ArticlePDF Available

Literaire polemiek als gevecht tussen spel en ernst: Een exercitie in literaire speltheorie

Authors:

Abstract

This article is a serious exercise in literary game theory, exploring literary polemics from a playful perspective based on the work of Huizinga and Caillois. Often regarded as simply a game, polemics does indeed show all the formal characteristics of play Huizinga stresses; it is a free and gratuitous activity taking place in a clearly demarcated space outside ordinary life and according to strict rules. It shares the essential relation between play and art that Huizinga posits, but also the essential elements of show and competition. Polemics, it is argued here, thus is a form of verbal duelling like courtly flyting and the Black American ritual of sounding. In polemics, however, the rules are not always dear, play space is easily confused with real life and ritual with real insult. The polemicist plays on this ambivalence between play and seriousness, displaying his verbal creativity and confirming his own and his reader’s freedom.
ISSN 0258-2279 LIT ER AT OR 12 No. 1 AprU 1991
Jan Flamend
Uteraire polemiek als gevecht tussen spel en ernst
Een exercitie in literaire speltheorie.
Abstract
This arti cle is a se rious exercis e in literary game th eory, ex ploring li tera ry p olem ics from a playful
perspe ctive base d o n th e w ork of Huizinga and Caillois. Of ten rega rded as simply a g ame, polemics
doe s in deed show all th e f orma l chara cteristi cs o f play Hui zinga stre sses; it is a free and gratu itous
activity t aking pla ce in a c learly dem arca ted space ou tside ord inary life and acc ordin g to stri ct rules.
It sh are s the e ssent ial rela tion b etw een play and art th at Hui zing a posi ts, bu t also th e esse ntia l
ele ments of sh ow a nd co mpet ition. Po lemics , it is arg ued here, thus is a form of verba l duelli ng like
courtly flyting and the Black Ame rican ritual of soundi ng. I n pole mics, howe ver, the ru les are not
always d ear, play spa ce is ea sily c onfu sed with rea l life and ritu al w ith real insult. T he polem icist
pla ys on this am biv alen ce betw een play and serio usn ess , dis playi ng his v erb al cre ativi ty an d
con firmin g his own and his r ead er’s fre edom
1. Inleiding
Het is wellicht voorbarig om te stellen dat de speltheoretische aanpak van literatuur zich
als een specifieke en nieuwe benaderingswijze binnen de literatuurstudie manifesteert.
Niettemin verschijnen er sinds een tiental jaar een opvallend en steeds toenemend aantal
studies die literatuur expliciet vanuit een speltheoretische optiek benaderen. Ik verwijs
enkel naar het juni-nummer uit 1985 van Canadian Review o f Comparative Literature dat
volledig aan "Games and ITieories of Play" gewijd is en dat "An Annotated Bibliography of
Play and Literature" bevat die 208 titels vermeldt. Een aanvuliing op deze bibliografíe die
eerlang in CRCL verschijnt, telt nog eens 120 titels. Het gaat hier minder om een cohe-
rente programmatische aanpak met een gefundeerde methodologische onderbouw, dan v^el
om een mogelijke invalshoek die zich niet alleen als een speels alternatief aandient voor
het gewichtige studiewerk, maar ook zekere hermeneutische pretenties heeft en zijn
theoretische legimitatie onder'anderen vindt in het cultuurfilosofische werk van Johan
Huizinga {Homo ludens), Roger Caillois (Les jeux et les hommes) en anderen. Het is dan
ook niet helemaal duidelijk of men van een literaire speltheorie dan wel van ludieke
literatuurtheorie moet spreken.
Het is niet alleen binnen de literatuurstudie dat met het concept spel gewerkt wordt; men
treft dit ook aan in de wiskunde, de semantiek, de sociologie, de psychotherapie, in
defensiestrategieen, enzoverder. Het gaat hier niet altijd om dezelfde begrippen; termen
als game, play, frame, script enzovoorts worden in de diverse contexten vaak met een heel
eigen betekenis gehanteerd.
11
2. De term spel in de literatuur
Wat betekent het om over literatuur in termen van spel te spreken? Zeer vaak least men
omschrijvingen als "het spel met de lezer", "het spel met betekenissen", "vormenspel",
"literatuur is een spel", "dit is een speelse tekst", "dit is een tekst vol spelletjes". De term
spel wordt hier als een kritische passe-partout gebruikt, op een ongedefinieerde manier, dus
als een weinigzeggende kwalificatie. By nader inzien ligt er echter heel wat geimpliceerd in
dergelijke uitingen. W anneer men zegt "literatuur is een spel", betekent dit zoveel als:
literatuur is een vrijblijvend gebeuren dat zich zelfgenoegzaam, los van de werkelijkheid,
volgens eigen regels voltrekt. Het betekent ook; literatuur is niet ernstig, het behoort niet
tot de orde van het serieuze, het werkelijke. Literatuur bevindt zich in de sfeer van het
aangename, het is een tijdverdrijf, entertainment, er is plezier aan te beleven.
Voortbordurend op Huizinga’s klassieke definitie van spel, waar ik straks op terug kom,
werd een belangrijk onderscheid aangebracht door Roger Callois, namelijk tussen paidia
en ludus. Paidia staat voor improvisatie, fantasie, onbezorgdheid, dat geopponeerd wordt
aan ludus, het beregelde, het gedisciplineerde spel. Het gaat hier duidelijk om een
gradatie, om een meerdere of mindere mate van spelling en beregeldheid. Dit onderscheid
komt ongeveer overeen met het verschil tussen de Engelse termen play en game. De
Nederlandse taal laat dit belangrijke onderscheid niet toe, zoals zal blijken uit Huizingas
spelbegrip dat beide betekenissen contamineert. Het is immers heel wat anders wanneer
men zegt "literatuur is spel" (play) en "literatuur is een spel" (game), en "dit is een literair
spel".
Dit maar om even te wijzen op het confuse statuut van de term spel en de verschillende
betekenissen die hij kan hebben. Dit probleem, de afwezigheid van conceptuele consensus
en methodologische coherentie, wordt in Auctor Ludens. Essays on Play and Literature
(1986) van Gerald Guiness en Andrew Hurley op een speelse en intelligente manier
opgevangen in de globale struktuur. Na een Pre-Lude, waarin een eloquen te Ians
gebroken wordt voor een ludics, worden in een eerste compartiment "Authors at Play" ten
tonele gevoerd, en wel "Playing with the Audience. "Playing with the Canon" en "Playing
with Authorship". Verpozing wordt geboden door een Inter-Lude waarin enkele leuke
Play-Translations opgenomen zijn. H et tw eede deel is gewijd aan "The Games of
Literature" waaronder verstaan wordt "Literature as a Game of Pleasure", "Literature and
Role-Playing" en "Literature as Essential Play". Net als in het eerste deel worden deze
hoofdingen vertegenwoordigd door telkens twee exemplarische case-studies. In een Post-
Lude wordt het de potentiele recensent van deze bundel zeer gemakkelijk gemaakt door
een recapitulatie die meteen een voortreffelijke voorstelling van het boek is en die résumês
van de respektievelijke artikels in het globale opzet kadert. Ook met de conventies van de
literatuurwetenschappelijke essaybundel kan gespeeld worden.
Waar de veelzijdigheid casu quo vaagheid van een literair spelbegrip doorgaans als een
probleem ervaren wordt, is het hier precies de polyvalente onbestemdheid van de term die
gecelebreerd wordt. Een passender apologie voor het spelelement in de literatuur(studie)
kan men zich moeilijk voorstellen, en ook in het in dit boek gevoerde kritische discours
wordt dat spelelement op enthousiaste wijze aan het werk getoond. In een eerste prelude
"From Spells to Spills", heeft Gerald Guiness (1986) het over de "very origins of poetry in
magic and play" en huldigt hij poëzie als "the gratuitous expenditure of energy". Het
spelelement in de literatuur staat in het teken van het pleasure-principle, de levenbrengende
exuberantie, het subversieve van het zelfgenoegzaam speelse en willekeurige. Ook
12
concrete literaire spelen en spelvormen worden beschreven, in de toneeltheorie van Bertolt
Brecht, in Chaucers "The Miller’s Tale", in Borges’ metafictionele mystificaties, in de
barokke liefdespzie, de volkse komedies, in T.S. Eliots "The Love Song of J. Alfred
Prufrock", in Beckets’ latere stukken, in de ideeën van het Collêge de Pataphysique.
Echt overtuigend is het niet altijd, vaak komt men nict verder dan een enthousiaste nieuwe
retoriek die vaardig met het spelbegrip en verwante termen speelt maar geen wezenlijk
andere inzichten in de behandelde teksten schept. De uitgevers van de bundel zijn zich
hiervan bewust, maar beloven beterschap - "our infant science of ludics will increasingly
concern itself as it comes of age". Wellicht hebben we een volwassen theorie nodig. In wat
hieronder voIgt, zal ik een konkrete poging ondememen om een welbepaald fenomeen uit
de literatuur op een spelmatige manier te benaderen.
3. De ambivalente aard van het spel
Het is opvallend hoe vaak het woord spel valt wanneer er sprake is van polemiek. Het is
een spel, het is maar een spel, zo heet het. Het is vicieuze scherts, een wrede vorm van
volksvermaak, zonder enige reele impact. Er wordt weinig meer in gedaan dan de lezer
een rad voor de ogen te draaien, daze is een welwillende toeschouwer bij een schijnverto-
ning waar slachtoffer en aanvaller onder één hoedje spelen. Zoiets als kermisboksen of
Franse catch. Het is toch maar voor de gein. Polemiek is een ongewaardeerde tak van de
literaire sport, die zich tot een heuse discipline wil ontplooien. Wanneer in dergelijke
reacties polemiek een spel genoemd wordt, wil men vooral zeggen: het is niet ernstig.
Wat is spel en wat is ernst? We gaan bij Johan Huizinga’s Homo ludens (1940) te rade. Dit
is een breed opgezette cultuurfilosofische studie waarin de bekende Nederlandse historicus
het spelelement als een onherleidbare oerfenomeen in de cultuur analyseert. Het uit-
gangspunt is even eenvoudig als fundamenteel: de menselijke beschaving komt op,
ontplooit zich in spel, als spel, cultuur is spel. Cultuur en beschaving kunnen niet anders
dan sub specie ludi beschouwd worden. Spel is overal, van in het begin aanwezig, als een
kwaliteit van het handelen, in de mythus, in de cultus, in de ritus. Menselijk spel is een zin-
rijke en cultuurscheppende functie, het is niet zomaar het tegengestelde van emst, het is
meer dan louter speelsheid. Dit is de klassiek geworden deflnitie van spel, de samenvatting
van de formele kenmerken:
... een vrije hand cling , die als "niet ge me end ' en bui ten bet ge won e leven sta and e bew ust is, die
nie ttem in d en spe ler g eheel in bcsl ag kan nem en, wa araan g een direc t mate rieel belan g ver bond en is,
of nut verw orven wo rdt, die zich bin nen ee n op zetteli jk be paa lde tijd e n r uim te voltre kt, die naa r
be paal de reg els orde lijk verloo pt, en gem een scha psba nden in het leven roe pt, die zich gaa rne m et
ge heim om rin gen of do or ver momm ing als an ders d an de g ewo ne ge won e w erel d acc entue ren
(Hu izinga, 1940:20).
En op deze manier doet het spel zich concreet voor:
H et spe l is ee n kam p om iet s, of e en ver too nin g van ie ts. D cz e be ide fun cti es kun ne n zich
veree nigen , in dicr voege, dat het spel een strijden om "iets" verto ont, of wel een wedstrijd is, wie iets
he t bes t kan wee rgcven (Hu izinga, 1940:20).
De deelname aan, het toetreden tot het spel is vrij. Spel valt buiten het "gewone", het
"eigenlijke" leven, de feitelijke werkelijkheid. Met de intrede in het spel, stapt men uit het
dagelijkse leven in een tijdelijke sfeer van activiteit met een eigen strekking. In deze
13
hoedanigheid is het als geregeld terugkerende afwisseling een noodzakelijk complement
van het leven.
4. Spelbreker en valsspeler
Spel wordt gekenmerkt door afgeslotenheid en begrensdheid, binnen welbepaalde grenzen
van tijd en niim te (de speelruimte) kent het zijn volkomen zelfgenoegzaam verloop, met
een eigen en volstrekte orde. Het beregeld karakter is uitermate belangrijk, de spelregels
zijn absoluut bindend. Huizinga maakt hier een interessant onderscheid tussen spelbreker
en valsspeler. De inbreuk van de spelbreker betreft niet de regels binnen het spel maar de
conventie van het spel zelf, namelijk de impliciete afspraak dat het een spel is, waarbij de
deelnemers zich bereid verklaard hebben de spelillusie te bewaren. De spelsolidariteit
gebiedt de deelnemers de precaire conventie van het "niet gemeend" zijn te respecteren.
Waar de spelbreker met uitstoting gesanctioneerd wordt, wordt de valsspeler binne het spel
zelf gestraft. De valsspeler ontziet de afspraak van het niet-doorbreken van de spelillusie,
hij neemt echter een loopje met de regels binnen het spel. Naargelang van de ernst en de
aard van het valsspelen zijn er welbepaalde sancties, waaronder ook uitsluiting wanneer de
inbreuk dermate ernstig is dat het spelkarakter aangetast is. Een belangrijk aspect van het
spel is immers de groepvormende kracht ervan, het gemeenschapsstichtende karakter. Een
spelgemeenschap is en doet (even) anders. Tenslotte, het spel boeit, het is spannend,
opslorpend, men is in de ban van het spel (Eco, 1985:283-300).
Dit zijn de formele kenmerken en Huizinga maakt uitgebreide antropologische excursies
om het spelkarakter van de archaïsche cultushandeling, de cultuurscheppende functie van
het agonale spel, enzovoort aan te tonen. Oorlogvoeren, schimptoernooien, rechtspraak,
sportcompetitie, wijsgerige debatten, toneelvoOrstellingen, het zijn zovele verschijnings-
vormen van het spelelement in de cultuur. Voor Huizinga zijn het bewijzen van de
levenskracht van een beschaving.
Spel is een aangeboren functie die de mens tot het hogere activeert, vandaar het wezenlijke
verband tussen spel en kunst. Het dichten is in de spelsfeer geboren:
Poiesis is ee n s pelfu nctie . Zij vindt plaals in een sp eelru imte van den gee st in een eige n w ereld, die
de g eest zic h schept, waa rin de ding en een an der ge laat hebbe n d an in h et "gewone” leve n, en door
an dere band en dan logisch e aan elk ande r verbo nden zijn (Huizinga, 1940:175).
In een bloeiende beschaving heeft de dichtkunst een sociale, sacrale en esthetische functie.
le de re oud e dic htk uns t is al te sa me n en te gcl ijker tijd cul tus, fe cstve rm aak, g eze lscha pss pel ,
ku nstvaardi ghei d, proe fstuk- of r aads elopga ve, wijze lee ring, over redin g, betoo veri ng, waarze gging,
pro feti e, w edkamp (Hu izinga , 1940:176-177 ).
Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat dichtkunst bestaat uit "een nauwkeurig
om schreven code van spelregels, in strikt systeem, met dwingende geldigheid, doch
eindeloze mogelijkheid van variatie" (Huizinga, 1940:198).
Ook het toneel als bewuste literaire praktijk is uit dezelfde culturiserende spelhouding
geboren. Meer dan elders wijst hier het woordgebruik op het spelkarakter: een toneelspel
wordt gespeeld door spelers, het toneel is een vertoning van iets. Net als de archaische
ritushandeling is het een gemeenscháppelijk gebeuren dat zich buiten de normale gang van
zaken voltrekt, in een welbepaalde speelruimte, waarbij alle betrokkenen het bewust
14
illusoire karakter respecteren. (Het is hier dat Brecht met zijn vervreemdingseffect roet in
het eten komt werpen.)
5. Spel als een competitie
Spel iieeft vaak de vorm van een wedkamp, in het agonale spel staat het competitiemoment
centraal. De deelnemers zijn (min of meer) aan eikaar gewaagde tegenstanders die elkaar
in een welbepaalde discipline de loef willen afsteken. Om te overwinnen moet men de
ander overtreffen in vaardigheid, moed, vernuft of kracht. De beste, de knapste, de snelste,
de meest begaafde wordt gelauwerd, waardoor zijn sociaal aanzien sterk verbeterd wordt.
Het schimptoernooi, de smaad- of tartwedstrijd die bestaat in het "smalen van den
tegenstander", is een dergelijke discipline, die Huizinga in tal van culturen aantreft. De
Arabische monafara en mofakhara, de liederenkampen bij de Groenlandse Eskimo’s, de
mannjafnaor in de Oudnoorse literatuur, de openbare schimp- en plaagliederen die deel
uitmaakten van de Demeter- en Dionysusfeesten zijn zovele voorbeelden van de "grieven-
den woordenstrijd". "De agon bestaat hier bijna geheel in het streven, elkaar in uitgezochte
smaadredenen te overtreffen en de baas te blijven" (Huizinga, 1940:124). Ook in de hoge
sfeer van het filosofische debat wordt de polemiek niet geschuwd:
V oor a lles wat s op hist of rh eto r heet , is ni et de zu cht na ar w aarh cid , ma ar h et pe rso onl ijke
individucle ge lijk-hcb bcn ric htsno cr en do cl. H et is dc archaische hou ding van de n w edkam p, die
hen bczielt (Hui/ .inga, 1940:225).
Polemiek is dus van alle tijden, het ontspruit aan de menselijke lust tot spelen, aan zijn
fundamenteel agonale instelling, en aan zijn zucht tot excelleren. In dit geval komt dat
neer op het zo voortreffelijk mogelijk honen van de tegenspeler. Als we het elkaar
beschimpen, het verbaal duelleren dat polemiek in wezen is, een spel noemen, moet dat
ook aan de formele definitie van spel beantwoorden.
Een ab.solute voorwaarde om van een spelstructuur te kunnen spreken, is de bereidheid
van de deelnemers om zich als spelers van dat spel te gedragen. Dit betekent dat ze be-
paalde rollen en functies zullen vervullen en dat ze bepaalde regels zullen volgen die alleen
binnen de spelcontext geldig zijn. Dit is het cooperatie-principe, dat het noodzakelijke "fic-
tieve" kader creeert en dat een interactionele arena schept waarbinnen het competitieve
spel zich kan afspelen. De spelers presenteren zich als antagonisten waarbij één van beide
als overwinnaar uit het strijdperk te voorschijn zal treden. Deze zal dan na afloop groter
sociaal aanzien genieten omdat hij er blijk van gegeven heeft te excelleren in een sociaal
gelegimiteerde activiteit. Bij het verbaal duelleren is de spelconventie evenwel zeer
precair omdat de schreef tussen geritualiseerde en persoonlijke beledigingen zeer nauw is.
6. Het verbale duel
Binnen het algemeen menselijke verschijnsel van het verbaal duelleren kan men een
gradatie vaststellen van informele gesprekssituaties waarbinnen terloops en spelenderwijs
verwijten en beledigingen uitgewisseld worden, naar expliciete en geritualiseerde contexten
waarbinnen het verbale duel een geformaliseerd patroon volgt. Een voorbeeld van het
eerste, impliciete type is het schertsende en ironische gebruik van bepaalde aansprekingen,
waarop de aangesprokene met een gelijkaardige, minstens even inventieve aanspreking
15
moet antwoorden. Een voorbeeld van het geforraaliseerde type is de zogenaamde flyting,
een in versvorm gestelde scheldkamp tussen ridders die het gewapende treffen voorafgaat.
In tal van epische verhalen, in de Mas, de Odysseia, de Beowulf, Karel en de Elegast, treft
men dit stramien aan. V ooraleer ze de degens, zwaarden of lansen kruisen, testen de
koene heren elkaars weerbaarheid en koelbloedigheid op een verbale manier uit. Naast
deze concrete martiale functie heeft de flyting vooral een ceremoniële en symbolische wer-
king. H et is onderdeel van ’n krijgerskode die zegt dat de persoonlijke eer zowel met de
woorden als met de wapens gewroken moet worden (Parks, 1986:292-306).
Een andere, maar mindere bloedige uitwisseling van speelse vijandelijkheden vinden we in
het amorous agon of erotic flyting. Dit is een vast onderdeel in talrijke araoureuze comedies
en in de barokke liefdespoëzie. Het bestaat erin dat beide geliefden, elk nog onzeker over
de ware gevoelens van de ander, doen ze of ze elkaar niet kunnen luchten en het dan ook
niet nalaten elkaar met venijnige opmerkinge te belagen. Dit gesofisticeerde spel van
aantrekken en afstoten fungeert trouwens als een test van de potentiele partner, die zich
een waardige opponent(e) moet tonen voor de ware strijd tussen de sexen die het huwelijk
is (Warnke, 1986:99-112).
De moderne Nederlandse column scene kan zonder veel moeite in de traditie van het
verbale duel geplaatst worden. Het is een publiek forum van debat waar polemieken
uitgevochten worden over de meest uiteenlopende, op dat ogenblik binnen de breedmaat-
schappelijke discussie aan de orde zijnde, onderwerpen. Het strijdlustige en invectieve
karakter van de debatwijze verhoogt de amusementswaarde van het genre.
Om het spelkarakter van deze en andere vormen van het verbale duel concreet aan te
tonen, ga ik wat dieper in op de rituele scheldpartijen tussen zwarten in het New Yorkse
ghetto. Ik baseer me hier op de studie van de Amerikaanse sociolinguist William Labov -
Rules for ritual insults (1976:297-353) - waarin hij het fenomeen sounding of playing the
dozens beschrijft. H et gaat hier om ’n geritualiseerd schimpspel dat een vrij strakke
structuur heeft, met vaste sekwentieregels en gestereotypeerde begin- en vervolgregels.
Een concreet voorbeeld van rijmende coupletten, waarbij telkens een andere speler aan
het woord is die als repliek een minstens even spits dozen moet produceren:
I h ate to talk abou t you r mo ther , she ’s a g ood old soul
She got a te n-to n pu ssy an d a rubb er a sshole
Fu cked your m oth er in the ear
An d when I cam e ou t she s aid: Buy m e a beer
iro n is iron , an d steel do n’t rust
But y our mo mma g ot a pussy like a Grey hou nd B us
Fu cked hi s mo the r an a red -hot hea ter
I m issed her c unt ’n’ bu rned my p eter.
Het patroon dat hier gevolgd wordt is dat van een onwaarschijnlijke obsceniteit die in rijm-
vorm gegoten wordt. De winnaar is degene die over de rijkste voorraad dozens beschikt en
zo de andere kan overtreffen in verbale begaafdheid en inventiviteit. Belangrijk is de
aanwezigheid van een derde partij, het publiek dat elke dozen onmiddellijk evalueert door
luidruchtige bijval of afkeuring. Ook in de andere vormen van sounding, die een minder
geelaboreerde maar evenzeer een vaste structuur hebben, is de moeder van de tegenstrever
het voorwerp van bizarre kwalificaties. Een standaardvariabele is de vergelijking van het
volgende type:
16
Yo ur m oth er so o ld she got spider w ebs u nder h er ar ms
Yo ur m oth er so old she can stretc h h er hand and lick o ut h er ass
Yo ur m othe r so skinny she d o the hula h oop in a Applejack
Yo ur m oth er so skinny she ice- skate on a ra zor b lade
Dit, en zovele andere voorbeelden die Labov geeft, zijn rituele en onpersoonlijke
beledigingen. Alle deelnemers zijn het er over eens dat het gebeuren zich in de sfeer van
het "fictieve" afspeelt, in de afgesproken "speelruimte". H et spanningselement wordt
gecreeerd door de onzekere afloop, de vraag wie als winnaar uit het strijdperk zal treden.
Labov noteert dat sounding als ritueel gebeuren een belangrijke groepsvormende functie
heeft. Mogelijke rle spanningen en conflicten worden vermeden door ze af te leiden
naar de spelsfeer waar ze op fictieve manier beslecht worden. Vandaar de noodzaak
vergezochte en bizarre varianten op het eens aangenomen stramien te zoeken. Reële of
waargebeurde thema’s komen niet ter sprake. Deze zouden als persoonlijke beledigingen
geinterpreteerd kunnen worden en een dergelijke breuk met het spelpatroon wordt meteen
gesanctioneerd door het publiek. Het staat de aangevallene niet vrij om met een dozen te
reageren op een echte belediging, hij zal de aantijging moeten ontkennen of verzachten.
Deze sekwentie is echter niet in het spelscenario opgenomen. Gezien de sterk ontwikkelde
spelcompetentie bij spelers en publiek wordt elke overtreding van de impliciet aanvaarde
spelregels meteen scherp aangevoeld. Men bevindt zich dan duidelijk niet meer in de
speelruimte, maar in een contaminatie van het gewone leven, waar uitspraken over de
feiten worden gedaan en waar een dergelijk conflict bijvoorbeeld door een heuse
vechtpartij beslecht wordt.
Is alle polemiek spel, is polemiek altijd spel? Ik denk dat het polemische moment dat in
elke intersubjectieve bejegening vervat ligt, hoe info rmed of geritualiseerd deze ook
geverbaliseerd is, voortdurend twijfelt tussen spel en ernst. Het is uit deze onzekerheid dat
een bepaalde spanning geboren wordt, die van elk menselijk samenleven een uiterst hache-
lijke zaak maakt. Problemen duiken op wanneer het spelkader verward wordt met het
reële kader, wanneer bijvoorbeeld de intentie van een bepaalde uitspraak vanuit het eerste
kader gebeurt en de interpretatie van die uitspraak vanuit het tweede kader. In feite komt
het neer op een ongelijkheid in spelcompetentie tussen de deelnemers, waarbij men het
niet eens is over de spelregels en de aard van de speelruimte. Heel handige spelers kunnen
zich ongrijpbaar maken door de strekking van hun woorden in het ongewisse te laten. Veel
polemisten spelen hun spel op de dunne schreef tussen spel en ernst. Zij kunnen er zich al
tijd op beroepen dat ze opereren vanuit de speelruimte "literaire polemiek” waar schelden
en tieren toegelaten is en waar het regel is op de man en niet op de bal te spelen. Wie daar
aanstoot aan neemt, is een dommerik die niets van het spel begrepen heeft. Minister
Brinkman byvoorbeeld heeft zijn spelincom petentie duidelijk te kennen gegeven door
Hugo Brandt Corstius de P.C. Hooft-prijs te weigeren. Of gaat het hier om een sanctie die
Brandt Corstius te beurt valt omdat hij zich té ver uit zijn speelterrein gewaagd heeft?
7. Verbale creativiteit
Het spel met het precaire onderscheid tussen spel en ernst is zeer duidelijk bij het literaire
schelden (De Vooys, 1947:286-292; Jansen, 1984:6-15; Jansen, 1985). De bedoeling die de
spreker voor ogen staat bij het verrichten van de taaldaad schelden is het kwetsen van een
17
welbepaalde tegenstander, hem vernederen, hem in de ogen van aanhoorders bespottelijk
maken, en op die wijze over hem triomferen. De bedoeling kan bezwaarlijk als speels of
vrijblijvend geinterpreteerd worden. De al dan niet gelegitimeerde woede van de spreker
maakt dat zijn woorden serieus genomen moeten worden. H et schelden kan geslaagd
heten wanneer de tegenstander zich er bij neerlegt op die manier genoemd te worden. De
pejoratieve persoonsaanduidingen die scheldwoorden zijn, hebben een reguierende functie.
Enerzijds zijn ze bedoeld om afwijkende personen te corrigeren, anderzijds dragen ze er
toe bij om personen als blijvend afwijkend te bestempelen. Zo verkrijgt men een
rechtvaardige grond om ze uit de groep te stoten. Ik heb er al op gewezen dat de polemist
zijn woede als gelegimiteerd voorstelt en dat zijn speelterrein dat van de literaire polemiek
is. Zijn literair zelfrespect gebiedt hem op een stilistisch verantwoorde wijze te schelden.
Hij moet evenzeer in de ogen van zijn tegenstander als in de ogen van het publiek
uitblinken in verbale creativiteit. Zijn invectiva moeten respect afdwingen door en voor het
literaire talent dat er achter zit. Schelden wordt een middel, het is geen doel meer op zich.
De polemist blijft natuurlijk nog spelend op de conventies van de taaldaad schelden, maar
het is nu onderdeel geworden van een literair spel.
Binnen de literaire polem iek zijn er talloze overgangen tussen schelden, spotten en
schertsen: van de bitterste haat tot de onschuldigste geestigheid. Het veredelde schelden
past in een scheldcultuur, waar scheldwoorden snel hun beledigende kracht verliezen en
waar scheldwoordvondsten hoog gewaardeerd worden. Zo worden scheldwoorden van hun
realistische impact ontdaan en komen we in de sfeer van die scheldwedkamp terecht waar
de deelnemers met elkaar wedijveren om zo spits en zo bizar mogelijke varianten te produ-
8. Polemiek als spel en emst
Het merkwaardige bij de polemiek is dat het inderdaad een spel is, maar dat het de pole
mist tegelijk bloedige ernst is. Er is de onvermijdelijke ludieke inslag, het elegante stijlspel.
Een polemiek moet onderhoudend zijn, het is entertainment. Er is tevens de superieure
ironie waarmee de polemist zijn spel speelt en die hem in staat stelt er zich met de stoutste
en gekste boutaden van af te maken. Grijs (1984) heeft eens de 'Tien gouden regels voor
de beginnende columnist" opgesteld, die hij als volgt afrondt;
Als cen bcg innc nd colum nist zich niet ho udt aan de T ien Go uden R egels, dan kan Ik hem he laas niel
he t gen ocge n en de e er d oen om ee n zo gena amde "polemiek " te beginn en.
Voor de lezer mag er dan wel veel plezier te beleven zijn aan de al dan niet gespeelde
colëre littéraire, voor de polemist gaat het uiteindelijk om heel serieuze dingen. Voor
iemand als Brouwers bijvoorbeeld is polemiseren een zaak van lijfsbehoud. Vanuit zijn
militant estheticisme gaat hij tekeer tegen alles wat zijn literaire hygiëne, meer nog, zijn
persoonlijk schoonheidsideaal bedreigt. Voor hem is polemiek oorlog, een strijd op leven
en dood.
Ik besluit deze beschouwingen over de ambivalente positie van polemiek tussen spel en
ernst met een citaat van Paul de Wispelaere die het agressieve en de menselijke betrokken-
heid aan de pool van de ernst plaatst en het artistieke vrijblijvend esthetische in de sfeer
van het spel situeert.
18
Dc polc mick wo rdt hct zu iversl ge note n dcx)r dc Icze r di e, o p h el evc nwichls punt tus sen afkc cr en
fascinatic, cn zich van dc spann ing v an d at ev cnwich lspunt bewusl, in dc inte llcctu cle beheersin g van
hcl spe l e n dc affecti cvc beh eer sing van de ernst, zijn eigc n vrijh eid 6n lege novc r d c polcm isl én
icg cno ver hc l slac hlof fcr bevesli gt. In de ze bev estigi ng van h un res pectie ve vrij heid o ntm oeten
polc micus cn lezcr clkaar: oog in oog. (D c Wispelaere , 1970:99.)
9. Bibliografie
De Vooys, C.G .N. 1947. Sc heldn amcn, spoln amcn en vieinam en. In; Verzam elde laa lkundige opstellen.
Dcr deb und el. p. 286-292.
Dc Wisp elaere , P. 1969-1970. Paul-tegenpaiil. ’s Graven hage; Nijgh & Va n Ditm ar.
Eco, Umberto . 1985. In leiding lot//o mo /ud c/i.!, Huizin ga e il giaca. (In; Siigli sp eed e allri saggri,
p. 283-300.)
Guine ss, G . & Hurl ey, A. (red,s.) 1986. Aiic lor ludcns: Essays on pla y and literature.
Ph iladelp hia/Am sterdam : J ohn William s
Huizing a, J. 1940, Hom olit dens . Proevc eencr bepaling van het spelelemeiU der cultuur. Twe ede, herzicn c
druk.
Jan.sen, F. 1984. Sche lden op e migra nten. Holla nds M aandb lad, 442;6-15.
.lans en, F. 1985. Van A pek op lo t Zielcpoot. Ho e men se elk aar typeren.
Labov, W . 1976. Rule s for ri tual insults. In; Language in the inner city.
Wa rnke, C fr. F. 1986. Amo rous agon, e rotic flyting; some p laymotifs in the lit eratu re o f love.
In: Guiness, G . & Hurle y, A. (ed. ) Auctor ludens: Essay s on pl ay an d literature.
Ph iladelp hia/ Ams terdam : J ohn Williams, p. 99-112.
K.U. l^euven
19
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
(red,s.) 1986. Aiiclor ludcns: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam : John Williams Huizinga, J. 1940, H om olitdens
  • G Guiness
  • A Hurley
Guiness, G. & Hurley, A. (red,s.) 1986. Aiiclor ludcns: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam : John Williams Huizinga, J. 1940, H om olitdens. Proevc eencr bepaling van het spelelemeiU der cultuur. Tweede, herzicnc druk.
Schelden op emigranten. Hollands Maandblad, 442;6-15. .lansen, F. 1985. Van A pekop lot Zielcpoot
  • Jan
  • F Sen
Jan.sen, F. 1984. Schelden op emigranten. Hollands Maandblad, 442;6-15. .lansen, F. 1985. Van A pekop lot Zielcpoot. Hoe mense elkaar typeren.
Scheldnamcn, spolnam cn en vieinamen. In; Verzamelde laalkundige opstellen. D crdebundel
  • C G N De Vooys
De Vooys, C.G.N. 1947. Scheldnamcn, spolnam cn en vieinamen. In; Verzamelde laalkundige opstellen. D crdebundel. p. 286-292.
Paul-tegenpaiil. 's Gravenhage
  • W Dc
  • P Ispelaere
Dc W ispelaere, P. 1969-1970. Paul-tegenpaiil. 's Gravenhage; Nijgh & Van D itmar.
Rules for ritual insults. In; Language in the inner city
  • W Labov
Labov, W. 1976. Rules for ritual insults. In; Language in the inner city.
A morous agon, erotic flyting; some playmotifs in the literature of love Auctor ludens: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam
  • W Arnke
W arnke, Cfr. F. 1986. A morous agon, erotic flyting; some playmotifs in the literature of love. In: Guiness, G. & Hurley, A. (ed.) Auctor ludens: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam : John Williams, p. 99-112.
Inleiding lot//om o/udc/i.!, Huizinga e il giaca. (In; Siigli speed e allri saggri
  • U Eco
  • Berto
Eco, U m berto. 1985. Inleiding lot//om o/udc/i.!, Huizinga e il giaca. (In; Siigli speed e allri saggri, p. 283-300.)
Aiiclor ludcns: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam : John Williams Huizinga, J. 1940, H om olitdens. Proevc eencr bepaling van het spelelemeiU der cultuur. Tweede
  • G Guiness
  • A Hurley
Guiness, G. & Hurley, A. (red,s.) 1986. Aiiclor ludcns: Essays on play and literature. Philadelphia/A m sterdam : John Williams Huizinga, J. 1940, H om olitdens. Proevc eencr bepaling van het spelelemeiU der cultuur. Tweede, herzicnc druk.
  • Jan Sen
Jan.sen, F. 1984. Schelden op emigranten. Hollands Maandblad, 442;6-15.
Van A pekop lot Zielcpoot. Hoe mense elkaar typeren
  • F Lansen
lansen, F. 1985. Van A pekop lot Zielcpoot. Hoe mense elkaar typeren.