ArticlePDF Available

Twee nieuwe citroenzweefvliegen voor Nederland: Xanthogramma dives en X. stackelbergi (Diptera: Syrphidae).

Authors:

Abstract and Figures

Xanthogramma dives and X. stackelbergi new to the Netherlands (Diptera: Syrphidae). Xanthogramma pedissequum is not as easy recognisable as we thought. In the Netherlands two other species, X. dives (Rondani, 1857) and X. stackelbergi Violovitsj, 1975, were found within the material. This paper describes the characters for identification of the three species, and discusses their distribution and ecology in the Netherlands. Xanthogramma dives is a very rare species mainly in the southern parts of the Netherlands. Xanthogramma stackelbergi is a rather rare species in the eastern parts of the Netherlands. The flight period and habitat of X. dives seem to be similar to those of X. pedissequum, whereas X. stackelbergi is mainly a forest species flying strictly during summer. A key to separate the species is given.
Content may be subject to copyright.
   . x a ntho gr a mm a div es  x. stacke lbergi    

De gewone citroenzweefvlieg Xanthogramma
pedissequum (Harris, ) is een fraaie zwart en
felgeel getekende zweefvlieg (fig. ). De soort
komt
in Zuid- en Midden-Nederland algemeen voor
(Reemer et al. ). De vlieg heeft een helder-
gele streep op de zijrand van het scutum (borst-
stukrug) en gele vlekkenparen op tergieten -.
De gele zijvlekken op tergiet  zijn driehoekig
van vorm. De verwante, eveneens in Nederland
voorkomende streepcitroenzweefvlieg X. citro-
fasciatum (De Geer, ) (fig. ) heeft geheel
gele achterschenen (met zwarte ring bij
    :
xanthogramma dive s  x. stackel berg i (: )
Wouter van Steenis, Sander Bot & Aat Barendregt
De gewone citroenzweefvlieg Xanthogramma pedissequum is een eenvoudig te
herkennen zweefvlieg. Tenminste, dat dachten we tot voor kort. Nu blijkt dat de bijna
identieke X. dives en X. stackelbergi ook in Nederland rondvliegen. Gelukkig zijn er
enkele kenmerken waarmee deze drie soorten citroenzweefvlieg in het veld redelijk
herkenbaar blijken. In dit artikel bespreken we deze kenmerken en geven we informatie
over verspreiding en vliegtijden van de drie soorten.
X. pedissequum) en het vlekkenpaar op tergiet 
is streepvormig (driehoekig bij X. pedissequum).
Uit Centraal- en Noord-Europa zijn recent twee
sterk op X. pedissequum lijkende soorten gemeld,
namelijk X. dives (Rondani, ) (Speight &
Sommaggio ) en X. stackelbergi (Violovitsh,
) (Haarto & Kerppola ).
Tot voor kort was slecht bekend hoe X. dives en
X. stackelbergi van X. pedissequum onderscheiden
kunnen worden. Barendregt () heeft gepro-
beerd het Nederlandse materiaal te sorteren, en
hij kwam tot een indeling in drie soorten die
Figuur . Streepcitroenzweefvlieg Xanthogramma
citrofasciatum, .., Doalkensberg.
Foto Sandra Lamberts.
Figure . Xanthogramma citrofasciatum, ..,
Doalkensberg. Photo Sandra Lamberts.
Figuur . Gewone citroenzweefvlieg Xanthogramma
pedissequum, .., Vlaardingen.
Foto Joram de Gans.
Figure . Xanthogramma pedissequum, . .  ,
Vlaardingen. Photo Joram de Gans.
     
kunnen doorgronden. Alle gecontroleerde dieren
zijn opgenomen in het zweefvliegenbestand onder
beheer van  Kenniscentrum Insecten. Op basis
van het aangevulde bestand zijn verspreidings-
kaarten en vliegtijddiagrammen gemaakt.
 
De naamgeving van lichaamsdelen is grotendeels
volgens Oosterbroek et al. (). Waar zij alleen
een wetenschappelijke term gebruiken, terwijl tot
nu toe in de Nederlandse zweefvliegenstudie een
Nederlandse benaming gangbaar was, geven we
de Nederlandse benaming de eerste keer tussen
haakjes (Barendregt , Verlinden ).
Oosterbroek et al. () geven geen termen voor
het achterlijf. Daar volgen we Verlinden ().
Termen die in bovenstaande literatuur niet
worden genoemd zijn in de tekst toegelicht.
Voorhoofd De hoeveelheid zwart op het voor-
hoofd (met meer of minder geel) is een variabel
kenmerk, maar redelijk bruikbaar om een idee te
krijgen. Bij de vrouwtjes zit hierin minder overlap
dan bij de mannetjes.
Borststuk Het aantal en de helderheid van de gele
vlekken op de zijkant van het borststuk varieert
van twee tot vier.
Onderste calypter De kleur van de haren op de
onderste calypter (tussen vleugel en borststuk).
Plumule Harig uitsteeksel schuin achter-onder de
vleugelinplanting, typerend voor zweefvliegen
(McAlpine ), de beharing is geelwit of bruin
tot donkerbruin.
Beharing vleugel De hoeveelheid microtrichia
(heel kleine haartjes) op vleugel is vrij variabel.
Het gedeelte van cel bm zonder microtrichia is
het meest constant, hoewel tussen de drie soorten
duidelijke overlap zit.
Kleuring vleugel De hoeveelheid zwartkleuring
achter het pterostigma (stigma) is duidelijk ver-
schillend. Alle drie de soorten hebben achter het
pterostigma een zwarte vlek over de volle breedte
van cel r. In cel r+ strekt de zwarte vlek zich
uit tot maximaal , keer de celbreedte. De zwart-
kleuring van de vleugeltop kan duidelijk zijn of
voorlopig als A, B en C werden aangeduid.
In aanloop naar het boek De Nederlandse zweef-
vliegen (Reemer et al. ) is opnieuw naar het
Nederlandse materiaal gekeken (Smit ).
Conclusie van Smit was dat eerder gepubliceerde
verschillen betrekking zouden hebben op variatie
binnen X. pedissequum en zodoende zijn alle
exemplaren in De Nederlandse Zweefvliegen
opgenomen onder deze naam (Reemer et al. ).
Door de discussie over status van de verschillende
soorten is overigens vergeten de exemplaren van
de musea in Leiden en Amsterdam (nu allemaal
in Naturalis) op te nemen voor dit boek.
Op  juni  ving de tweede auteur een af-
wijkend exemplaar van X. pedissequum in de ge-
meente Dinkelland, Overijssel (www.waarneming.
nl). Deze waarneming, in combinatie met nieuwe
kenmerken uit recente literatuur (Bartsch et al.
, Speight & Sommaggio ) brachten ons
er toe het nog één keer te proberen: is het moge-
lijk om X. dives, X. stackelbergi en X. pedissequum
te onderscheiden en zo ja, welke soorten komen
in Nederland voor?
  
Nederlandse vliegen die tot nu toe als
X. pedissequum gedetermineerd zijn, zijn opnieuw
bekeken. Hiertoe zijn de collecties van het
Naturalis Biodiversity Center () te Leiden
(inclusief de collectie van het voormalig  in
Amsterdam), Natuurmuseum Tilburg, Elias de
Bree, Ben Brugge, Laurens van der Leij, Wim
Maassen, John Smit, Jeroen van Steenis, Jan
Velterop, Michiel Willemse, Theo Zeegers en de
auteurs geraadpleegd. Ook hebben André van Eck
en Leendert Jan van der Ent hun collectie na-
gekeken. Alle kenmerken uit de publicaties van
Speight & Sommaggio (), Bartsch et al.
(), Speight & Sarthou () en ongepubli-
ceerd werk van Dieter Doczkal zijn, aangevuld
met eigen kenmerken, toegepast op het Neder-
landse materiaal en worden onder de resultaten
besproken. Hierbij zijn ook dieren van buiten
Nederland bekeken om de kenmerken goed te
   . x a ntho gr a mm a div es  x. stacke lbergi    
 waarnemingen van in totaal  niet ver-
zamelde vliegen; deze zijn alle buiten beschouwing
gelaten.
Van de gecontroleerde vliegen behoren er  tot
X. pedissequum (waarbij van zeven exemplaren de
sexe niet bepaald is),  tot X. stackelbergi,  tot
X. dives en kon er één niet met zekerheid op naam
worden gebracht (tabel ). Hieronder worden de
kenmerken voor de verschillende soorten beschre-
ven en een tabel gegeven om de drie soorten van
elkaar te onderscheiden. Tevens stellen we Neder-
landse namen voor de twee nieuwe soorten voor.
  
Xanthogramma pedissequum is eenvoudig van
X. dives en X. stackelbergi te onderscheiden. Bij X.
pedissequum heeft het membraan tussen sternieten
en tergieten  en  een band van zwarte micro-
tichia, bij X. dives en X. stackelbergi zijn de micro-
trichen geel (fig. -). Vooral bij oudere opgezette
dieren komen verkleuringen voor, waardoor de
kleur van de microtrichia soms lastig te zien is.
Bij levende dieren of vers op geprikte dieren is dit
kenmerk echter eenvoudig te beoordelen. Overige
kenmerken voor X. pedissequum: de binnenzijde
van het gele vlekkenpaar op tergiet  is puntig
(fig. ); de gele tekening op tergiet  gaat in de
volle breedte over de zijnaad (fig. ); zijkant borst-
stuk met één tot vier gele vlekken (gemiddeld
, vlekken, fig. ), waarbij altijd enige vlekken
verdonkerd zijn. Vleugelcel bm gemiddeld %
zonder micro trichen. Hier zit wel spreiding in,
maar bij de
meeste exemplaren X. pedissequum is
ontbreken. Dit is vooral goed te zien met het
blote oog boven een witte achtergrond.
Tergiet  Bij de mannetjes is de vorm van de
vlekken op tergiet  verschillend: duidelijk af-
geronde vlekken, die voor de zijnaad duidelijk
versmallen of puntige vlekken die over de volle
breedte over de zijnaad gaan.
Sterniet  De voorrand van de zwarte band op
sterniet  is duidelijk recht, heeft een ronde
uitstulping of een puntige uitstulping.
Beharing membraan achterlijf Een belangrijk,
maar lastig kenmerk zit op het membraan tussen
de sternieten en tergieten van het achterlijf.
Alle literatuur tot nu toe geeft aan dat bij
X. pedissequum bij de segmenten ,  en 
de voorste helft van het membraan geel is en de
achterste helft zwart, terwijl bij de andere twee
soorten alleen bij segment  het membraan deels
zwart is en bij segment  en  geheel geel.
Nauwkeurige bestudering (> x vergroting, goed
licht) leert echter dat het membraan zelf bij alle
soorten helder geel of geelwit is, maar dat de
talrijk aanwezige microtrichia voor de kleuring
zorgen. Deze microtrichia zijn per segment voor-
aan altijd geel, de achterste helft op segment 
en  kan ofwel zwart ofwel geel zijn. Segment 
heeft bij alle drie de soorten de microtrichia voor-
aan geel en achteraan zwart. Met dit kenmerk zijn
ook individuen waarbij het membraan heel sterk
is verbleekt of heel sterk is verdonkerd goed in te
delen, hoewel het soms erg lastig is te zien.
In de literatuur worden nog andere kenmerken
genoemd, zoals de lengte van de haren achterop
het scutum, de lengte van de haren op anepi-
sternum (middenzijplaat), de kleur van de costaal-
cel en de subcostaalcel in de vleugel. Het is ons
niet gelukt deze kenmerken zinvol toe te passen
op
de Nederlandse vliegen, veelal doordat de variatie
binnen de soorten in onze ogen te groot is.

In totaal zijn  vliegen bestudeerd. In het -
bestand zijn daarnaast nog  waarnemingen
opgenomen van samen  verzamelde dieren en
totaal / total
X. pedissequum   (+ )
X. stackelbergi   
X. dives   
onbekend / unknown  
   (+ )
Tabel . Aantal dieren gebruikt in dit onderzoek.
Table . Number of studied specimens.
     
Figuur -. Onderzijde achterlijf mannetjes, . Xanthogramma
dives, . X. pedissequum, . X. stackelbergi. Alle tekeningen
Aat Barendregt.
Figure -. Abdomen ventral of males, . Xanthogramma
dives, . X. pedissequum, . X. stackelbergi. All drawings
Aat Barendregt.
Figuur -. Achterlijf mannetjes,
. Xanthogramma dives en X. pedissequum,
. X. stackelbergi.
Figure -. Abdomen dorsal of males,
. Xanthogramma dives and X. pedissequum,
. X. stackelbergi.
Figuur -. Zijkant borststuk,
. Xanthogramma pedissequum,
. X. stackelbergi en X. dives.
Figure -. Thorax lateral,
. Xanthogramma pedissequum,
. X. stackelbergi and X. dives.
Figuur -. Voorhoofd vrouw-
tjes, . Xanthogramma dives en
X. pedissequum, . X. stackelbergi.
Figure -. Frons of females,
. Xanthogramma dives and
X. pedissequum, . X. stackelbergi.
Figuur -. Detail vleugel,
. Xanthogramma pedissequum,
. X. stackelbergi.
Figure -. Detail of wing,
. Xanthogramma pedissequum,
. X. stackelbergi.
 



   . x a ntho gr a mm a div es  x. stacke lbergi    
Zwarte band op sterniet  in het midden aan
de voorzijde recht of met ronde uitstulping bij
X. dives, bij X. stackelbergi met puntige uit-
stulping (fig. , ).
  
Voor de vrouwtjes gelden dezelfde kenmerken als
voor de mannetjes. Aanvullend laat X. dives zich
onderscheiden van de andere twee soorten door-
dat de top van de vleugel verdonkerd is in cellen
rI en r+ en de aangrenzende cel, contrasterend
met de heldere cel r+. De vleugeltop is geheel
helder bij X. pedissequum en X. stackelbergi.
Bij vrouwtjes is ook de zwarte middenstreep op
het voorhoofd in het veld een redelijk kenmerk:
Bij X. pedissequum is de streep breed en compleet
(fig. ). Ze raakt altijd duidelijk de vertex die ook
zwart is. Bij X. stackelbergi bereikt de midden-
streep de vertex niet of hooguit als een smal zwart
lijntje (fig. ). Ook aan de voorkant van het
voorhoofd is de streep bij X. stackelbergi duidelijk
smaller dan bij X. pedissequum. Xanthogramma
dives heeft meer variatie, waardoor de soort met
dit kenmerk niet goed is te onderscheiden.
de kale plek heel klein of niet aanwezig. Zowel
X. dives als X. stackelbergi hebben vier vlekken op
de zijkant van het borststuk, die vrijwel altijd alle
vier helder geel zijn (fig. ) en hebben ongeveer
een derde van cel bm zonder microtrichia (%
en % resp.).
Met behulp van de volgende set kenmerken zijn
mannetjes X. stackelbergi van X. dives te onder-
scheiden:
Gele tekening op tergiet  is het breedst op de
zijrand bij X. dives, bij X. stackelbergi wijkt de
gele tekening in de onderhoek iets terug zodat
de gele tekening voor de zijnaad van tergiet 
het breedst is (fig. -);
De binnenzijde van het vlekkenpaar op
tergiet  is puntig bij X. dives en rond bij
X. stackelbergi (fig. -);
Beharing op de rand van de onderste calypter
en de plumule donkerbruin bij X. dives, geel bij
X. stackelbergi;
Vleugel achter het pterostigma met een zwarte
vlek beperkt tot een celbreedte bij X. stackelbergi
(fig. ). Bij X. dives is de zwarte vlek duidelijk
uitgebreid tot over ader R+, tot ongeveer
, celbreedte in cel r+ (vrijwel zoals fig. ).

Gebaseerd op Speight & Sommaggio () en aangepast naar aanleiding van onderzoek aan
Nederlands materiaal.
Microtrichia op de membranen tussen tergieten en sternieten  en  overal geel (fig. ,). Zijkant
borststuk met vier heldergele vlekken (fig. ). Binnenzijde van het vlekkenpaar op tergiet  is
puntig of afgerond (fig. , ). Donkerbruine vlek achter pterostigma uitgebreid tot maximaal over
, celbreedte (fig.  voor X. stackelbergi). Beharing op de rand van onderste calypter en plumule
variabel. Man: Vlekken op tergiet  aan de zijkant variabel (fig. , ). Vrouw: zwarte middenstreep
op voorhoofd variabel (fig. , ). .............................................................................
Microtrichia op de membranen tussen tergieten en sternieten  en  op de achterste helft zwart (fig.
). Zijkant borststuk nooit met vier grote heldergele vlekken, vaak maar een of twee vlekken aanwezig
(fig. ). Indien drie of vier vlekken, dan is minimaal voorste of achterste gele vlek vaag of gereduceerd.
Binnenzijde van het vlekkenpaar op tergiet  puntig (fig. ). Donkerbruine vlek achter pterostigma uit-
gebreid tot , celbreedte of meer (fig. ). Beharing op de rand van onderste calypter en op plumule
bruin. Man: Vlekken op tergiet  gaan in volle breedte over de zijnaad (fig. ). Vrouw: zwarte midden-
streep op voorhoofd aan achterzijde duidelijk verbonden met vertex, aan voorzijde breder wordend,
daardoor over bijna de volle breedte van de lunula rakend (fig. )
. ..... Xanthogramma pedissequum
     

Xanthogramma dives
zuidelijke citroenzweefvlieg
Areaal De verspreiding van X. dives in Europa is
slecht bekend. De soort werd door Rondani
beschreven op basis van materiaal uit Italië.
Speight & Sommaggio () waren de eersten
die deze soort weer onderscheidden van
X. pedissequum. Zij meldden de soort uit
Zwitserland en gaven aan dat X. dives hoofd-
zakelijk een Zuid-Europese soort is.
Nederland In Nederland is de zuidelijke citroen-
zweefvlieg een zeldzame soort (fig. ). Slechts
% van de vangsten betreft X. dives. De meeste
waarnemingen komen uit Limburg in de om-
geving van de Maas. Ook zijn er waarnemingen
van Bussum, Geldrop, Noordwijkerhout en
Zwolle.
Vliegtijd De vliegtijd lijkt lang en gelijkmatig
van begin mei tot eind augustus te verlopen,
mogelijk doordat gedurende de vliegtijd de
poppen verspreid over de tijd uitkomen
(fig. ). Het grotere aantal mannetjes komt
doordat op één plaats (Venlo) verspreid over
drie dagen  mannetjes en drie vrouwtjes zijn
verzameld.
Biotopen Over de Nederlandse biotoop is niets
bekend. In het buitenland zou de soort vliegen op
Binnenzijde vlekkenpaar tergiet  afgerond (fig. ); de gele tekening op tergiet  wijkt nabij de
achterhoek naar voren (fig. ). Beharing op de rand van onderste calypter en op plumule geel.
Donkerbruine vlek achter pterostigma beperkt tot een celbreedte (fig. ). De cel daaronder
(vrijwel) geheel helder. Vleugeltop helder. Man: voorrand zwarte band op sterniet  op het midden
puntig vooruitstekend (fig. ). Vrouw: Zwarte middenstreep op voorhoofd bereikt de vertex niet
of eindigt met een smal lijntje op de zwarte vertex, aan de voorzijde naar de lunula versmald of
gelijkblijvend (fig. ). ........................................................... Xanthogramma stackelbergi
Binnenzijde vlekkenpaar tergiet  puntig (fig. ). Gele tekening op tergiet  het breedst op de zijrand,
niet terugwijkend in de achterhoek (fig. ). Beharing op de rand van onderste calypter en op plumule
bruin. Vlek op vleugel achter pterostigma strekt zich over , celbreedte uit (inter mediair tussen fig.
, ). Voorrand zwarte band op sterniet  recht of in het midden a
fgerond vooruitstekend (fig. ).
Vleugeltop vrij duidelijk verdonkerd, met name bij het vrouwtje. Vrouw: zwarte streep op voor-
hoofd variabel (fig. -). .............................................................. Xanthogramma dives
goed gedraineerde gronden met gedurende een
deel van het jaar hoge grondwaterstanden
(Speight & Sommaggio ).
Xanthogramma pedissequum
gewone citroenzweefvlieg
Areaal Xanthogramma pedissequum komt voor in
grote delen van Europa, van Zuid-Scandinavië tot
het Middellandse-Zeegebied en van Groot-
Brittannië tot in Rusland (Reemer et al. ).
Nederland In Nederland is het veruit de
algemeenste soort van het complex (fig. ).
Ongeveer % van de gecontroleerde dieren be-
hoort tot X. pedissequum. De door Reemer et al.
() geconstateerde uitbreiding in het westen
van het land lijkt sindsdien ook doorgezet te
hebben naar het noorden, er van uitgaande dat
ook de niet-gecontroleerde dieren voor het
overgrote deel tot X. pedissequum zullen behoren
(fig. ). Er zijn nu ook waarnemingen uit
Drenthe (niet op het kaartje, maar zie
www.waarneming.nl).
Vliegtijd De vliegtijd loopt van eind april tot
eind september met een duidelijke piek in juni
en een kleine piek half augustus (fig. ). De ver-
deling van de gecontroleerde exemplaren komt
goed overeen met die van de niet-gecontroleerde
exemplaren. Er lijkt weinig verschil te zijn tussen
de mannetjes en de vrouwtjes. Reemer et al. ()
   . x a ntho gr a mm a div es  x. stacke lbergi    
Figuur . Vliegtijd van
Xanthogramma dives in
Nederland.
Figure . Flight period of
Xanthogramma dives in the
Netherlands.
Figuur . Vliegtijd van
Xanthogramma pedissequum
in Nederland. Alleen gecontro-
leerde waarnemingen zijn
opgenomen.
Figure . Flight period of
Xanthogramma pedissequum in
the Netherlands. Only re-
identified specimens have been
included.
Figuur . Vliegtijd van
Xanthogramma stackelbergi in
Nederland.
Figure . Flight period of
Xanthogramma stackelbergi in
the Netherlands.










   
       










       
   










   
   
   






Figuur . Vindplaatsen van Xanthogramma dives
in Nederland.
Figure . Records of Xanthogramma dives
in the Netherlands.
Figuur . Vindplaatsen van Xanthogramma pedissequum
in Nederland, inclusief niet-gecontroleerde waarnemingen.
Figure . Records of Xanthogramma pedissequum
in the Netherlands, including not re-identified specimens.
Figuur . Vindplaatsen van Xanthogramma stackelbergi
in Nederland.
Figure . Records of Xanthogramma stackelbergi
in the Netherlands.
niet-gecontroleerd
gecontroleerd
     
maar we kunnen nu nieuwe kenmerken toevoegen.
Determinatie in het veld is niet eenvoudig, mede
doordat kenmerken vaak gedeeld worden door
twee van de drie soorten. De combinatie van ken-
merken maakt een zekere determinatie eigenlijk
altijd mogelijk.
Beide nieuw gemelde soorten zijn duidelijk zeld-
zamer dan X. pedissequum (tabel , fig. , , ).
Xanthogramma dives lijkt een zuidelijke soort te
zijn, terwijl X. stackelbergi in Nederland duidelijk
een oostelijke soort is. Er blijkt een uitbreiding
van het areaal van X. pedissequum naar het
noorden van het land te zijn, terwijl tien jaar
geleden de soort beperkt was tot Zuid- en
Midden-Nederland.
De vliegtijd van X. stackelbergi ligt duidelijk in
het midden van de zomer, beide andere soorten
lijken een langere vliegperiode te hebben.
Van X. pedissequum zijn ongeveer evenveel
mannetjes als vrouwtjes gevangen. Van X. dives
zijn (veroorzaakt door een enkele waarneming)
meer mannetjes aanwezig. Bij X. stackelbergi zijn
bijna vijf keer zoveel vrouwtjes als mannetjes ge-
vangen. Mogelijk gedragen de mannetjes van
X. stackelbergi zich op een manier die de vang-
kans sterk vermindert.

Wij willen iedereen die materiaal heeft uitgeleend
hartelijk bedanken, evenals de personen die zelf
materiaal opnieuw hebben gedetermineerd en
de waarnemingen hebben doorgegeven. Dieter
Doczkal (Duitsland) en Martin Speight (Ierland)
willen we bedanken voor zeer waardevolle aan-
vullende informatie, met name over kenmerken
om de soorten te scheiden.

Barendregt, A. . De determinatie van Xantho-
gramma’s (Syrphidae). – De Vliegenmepper : -.
Barendregt, A. . Zweefvliegentabel. Negende druk.
– Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht.
concluderen dat er mogelijk sprake is van één
lange generatie, doordat het ontpoppen van de
vliegen over een lange periode is uitgesmeerd,
maar twee generaties zijn niet uitgesloten.
Ook het afsplitsen van de andere twee soorten
leidt niet tot een andere conclusie.
Biotopen De beschrijving van biotopen en ecolo-
gie in Reemer et al. () voldoet nog steeds.
Xanthogramma stackelbergi
boscitroenzweefvlieg
Areaal Xanthogramma stackelbergi is in  door
Violovitsj beschreven uit Rusland. Sinds  is
de soort gemeld uit Finland (Haarto & Kerppola
), Noorwegen (Gammelmo & Nielsen )
en Zweden (Bartsch et al. ). Speight &
Sommaggio () geven aan dat de soort voor-
komt in de oostelijke delen van het Palaearctisch
gebied met verspreide waarnemingen van Zweden
tot de Middellandse Zee.
Nederland In Nederland is de soort vrij zeldzaam
(fig. ). Ongeveer % van de onderzochte dieren
behoort tot X. stackelbergi. De soort komt hoofd-
zakelijk voor langs de oostgrens van ons land met
verspreide waarnemingen westelijk tot de Veluwe,
Utrechtse heuvelrug en Midden-Brabant.
Vliegtijd Xanthogramma stackelbergi is duidelijk
een zomersoort (fig. ). De waarnemingen zijn
gedaan van eind mei tot half augustus met een
duidelijke piek van eind juni tot half juli. Dit is
hoofdzakelijk gebaseerd op waarnemingen van
vrouwtjes, aangezien er bijna vijf keer zoveel
vrouwtjes zijn verzameld als mannetjes.
Biotopen In Nederland is X. stackelbergi vooral
gevangen in bossen, veelal op zonnige, open
plekken of langs zonbeschenen bospaden in
overigens gesloten bos. Dit is in overeenstemming
met Speight & Sommaggio ().

Naast X. pedissequum blijken ook X. dives en
X. stackelbergi in Nederland voor te komen.
De basiskenmerken uit Barendregt () kloppen
   . x a ntho gr a mm a div es  x. stacke lbergi    
Reemer, M., W. Renema, W. van Steenis, T. Zeegers, A.
Barendregt, J.T. Smit, M.P. van Veen, J. van Steenis
& L.J.J.M. van der Leij . De Nederlandse
zweefvliegen (Diptera: Syrphidae). – Nederlandse
Fauna : -.
Smit, J.T. . Xanthogramma pedissequum toch slechts
één soort. – Zweefvliegen-nieuwsbrief : -.
Speight, M.C.D. & J.-P. Sarthou . StN keys for
the identification of adult European Syrphidae
(Diptera). – Syrph the Net, the database of
European Syrphidae, Vol. , Syrph the Net
publications, Dublin.
Speight, M.C.D. & D. Sommaggio . On the pres-
ence in Switzerland of Microdon myrmicae Schön-
rogge et al., ; Xanthogramma dives (Rondani,
) and X. stackelbergi Violovitsh,  (Diptera:
Syrphidae). – Entomo Helvetica : -.
Verlinden, L. . Zweefvliegen (Syrphidae). – ,
Brussel.
Bartsch, H., E. Binkiewicz, A. Rådén, & E. Nasibov
. Blomflugor: Syrphinae. Nationalnyckeln till
Sveriges flora och flora, Diptera: Syrphidae:
Syrphinae. DHa. – Artdatabanken, , Uppsala.
Gammelmo, Ø. & T.R. Nielsen . Further records
of hoverfly species (Diptera, Syrphidae) in Norway.
– Norwegian Journal of Entomology : -.
Haarto, A. & S. Kerppola . Xanthogramma stackel-
bergi Violovitsh,  ja muita täydennyksiä
Suomen kukkakärpäsiin (Diptera, Syrphidae). –
W-album : -.
McAlpine, J.F.  . Morphology and terminology -
adults. – In: J.F. McAlpine, B.V. Peterson, G.E.
Shewell, H.J. Teskey, J.R. Vockeroth & D.M. Wood.
Manual of Nearctic Diptera. Biosystematic
Research Institute, Ottawa.
Oosterbroek, P., H. de Jong & L. Sijstermans . De
Europese families van muggen en vliegen (Diptera).
–  Uitgeverij, Utrecht.

Xanthogramma dives and X. stackelbergi new to the Netherlands (Diptera: Syrphidae)
Xanthogramma pedissequum is not as easy recognisable as we thought. In the Netherlands two
other species, X. dives (Rondani, ) and X. stackelbergi Violovitsj, , were found within
the material. This paper describes the characters for identification of the three species, and
discusses their distribution and ecology in the Netherlands. Xanthogramma dives is a very rare
species mainly in the southern parts of the Netherlands. Xanthogramma stackelbergi is a rather
rare species in the eastern parts of the Netherlands. The flight period and habitat of X. dives
seem to be similar to those of X. pedissequum, whereas X. stackelbergi is mainly a forest species
flying strictly during summer. A key to separate the species is given.
W. van Steenis
Vogelmelk 
  Breukelen
w.v.steenis@casema.nl
S. Bot
Kerklaan 
  Haren
sanderbot@yahoo.co.uk
A. Barendregt
Paulus Potterstraat 
  Voorthuizen
a.barendregt@uu.nl
     
... In total, about 5600 specimens were collected. The following references were used for identification: Van Der Goot (1981), Van Veen (2004), Nedeljković (2011), Speight & Sarthou (2013), and specialized literature for diverse genera: Dušek & Láska (1976), Claussen & Torp (1980), Goeldlin De Tiefenau (1989), Vujić (1990), Mazánek et al. (1999), Marcos-García et al. (2000), Hippa et al. (2001, Van Steenis & Lucas (2011), Vujić et al. (2013) and Van Steenis et al. (2014. Part of the material from the genus Cheilosia Meigen, 1822 was identified by Claus Claussen (CCF) and the specimens of Platycheirus Lepeletier & Serville, 1828 were identified by Tore Nielsen (TNS). ...
Article
Full-text available
The results of a survey of hoverflies (Syrphidae) collected by the members of the pre-conference trip of the 5th International Symposium on Syrphidae are presented. Fieldwork took place from 8-22 June 2009 and involved 18 localities (12 in Serbia and 6 in Montenegro). The sites visited are described and short notes are given on some rare species. During the 15 days of fieldwork, about 5600 specimens were collected, representing 59 genera and 249 species. Seven species are recorded for the first time for Serbia: Epistrophe obscuripes, Merodon equestris, Merodon haemorrhoidalis, Microdon miki, Platycheirus angustipes, Rhingia borealis and Sphegina verecunda; and 19 species are recorded for the first time for Montenegro: Cheilosia crassiseta, Cheilosia lasiopa, Cheilosia pubera, Cheilosia rufimana, Cheilosia subpictipennis, Eumerus clavatus, Eumerus sogdianus, Lejogaster tarsata, Merodon haemorrhoidalis, Merodon serrulatus, Myolepta dubia, Neoascia interrupta, Neoascia tenur, Platycheirus aurolateralis, Platycheirus occultus, Platycheirus tatricus, Sericomyia silentis, Sphaerophoria laurae and Trichopsomyia flavitarsis. The threat category of the endangered species according to Vuji? et al. (2001) is given for the species treated in the result section. For the records of new species, additional data from the collection of the Department of Biology and Ecology of Novi Sad, Serbia (FSUNS) are also presented. Some morphological characters useful to differentiate Anasimyia femorata Šimi?, 1987 from A. transfuga (Linnaeus, 1758) and Merodon haemorrhoidalis Sack, 1913 from M. constans (Rossi, 1794), are given. The female lectotype of M. haemorrhoidalis is studied and shows that it is a distinct species similar to M. constans.
Article
Full-text available
A checklist of the Syrphidae species of the Republic of Georgia is presented. New hover fly (Diptera: Syrphidae) records from Georgia are provided as a result of field work conducted in 2018. At the same time, published syrphid records for the country are here reviewed and updated. A total of 357 species of hoverflies are now documented from Georgia, 40 of which are reported for the first time. Moreover, DNA barcodes were sequenced for 238 specimens, representing 74 species from this country.
Article
Full-text available
A hoverfly material, mainly from the collections of Natural History Museum Oslo, is published. Three species, Epistrophe olgae Mutin, 1993, Xanthogramma stackelbergi Violovitsh, 1975 and Xylota ignava (Panzer, 1798) are reported new to the Norwegian fauna, and there is also a second record of Temnostoma sericomyiaeforme (Portschinsky, 1887).
Xanthogramma pedissequum toch slechts één soort
  • J T Smit
Smit, J.T. 2002. Xanthogramma pedissequum toch slechts één soort. -Zweefvliegen-nieuwsbrief 6: 12-13.
On the presence in Switzerland of Microdon myrmicae Schönrogge et al
  • M C D D Speight
  • Sommaggio
Speight, M.C.D. & D. Sommaggio 2010. On the presence in Switzerland of Microdon myrmicae Schönrogge et al., 2002; Xanthogramma dives (Rondani, 1857) and X. stackelbergi Violovitsh, 1975 (Diptera: Syrphidae). – Entomo Helvetica 3: 139-145.
Zweefvliegen (Syrphidae). -kbin
  • L Verlinden
Verlinden, L. 1991. Zweefvliegen (Syrphidae). -kbin, Brussel.
  • A S Haarto
  • Kerppola
Haarto, A. & S. Kerppola 2008. Xanthogramma stackel bergi Violovitsh, 1975 ja muita täydennyksiä Suomen kukkakärpäsiin (Diptera, Syrphidae). -W-album 5: 3-6.
Morphology and terminologyadults
  • J F Mcalpine
McAlpine, J.F. 1981. Morphology and terminologyadults. -In: J.F. McAlpine, B.V. Peterson, G.E.