkheid weergeven. Bij taalverruwing gaat
het er juist om dat ten minste een deel van de luisteraars de formulering ervaart
als niet recht doend aan de werkelijkheid.
Taalverruwing komt hiermee nog het dichtst bij het stijlverschijnsel dysfemie.
Zoals in een eufemisme de werkelijkheid mooier of gunstiger wordt voorgesteld,
zo wordt in een dysfemisme de werkelijkheid lelijker of ongunstiger voorgesteld.
Dit verschijnsel heeft recent aandacht gekregen in studies van Allan (2009) en
Casas Gómez (2009); dit gebeurde overigens buiten het kader van de appraisal
theory. Het voordeel van deze benadering is dat de relatie met de werkelijkheid
een factor is in de analyse van het verschijnsel. Voor de als correct beschouwde
beschrijving van de werkelijkheid wordt hier de term orthofemiegebruikt. Een
ander voordeel van deze benadering is dat zo gefocust kan worden op de kenne-
lijke bedoeling van de spreker, en niet alleen op de betekenis (zoals bij een pejo-
ratief). Met een eu-/dysfemisme bedoelt de spreker de werkelijkheid anders voor
te stellen. In (4) enkele voorbeelden.
31
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
(4) dysfemie orthofemie eufemie
een vreselijke blunder een fout een vergissing
crimineel gedrag wangedrag baldadigheid
agressie conflictbeheersing defensie
Als iemand een fout heeft gemaakt, kan hij vertwijfeld uitroepen dat hij een vre-
selijke blunderheeft begaan. De bedoeling van deze formulering kan bijvoor-
beeld zijn om het omgekeerde te bewerkstelligen van het eufemisme vergissing,
namelijk dat de aangesprokene zegt dat het wel meevalt.
In de media is de afgelopen jaren regelmatig gerapporteerd over overlast door
jongeren (niet alleen de k*tmarokkanen). Hierbij werd al snel gesproken over
crimineel gedrag, dus gedrag waarvoor men kan worden veroordeeld en vervol-
gens als crimineelkan worden bestempeld. In ingezonden rubrieken werd toen
opgemerkt dat zon kwalificatie te hetzerig en te zwaar is omdat deze jongeren
hiervoor niet veroordeeld kunnen worden. Gelet op de gedragingen van de jonge
pubers het lastigvallen van ouderen had de werkelijkheid ook correcterkun-
nen worden beschreven met het orthofemisme wangedrag. Uiteraard is het de
vraag of een eufemisme als baldadigheidhier op zijn plaats was geweest. Waar
het om gaat, is dat het gebruik van de term dysfemie het zoeklicht zet op wat dan
de orthofemistische weergave is (let op de woordkeus hierboven: overlast,las-
tigvallenof toch geweld?) en hoe de werkelijkheid anders kan worden inge-
kleurd, al naar gelang het standpunt of de appreciatie van de taalgebruiker.
Ingewikkelder nog is het volgende voorbeeld. Gesteld dat in 2008 de tegen-
standers van de Nederlandse vredesmissie of opbouwmissie of trainingsmissie in
Afghanistan met borden waren gaan lopen waarop het Nederlandse Ministerie
van Agressiewordt opgeroepen zich terug te trekken, dan zouden de tegenstan-
ders van zon dysfemisme ook het verwijt moeten kunnen pareren dat Ministerie
van Defensievanuit een bepaalde politieke visie nogal eufemistisch is. Uiteraard
zal men het in deze kwestie niet snel eens worden over het orthofemistische ka-
rakter van bijvoorbeeld conflictbeheersing. Belangrijk voor de studie naar taal-
verruwing is hier dat met het gebruik van dysfemie de analyse zich kan richten op
inkleuring van de werkelijkheid waarover gesproken wordt.
Naar een definitie van taalverruwing
Na de stilistische verkenning in de tweede paragraaf en de appraisal-benadering in
paragraaf drie kan taalverruwing als volgt worden gedefinieerd:
(5) Taalverruwing is een stijlverschijnsel waarin een bepaalde stand van zaken
1. door een registerbreuk informaliserend en/of vulgariserend met be-
hulp van
32
internationale neerlandistiek
2. een ongunstige intensivering
3. dysfemistisch wordt verwoord.
In deze definitie gaat het om de combinatie van drie aspecten. Alleen register-
breuk of een ongunstige intensivering of dysfemie is nog niet voldoende om van
taalverruwing te spreken.
Wanneer bijvoorbeeld in een Kamerdebat de minister van Financiën zou spre-
ken over te weinig doekoe, dan gaat het alleen om een informaliserende regis-
terbreuk.
8
Met de formulering een schrikbarend tekort aan geldwordt alleen een
ongunstige intensivering gebezigd. En met een naderend bankroetwordt alleen
een dysfemisme gebruikt voor een tekort aan geld. Uiteraard kunnen deze kwa-
lificaties niet worden gebruikt zonder verwijzing naar de werkelijkheid waarover
gesproken wordt. Als de deelnemers aan de communicatiesituatie het erover eens
zijn dat een tekortook daadwerkelijk schrikbarendis, dan is er geen sprake van
intensivering. En zo ook, als men het erover eens is dat een bankroet nadert, dan
is er geen sprake van dysfemie (maar van orthofemie). Het gaat dus om een com-
binatie van de drie aspecten in de definitie, onder verwijzing naar de stand van
zaken waarover wordt gesproken voor de aspecten intensivering en dysfemie.
Hieronder zullen drie min of meer bekende voorbeelden worden besproken uit
Kamerdebatten. Het gaat om voorbeelden waarover onenigheid bestaat in discus-
sies over taalverruwing en waarbij dus een definitie verhelderend kan werken.
Eerst de voorbeelden, waarbij de uitspraken in kwestie zijn gecursiveerd.
(6) Jan Marijnissen, SP, in een debat over asielzoekers
9
(na onderbroken te zijn voor hij met zijn spreekbeurt kan beginnen)
Marijnissen: Voorzitter, dit is de eerste interruptie die ik pleeg in een debat
van drie uur. Dus ik vind alles prima [...]
Voorzitter: Ik vind ook alles prima, maar ik kijk naar de avond die voor ons
ligt []
Marijnissen: Even dimmen,even dimmen,even dimmen. Even een vraag stellen!
(7) Dion Graus, PVV, in een discussie over walvissenjacht
10
(als reactie op een opmerking van een collega die nogmaals om ophelde-
ring vraagt)
Mogelijk bent u een beginnend lijder aan Alzheimer.
(8) Geert Wilders, PVV, tot Ella Vogelaar, minister voor Wonen, Wijken en
Integratie
11
(als reactie op een opmerking van haar over de toekomstige Nederlandse
cultuur)
33
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
Mevrouw Vogelaar, minister Vogelaar moet ik zeggen, kwekt dat Neder-
land in de toekomst een joods-christelijk-islamitische traditie zal kennen.
[]Enu toont daarmee, wat mij betreft, aan dat u knettergek bent geworden.
Veel taalgebruikers zullen de woordkeus in het eerste voorbeeld niet direct zien
als een voorbeeld van taalverruwing. Met de hier voorgestelde definitie kan dit
oordeel ook inzichtelijk worden gemaakt. De uitdrukking effe dimmeis hier
inderdaad een informaliserende registerbreuk, en is nogal dysfemistisch voor bij-
voorbeeld even kalm aan!; het suggereert dat de voorzitter zich emotioneel laat
gaan, hetgeen niet blijkt uit de woordkeus. Maar een intensivering kan dit toch
moeilijk genoemd worden. Bovendien is de registerbreuk minder een breuk dan
het lijkt, want het woordje effeis geformaliseerd tot even.
12
Met de hier voorge-
stelde definitie kan dus worden beredeneerd dat deze formulering in deze context
niet als taalverruwing behoeft te worden gekarakteriseerd.
Het tweede voorbeeld is van geheel andere orde; het is eerder een belediging
dan taalverruwing. Ook hier kan de definitie behulpzaam zijn: er is geen sprake
van registerbreuk of intensivering. En van dysfemie lijkt geen sprake. Want het
orthofemische traag van begripwordt door de ziekteverwijzing niet pejoratief
uitvergroot: de kwalificatie lijder aan Alzheimerals ziekteaanduiding is immers
niet per se ongunstig zoals de eerder gegeven voorbeelden wijfof stank.
13
Waarschijnlijk had het Kamerlid met de volgende formulering hetzelfde effect ge-
sorteerd: Geachte afgevaardigde, ik begin nu toch ernstig te twijfelen aan uw
dossierkennis.Wellicht was de gewraakte formulering een (wel bijzonder onge-
paste) uitglijder.
Het derde voorbeeld bevat wel alle componenten van de definitie taalverruwing.
Het woord knettergekis een informaliserende registerbreuk, een intensivering
(knetter) van de bedoelde gemoedstoestand, en een dysfemistische omschrij-
ving: gekis een pejoratief van geen contact met de werkelijkheid hebbenof de
draad kwijt zijn. Wilders had waarschijnlijk minder stof doen opwaaien als hij
had gezegd: Ik vermoed dat velen buiten deze Kamer u als knettergek typeren.
Tot zover de toelichting op de definitie aan de hand van drie min of meer bekende
voorbeelden.
Taalverruwing: verklaringen en onderzoeksvragen
In het tweede deel van dit artikel willen we de vraag behandelen of de voorge-
stelde definitie ook geoperationaliseerd kan worden voor empirisch onderzoek.
Daartoe is eerst een excursie nodig over een mogelijke verklaring van taalverru-
wing, een verklaring die als kader kan dienen voor mogelijke onderzoeksvragen.
Taalverruwing leek tot voor kort vooral voor te komen binnen de domeinen van
sport en bepaalde tv-shows. Pas sinds een paar jaar wordt de opkomst in politiek
taalgebruik gesignaleerd.
14
Een verklaring voor dit fenomeen blijft speculatief.
34
internationale neerlandistiek
Misschien vervagen de grenzen tussen de formele en informele registers, en
wordt een registerbreuk niet meer als zodanig aangevoeld.
Maar ook een andere verklaring is denkbaar. Politici besteden doorgaans extra
aandacht aan hun taalgebruik, zeker nu Kamerdebatten, onder invloed van de
media, ook gevoerd worden om kijkers en luisteraars, dus potentiële stemmers te
bereiken. Dikwijls moeten verschillen met politieke tegenstanders worden over-
brugd met behulp van wat men compromistaal zou kunnen noemen. Zie voor dit
diplomatieke taalgebruik Abu Jabar (2001), en Krubalija & Slavik (2001). Maar dit
diplomatieke taalgebruik is vooral functioneel in de beslotenheid van onderhan-
delingen of voor persconferenties. Voor het publieke debat is de dikwijls abstracte
compromistaal veel minder geschikt. In een Kamerdebat bijvoorbeeld is diploma-
tiek taalgebruik minder functioneel omdat het de tegenstellingen kan verdoeze-
len. Een debat krijgt kracht door een scherpe formulering van argument en tegen-
argument. Wanneer in het publieke debat diplomatiek taalgebruik wordt
gehanteerd, verdwijnen de scherpe kanten van de standpunten noodzakelijkerwijs
naar de achtergrond. Dan gaat het bijvoorbeeld over de vaststelling dat een IJs-
landse bank onvoldoende informatie heeft verstrekt(eufemistisch) terwijl be-
doeld wordt dat die bank de zaak bedrogen(orthofemistisch) heeft. Gevolg kan
dan zijn dat het debat te abstract wordt om een tegenstander te overtuigen van
een standpunt, of dat de politicus met zon algemene vaststelling geen aandacht
krijgt van de luisteraar en de potentiële stemmer. Een stijlmiddel dat dan kan
worden ingezet, is de overdrijving naar de andere kant met een vorm van dysfe-
mie, door bijvoorbeeld te zeggen dat de bank de kluit belazerd heeft. Hiermee
positioneert de politicus zich als iemand die dicht bij de kiezer wil staan doordat
hij de taal van de gewone mangebruikt. Vanuit deze redelijk plausibele verkla-
ring zou taalverruwing in het politieke debat dus kunnen worden ingezet als mid-
del om: a) het publiek te overtuigen; b) je te positioneren als betrokken politicus;
en c) de aandacht te trekken.
Binnen dit verklaringskader is een experiment opgezet met de volgende drie
onderzoeksvragen:
(9) 1. Heeft verruwd taalgebruik effect op de attitude ten aanzien van de
inhoud van de boodschap?
2. Heeft verruwd taalgebruik effect op het imago van de politicus?
3. Heeft verruwd taalgebruik effect op de waardering van het nieuws-
bericht?
Het zal duidelijk zijn dat in een experiment niet gewerkt kan worden met onder-
werpen of formuleringen die in de media al aandacht hebben gekregen, bijvoor-
beeld een bericht over allochtonen met het woord knettergek. Gelet op de dis-
cussies over taalverruwing zou men ook kunnen verdedigen dat taalverruwing van
een politicus uit een coalitiepartij strenger wordt beoordeeld dan taalverruwing
35
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
van een politicus uit de oppositie die al bekend staat om zijn directe formulerin-
gen. Bovendien is het mogelijk dat taalverruwing wél effect heeft bij jongeren,
maar niet bij ouderen die al gewend zijn aan de politieke mores, of wél bij de
achterban van de politicus in kwestie, maar niet bij politieke tegenstanders. In dit
verkennend onderzoek is zo veel mogelijk rekening gehouden met deze en moge-
lijk andere modererende factoren.
Onderzoeksmateriaal
Er zijn twee krantenberichten opgesteld: een bericht met plaatselijk nieuws over
de sluitingstijden van de horeca en een bericht met landelijk nieuws over de ver-
goeding van de kraamzorg. Deze twee onderwerpen zijn gekozen op basis van de
mogelijke felle reacties die zij zouden kunnen oproepen; anders zou taalverru-
wing mogelijk onnatuurlijk kunnen zijn. Bij de selectie van de onderwerpen, en
van de locatie van het plaatselijke bericht is tevens onderzocht of het onderwerp
of de plaatsnaam niet recent in het nieuws waren geweest in emotionele politieke
debatten. De berichten zijn ter beoordeling van de natuurlijkheid voorgelegd aan
een team van gerenommeerde journalisten, lid van het curatorium van de Media-
ombudsman Nederland, en op basis van hun commentaar verbeterd.
15
De twee berichten zijn conventioneel opgemaakt en bestonden uit een kop, een
lead en drie inhoudelijke alineas, waarin een onbekende politicus uitgebreid ge-
citeerd werd. Naast het taalgebruik (wel/niet verruwd) en het niveau van besluit-
vorming (plaatselijk/landelijk) is nog een derde factor systematisch gevarieerd: de
positie van de geciteerde politicus. Deze kon spreken namens de coalitie (kabinet
of college van B&W) of namens de oppositie.
Voor een goed begrip volgt hier eerst een van de onderzochte teksten, het
plaatselijk bericht, met de variaties in formulering. Het plaatselijke en landelijke
bericht bevatten niet dezelfde formuleringen. Dit om te voorkomen dat proefper-
sonen de formulering zouden herkennen.
16
(10) Cafés voortaan om 01.00 dicht
Amersfoort van onze verslaggever. Het college van B&W / de rechtse oppositie
van de gemeenteraad Amersfoort heeft voorgesteld de sluitingstijd van de cafés
te vervroegen van 04.00 naar 01.00 uur. Aanleiding is de aanhoudende
overlast.
We ergeren ons behoorlijk / dood aan de geluidsoverlast die jongeren ver-
oorzaken als ze om 04.00 uur s nachts als de uitgaansgelegenheden
sluiten door de straten dwalen. Herhaalde waarschuwingen hebben niets
geholpen. We zijn de problemen zat / spuugzat, aldus Tom Buur, woord-
voerder van het college van B&W / de rechtse oppositie van de gemeenteraad Amers-
foort.
36
internationale neerlandistiek
Het voorstel is dat per 1 januari 2009 uitgaansgelegenheden uiterlijk om
01.00 uur gesloten moeten zijn. Jongeren halen s nachts voortdurend stre-
ken / idiote streken uit. Met eerdere sluitingstijden hopen we de overlast te
beperken,want de huidige situatie is toch bezwaarlijk / van de gekke. Het is
een strenge maatregel, maar het lijkt nu nog de enige optie.
Jongeren mogen van mij best wel een feestje vieren. Daar zijn ze immers
jong voor. Maar moeten ze nou echt pas zo laat / belachelijk laat beginnen
met stappen? Het helpt niet als we ze vragen minder lawaai te maken. Dus
blijft er weinig anders over dan het verschuiven van het tijdstip, zodat voor
mensen die s nachts willen slapen de nachtrust niet wordt verstoord. Als
we niets doen, loopt het uit de hand / klauwen.
In dit onderzoek is, op basis van de voorgestelde definitie voor taalverruwing, ge-
kozen voor niet al te extreme voorbeelden die ook daadwerkelijk in kwaliteitsme-
dia gebruikt zijn. Opmerkelijke formuleringen zouden de aandacht naar zich toe
kunnen trekken, en zouden er ook toe kunnen leiden dat proefpersonen direct
een vermoeden krijgen van het onderzoeksdoel. Het gaat wel in alle gevallen om
een registerbreuk door informalisering met een intensivering in een ongunstige
betekenis. De intensivering vond plaats door een krachtiger synoniem of door een
toevoeging. In het bericht van tweehonderd woorden zijn zes variaties aange-
bracht.
(11) De zes variaties
neutraal verruwd, krachtiger synoniem
zich behoorlijk ergeren zich dood ergeren
bezwaarlijk van de gekke
uit de hand lopen uit de klauwen lopen
neutraal toevoeging
zat spuugzat
streken idiote streken
laat belachelijk laat
De variatie op drie factoren (neutraal verruwd; lokaal landelijk, coalitie op-
positie) resulteerde in acht tekstversies. Voor meer informatie en een discussie
over deze onderzoeksopzet wordt verwezen naar Van Wijk, Renkema en Kolen
(in voorbereiding).
37
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
Experiment
Onderzoeksopzet
Het onderzoek is gedeeltelijk opgezet als binnen-proefpersoonontwerp. De proef-
persoon kreeg twee teksten te zien: een versie van het lokale nieuwsbericht en een
versie van het landelijke nieuwsbericht. De beide andere factoren, taalgebruik
(neutraal of verruwd) en positie van de politicus (coalitie of oppositie) werden
systematisch gevarieerd.
Instrumentatie
Er is gewerkt met een vragenlijst (voornamelijk) bestaande uit zevenpuntsschalen
met eens/oneensals antwoordalternatief of met semantische differentialen (ob-
jectief partijdig, enzovoort) en ja/nee-vragen. De vragenlijst bevatte vijf onder-
delen. In het eerste deel, persoonlijke kenmerken, werd gevraagd naar geslacht,
leeftijd en opleidingsniveau. Ook werd gevraagd naar betrokkenheid bij het
nieuws met: Ik ben graag op de hoogte van gebeurtenissen in de werelden
Kranten zijn partijdig. Een algemeen oordeel over politiek werd bevraagd met
onder andere Politici zijn deskundig. In het tweede deel werd de mening over
het voorstel bevraagd met vier semantische differentialen, waaronder Ik vind het
voorstel onzinnig zinvol. In het derde deel werd het imago van de politicus
onderzocht met een vijftiental vragen over betrouwbaarheid (Spreker is integer),
competentie (Spreker is deskundig) en aantrekkelijkheid (Spreker is sympa-
thiek). In het vierde deel werd gevraagd naar tekstwaardering met stellingen
over begrijpelijkheid (Dit bericht is helder), gepastheid (Ik vind dit bericht seri-
eus sensatiegericht) en aantrekkelijkheid (Dit bericht is saai geschreven). In
het vijfde en laatste deel werden tot slot enkele attitudevragen gesteld over taalge-
bruik, en onder andere over de tijd die de proefpersoon besteedde aan het nieuws.
Ook werd gevraagd naar de (algemene) politieke voorkeur en of het bericht had
kunnen voorkomen in een krant.
Proefpersonen
Het experiment is eerst afgenomen onder een groep van 202 bachelor letteren-
studenten aan de Universiteit van Tilburg. Dit om na te gaan of de variaties effect
hadden binnen een qua opleiding relatief hoge, homogene en taalgevoelige
groep. Deze studentgroepvarieerde in leeftijd van 17 tot 30 jaar (gemiddeld
20.5, sd=3.09). Toen dit het geval bleek, is daarna hetzelfde onderzoek nog een
keer uitgevoerd onder een meer heterogene groep van 166 burgers buiten de uni-
versiteit. Deze burgergroepvarieerde in leeftijd van 16 tot 85 jaar (gemiddeld
38
internationale neerlandistiek
37.5, sd=16.8). In deze burgergroep was de hoogst genoten opleiding MBO of
lager bij 32 procent, HBO bij 33 procent en universiteit bij 35 procent. Omdat de
resultaten voor de studentgroep en de burgergroep geen significante verschillen
lieten zien, zijn deze twee groepen samengenomen bij het verwerken van de re-
sultaten.
Aan het onderzoek namen in totaal 368 personen deel. De groep was even-
wichtig samengesteld naar sekse en vertrouwen in politici: 57 procent was vrouw
en 43 procent man, 48 procent had vertrouwen in de neutraliteit van kranten; 52
procent niet. Qua politieke voorkeur was de groep representatief voor de op het
moment van onderzoek geldende landelijke situatie (peiling Nova en Interview/
NSS, februari 2009). Het hele politieke spectrum was vertegenwoordigd. Naast
een relatief groot aantal stemmers op de traditionele partijen (PvdA, VVD, CDA,
D66, GroenLinks, SP) omvatte de groep ook stemmers op de kleine partijen (SGP,
Partij van de Dieren, ChristenUnie) en op de controversiële partijen van meer re-
cente datum (PVV/Wilders, TON/Verdonk).
Procedure
Het onderzoek vond plaats in de eerste maanden van 2009. De vragenlijsten voor
de studentgroep zijn afgenomen in twee groepssessies aan de Universiteit van
Tilburg. De vragenlijsten voor de burgergroep zijn individueel of in kleine groep-
jes afgenomen in openbare gelegenheden (bibliotheek, trein) in Eindhoven en
omgeving. Aan de proefpersonen werd gevraagd of zij anoniem wilden meewer-
ken aan een onderzoek van de universiteit, waarin gevraagd werd naar meningen
over de berichtgeving over politieke besluitvorming. In de instructie werd bena-
drukt dat in de te lezen krantenberichten fictieve namen werden gebruikt. De
volgorde van de vragenlijst was voor iedereen gelijk: eerst het algemene eerste
deel, dan een tekstversie van een krantenbericht gevolgd door de onderdelen
twee tot en met vier; daarna een andere tekstversie van het andere krantenbericht
gevolgd door nogmaals de delen twee tot en met vier, en vervolgens het vijfde deel
van de vragenlijst.
Na afloop konden de proefpersonen nog vragen stellen, en werd op verzoek het
eigenlijke doel van het onderzoek bekendgemaakt. Uit de nagesprekken bleek dat
geen enkele proefpersoon doorhad wat het onderzoeksdoel was. De afnameduur
was ongeveer twintig minuten. De proefpersonen kregen geen vergoeding voor
hun medewerking.
Verwerking van de gegevens
De reacties op het nieuwsbericht zijn statistisch geëvalueerd (met een meerweg
(M)ANOVA) met als factoren taalgebruik(neutraal, verruwd), rol spreker(rege-
rende partij, oppositiepartij), niveau besluitvorming(lokaal, landelijk), proef-
39
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
persoongroep(student, burger) en vier persoonskenmerken (geslacht, leeftijd,
opleidingsniveau, vertrouwen in politici). De twee proefpersoongroepen bleken
op geen enkele factor systematisch verschillende reacties te hebben gegeven.
Evenmin waren er invloeden van de vier persoonskenmerken, van de factor rol
sprekerof van de factor niveau besluitvorming. Vandaar dat in de volgende pa-
ragraaf alleen de scores worden gerapporteerd voor de twee vormen van taalge-
bruik.
Resultaten en conclusie
Tabel 1 bevat een samenvatting van de onderzoeksresultaten.
Taalgebruik
Neutraal Verruwd
Attitude ten aanzien van het voorstel 3.65 3.74
Imago politicus Betrouwbaarheid 4.69 4.80
Competentie 4.39 3.84
Aantrekkelijkheid 3.63 3.08
Waardering nieuwsbericht Begrijpelijkheid 4.33 4.34
Gepastheid 3.98 3.42
Aantrekkelijkheid 3.87 4.56
N.B. Bij een significant resultaat is de betreffende waarde gearceerd.
De waarderingsscores voor het beleidsvoorstel, de geciteerde politicus en het nieuwsbericht,
in relatie tot het taalgebruik (score is minimaal 1, maximaal 7).
Het taalgebruik had geen effect op de attitude ten aanzien van de inhoud (het
beleidsvoorstel) (F<1), op de betrouwbaarheid van de politicus (F<1) of op de be-
grijpelijkheid van het nieuwsbericht (F<1). Het taalgebruik had bij het imago van
de politicus wel een statistisch betrouwbaar effect op competentie (F(1,365)
=23.13, p<.001, η
2
=.060) en op aantrekkelijkheid (F(1,365)=28.01, p<.001,
η
2
=.071), en bij de waardering van het nieuwsbericht op gepastheid (F(1,361)
=34.25, p<.001, η
2
=.087) en op aantrekkelijkheid (F(1,361)=32.92, p<.001,
η
2
=.084).
17
Bij deze significante effecten scoorde het neutrale taalgebruik steeds
hoger dan het verruwde taalgebruik, op één uitzondering na: bij aantrekkelijkheid
van het nieuwsbericht scoorde de versie met verruwde taal juist hoger.
40
internationale neerlandistiek
Op basis van dit experiment kunnen de drie onderzoeksvragen als volgt worden
beantwoord:
(12) Heeft verruwd taalgebruik effect op:
1. De attitude ten aanzien van de inhoud? Nee.
2. Het imago van de politicus? Ja, minder competent en aantrekkelijk.
3. De waardering van het nieuwsbericht? Ja, ongepaster én aantrekkelijker.
De resultaten tonen dus aan dat de redelijk plausibele verklaringen voor verruwd
taalgebruik als poging om de kloof tussen politiek en burger te overbruggen op
drijfzand berusten. Het leek aannemelijk (zie de vijfde paragraaf) dat een politicus
dit stijlmiddel kan inzetten om het publiek te overtuigen of om zich te positione-
ren als betrokken politicus of om de aandacht te trekken. Maar taalverruwing lijkt
geen effect te sorteren: niet voor de boodschap, niet voor de boodschapper en
slechts ten dele voor het medium. Uit dit experiment blijkt dat dit stijlmiddel niet
werkt om eventuele tegenstanders te overtuigen. Ook werkt het niet om het imago
op te krikken; integendeel: het imago krijgt zelfs een forse deuk. Alleen de waar-
dering voor de verpakkingvan de boodschap neemt toe. Men vindt de tekst wel
aantrekkelijker geformuleerd, maar tegelijkertijd het taalgebruik toch ook onge-
paster. Taalverruwing lijkt dus het verkeerde middel voor pogingen om de kloof
tussen politiek en burger te overbruggen. Met dit onderzoek zijn ook andere plau-
sibele veronderstellingen ontkracht: jongeren voelen zich niet méér aangesproken
dan ouderen. Het imago van een oppositiepoliticus wordt niet minder beschadigd
dan van een coalitiepoliticus. Ook betrokkenheid op politiek blijkt geen bepa-
lende factor. Men zou nog kunnen tegenwerpen dat het onderzoeksmateriaal wel
zeer bescheiden voorbeelden van taalverruwing bevat. Maar daartegenover kan
worden opgemerkt dat zelfs deze kleine veranderingen (zes variaties op een be-
richt van tweehonderd woorden) al effect sorteren in een doorgaans onverwachte
richting. Ergere voorbeelden zouden dus nog negatievere effecten moeten laten
zien.
Tot slot nog even terug naar het eerste deel van deze bijdrage waarin een defi-
nitie wordt voorgesteld voor taalverruwing ter onderscheiding van andere vormen
van negatief taalgebruik. Benadrukt moet worden dat deze definitie nog voor dis-
cussie vatbaar is: de hierin gebruikte noties als intensiveringen dysfemieblij-
ven in meer of mindere mate problematisch. Maar de hier voorgestelde benade-
ring kan wel de basis vormen voor verdergaand experimenteel onderzoek, al was
het maar omdat zo heel nauwkeurig onderzoeksmateriaal geconstrueerd kan
worden. En uiteraard is er uiteindelijk meer nodig dan verkennend onderzoek
om te bewijzen dat politici er beter aan doen om in het politieke debat het stijl-
middel taalverruwing niet in te zetten, en in voorkomende gevallen dus te blijven
spreken met een blad voor de mond.
41
een verkennend onderzoek naar taalverruwing
Noten
1. Ik dank Carel van Wijk voor zijn aandeel in de onderzoeksopzet en de dataverwerking, en
de redactie van IN en de anonieme reviewer(s) voor het grondige en stimulerende com-
mentaar op een eerdere versie van dit artikel. De onderzoeksresultaten zijn gebaseerd op
het scriptieonderzoek van Brigit Kolen, Politiek en media, een verkennend onderzoek
naar taalverruwing in krantenberichten(Universiteit van Tilburg, mei 2009).
2 De volledige berichten zijn te vinden op: http://www.ad.nl/ad/nl/1002/Showbizz-TV/ar-
ticle/detail/321260/2009/01/21/rsquo-Sesamstraat-wordt-kapot-gemaakt-rsquo.dhtml
en http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2009/01/pino_geslacht_door_npssharia.html.
3 Met nadruk zij opgemerkt dat deze benadering problematisch blijft: hoe wordt de norm
bepaald? Heeft een formulering die normaalis dan geen stijl? Zie hierover onder an-
deren Anbeek & Verhagen (2001) en Renkema (2004). Maar een stilistische analyse kan
heel goed starten met de vraag of een andere formulering ook gebruikt had kunnen
worden, gegeven de context en het doel van de communicatie.
4 Zie http://www.troonrede.nl/archief/2008.shtml.
5 Zie http://www.nu.nl/algemeen/1969570/koenders-pissig-over-flapdrol-marijnissen.
html. De titel van dit bericht luidt dat Koenders pissigis. Hij is niet boos,ofont-
stemd, maar pissig. Dit terzijde: het betrof hier geen formele interruptievan Marij-
nissen, die zijn opmerking maakte vanuit de bankjesen niet in een spreekbeurt in het
debat. Maar het voorbeeld is in de media een eigen leven gaan leiden als interruptie die
door de woordkeus als ongepast wordt of kan worden beschouwd.
6 Zie voor een goed overzicht van analyseschemas en probleemstellingen de appraisal-
site: http://grammatics.com/appraisal/index.html.
7 Het woord schijnt overigens niet nieuw te zijn. Het zou in de negentiende eeuw al op
het Vlaamse platteland gebruikt zijn. Door anderen wordt het gezien als vertaling van
het Engelse head rag, een woord dat in het begin van de twintigste eeuw gebruikt werd
voor de hoofddoek van negroïde vrouwen. Zie ook http://weblogs.nrc.nl/dag/2009/09/
22/%E2%80%98kopvod%E2%80%99-verklaard.
8 Het woord doekoewordt door Surinaamse jongeren gebruikt voor geld, voorname-
lijk in informele situaties.
9 Handelingen Tweede Kamer der Staten Generaal (hierna: Handelingen Tweede Ka-
mer): Opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers. 7 oktober 1997, TK 10, pagina 681
682. Hoewel deze verwijzing hoort bij de officiële Handelingen, is het opmerkelijk dat
de weergave van de woorden van Marijnissen niet gelijk is aan zijn werkelijke uitspraak.
De werkelijke woorden van Marijnissen staan in het citaat. Beeldmateriaal van dit frag-
ment, inclusief de context van de woorden, is te vinden op de website Youtube.com:
http://www.youtube.com/watch?v=WhrsG3ZDfus.
10 Handelingen Tweede Kamer: Walvissenjacht. 8 april 2008, TK 73, pagina 51475148.
11 Handelingen Tweede Kamer: Dynamiek in islamitisch activisme. 6 september 2007, TK
93, pagina 5266. In de discussie over knettergekviel men overigens niet over de pejo-
ratieve informalisering kwektvoor zegt.
12 Ik dank deze observatie aan Trouw-journalist en politiek commentator Willem Breedveld.
13 Ook is het zo dat een opmerking van soortgelijke strekking niet per se kwetsend be-
hoeft te zijn wanneer het taalgebruik past in de context. Denk bijvoorbeeld aan commu-
nicatie tussen twee vrienden, waarin de een quasi-jolig tegen de ander roept: Ben je dat
alweer vergeten? Begin jij nú al te dementeren?
14 Overigens zijn er geen harde bewijzen dat dit type taalgebruik in de politiek toeneemt.
Het kan ook zijn dat er nu meer aandacht aan wordt besteed dan vroeger. Wel is er
42
internationale neerlandistiek
sinds de opkomst van Fortuyn een tendens waarneembaar dat politici geneigd zijn om
directer te formuleren wat zij denken.
15 De Stichting Media-ombudsman is een onafhankelijke stichting die zich inzet voor
journalistieke ethiek en zelfregulering. Zie http://www.media-ombudsman.nl. Met
dank aan Willem Breedveld (), Hans Dijkstal (), Huub Evers, Hans Goslinga, Jan van
Groesen en Redmar Kooistra.
16 In deze tekst is gekozen voor de rechtse oppositie omdat naar het oordeel van gezag-
hebbende journalisten deze maatregel nooit door een linkse oppositie zou kunnen wor-
den voorgesteld.
17 De η
2
is een statistische maat voor de sterkte van een verband. De waarde kan liggen
tussen 0 en 1. Bij conventie wordt een waarde boven .01 een zwak effect genoemd, een
waarde boven .06 een matig effect en een waarde boven .13 een sterk effect.
Bibliografie
Alle genoemde websites in de tekst zijn in oktober 2010 gecontroleerd.
Abu Jaber, K.S., Language and diplomacy. J. Kurbalija et al., Language and diplomacy. Mal-
ta, 2001, 4954.
Allan, K., The connotations of English colour terms: Colour-based X-phemisms.Journal of
Pragmatics 41, (3) 2009, 626637.
Anbeek, T. & A. Verhagen, Over stijl. Neerlandistiek.nl. 01.01. Opgehaald op 3 oktober 2010
van http://www.neerlandistiek.nl/?000004.
Biber, D. & S. Conrad, Register variation: A corpus approach. D. Tannen et al., The hand-
book of discourse analysis. Oxford, 2001, 175196.
Burger, P. & J. de Jong, Handboek stijl. Groningen, 2009.
Casas Gómez, M., Towards a new approach to the linguistic definition of euphemism.
Language Sciences 31, 2009, 725-739.
Cels, S., Dat hoort u mij niet zeggen.Hoe politici u de werkelijkheid voorspiegelen. Amsterdam, 2009.
Davies, N., Flat earth news. An award-winning reporter exposes falsehood, distortion and propaganda
in the global media. Londen, 2008.
Halliday, M.A.K. & C.M.I.M. Matthiessen, An introduction to functional grammar. Londen,
2009.
Kurbalija, J. & H. Slavik, Language and diplomacy. Malta, 2001.
Martin, J.R. & P.R.R. White, The language of evaluation appraisal in English. Londen, 2005.
Multatuli, Max Havelaar, of de koffijveilingen der Nederlandsche handel-maatschappij. Amsterdam,
1860.
Orwell, G., Politics and the English language.The collected essays, journalism and letters of G.
Orwell:In front of your nose (Deel IV, 127-140). Londen, 1968.
Reid, T.B.W., Linguistics, structuralism and philology.Archivum Linguisticum 8, 1956, 28
37.
Renkema, J., Geïntensiveerd taalgebruik: een analyseschema. H. van den Bergh et al.,
Taalgebruik ontrafeld. Dordrecht, 1997, 495505.
Renkema, J., Introduction to discourse studies. Amsterdam, 2004.
Wijk, C. van, J. Renkema & B.M. Kolen, Taalverruwing, experimenten over de invloed van
zender en onderwerp(in voorbereiding).
43
... In die studies zijn de bevindingen tegenstrijdig: uit een aantal studies blijkt dat het gebruik van taalintensiveerders de duidelijkheid van de boodschap verhoogt (McEwen & Greenberg, 1970;Hamilton et al., 1990;Craig & Blankenship, 2011), maar dit effect wordt niet in alle studies gevonden (Den Ouden & Van Wijk, 2007). Dat geldt eveneens voor de overtuigingskracht van taalintensivering: het merendeel van de effectonderzoeken laat een positief effect zien (zie onder anderen Burgoon & Miller, 1971;Hamilton et al., 1990;Hamilton & Stewart, 1993;Rogan & Hammer, 1998;Buller et al., 2000aBuller et al., , 2000bBankhead et al., 2003;Anderson & Blackburn, 2004;Craig & Blankenship, 2011), maar niet in alle effectonderzoeken zijn versterkte boodschappen overtuigender (Carmichael & Cronkhite, 1965;Burgoon & Chase, 1973;Chase & Kelly, 1976;Berney-Reddish & Areni, 2005;Den Ouden & Van Wijk, 2007;Hornikx, Pieper & Schellens, 2008;Renkema, 2011;Hornikx, 2012;Neessen & Hornikx, 2012;Burgers & De Graaf, 2013, studie 1;Mos & Van Wijk, 2013). ...
Article
Full-text available
Powerful language: A literature review on language intensity in four research fields In recent decades, language intensity, intensification and intensifiers are studied in different research fields: in descriptive linguistics, evaluative literature, social psychology and text analytical discourse studies. However, questions raise about the interpretations researchers in those fields have regarding language intensity: their concepts are diverse. First, it is questionable what kind of utterances are strengthened through language intensity: evaluative or descriptive utterances. Secondly, there are differences between the studies whether language intensity only contain strengthening or also weakening elements. Thirdly, the amount in which the meaning of an utterance changes through language intensity is debatable. Lastly, language intensity studies differ in the linguistic elements that are considered as intensifying elements. In this literature review, the research traditions are compared: how is language intensification studied in various fields, where do they contribute and where are the bottlenecks? This article concludes with a proposal for a unified approach to language intensity, intensification and intensifiers as a stylistic phenomenon, in order to carry out more systematic research on this topic in the future.
Article
Full-text available
This paper consists of a revision of the different definitions of euphemism, which, apart from certain restrictive and singular descriptions, can be classified, basically, in two groups: the extralinguistic and the strictly linguistic ones. After a critical-descriptive analysis of these formulations from the standpoints of both lexical semantics and communicative pragmatics, a new theoretical proposal for the linguistic treatment of the euphemistic–dysphemistic phenomenon has been put forward, which starts from a distinction between word taboo or linguistic taboo and concept taboo or conceptual interdiction (strictly speaking, linguistic interdiction). This perspective is based on forbidden conceptual categories or realities and, therefore, gives a broader concept of euphemism, not restricted to the lexical plane, but which goes beyond a simple substitution process. With this new outlook on the phenomenon, towards a cognitive dimension, a final proposal is made for a definition of euphemism that is fuller and truer to its essence, with pragmatic assumptions which are more appropriate to its relative nature, and the basically discursive function of these linguistic processes, since a linguistic expression cannot be directly labelled as euphemistic or dysphemistic; rather, only through a certain context and given situation can the real sense of its intentions and its function as a communicative value be known.
Article
Full-text available
n this paper we explore the possibility of analysing style in literature in a scientifically sound manner, one that may justifiably claim more than subjective validity for the analyses produced. In our view, it is especially the combination of literary and linguistic expertise that holds good prospects in this regard. After a discussion of the reasons why such a combined effort, despite an apparently promising attempt, never really got off the ground in 20th century "Netherlandic Studies", we give a demonstration of viable literary stylistics as we see it, inspired by an approach (developed by Leech and Short) that did achieve a status as a tradition in the English-speaking world. We analyse the style of two fragments from Dutch novelists (Van der Heijden and Voskuil), as well as a pastiche of Voskuil, in a contrastive manner. Finally, we sketch a few ways - some connected directly to the demonstration, some more programmatically - in which the disciplines of literary and linguistic studies may both profit from cooperation in the area of literary stylistics.
Book
This is the first comprehensive account of the Appraisal Framework. The underlying linguistic theory is explained and justified, and the application of this flexible tool, which has been applied to a wide variety of text and discourse analysis issues, is demonstrated throughout by sample text analyses from a range of registers, genres and fields.
Article
This paper investigates the connotations of English colour terms with particular attention to figurative uses of black, white, grey, brown, yellow, red, green, blue and a few miscellaneous colours. The connotations are judged on the basis of whether the phrases in which the colour terms occur are typically orthophemistic, euphemistic, or dysphemistic. All the colours surveyed have some, often many, orthophemistic connotations; euphemistic connotations of colours are rare; but dysphemism is common. Black is used orthophemistically but not euphemistically; it more often has dysphemistic connotations than other colours. It is often connected to darkness (the night), death, decay, and evil deeds. Black has often been used dysphemistically of human skin colour, though it can be orthophemistic. White is in contrast to black and, as such, linked to light and purity; it mostly has positive connotations. Dysphemistic uses depict cowardice and fear; white is rarely used in euphemism. Located on the achromatic scale between black and white, grey is, of course, used for indeterminability and dullness. It gives rise to few figures. The faecal associations of brown lead to several dysphemisms; it is found in no euphemisms and few orthophemisms in figurative speech. In figurative expressions, yellow is dysphemistically used of cowards and cheap paper, and sometimes of Asiatic people. Most figurative expressions, both positive and negative, link red with blood—life-blood, the blood of the slain, or menstrual blood. The colour green is linked to living vegetation; negative connotations arise when it is the colour of illness or jealousy. The negative aspects of figurative uses of blue arise from fear, fighting, despondency, and tabooed language and behaviour. It is arguable that the use of blue to speak about these topics is euphemistic and that uses of blue are rarely dysphemistic. Colour terms such as gold, silver, and platinum derive from the names for valuable metals from which they derive their mostly positive connotations. All figurative uses of colour terms surveyed are, perhaps predictably, based upon the visual attributes of the denotatum. Although individuals may experience synesthesia when encountering colour terms, the language resources demonstrate none. My classification of the connotations of English colour terms reveals networks of associations, but no surprises.
problematisch blijft: hoe wordt de norm bepaald? Heeft een formulering die 'normaal' is dan geen stijl? Zie hierover onder anderen Anbeek & Verhagen Maar een stilistische analyse kan heel goed starten met de vraag of een andere formulering ook gebruikt had kunnen worden
nadruk zij opgemerkt dat deze benadering problematisch blijft: hoe wordt de norm bepaald? Heeft een formulering die 'normaal' is dan geen stijl? Zie hierover onder anderen Anbeek & Verhagen (2001) en Renkema (2004). Maar een stilistische analyse kan heel goed starten met de vraag of een andere formulering ook gebruikt had kunnen worden, gegeven de context en het doel van de communicatie.
Het zou in de negentiende eeuw al op het Vlaamse platteland gebruikt zijn. Door anderen wordt het gezien als vertaling van het Engelse head rag, een woord dat in het begin van de twintigste eeuw gebruikt werd voor de hoofddoek van negroïde vrouwen
  • Het Woord Schijnt Overigens Niet Nieuw Te Zijn
Het woord schijnt overigens niet nieuw te zijn. Het zou in de negentiende eeuw al op het Vlaamse platteland gebruikt zijn. Door anderen wordt het gezien als vertaling van het Engelse head rag, een woord dat in het begin van de twintigste eeuw gebruikt werd voor de hoofddoek van negroïde vrouwen. Zie ook http://weblogs.nrc.nl/dag/2009/09/ 22/%E2%80%98kopvod%E2%80%99-verklaard.