ThesisPDF Available

De effecten van het gebruik van het F-LinQ fotolijstje op de verbondenheid van ouderen met hun (klein)kinderen

Authors:

Abstract and Figures

Dit onderzoek gaat over het verbinden van generaties door middel van het Familie-LinQ fotolijstje in de context van sociale verbondenheid en het tegengaan van eenzaamheid bij ouderen. Met behulp van Het Bartholomeus Gasthuis te Utrecht hebben 13 ouderen in Utrecht een fotolijstje gekregen, waarvan 3 in het Gasthuis en 10 buiten het Gasthuis. Het doel van dit onderzoek was om te weten te komen in welke opzichten de sociale verbondenheid tussen (semi-)zelfstandig wonende ouderen en hun familie verbetert. Het fotolijstje is een Android tablet vermomd als een ouderwets fotolijstje. De Familie-LinQ applicatie draait erop: een carroussel van de door de familie verzonden foto's en berichten. Wanneer er een foto binnenkomt is het geluid van een uitend vogeltje te horen. De oudere moet dan op de binnengekomen foto tikken om hem groot te weergeven. Op het fotolijstje is te zien wie de foto gestuurd heeft en een kort bijschrift van maximaal 50 tekens. Ook is het mogelijk om een reactie te geven op de foto door op een plaatje van een lachebekje te tikken. De zender krijgt dan het bericht dat de oudere de foto leuk vindt. 12 ouderen hebben het fotolijstje gedurende 7 weken in huis gehad en 1 oudere anderhalf jaar. Het onderzoek ging om de e�ecten op de verbondeheid tussen ouderen en hun familie. Om de e�ecten te meten zijn er individuele, semi-gestructureerde interviews gehouden met elk van de ouderen op drie verschillende momenten: voordat de ouderen het fotolijstje kregen, op de helft van de pilot periode en aan het einde van daarvan(na �7 weken). Ook zijn er kennismakingsgesprekken gehouden met de familieleden voordat de ouderen het fotolijstje kregen en is er een enqu^ete ingevuld door meerdere familieleden aan het einde van het onderzoek. Uit het onderzoek bleek dat de communicatie via het fotolijstje verschillende e�ecten had op de deelnemers: twee deelnemers hadden meer contact met hun familie door het fotolijsjte, een deelnemer was meer op de hoogte van de activiteiten van haar familie, waardoor zij mer nabijheidsgevoelens naar haar familie toe had. Bij een aantal deelnemers waren de e�ecten niet duidelijk waarneembaar in de korte periode van dit onderzoek. Een negatief e�ect dat is geobserveerd bij �e�en oudere is dat de oudere veel verwachtingen heeft en de kinderen die niet waar (kunnen) maken. De oudere is daardoor teleurgesteld en voelt zich misschien wel in de steek gelaten.
Content may be subject to copyright.
SCRIPTIE
DE EFFECTEN VAN HET
GEBRUIK VAN HET F-LINQ
FOTOLIJSTJE OP DE
VERBONDENHEID VAN
OUDEREN MET HUN
(KLEIN)KINDEREN
Kimberly Snoyl
s1238515
ELECTROTECHNIEK WISKUNDE EN INFORMATICA
HUMAN MEDIA INTERACTION
EXAMENCOMMISSIE
Rieks op den Akker
Mariët Theune
Lilian Kuiper
Randy Klaassen
DOCUMENTNUMMER
-
22-04-2014
Abstract
Dit onderzoek gaat over het verbinden van generaties door middel van het Familie-LinQ
fotolijstje in de context van sociale verbondenheid en het tegengaan van eenzaamheid bij
ouderen. Met behulp van Het Bartholomeus Gasthuis te Utrecht hebben 13 ouderen in
Utrecht een fotolijstje gekregen, waarvan 3 in het Gasthuis en 10 buiten het Gasthuis. Het
doel van dit onderzoek was om te weten te komen in welke opzichten de sociale verbon-
denheid tussen (semi-)zelfstandig wonende ouderen en hun familie verbetert. Het fotolijstje
is een Android tablet vermomd als een ouderwets fotolijstje. De Familie-LinQ applicatie
draait erop: een carroussel van de door de familie verzonden foto’s en berichten. Wanneer
er een foto binnenkomt is het geluid van een fluitend vogeltje te horen. De oudere moet
dan op de binnengekomen foto tikken om hem groot te weergeven. Op het fotolijstje is te
zien wie de foto gestuurd heeft en een kort bijschrift van maximaal 50 tekens. Ook is het
mogelijk om een reactie te geven op de foto door op een plaatje van een lachebekje te tikken.
De zender krijgt dan het bericht dat de oudere de foto leuk vindt. 12 ouderen hebben het
fotolijstje gedurende 7 weken in huis gehad en 1 oudere anderhalf jaar. Het onderzoek ging
om de effecten op de verbondeheid tussen ouderen en hun familie. Om de effecten te meten
zijn er individuele, semi-gestructureerde interviews gehouden met elk van de ouderen op
drie verschillende momenten: voordat de ouderen het fotolijstje kregen, op de helft van de
pilot periode en aan het einde van daarvan(na ±7 weken). Ook zijn er kennismakingsge-
sprekken gehouden met de familieleden voordat de ouderen het fotolijstje kregen en is er
een enquˆete ingevuld door meerdere familieleden aan het einde van het onderzoek. Uit het
onderzoek bleek dat de communicatie via het fotolijstje verschillende effecten had op de
deelnemers: twee deelnemers hadden meer contact met hun familie door het fotolijsjte, een
deelnemer was meer op de hoogte van de activiteiten van haar familie, waardoor zij mer
nabijheidsgevoelens naar haar familie toe had. Bij een aantal deelnemers waren de effecten
niet duidelijk waarneembaar in de korte periode van dit onderzoek. Een negatief effect dat
is geobserveerd bij ´en oudere is dat de oudere veel verwachtingen heeft en de kinderen die
niet waar (kunnen) maken. De oudere is daardoor teleurgesteld en voelt zich misschien wel
in de steek gelaten.
1
ALLEEN ZIJN
Alleen zijn betekent niet eenzaam
Alleen zijn geldt niet als een straf
Alleen zijn met mooie gedachten
Gedachten neemt niemand je af
Alleen zijn met de dierbare doden
Alleen, met de herinnering
Aan lijden dat lang reeds voorbij is,
Aan alles dat kwam en dat ging
Alleen, heel alleen op je kamer
De dingen gewend om je heen
Een rein en rustig geweten
Dan ben je gelukkig alleen
Wie zo het alleen zijn kan dragen
Wie zich zo verzoent met zijn lot
Die spreekt niet van eenzame dagen
Die leeft in vertrouwen op God
JAN DE KORTE
Dankwoord
Ten eerste wil ik graag mijn begeleiders bedanken: Lilian Kuiper, met wie ik samen de
interviews heb afgenomen en die me veel goede adviezen heeft gegeven. Ik heb veel van
haar geleerd en het was ook heel gezellig samen. Dank aan Rieks op den Akker en Randy
Klaassen van de Universiteit van Twente. Ook zij hebben mij met enthousiasme begeleid
en het werk van Betsy zo goed opgepakt. Ook was Mari¨
et Theune op korte termijn nog
beschikbaar om de afstudeercommissie te versterken. Dank daarvoor!
Daarnaast wil ik Betsy van Dijk bedanken. Zonder haar had ik nooit de mogelijkheid gehad
om dit onderzoek te doen. Helaas kon zij mij niet meer begeleiden door problemen met haar
gezondheid. Ik hoop dat je weer zo goed mogelijk kunt herstellen, Betsy! Bedankt voor je
begeleiding de afgelopen jaren en de leuke projecten waar ik aan deel mocht nemen.
Ook dank aan de 13 senioren en hun familie die mee hebben gedaan aan dit onderzoek! En
aan het Bartholomeus Gasthuis en USmedia die mij met open armen hebben ontvangen en
mij een werkplek hebben aangeboden. Met name Lia Vergouw, manager Welzijn.
Het gedicht aan het begin van deze thesis, genaamd “Alleen Zijn”, heb ik gekozen omdat
het een gedicht is dat ik heel goed ken en goed paste bij het onderwerp dat behandeld
wordt. Het is een gedicht dat vroeger in de slaapkamer van mijn oma hing. Als kind heb
ik het gedicht meerdere malen samen met mijn zus opgelezen, wanneer we ons verveelden.
Ik ken hem daardoor uit mijn hoofd. Toen ik het begrip eenzaamheid in deze thesis moest
uitleggen, kwam dit gedicht ineens weer uit mijn herinnering naar boven. Ik moest tijdens
dit onderzoek vaak aan mijn overleden oma denken, omdat ik bij zoveel oma’s op bezoek
kwam. Het leek mij daarom wel passend om, door gebruik van dit gedicht, mijn eigen oma
bij deze afstudeerscriptie te betrekken.
3
Inhoudsopgave
Abstract....................................... 1
Gedicht ....................................... 2
Dankwoord ..................................... 3
I Inleiding 6
1 Inleiding....................................... 7
II Vooronderzoek 10
2 Nieuwe media en eenzaamheid onder ouderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
3 Sociale Verbondenheid en Eenzaamheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
4 Voorgaandonderzoek ............................... 19
4.1 Onderzoek Biemans en van Dijk (2009) . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
4.2 Onderzoek Alak¨
arpp¨
a et al. (2014): Comcare . . . . . . . . . . . . . . 21
4.3 Takahashi.................................. 21
4.4 Seniorweb: Project Esc@pe . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
4.5 ABC-Questionnaire ............................ 24
4.6 Scottie.................................... 24
4.7 Conclusies Voorgaand Onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
III Onderzoek 26
5 Project Familie-LinQ en huidig onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
6 Evaluatie ...................................... 30
6.1 Inleiding................................... 30
6.2 Opzet .................................... 32
6.3 Methode................................... 32
6.4 Procedure.................................. 36
7 Resultaten...................................... 40
7.1 Lichamelijke en Geestelijke gesteldheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
7.2 Kwalitatieve Content Analyse . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
7.3 Thematischeanalyse............................ 48
7.4 Verbondenheid door middel van plaatjes . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
7.5 Antwoorden op de foto’s/berichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
7.6 Effecten van het fotolijstje op langere termijn . . . . . . . . . . . . . . 66
8 Conclusie, discussie& reflectie en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
4
8.1 Conclusie .................................. 68
8.2 Discussie .................................. 69
8.3 Aanbevelingen voor verbetering van het product . . . . . . . . . . . . 71
8.4 Reectie................................... 71
Bijlagen 77
1 Summary ...................................... 77
1.1 The effects of using the Family-LinQ photo frame on the social con-
nectedness between seniors and their (grand)children . . . . . . . . . . 77
2 Interviewprotocol Kennismakingsgesprek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
3 Interviewprotocol Nul-meting oudere . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
4 Interviewprotocol Eind-meting oudere . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
5 EnquˆeteFamilie .................................. 88
6 Eenzaamheidsvragen................................ 90
7 ABCQuestionnaire ................................ 91
8 Plaatjes voor Verbondenheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
9 ConsentForm ................................... 96
5
Deel I
Inleiding
6
1 Inleiding
Tegenwoordig loopt jong en oud met een mobieltje op zak en kan er van alles en overal een
foto gemaakt en meteen gedeeld worden. Belangrijk hierbij is dat het gemakkelijk en snel is.
Je kunt je ervaringen, gedachten en visuele indrukken delen, overal en altijd. Het delen van
momenten is een belangrijk onderdeel van het leven in deze tijd en helpt om je verbonden
te voelen met anderen.
Het onderhouden van sociale relaties gebeurt door jongere generaties momenteel grotendeels
via sociale media, zoals Facebook en Twitter. Momenten met elkaar delen via sociale media
is een onderdeel geworden van onze cultuur. Volgens het Centraal Bureau voor Statistiek
(CBS (2013a)) gebruikt ±98% van de mensen tussen de 12 en de 65 jaar het Internet, waar-
door deze toepassingen voor hen beschikbaar zijn. Tussen de 65 en de 75 jaar gebruikt
75% het internet, maar bij 75 plussers is dit slechts 35%. Ouderen zijn juist erg kwetsbaar
vanwege leeftijdsgebonden veranderingen zoals pensioen, ziekte van zichzelf of een partner
en verlies van naasten. Ze lopen sneller de kans om eenzaam te worden en hebben als gevolg
daarvan een grotere kans op depressies, een verminderd zelfrespect en lichamelijke aandoe-
ningen. Diverse onderzoeken tonen aan dat een goede sociale verbondenheid leidt tot een
verbeterd fysiek en mentaal welzijn. Sociaal verbonden zijn is dus juist voor deze groep erg
belangrijk.
In 2009 heeft de Universiteit van Twente in samenwerking met Philips Research en No-
vay een onderzoek gedaan naar het verbeteren van de verbondenheid van senioren met hun
familie door middel van foto’s. De senioren woonden in een groepswoning in een verzorgings-
tehuis. Ook werd in het onderzoek de verbondenheid van dwarslaesierevalidatie pati¨
enten
onderzocht. Wat deze twee groepen met elkaar gemeen hebben, is dat ze beiden voor korte
of langere tijd van hun familie vandaan zijn, waardoor ze het dagelijks contact met hun fa-
milie en de dagelijkse activiteiten mislopen. 4 dwarslaesierevalidatie pati¨
enten en 8 ouderen
kregen een digitaal fotolijstje aangeboden waarop hun familie foto’s kon versturen via MMS
of via de daarvoor bestemde website. Voor beide groepen bleek dat de communicatie via het
fotolijstje zorgt voor een sterkere band tussen de familie en de ontvanger. Bij een analyse
van de soort foto’s die gestuurd werden bleek dat voor de revaliderenden het belangrijk was
om de alledaagse gebeurtenissen mee te krijgen, dat was wat ze het meeste misten. De
ouderen, daarentegen, kregen vooral foto’s van speciale gelegenheden, waar ze vaak zelf ook
bij waren geweest. Voor hen dienden de foto’s vooral als “Food for talk”: de ouderen hadden
een onderwerp om over te praten met elkaar en met de verzorgers in het tehuis.
Het onderzoek liep eigenlijk op zijn tijd vooruit, omdat de technische infrastructuur het
delen van momenten via mobiele apparaten nog niet zo gemakkelijk toeliet. MMS was duur
en was nog niet echt ingeburgerd. Pas later, door de komst van de smartphone werd het de-
len van momenten steeds gebruikelijker. In het onderzoek van Biemans en van Dijk (2009)
werden dus vooral foto’s gedeeld van speciale gebeurtenissen die in het verleden hadden
plaatsgevonden en minder van alledaagse gebeurtenissen. De MMS functie werd door de fa-
milie van de ouderen nauwelijks gebruikt, terwijl er juist overwegend foto’s via MMS werden
gestuurd door de familie van de revaliderenden. Volgens Biemans en van Dijk (2009) komt
dat omdat het in die tijd nog niet zo gebruikelijk was om foto’s te versturen met mobiele
telefoons, vooral niet door mensen van middelbare leeftijd. De kinderen van de ouderen in
het verzorgingstehuis waren van middelbare leeftijd, terwijl de familieleden van de revalida-
7
tie pati¨
enten een stuk jonger waren.
Tegenwoordig zijn “Smartphones” alomvertegenwoordigd. De kwaliteit van de camera’s
wordt steeds beter en ook zijn ze voorzien van een snelle Internetverbinding, waardoor alles
altijd en overal met elkaar gedeeld kan worden. Het bovengenoemde onderzoek verdient
dus een nieuw perspectief in deze tijd, waarin het delen van momenten via social media als
Facebook, WhatsApp en Instagram onderdeel is geworden van onze cultuur.
F-LinQ is een projectgroep die ontstaan is tijdens het Startup Weekend Groningen met het
thema “Healthy Aging” in november 20111. Lilian Kuiper (Industrieel Ontwerper/Onderzoekster),
Peter van Veggel (Projectleider met een Marketing en Sales achtergrond) en Jop van Raaij
(Software Ontwikkelaar) hebben het idee voor een digitaal fotolijstje voor senioren uitgwerkt.
Zij wonnen tijdens het Startup Weekend de 3e prijs en zijn daarna verder gegaan om het
idee te realiseren.
Figuur 1: Voorbeeld van
het Familie-LinQ fotolijstje
(Uit Projoectplan van
Familie-LinQ (Vertrouwe-
lijk document,Kuiper et al.
(2012))
Het digitale fotolijstje heeft een bijbehorende mobiele
Internetverbinding en is gericht op zelfstandig wonende
senioren die geen gebruik maken van nieuwe media.
De senioren kunnen op het fotolijstje foto’s en korte
berichten ontvangen van hun familie. In 2012 is
Familie-LinQ een samenwerkingsverband aangegaan met
Het Bartholomeus Gasthuis te Utrecht. Het proto-
type fotolijstje is daarbij uitgetest door drie bewoners
van het Gasthuis en hun familie. Zij kregen ge-
durende twee maanden een tablet (vermomd als foto-
lijstje) met speciale software en een draadloze internet-
verbinding aangeboden. Kinderen en kleinkinderen van
deze ouderen werden uitgenodigd om, via een speciale
website of door het sturen van een e-mail, foto’s
en korte berichten naar het fotolijstje van de ou-
dere te sturen. Ook uit de eerste verkenning van
Familie-LinQ en het Bartholomeus Gasthuis is geble-
ken dat de ouderen en de familieleden de commu-
nicatie via het fotolijstje zien als een effectief mid-
del om een rijker contact te onderhouden dan voor-
heen.
Eind 2013 is de Universiteit Twente benaderd door F-LinQ
met het verzoek voor een afstudeeronderzoek op iets grotere schaal dan de hierboven be-
schreven eerste verkenning van het gebruik van het digitale fotolijstje. 13 ouderen en hun
families namen deel aan het onderzoek dat beschreven wordt in deze thesis. Door middel van
een nul-meting, een tussentijdse meting en een eindmeting (na ±7 weken) werd onderzoek
gedaan naar de effecten op het gevoel van verbondenheid van de ouderen met hun fami-
lie. Van elk van de families werd er met ´en familielid een kennismakingsgesprek gehouden
1Startup Weekenden zijn weekenden waarin de deelnemers in 54 uur van idee naar bedrijfsstart (startup)
toe werken. De deelnemers worden verdeeld in multidisciplinaire teams, bestaande uit designers, marketeers,
ondernemers, webbouwers en ICT-ers. Startup Weekend is een Amerikaanse non-profit organisatie die
binnen drie jaar 295 Startup Weekends over de hele wereld heeft ondersteund.
8
voordat de oudere het fotolijstje kreeg. Aan het einde van de 7 weken werd er een enquˆete
naar alle deelnemende familieleden gestuurd.
De bedoeling van dit onderzoek was om op grotere schaal te onderzoeken of de verbon-
denheid tussen ouderen en hun familie inderdaad verbetert door het digitale fotolijstje.
Omdat het fotolijstje ook negatieve effecten zou kunnen hebben (bijvoorbeeld, de familie
komt minder vaak langs omdat ze het sturen van de foto’s zien als een vervanging van de
contactmomenten), heb ik de onderzoeksvraag wat breder aangepakt en zal onderzoeken
hoe de verbondenheid tussen de senioren en hun familie verandert door interventie van het
fotolijstje. De onderzoeksvraag luidt als volgt:
“Wat zijn de effecten van het gebruik van het Familie-LinQ fotolijstje op het gevoel van
verbondenheid tussen senioren en hun familie, en hoe kan het product zodanig aangepast
worden dat de effecten positief zijn?”
Voor het beantwoorden van deze vraag is er eerst literatuurstudie gedaan naar:
Eenzaamheid onder ouderen en het hedendaagse gebruik van sociale media (zie hoofd-
stuk 2).
Sociale verbondenheid en het verband met eenzaamheid (zie hoofdstuk 3).
Voorgaande onderzoeken naar het verbeteren van de sociale verbondenheid van ouderen
door middel van ICT. Deze onderzoeken geven methoden en meetinstrumenten voor
kwalitatief onderzoek (hoofdstuk 4).
De doelstellingen Familie-LinQ en Het Bartholomeus Gasthuis. Het bestuderen van
de resultaten van de introductie van het Familie-LinQ fotolijstje aan 3 bewoners van
het Gasthuis, welke als opzet diende voor het huidig onderzoek (hoofdstuk 5). Uit
deze eerste verkenning van de effecten van het fotolijstje, tezamen met het onderzoek
van Biemans en van Dijk (2009) zijn de hypotheses opgesteld.
Het tweede deel van deze thesis bestaat uit een beschrijving van het experiment, methodes
die hiervoor gebruikt kunnen worden en de methodes die daadwerkelijk gebruikt zijn (hoofd-
stuk 6). Vervolgens worden in hoofdstuk 7 de resultaten van het onderzoek beschreven.
Tenslotte bevinden zich in hoofdstuk 8 de conclusies van dit onderzoek, zullen er aanbeve-
lingen worden gedaan voor vervolgonderzoek en het verbeteren van de applicatie (8.4) en
wordt er in paragraaf 8.4 een kritische blik geworpen worden op de gebruikte methodes voor
dit onderzoek (reflectie).
9
Deel II
Vooronderzoek
10
2 Nieuwe media en eenzaamheid onder ouderen
In dit hoofdstuk wordt de probleemstelling beschreven, namelijk: veranderende communi-
catie onder jongeren en het achterblijven van ouderen hierin. Ouderen lopen sneller de kans
om eenzaam te worden, wat hun welzijn negatief be¨
ınvloed. Ouderen die wel gebruik maken
van nieuwe media, zoals het Internet, beleven daar voordeel aan. Helaas lijden veel ouderen
aan “knoppenangst” waardoor het moeilijk is om hen te introduceren aan de nieuwe media.
Er is behoefte aan laagdrempelige media, omdat sociale media gevoelens van eenzaamheid
kunnen verminderen.
In de jaren 90 heeft er een zeer snelle ontwikkeling plaats gevonden op het gebied van in-
formatie en communicatie technologie (ICT). Schnabel (1999) stelt dat de nieuwe media
het mogelijk maken dat men op iedere plaats, op ieder uur en in iedere omstandigheid in
´en of andere vorm met anderen in verbinding kan staan. De Haan et al. (2007) definieert
ICT als volgt: “Alle technologie¨
en die worden gebruikt voor verzameling, opslag, bewer-
king en doorgifte van data, beeld en geluid in gedematerialiseerde vorm”. In het geval van
nieuwe communicatieve media, spreken we vooral van sociale media zoals e-mailen, chatten,
social media websites en applicaties zoals Facebook en Twitter en WhatsApp. Door middel
van deze media communiceren mensen tegenwoordig veelal digitaal met elkaar waardoor er
minder wordt gecommuniceerd met de ouderen die geen gebruik maken van deze middelen.
Vooral door de opkomst van de “ Smartphone” heeft de digitale communicatie een vogel-
vlucht genomen. Uit onderzoek van het CBS (a) (2013) blijkt dat mensen steeds minder
bellen en sms’en. De sms-berichten maken plaats voor dataverkeer via internettoepassingen
zoals WhatsApp, Facebook en Twitter. In CBS (b) (pagina 209), wordt beweerd dat het
toenemende gebruik van de beschikbare moderne communicatiemiddelen ten koste gaat van
de traditionele schriftelijke manieren waarop mensen met elkaar gewend waren te communi-
ceren, voornamelijk het schrijven van brieven of kaarten (zie figuur 2, 2006). We kunnen uit
deze gegevens concluderen dat er minder wordt gecommuniceerd met de ouderen die nieuwe
media niet adopteren.
Figuur 2: Vervanging van schriftelijke post door internet of e-mailberichten (Uit CBS (b),
2006)
Uit cijfers van het CBS (2013b) blijkt ook dat ouderen beduidend minder vaak gebruik ma-
11
ken van sociale media dan jongeren (minder dan 20 % van de 75plussers, tegenover ±98%
van de jongeren tussen de 18 en 25 jaar, zie figuur 3). Technologie verandert heel snel en
ouderen hebben vaak meer moeite om deze ontwikkelingen bij te benen. Volgens De Haan
et al. (2007) zijn redenen voor ouderen om de nieuwe media niet te gebruiken: gebrek aan
kennis en “knoppenangst”, omdat zij de nieuwe technologie niet begrijpen en de opkomst
ervan bedreigend op hen overkomt. Hierdoor ontstaat er een digitale kloof tussen jongeren
en ouderen.
Figuur 3: Gebruik sociale media in Nederland naar leeftijd CBS (2013b)
In de rapportage “Surfende Senioren: Kansen en bedreigingen van ICT voor ouderen” van
het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) wordt de groep “ouderen” gedefinieerd als personen
van 55 jaar en ouder. In het huidig onderzoek houden we zelfs 65 jaar en ouder aan, omdat
het vooral gaat om het deel van de ouderen dat al met pensioen is. Zoals De Haan et al.
(2007) in het rapport van het SCP stellen, kan het hebben van een baan invloed hebben op
de aanwezigheid van technologie in huis. Ook het verlies van sociale hulpbronnen hebben
hebben invloed op het gebruik van technologie: contacten vallen weg door het overlijden
van familie en vrienden of door de eigen verminderde mobiliteit. Ouderen hebben vaak hulp
nodig bij het begrijpen en leren gebruiken van techhnologie, maar zonder deze hulpbronnen
beginnen ze er vaak niet aan.
Duimel (2003) geeft aan dat ouderen die w´el gebruik maken van het Internet daar vele
voordelen aan beleven: “Senioren noemen contact onderhouden met familieleden in het bui-
tenland als een van de grote voordelen van Internet. Het gaat sneller dan brieven schrijven
en in tegenstelling tot bij telefoneren doet het tijdsverschil er niet toe”. Vooral voor mensen
die aan huis gebonden zijn, kan Internet veel betekenen. Ook De Haan (2008) noemt het
gevoel van zelfstandigheid voor ouderen ´en van de grootste voordelen van het Internet.
Een ander belangrijk voordeel van moderne technologie dat hij noemt, is de mogelijkheid
om het sociale netwerk te onderhouden of uit te breiden. Net als Duimel (2003) noemt hij
dat ook het e-mailen met kinderen en kleinkinderen belangrijk wordt gevonden, vooral als
die op grote afstand wonen. “Bijna een derde van de oudere Internetgebruikers zegt minder
eenzaam te zijn door Internet en bijna een kwart zegt door Internet daadwerkelijk meer
sociale contacten te hebben”. Mensen die gebruik maken van sociale media onderhouden
een rijker contact. Mensen die geen gebruik maken van sociale media lopen dit voordeel mis.
Volgens De Haan et al. (2007) ervaart ´en op de vier mensen boven de 65 jaar meer of min-
dere mate van eenzaamheid. Eenzaamheid is een probleem dat veel voorkomt bij ouderen
12
en wordt vaak in verband gebracht met de individualisering van de samenleving: “Mensen
zouden zich steeds minder van elkaar aantrekken en zich niet meer voor het lot en het leed
van anderen interesseren”, aldus Halsema (2008). Veldheer en Bijl (2011) discussi¨
eren dat
familiebanden meer op vriendschapsbanden zijn gaan lijken: ze zijn minder verplicht en
meer gelijkwaardig. Dit ligt niet alleen aan de individualisering van de samenleving: “Er
zijn er ook andere economische en maatschappelijke ontwikkelingen die aan deze veranderin-
gen ten grondslag liggen, zoals de welvaartstijging, secularisering, emancipatie van vrouwen
en uitbreiding van het aantal verzorgingsarrangementen van de overheid. Zo hoeven vol-
wassen kinderen sinds de invoering van de Algemene Ouderdomswet (1957) en de Algemene
Bijstandswet (1965) hun behoeftige ouders niet meer financieel te ondersteunen. Minder
draagkrachtige ouders zijn daardoor niet langer afhankelijk van hun kinderen.”
Fokkema en Van Tilburg (2005) geven aan dat eenzaamheid onder ouderen invloed heeft
op de gezondheid en het welzijn van ouderen. Mensen die eenzaam zijn blijken vaker last
te hebben van een verminderd zelfrespect en een pessimistische kijk op de toekomst. Ze
hebben vaker depressieve klachten, angststoornissen en lichamelijke aandoeningen, zoals
hoofdpijn, maagpijn, ademhalingsproblemen en slaapproblemen, eventueel gekoppeld aan
een gebrek aan eetlust, overmatige alcoholconsumptie en een bovengemiddeld gebruik van
slaap- en kalmeringsmiddelen. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven, hangt eenzaamheid nauw
samen met sociale verbondenheid. Er zijn dan ook verschillende ICT diensten ontwikkeld om
eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan door het verbeteren van de sociale verbondenheid.
Naast “Smartphones” zijn tegenwoordig ook “tablets” alomvertegenwoordigd. Deze com-
pacte computers zijn uiterst simpel in gebruik: je hebt geen gebruiksaanwijzing nodig.
Vooral de iPad van Apple is bekend om zijn gebruiksvriendelijke interface. Daarom wordt er
geprobeerd om tablets in te zetten om ouderen op het internet te krijgen. Uit het onderzoek
van GfK “GfK Trends in Digitale Media”2blijkt dat de groei van het aantal tabletgebruikers
enerzijds vooral wordt veroorzaakt door de groep jongeren tussen de 13 en 17 jaar, waarvan
39% inmiddels een tablet bezit (versus 10% in juni 2012). Anderzijds zijn het de ouderen
(65+) die meer tablets zijn gaan gebruiken en waarvan inmiddels een derde een tablet bezit
(versus 15% juni 2012). Er zijn verschillende applicaties voor tablets die ouderen ondersteu-
nen in de zorg. Een mooi voorbeeld daarvan is PAL4 (Personal Assistant for Life)van Focus
Cura Zorginnovatie Dohmen (2014). PAL4 bestaat uit verschillende applicaties voor iPad
voor het ondersteunen van zorg op afstand. Deze applicaties maken het bijvoorbeeld moge-
lijk om te kunnen beeldbellen met een verpleegkundige, maar ook met je familie. Ook zijn er
andere apps als personen-alarmering, medicatiebegeleiding op afstand, de digitale zorgriem
voor cli¨
enten met geheugenstoornissen en een valdetector (zie http://pal4redactie.nl/
magazine/digizine-sensire-veilig-en- gezond-thuis/, geraadpleegd op 21 januari 2014).
Er zijn ook iPad applicaties die specifiek gericht zijn op sociale verbondenheid, zoals Vita
Zilveronline3(2012, zie figuur 4). Met deze applicatie kunnen 75 plussers in een simpele
omgeving online met elkaar en met anderen communiceren. De applicatie is ontwikkeld in
2GfK is ´en van de grootste onderzoeksbedrijven ter wereld waar dagelijks meer dan 13.000 experts op
zoek gaan naar nieuwe inzichten over de manier waarop mensen leven, denken en kopen, in meer dan 100
landen. Het onderzoek “GfK Trends in Digitale Media” (juni 2013), is uitgevoerd door Intomart GfK in
samenwerking met Cebuco, magazines.nl en PMA. De steekproef bestaat uit 1005 Nederlanders van 13 jaar
of ouder die gebruik maken van internet en is representatief voor 12.800.000 internetters, aldus http://www.
gfk.com/nl/news-and- events/press-room/documents/20- 06-13_persbericht_trends_in_de_media.pdf.
3Vita Zilveronline: http://www.usmedia.nl/work/vita- zilveronline, geraadpleegd op 1 april 2014.
13
co-creatie met 15 Amstelveense ouderen.
Figuur 4: Scherm van de applicatie
Het startscherm van de iPad bestaat uit drie delen. Het eerste deel is het Groepsgesprek,
een soort verzamelpunt waar de mensen tegelijk met elkaar kunnen communiceren. Het
tweede deel bevat priv´e berichten en in het derde deel, Lief en leed genoemd, kunnen ze iets
over zichzelf iets kwijt4(zie figuur 4.
Dit waren twee voorbeelden uit initiatieven die er gaande zijn om eenzaamheid onder ouderen
tegen te gaan. De effecten van deze twee inititatieven zijn niet wetenschappelijk onderzocht
voor de doelgroep zelfstandig wonende ouderen. Bij PAL4 is door de Universiteit van Twente
wel onderzoek gedaan naar zorg voor dementerenden, maar dat past niet in de doelgroep van
dit onderzoek. In het hoofdstuk 4 zullen wetenschappelijke onderzoeken naar de verbetering
van sociale verbondenheid behandeld worden, die wel van toepassing zijn op onze doelgroep.
In het volgende hoofdstuk zal eerst het begrip behandeld worden waar het in dit onderzoek
om draait: sociale verbondenheid.
4Van: Amstelveenweb: http://www.amstelveenweb.com/fotodisp&fotodisp=2178.
14
3 Sociale Verbondenheid en Eenzaamheid
De focus van dit onderzoek ligt op het samenbrengen van de generaties door het verbeteren
van de sociale verbondenheid. Om dat te kunnen doen, moeten we eerst weten wat het
begrip precies inhoudt. Hier volgen een aantal definities van sociale verbondenheid:
1. van Baren et al. (2003), p48: “Connectedness is a positive emotional experience
which is characterised by a feeling of staying in touch within ongoing social relations-
hips.”
2. Lee et al. (2008), p415: “Social connectedness reflects a self-evaluation of the degree
of closeness between the self and other people, the community, and society at large”.
3. van Bel et al. (2009), p67: “We define social connectedness as a short-term ex-
perience of belonging and relatedness, based on quantitative and qualitative social
appraisals, and social awareness”.
Elk van deze definities belicht een ander aspect van sociale verbondenheid. Sociale verbon-
denheid is:
1. Een positieve ervaring/gevoel.
2. Een subjectieve beoordeling en kan dus voor iedereen verschillend kan zijn, wat het
moeilijk meetbaar maakt: de ´en is al snel tevreden met een paar goede contacten
en een gering aantal contactmomenten, terwijl de andere met hetzelfde aantal goede
contacten en contactmomenten zich eenzaam kan voelen.
3. Een gevoel van van korte duur, wat het ook moeilijk te meten maakt. Deze gevoe-
lens beleef je namelijk op het moment dat je een intiem moment met iemand beleeft.
Je deelt ervaringen, je deelt een mening, je hebt lol met elkaar en je begrijpt elkaar.
Maar deze gevoelens beleven een piek op het moment van de gebeurtenis, maar ne-
men daarna weer langzaam af tot een gemiddelde. Je blijft dus niet maandenlang
met deze gevoelens rond lopen van ´en ervaring die je hebt gehad. Hoe vaker deze
ervaringen plaatsvinden, hoe hoger het gemiddelde gevoel van behoren (belonging) en
verwantschap (relatedness) zal zijn.
Uit het schematisch overzicht (zie figuur 5) dat van Dijk et al. (2012) hebben gemaakt uit de
onderzoeken van van Bel et al. (2009), blijkt dat sociale verbondenheid invloed heeft op het
algeheel gevoel van welzijn. In dit onderzoek zullen de effecten op het algehele gevoel van
welzijn niet gemeten worden, omdat er geen directe conclusies getrokken kunnen worden
over de effecten op welzijn. In dit onderzoek is het wel van belang om te weten welke
factoren invloed hebben op sociale verbondenheid, namelijk:
1. Being in touch, ofwel: in contact zijn/blijven met mensen die niet in de buurt zijn.
IJsselsteijn et al. (2003) noemen als voorbeelden: verzekerd zijn van het welzijn van an-
deren, anderen laten delen in jouw ervaringen, iemand laten weten dat je aan hem/haar
denkt en kansen cre¨
eren voor synchrone communicatie.
2. Sharing & involvement, ofwel: delen en betrokken zijn. van Bel et al. (2009) noemen
als voorbeeld: het hebben van gedeelde inzichten, elkaars ervaringen en gevoelens
kennen en het ervaren van gevoelens van nabijheid (op individueel niveau).
15
Figuur 5: Schematisch overzicht van sociale verbondenheid van van Dijk et al. (2012)
3. Quantity of social network & interaction, ofwel: Het aantal sociale contacten en con-
tactmomenten.
4. Quality of Social [contacts] (closeness), ofwel: de kwaliteit van de band met anderen.
De beoordeling (appraisal, nummer 6 in figuur 5) van de relaties gebeurt op niveau van
kwantiteit van de contacten (grootte van het netwerk, nummer 3) en contactmomenten (hoe
vaak je contact hebt) en kwaliteit van de sociale contacten (de sterkte van de band, nummer
4) en contactmomenten (bijvoorbeeld oppervlakkige of diepgaande gesprekken).
De definitie van sociale verbondenheid is ook gerelateerd aan de definitie van eenzaamheid.
Eenzaamheid wordt door de Jong-Gierveld (1984) (p. 45) gedefinieerd als: “Een onplezierig
en ontoelaatbaar ervaren discrepantie tussen de gerealiseerde en de gewenste relaties”. Dit
kan betekenen dat het aantal contacten dat men heeft met andere mensen geringer is dan
men wenst, maar het kan ook betekenen dat de kwaliteit van de gerealiseerde relaties ach-
terblijft bij de wensen. Eenzaamheid is dus, net als sociale verbondenheid, een subjectieve
beoordeling. Sociale verbondenheid is, zoals beschreven aan de hand van figuur 5, een bre-
der begrip dan eenzaamheid. Sociale verbondenheid bestaat namelijk naast de kwantiteit
en kwaliteit van de sociale relaties, ook uit het gevoel in contact te zijn en betrokken te zijn
bij de ander. Wanneer de subjectieve beoordeling van de sociale contacten (appraisal) als
positief wordt ervaren is iemand goed sociaal verbonden. Wanneer de beoordeling van de
sociale contacten als negatief wordt ervaren, is diegene eenzaam.
Als het over eenzaamheid gaat, leggen Van Bel et al. (2009) de nadruk op het onderscheid
tussen sociale verbondenheid op algeheel niveau en op individueel niveau (p.55). Het gaat
dus niet alleen om de beoordeling van de graad van de nabijheid (closeness) tussen jezelf
en andere individuen (individueel niveau), maar ook op algeheel niveau (bijvoorbeeld de ge-
meenschap waarin je je bevindt of de positie die je hebt binnen je familie of vriendenkring).
Je bent dus niet meteen eenzaam als je beoordeling van de kwaliteit van de band met ´en
individu niet is zoals gewenst. Wanneer je beoordeling van je verbondenheid op algeheel
16
niveau negatief is, dan spreekt men over eenzaamheid.
Fokkema en Tilburg (2006) onderscheiden twee vormen van eenzaamheid: de eenzaamheid
van sociale isolatie en die als gevolg van emotionele isolatie. Sociale eenzaamheid is gekop-
peld aan een tekort aan sociale integratie: het ontbreken van contacten met mensen waarmee
men bepaalde gemeenschappelijke kenmerken deelt, zoals vrienden of vriendinnen. Emotio-
nele eenzaamheid treedt op als iemand een hechte, intieme band mist met ´en ander persoon,
in de meeste gevallen een levenspartner. Dit biedt een verklaring voor het feit dat mensen
met een partner gevoelens van eenzaamheid kunnen ervaren omdat zij een bredere kring
van vrienden en kennissen missen en, omgekeerd, dat alleenstaanden met een uitgebreide
vriendenkring zich eenzaam voelen vanwege het gemis van iemand die er speciaal voor hen is.
Verbondenheid en eenzaamheid zijn afhankelijk van een aantal factoren. Cornwell et al.
(2008) (p.21) noemen vijf dimensies van de verbondenheid van het interpersoonlijke sociale
netwerk (individueel niveau) en vier dimensies van integratie in de gemeenschap (algeheel
niveau):
1. Grootte van het netwerk(Network size)
2. Hoe vaak er contact is met elk persoon in het netwerk (Volume of contact with network
alters)
3. Nabijheid tot anderen (Closeness to alters)
4. Primaire personen in netwerk (echtgeno(o)t(e), partner of (stief-)kinderen) (Primary
group members in net)
5. Dichtheid van het netwerk (hoeveel van de personen in het netwerk kennen elkaar?)
(Network density)
6. Sociaal contact met de buren (Neighborly socializing)
7. Aanwezigheid bij religieuze diensten (Religious services attendance)
8. Vrijwilligerswerk (Volunteer work)
9. Groepsactiviteiten (Organized group involvement)
Uit het onderzoek van Cornwell et al. (2008) naar sociale isolatie bij ouderen tussen de
57 en 85 jaar, blijkt dat leeftijd een negatief effect heeft op de grootte van het netwerk,
de nabijheid tot anderen en het aantal niet-primaire-groepsbanden (de banden buiten de
partner en kinderen om). Aan de andere kant kan leeftijd een positieve invloed hebben op
frequentie van socialiseren met buren, participatie in religie en vrijwilligerswerk. Leeftijd
heeft een U-vorm relatie met hoeveelheid contact met mensen in het netwerk. Het is volgens
Cornwell et al. (2008) dus niet helemaal correct dat ouderen per definitie sociaal geisoleerd
raken, met leeftijd worden het sociale netwerk wat minder groot, maar neemt de kwaliteit
van bepaalde relaties juist toe.
Uit dit hoofdstuk kunnen we concluderen dat sociale verbondenheid en eenzaamheid nauw
samenhangen met het welzijnsgevoel bij mensen. Een positieve beoordelig van het aantal
17
contacten en steun, en de kwaliteit van de relaties geven een positief gevoel en dat kan een
positief effect hebben op het algehele gevoel van welzijn. Wanneer de persoonlijke sociale
situatie negatief beoordeeld wordt, kan dit negatieve effecten hebben op het algehele ge-
voel van welzijn (met verschillende gezondheidsproblemen tot gevolg, hoofdstuk 2). Er zijn
verscheidene media gericht op het ondersteunen van sociale relaties. Ouderen maken bedui-
dend minder gebruik van deze media dan jongeren, omdat nieuwe media vaak bedreigend
op hen overkomt en zij de ontwikkelingen maar moeilijk kunnen bijbenen. Uit onderzoek
blijkt dat leeftijd een negatief effect heeft op de grootte van het netwerk, de sterkte van de
band met mensen in het netwerk en niet-primaire-groepsbanden. Media gericht op ouderen
zouden versterking moeten bieden op deze punten. Sociale verbondenheid is een subjectieve
ervaring van korte duur, dit maakt het moeilijk meetbaar. In het volgende hoofdstuk zullen
onderzoeken naar sociale vebondenheid behandeld worden, om inspiratie op te doen en te
leren over de methoden om verbondenheid te meten.
18
4 Voorgaand onderzoek
In het vorige hoofdstuk is het belang van het verbeteren van de sociale verbondenheid onder
ouderen aangehaald. Er werden een paar voorbeelden genoemd van media speciaal gericht op
het ondersteunen van de verbondenheid bij ouderen, maar de effecten van de media waren
niet wetenschappelijk onderzocht. In dit hoofdstuk zullen een aantal wetenschappelijke
onderzoeken behandeld worden die elk hun bijdrage geleverd hebben aan het opstellen van
het huidige onderzoek.
4.1 Onderzoek Biemans en van Dijk (2009)
In 2009 is door de Universiteit van Twente, in samenwerking met Philips Research en Novay
(het voormalige Telematica Instituut), onderzoek gedaan naar het gebruik van een laagdrem-
pelig medium ter verbetering van sociale verbondenheid. Het doel van het onderzoek was:
het bieden van ICT aan mensen die ver bij hun familie en vrienden vandaan wonen, voor
het ondersteunen, onderhouden en versterken van sociale verbondenheid. De focus lag niet
op het ontwikkelen van nieuwe technologie, maar op het bestuderen van de effecten van be-
schikbare technologie, namelijk: de VodafoneTM 520 digitale fotolijst. Met deze digitale SIM
fotolijst, die in 2008 op de markt werd gebracht, kunnen er over de hele wereld foto’s met
mobiele telefoons (Multimedia Messaging Service, MMS) naar de fotolijst verzonden wor-
den (zolang de fotolijst zich in Nederland bevindt, zie http://www.techzine.nl/nieuws/
14924/vodafone-lanceert-fotolijst-met- simkaart.html). Er werd onderzocht wat de
rol is van het delen van foto’s ter versterking van de sociale verbondenheid tussen twee
gebruikersgroepen en hun familie.
De twee gebruikersgroepen bestonden uit: 8 ouderen in een groepswoning van een verzor-
gingstehuis en 4 dwarslaesierevalidatie pati¨
enten. In beide gevallen verbleef degene die het
fotolijstje kreeg ver weg van huis en was het voor de familie moeilijk om regelmatig op be-
zoek te gaan. Een groot verschil was dat de revaliderenden terug naar huis hoopten te keren,
terwijl de ouderen de rest van hun leven in het verzorgingstehuis zouden doorbrengen. Elk
van de participanten kreeg gedurende 6 tot 7 weken een fotolijstje waarop zij foto’s van hun
familie konden ontvangen. Het versturen van de foto’s kon via de mobiele telefoon, of via
een speciale website.
De effecten van de interventie van de studie op de communicatie tussen de participanten en
hun familie, werden onderzocht door middel van interviews met de participanten, kwanti-
tatieve analyse van de gestuurde foto’s en kwalitatieve content analyse van die foto’s. Er
werden op drie momenten interviews gehouden: voor de start van de test, tijdens de test en
meteen na de test.
Uit de interviews bleek dat de revalidatie pati¨
enten het verrassingseffect hoog waardeerden,
terwijl de ouderen de foto’s vooral gebruikten om aan anderen te laten zien en erover te
praten (“Food for Talk”, van Dijk et al. (2010)). In beide gebruikersgroepen waren niet
alleen de inhoud van de foto’s van belang, maar ook het idee dat er aan ze werd gedacht werd
erg geapprecieerd. Er werd een positief effect geconstateerd op de sociale verbondenheid bij
beiden groepen.
19
Methode en meetinstrumenten Interviews, kwantitatieve analyse van de gestuurde
foto’s en kwalitatieve content analyse van die foto’s. Bij de ouderen was er bij het eerste en
laatste interview een familielid aanwezig. De tusentijdse interviews werden gehouden met de
oudere en een medewerker van de zorg. Redenen waarom de ouderen niet individueel wer-
den ge¨
ınterviewd waren, onder andere, omdat sommige ouderen snel emotioneel werden en
een aantal konden niet door middel van spraak communiceren. Bij de revalidatie pati¨
enten
werden individuele interviews gehouden met de pati¨
ent en met een familielid.
De pre-test interviews waren gestructureerde interviews met het doel te weten te komen
hoe en hoe vaak de deelnemer gemiddeld contact heeft en hoe verbonden deze zich voetlt.
De tussentijdse interviews waren informele gesprekken naar de eerste indrukken van het
fotolijstje. De focus van de interviews na de test was op de ervaringen van de participanten
met het fotolijstje, onder andere: eventuele problemen met het gebruik en de effecten van
de interventie van de onderzoekers op het gevoel van verbondenheid.
Figuur 6: Een taxonomie van soort gemaakte foto’s, met nummers en proporties per cate-
gorie Kindberg et al. (2005)
Voor de content analyse werden categori¨
en gebruikt die ge¨
ınspireerd waren op de taxonomy
van Kindberg et al. (2005) (zie figuur 6)en de categori¨
en van Garau et al. (2006):
Context: Location — Activity — Food — Time/Temperature
Portrait: Self — Friends — Animals
Visual interest: Scenery — Architecture — Poetic — Art shot
Media: Logo — Advertisement — Book — TV/film — Website
Humor: Amusing shot — In-joke — Running joke
Event: Mundane — Special
Travel: Information (e.g. boarding card) — Tourist shot
20
4.2 Onderzoek Alak¨
arpp¨
a et al. (2014): Comcare
Alak¨
arpp¨
a et al. (2014) hebben soortgelijk onderzoek gedaan naar sociale verbondenheid
tussen ouderen en hun familie en vrienden door gebruik van Comcare: een applicatie op
een Android tablet. Dit onderzoek is zowel ter ondersteuning van de zorg voor ouderen, als
voor het tegengaan van eenzaamheid onder ouderen. Met Comcare is het mogelijk om korte
berichten te sturen naar de deelnemende familie en/of vrienden.
Alak¨
arpp¨
a et al. (2014) ontwikkelden Comcare zelf en hebben het daarna getest gedurende
een periode van twee maanden. Comcare maakt het mogelijk dat ouderen zelf berichten
kunnen schrijven naar hun ‘cirkel’ van mensen die meedoen aan het project. Ook wordt er
informatie doorgestuurd die door sensoren bij de deur van de WC of bij de slaapkamer. Ook
kunnen anderen uit de cirkel berichten sturen (en ontvangen).
Methode en meetinstrumenten Vijf senioren (drie vrouwen en twee mannen), vijf
familieleden en drie vrienden deden mee aan het project. De gemiddelde leeftijd van de
ouderen was 75.6 years. Het materiaal bevatte acht groepsgesprekken en vijftien indivi-
duele interviews. De vijf eerste groepsgesprekken werden voor de test-periode gehouden.
De groepsgesprekken werden gehouden met ´en oudere, een familielid en een vriend. De
drie groepsgesprekken die aan het einde van de test-periode gehouden werden, waren met
de oudere, de familieleden en de vrienden. Het interviewmateriaal werd getranscribeerd en
geanalyseerd door middel van thematische analyse.
Thematische Analyse is een manier voor het verwerken van kwalitatieve data. Brown en
Stockman (2013) beschrijven dat bij thematische analyse gegevens worden gecodeerd in 6
stappen:
1. Maak jezelf bekend met de data door eerste idee¨
en op te schrijven.
2. Genereer initiele codes: basis segmenten/eigenschappen
3. Zoek naar thema’s door de codes te sorteren in potentiele thema’s
4. Verfijnen van de gekozen thema’s
5. Definieren en benoemen van thema’s
6. Produceer een rapport
4.3 Takahashi
Takahashi (2005) beweert dat mensen hun eigen interne web opstellen van nabijheidsrela-
ties. Deze relaties bestaan elk uit persoon-functie paren. De functie of rollen die personen
uit je netwerk in je leven innemen (affectieve relaties), zeggen iets over de soort persoon die
je bent. Mensen kunnen vriend-dominante, familie-dominante of kind-dominante netwerken
hebben. Sommige mensen hebben weinig sociale contacten/hulpbronnen en geven ook aan
dat ze niemand nodig hebben. Dit type mens deelt Takahashi (2005) in categorie ‘Lone
Wolf ’. Uit onderzoek met studenten en met ouderen is gebleken dat er geen verschil is
in hoe goed mensen zich kunnen aanpassen in verschillende sociale situaties. Mensen die
een vriend-dominant netwerk hebben en mensen die een familie-dominant netwerk hebben
21
kunnen zich in verschillende sociale situaties makkelijker aanpassen dan de ‘Lone Wolves’.
Als iemand zich moeilijk kan aanpassen in sociale situaties kan dit effecten hebben op het
algehele gevoel van welzijn.
Methode en meetinstrumenten Om de verschillende psychologische functies van el-
kaar te onderscheiden maakten Takahashi (2005) gebruik van een schema gebaseerd op de
“the hierarchical mapping technique” van Antonucci (1986). Bij deze techniek is er sprake
van 3 cirkels met een gemeenschappelijk middelpunt, waarmee het sociale netwerk van de
respondent gerepresenteerd wordt (zie figuur 7). Elk van de cirkels representeert een ander
niveau van hoe belangrijk de persoon is voor de respondent. Ook werden de respondenten
gevraagd welke functie elk van de personen inneemt. McCarty et al. (2007) beschrijft de
methode wat duidelijker: in het midden van de binnenste cirkel wordt het woord “YOU”
geplaatst en de respondenten moesten de voornaam van de mensen met wie ze een sterke
band hebben in de binnenste cirkel te plaatsen. Degenen die ze kennen, maar die minder
dichtbij staan moesten ze in de buitenste cirkel plaatsen.
Figuur 7: Hierarchical Mapping Technique
4.4 Seniorweb: Project Esc@pe
In het rapport van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI, Fokkema
en Tilburg (2006)) wordt een evaluatieonderzoek naar interventies ter voorkoming en ver-
mindering van eenzaamheid onder ouderen beschreven. NIDI kreeg de opdracht om de ef-
fecten van 17 eenzaamheidsprojecten die zijn uitgevoerd tussen 2001 en 2005 te onderzoeken.
Voorwaarde voor de projecten was dat zij gestructureerde vragenlijsten, voorafgaand aan en
na afloop van de interventie (voor- en nametingen) moesten afnemen, met daarin in ieder
geval opgenomen door NIDI samengestelde vragen. In deze vragen was, onder andere, de
eenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld en Kamphuis (1985) opgenomen. Ter illustratie
wordt er in deze paragraaf een toelichting gegeven op het Project Esc@pe.
Uit het project Esc@pe van SeniorWeb5van Fokkema en van Tongeren (2005) waarbij 15
Eindhovense ouderen gedurende 3 jaar een PC met internetaansluiting thuis kregen, bleek
5SeniorWeb is een laagdrempelige non-profitorganisatie, opgericht in 1996, met als missie om iedereen die
22
dat het gebruik van internet leidt tot een verbetering van de sociale contacten. Ook leidde
de verbetering van de sociale contacten tot een vermindering van eenzaamheidgevoelens.
Internet kan dus voor zorgen dat ouderen zich minder eenzaam voelen. Om te leren omgaan
met de computer en het Internet hebben deze ouderen vijf lessen gehad. Uit het onderzoek
bleek dat deze vijf lessen niet voor alle ouderen voldoende waren. Andere bevindingen uit
het onderzoek waren:
De nieuwe methodes om sociale verbondenheid te verbeteren (nieuwe media) zijn niet
ter vervanging van de andere manieren van contact (zoals op bezoek gaan en bellen),
maar dienen ze als extra contactmomenten, omdat het contact dat er wel is veel te
weinig plaatsvindt.
Omdat jongeren een druk leven hebben, is het vooral onder deze groep een behoefte om
op een gemakkelijke en snelle manier contact te kunnen maken met hun (groot)ouders,
zoals ze dat ook kunnen met hun andere contacten via de nieuwe media.
Meetinstrumenten Voor het meten van eenzaamheid gebruikten Fokkema en Tilburg
(2006) de eenzaamheidschaal van de Jong Gierveld (1985). De schaal biedt de mogelijkheid
twee aparte schalen te construeren, ´en voor sociale eenzaamheid (score: 0-5) en ´en voor
emotionele eenzaamheid (score: 0-6). De vijf positief geformuleerde items geven uitdrukking
aan gevoelens van sociale inbedding, het ergens bij horen. De zes negatief geformuleerde
items zijn uitspraken over gevoelens van verlatenheid en het gemis van een gehechtheidsre-
latie:
1. Er is altijd wel iemand in mijn omgeving bij wie ik met mijn dagelijkse probleempjes
terecht kan.
2. Ik mis een echt goede vriend of vriendin.
3. Ik ervaar een leegte om mij heen.
4. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.
5. Ik mis gezelligheid om mij heen.
6. Ik vind mijn kring van kennissen te beperkt.
7. Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen
8. Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.
9. Ik mis mensen om mij heen.
10. Vaak voel ik me in de steek gelaten.
11. Wanneer ik daar behoefte aan heb, kan ik altijd bij mijn vrienden terecht.
niet met de computer is grootgebracht de vele mogelijkheden van internet te laten ervaren met als achterlig-
gende doelstelling de maatschappelijke participatie van deze doelgroep te vergroten (zie www.seniorweb.nl).
23
4.5 ABC-Questionnaire
IJsselsteijn et al. (2009) hebben de Affective Benefits and Costs Questionnaire (ABC-Q)
ontwikkeld omdat er nog geen manier was om te meten wat de effecten zijn van commu-
nicatie via “media mediated communicationvergeleken met rechtstreekse communicatie
(face-to-face). De vragenlijst bestaat uit 60 vragen die moeten worden beantwoord op een
7-punts-schaal. Er zijn vragen voor zowel de zender als de ontvanger.
De vragenlijst bestaat uit negen hoofd-thema’s: Privacy, verplichtingen, verwachtingen,
inspanning, aan elkaar denken, in contact blijven, ervaringen delen, herkenning en groeps-
gevoel. De eerste 4 thema’s vallen onder kosten van communicatie, de laatste 5 vallen onder
baten.
Meetinstrumenten De ABC-Questionnaire werd gebruikt in een veld-onderzoek van het
ASTRA project (Van Baren (2004)), waarbij er een prototype awareness system werd ont-
wikkeld om verdeelde families contact met elkaar te laten houden door momenten van hun
leven te delen. Dit kon door middel van foto’s, tekeningen en korte berichten. Twee families
participeerden in dit onderzoek, die beiden over twee aparte huishoudens verdeeld waren.
Er werd een within-subjects test uitgevoerd die elk een week duurde. In de eerste week
werd er gekeken naar de manieren waarop de huishoudens met elkaar communiceren met de
beschikbare media. In de tweede week werd het ASTRA medium geintroduceerd in beide
huishoudens. In beide weken werden er groepsinterviews gehouden. Deelnemers hielden ook
een dagboek bij en vulden twee vragenlijsten in: the IPO-SPQ voor het meten van social
presence en de ABC-Q.
Resultaten De resultaten van het onderzoek impliceren dat het ASTRA systeem de kos-
ten die bij de manier van communiceren hoort niet verhoogt, maar dat de participanten
wel profijt hadden van de baten van het communicatiesysteem. Een interview met alle 4
participanten van elk van de twee huishoudens bevestigden deze resultaten. De deelnemers
gaven aan dat ze zich beter in contact met elkaar voelden in de tweede week vergeleken met
de eerste week. Ze dachten meet aan elkaar en waren meer bewust van wat hun familieleden
deden, ook konden ze meer van hun eigen ervaringen delen. De ABC-Q is een veelbelovende
en betrouwbaar meetinstrument en ook is door dit onderzoek bewezen dat het geschikt is
voor het meten van de effecten verschillende media (kan gebruikt worden voor condities).
4.6 Scottie
Er zijn ook andersoortige toepassingen ontwikkeld ter verbetering en/of ondersteuning van
de sociale verbondenheid. Waag Society (2012) heeft onderzoek gedaan naar het vergroten
van de sociale verbondenheid tussen ouderen met (beginnende) dementie en hun naasten
door middel van Scottie: “een speels object met een multisensorische interface, die gebruik
maakt van non-verbale uitingen zoals kleur, licht en trillingen” (van Dijk et al. (2012)).
Scottie was al getest met kinderen die langdurig ziek zijn. Bij toeval bleek de groep van
oudere volwassenen een zeer geschikte te zijn: “Een van de onderzoekers had een Scottie
familie van drie geplaatst bij een man, die in een verzorgingshuis was opgenomen, zijn vrouw
thuis en volwassen zoon in Amsterdam. Door middel van Scottie stonden zij met elkaar in
24
contact via impliciete communicatie. De gebruikers waren enthousiast, en dat vormde de
aanleiding voor een uitgebreider onderzoek” (Waag Society (2012)).
Figuur 8: Scottie van Dijk et al. (2012)
Er werd kwalitatief onderzoek gedaan door middel van interviews bij 20 respondenten en
diepte interviews en observaties bij een case study van een familie met 3 deelnemers. Bij de
ouderen waren de meningen over Scottie verdeeld: sommigen misten een bel/camerafunctie
om elkaar te spreken. De meneer van de case study gaf aan dat hij zich daadwerkelijk meer
verbonden voelde wanneer alle drie Scotties actief waren (die van zijn dochter en klein-
dochter en van zichzelf) en dat hij naar aanleiding van de communicatie via Scottie zijn
dochter daadwerkelijk heeft opgebeld. Dit is een duidelijk teken van sociale verbondenheid.
Een andere conclusie was dat Scottie niet geschikt is voor de doelgroep dementie. Redenen
waren, onder andere, dat het object te zwaar was en dat de ouderen in een te ver gevorderd
stadium van dementie waren waardoor ze er niet mee konden om gaan.
4.7 Conclusies Voorgaand Onderzoek
In dit hoofdstuk werden een aantal onderzoeken besproken die van waarde kunnen zijn voor
het huidige onderzoek. Ze gaven namelijk inzicht in hoe kwalitatief onderzoek gedaan wordt:
voornamelijk door middel van interviews en vragenlijsten. Ook zijn er uit de onderzoeken
naar sociale verbondenheid een gevalideerde vragenlijsten gebruikt om sociale verbonden-
heid en eenzaamheid te meten. Deze voorbeelden illustreren de verschillende toepassingen
die worden bedacht om het probleem van eenzaamheid onder ouderen die geen internet ge-
bruiken, tegen te gaan. laagdrempelige ICT diensten die weinig tot geen begeleiding vereisen
zouden voor ouderen met knoppenangst beter van toepassing zijn.
25
Deel III
Onderzoek
26
5 Project Familie-LinQ en huidig onderzoek
Zoals in de vorige sectie beschreven, zijn er verschillende onderzoeken geweest naar het
bestrijden van eenzaamheid onder ouderen. Familie-LinQ is een projectgroep die als doel-
stelling heeft de generaties weer met elkaar te verbinden door middel van een laagdrempelig
medium dat simpel te bedienen is door senioren met angst voor nieuwe media.
(a) Binnenkomende foto op stand-by (b) Binnenkomende foto carroussel stand
(c) Carroussel stand (d) Bericht
Figuur 9: Voorbeeld Fotolijstje
Familie-LinQ opperde het idee voor een applicatie op een tablet, vermomd als een fotolijstje,
waarop ouderen foto’s en berichten van hun (klein)kinderen kunnen ontvangen. Op de tablet
draait alleen de applicatie van F-LinQ: een carroussel van de gestuurde foto’s. De senior
hoeft in principe niets te doen. Wanneer er een foto/bericht binnen klinkt het geluid van
een fluitend vogeltje en draait het bericht/de foto in het klein in de linkerbovenhoek (zie
figuur 9(b). De senior moet dan wel op het ronddraaiende fotootje/berichtje tikken om het
te ontvangen. De foto verschijnt niet zomaar op het lijstje, omdat het belangrijk is dat de
oudere weet dat er een nieuwe foto binnen is gekomen en er iemand op dat moment een foto
heeft gestuurd.
Verder heeft het fotolijstje ´en grote zichtbare knop aan de bovenkant voor de stand-by
stand (zie figuur 9). Het beeld is dan zwart en alleen de tijd en de datum zijn zichtbaar
9(a). ’s Avonds gaat het fotolijstje vanzelf in stand-by stand en ’s ochtends gaat het vanzelf
weer op de carroussel stand. In de nacht geeft het fotolijstje geen geluid, zodat wanneer
familie uit het buitenland foto’s sturen, de ouderen niet wakker hoeven te worden van het
geluid van het fluitende vogeltje.
Op de carroussel stand 9(c) is behalve de foto of het bericht ook te zien wie de foto verstuurd
heeft: een fotootje van de persoon in de linkerbenedenhoek, een beschrijving van wat er op
de foto staat (alleen bij een foto), en een lachebekje (rechterbenedenhoek).
27
In 2012 is het Bartholomeus Gasthuis benaderd door Familie-LinQ en zijn zij een samen-
werkingsverband aangegaan. Zoals in het projectplan van Familie-LinQ wordt aangegeven,
faciliteert het Bartholomeus Gasthuis dit project, door binnen haar netwerk een honderdtal
ouderen in Utrecht de technische infrastructuur aan te bieden. Het pro ject telt 3 fasen:
Fase 0 Ontwikkelen stabiele applicatie. Pilot met 18 ouderen en hun familie.
Fase 1 Van passief ontvangen naar meer eigen initiatief. Uitbreiden met nog 82 ouderen.
Fase 2 Persoonlijke communicatie ouderen en (klein)kinderen. Mobiele applicatie voor de
familie.
Het huidige onderzoek heeft alleen betrekking op fase 0. In deze fase is er maar ´en moge-
lijkheid om antwoord te geven wanneer er een foto is ontvangen: Namelijk door het tikken
op het lachebekje. De zender krijgt dan een e-mail bericht dat er de oudere de betreffende
foto leuk vindt. De volgende stap in het project is de ouderen de mogelijkheid bieden om
ook korte berichten terug te kunnen sturen. Uiteindelijk wil Familie-LinQ ook beeldbellen
toevoegen aan de applicatie. Er zal in het huidige onderzoek wel gevraagd worden naar de
behoeften van de ouderen, zodat duidelijk wordt of zij het reageren in korte berichtjes wel
willen/kunnen en wat zij ervan zouden vinden om te kunnen beeldbellen via de applicatie.
In 2012 heeft Familie-LinQ het fotolijstje aan 3 gebruikers in het Barthomoleus Gasthuis
aangeboden. De resultaten van de eerste verkenning waren:
Voor de ouderen is het fotolijstje erg eenvoudig in het gebruik (´en aan/uit knop,
duidelijk formaat foto’s, leesbare tekst, herkenbare afzender).
De notificatie van nieuwe foto’s/berichten is erg belangrijk voor het momentane gevoel
van verbondenheid.
De ouderen krijgen foto’s en berichten van kleinkinderen en achterkleinkinderen waar
ze voorheen niet veel van hoorden.
Foto’s en berichten vormen nieuwe aanknopingspunten en invalshoeken voor een ge-
sprek. Daardoor is de stap naar persoonlijk contact makkelijker en is de communicatie
rijker.
De ouderen hebben het gevoel dat ze niet meer helemaal uitgesloten zijn van de digitale
wereld.
Deze resultaten hebben het Bartholomeus Gasthuis aangezet om samen met F-LinQ het
fotolijstje verder te ontwikkelen. Op basis van de feedback van de ouderen en de kinderen
is bovendien gebleken dat zijn een aantal nuttige uitbreidingen van de dienst zouden wen-
sen. Na verloop van tijd zijn de ouderen erg vertrouwd met het lijstje. De angst voor “iets
digitaals” is dermate verminderd dat zij ook benieuwd zijn naar mogelijke uitbreidingen,
zoals meer interactiemogelijkheden. Daarom zullen in de volgende fasen van het project
de interactiemogelijkheden aangeboden en onderzocht worden. Ook ziet het Bartholomeus
Gasthuis interessante mogelijkheden om ook zorgtoepassingen toe te voegen.
De resultaten van dit onderzoek is voor Familie-LinQ en voor de Universiteit van Twente
van belang, maar ook voor het Bartholomeus Gasthuis en de verschillende fondsen die dit
28
project financieren. De instellingen die dit project ondersteunen zijn: Het VSB fonds, de
Rabobank, Het Roomsch Catholijk Oude Armen Kantoor (RCOAK), het SKAN fonds en
Fonds Sluyterman van Loo Ouderenprojecten. De applicatie en de website zijn gemaakt
door USmedia, een onafhankelijke “digital studio” in Amsterdam.
Dit onderzoek heeft als doel om de eerste verkenning, met 3 bewoners van het Bartholomeus
Gasthuis, op grotere schaal uit te voeren. Naar aanleiding van die eerste verkenning, en het
onderzoek van Biemans en van Dijk (2009) zijn de volgende hypotheses opgesteld:
1. De (klein)kinderen zullen vooral foto’s sturen van de dingen die ze meemaken in het
dagelijks leven in tegenstelling tot het vooral sturen van “oude” foto’s (hypothese
t.a.v. inhoud van de foto’s). Dit zal ertoe leiden dat de ouderen de ervaringen mee
beleven, alsof ze er een beetje bij zijn. In het onderzoek van Biemans en van Dijk
(2009) was het delen van foto’s nog niet zo gebruikelijk, nu is het maken van foto’s
met onze mobiele apparaten onderdeel geworden van onze cultuur.
2. Het gebruik van het digitale fotolijstje zal leiden tot een betere verbondenheid tussen
ouderen en hun (klein)kinderen omdat de ouderen weten wat de familieleden doen in
hun dagelijks leven en wat ze bezighoudt (hypothese t.a.v. inhoud van de foto’s).
3. Zoals bleek uit het onderzoek van van Biemans en van Dijk (2009) en ook uit de
verkenning van Familie-LinQ, zullen ook in dit geval het de foto’s ervoor zorgen dat
de ouderen meer “food for talk” hebben. Vervolgens leidt het hebben van meer ge-
spreksstof ertoe dat de banden versterkt worden (hypothese t.a.v. effect op sociale
verbondenheid).
4. Het verbeteren van de verbondenheid van ouderen met hun (klein)kinderen zal ertoe
leiden dat ouderen zich minder eenzaam voelen (hypothese t.a.v. effect van sociale
verbenheid op eenzaamheid).
5. Deze manier van contact onderhouden zal vooral veel gebruikt worden door de klein-
kinderen (jongere generatie), omdat zij al gewend zijn om foto’s te delen met hun
vrienden via social media (hypothese t.a.v. gebruik).
In het volgende hoofdstuk zal beschreven worden hoe de antwoorden op deze hypotheses
onderzocht zijn.
29
6 Evaluatie
In dit hoofdstuk wordt het onderzoek behandeld. In 6.1 wordt er een overzicht gegeven
van de criteria waaraan de deelnemers van het onderzoek moesten voldoen, het tijdsbestek
waarin het onderzoek plaatsvond, de samenstelling van de proefpersonen en de gebruikte
materialen. In paragraaf 6.2 wordt een korte beschrijving gegeven van de opzet van het on-
derzoek. In paragraaf 6.3 word beargumenteerd welke methodes er gebruikt zijn tijdens dit
onderzoek om de verschillende aspecten, die van belang zijn voor dit onderzoek, te meten.
In paragraaf 6.4 wordt beschreven hoe deze methodes vervolgens tot uitvoering zijn gebracht.
6.1 Inleiding
Criteria voor ouderen om deel te nemen aan dit onderzoek waren:
1. 65+ (pensioengerechtigde leeftijd): aangezien het hebben van een baan van invloed
kan zijn op het hebben van een computer en het gebruik van internet.
2. Geen gebruik maken van het internet (e-mail en social media)
3. Behoefte aan het verrijking van het contact met familieleden
4. Niet blind/slechtziend (aangezien ze de foto’s wel moeten kunnen zien)
5. Geen reuma of andere redenen waarom ze het fotolijstje niet zouden kunnen bedienen
6. Niet dementerend voor doeleinden die betrekking hebben op het onderzoek (interviews
en het aanleren van nieuwe gewoonten)
Tijdens de werving is er, op verzoek van het Bartholomeus Gasthuis, toch afgeweken van
het criterium met betrekking tot dementie. Ook hadden drie ouderen wel internet, maar
gebruikten ze het niet of nauwelijks voor sociale media. Omdat het werven minder vlot ging
dan verwacht is er besloten om deze mensen toch te betrekken bij het onderzoek.
Het onderzoek vond plaats in een tijdsbestek van ±7 weken. Er namen 13 ouderen (2
mannen, 11 vrouwen) deel aan dit onderzoek waarvan er een aantal speciale situaties te
onderscheiden zijn (zie figuur 10), namelijk:
1. Omschakeling: Een mevrouw (nummer 1, figuur 10) heeft het fotolijstje eerder gehad
dan de rest van de gewone participanten van dit onderzoek, namelijk in november
2013. Dit komt omdat in die periode veel familieleden in het buitenland waren en zij
graag foto’s van hen wilde ontvangen. De nieuwe versie van de applicatie was toen
nog niet beschikbaar, dus heeft zij de oude versie van F-LinQ fotolijstje 9 weken in
huis gehad en daarna nog 6 weken de nieuwe versie van de applicatie.
2. Echtpaar: De situatie van het echtpaar (nummer 9 en 10, figuur 10) is uitzonderlijk
omdat vooral de mevrouw de interviewvragen beantwoordde. De meneer deed niet
altijd mee: hij heeft niet overal antwoord op.
3. Dementerend: Er namen twee beginnend dementerende vrouwen deel aan dit on-
derzoek (nummer 8 en 11, figuur 10). Hun situatie is uitzonderlijk, in dat er geen
eindmetingen met hen zijn gedaan, maar effecten door ogen van hun dochters zijn
behandeld.
30
Figuur 10: Totaal aantal deelnemers (per deelnemernummer): 12 deelnemers aan Pilot 2
en 1 deelnemer van Pilot 1. Verder vallen er binnen Pilot 2 nog 3 speciale gevallen te
onderscheiden
4. Langere Termijn: Er is ´en mevrouw (nummer 13, figuur 10) die het fotolijstje vanaf
augustus 2012 in huis heeft. Deze mevrouw is niet ´en van de participanten die ge-
worven is voor dit onderzoek (Pilot 2), maar hoorde bij het kleinschalige onderzoek
(Pilot 1) van Familie-LinQ. Ik heb haar bij dit onderzoek betrokken om een idee te
schetsen van de effecten van het fotolijstje op langere termijn. Deze mevrouw heeft de
oude versie van het F-LinQ fotolijstje.
Uit de bovenstaande lijst wordt er gesproken over de “oude versie van het F-LinQ” fotolijstje
en de “nieuwe versie”. De oude applicatie is door de sofwareontwikkelaar van de project-
groep Familie-LinQ zelf gemaakt (Jop van Raaij). De nieuwe versie van de applicatie is, naar
aanleiding van de bevindingen van het onderzoekje van Familie-LinQ onder 3 bewoners van
het Bartholomeus Gasthuis, iets verbeterd. Een belangrijk verschil is dat de nieuwe versie
van de applicatie gebruik maakt van Google Cloud Messaging for Android6. Dit houdt in
dat de foto’s en berichten vooral opgehaald worden wanneer de tablet zelf verbinding maakt
met het internet (vooral handig voor “Smartphones” waar voortdurend gebruik wordt ge-
maakt van het internet door zelf berichten te sturen of applicaties te gebruiken die online
werken). In het geval van de “fotolijstjes” maken deze niet zo vaak zelf verbinding met
het internet omdat ze niet gebruikt worden om zelf informatie te verzenden, maar vooral
om informatie te ontvangen. Boodschappen die kleiner zijn dan 4 kb worden wel meteen
afgeleverd, grotere boodschappen worden allemaal in ´en keer opgehaald om een zelf in te
stellen periode.
Andere verschillen tussen de oude en de nieuwe applicatie zijn dat voor de oude versie de
Cherry Mobility Pro-Line 2 M-936 tablet is gebruikt (resolutie: 1024x768, single-core pro-
cessor). Voor de nieuwe applicatie is de Yarvik tab09-211 gebruikt (resolutie: 2048x1536,
dual-core processor). De tablet voor de nieuwe applicatie is dus 2x zo scherp en bevat 4x
zo veel pixels als de oude versie. Het formaat van het scherm is gelijk. Ook werkt er een
nieuwere versie van Android op de Yarvik tablets.
6http://developer.android.com/google/gcm/index.html
31
De gemiddelde leeftijd van alle 13 deelnemers is 81,5 jaar. De jongse twee zijn 64 en 65 jaar,
maar werken al langere tijd niet meer vanwege ziekte. De oudste is 97 jaar.
6.2 Opzet
Voor dit onderzoek is als basis de opzet gebruikt van het onderzoek van Familie-LinQ met
3 bewoners van het Bartholomeus Gasthuis (2012): een kwalitatief veld-onderzoek waarbij
wordt gekeken naar de effecten voor elke deelnemer (within subject). De bedoeling van dit
onderzoek was om hetzelfde onderzoek uit te voeren, maar dan op grotere schaal. Er was
een protocol voor de nulmeting beschikbaar. Ge¨
ınspireerd door gelijksoortige onderzoek
van Biemans en van Dijk (2009) zijn er op drie momenten interviews gehouden: Voordat
de ouderen het fotolijstje kregen, op de helft van het onderzoek en aan het einde van het
onderzoek (na ±7 weken). Aanvullend daarop werd ook met de familie van de ouderen op
verschillende momenten contact gemaakt. In totaal zijn er zeven contactvormen geweest
welke in de volgende paragraaf zullen worden besproken.
6.3 Methode
1. Kennismakingsgesprekken met ´en van de familieleden van elke van de 12 oudere van
Pilot 2.
Door middel van interviews moest de situaties van elk van de deelnemers worden vast-
gesteld. Om het interview met de ouderen zo soepel mogelijk te laten verlopen, is er
besloten om eerst een gesprek met een familielid te voeren. In dit gesprek konden de
contacten van de oudere in kaart gebracht worden, ter voorbereiding op het gesprek
met de ouderen. Voor het interview met de oudere waren er namelijk kaartjes nodig
waarop de namen van de contacten stonden. Deze konden dan in de eenzaamheidscir-
kels gebruikt worden (Zie figuur 11). De kennismakingsgesprekken gaven inzicht in de
situatie van de oudere, maar vooral in hoe de familie de situatie van de oudere ziet.
We kregen antwoord op de volgende vragen (Bijlage 2):
Algemene gegevens zoals leeftijd, burgerlijke staat en opleidingsniveau.
Geestelijke en lichamelijke gesteldheid.
Sociale netwerk: Aantal kinderen, broers en zussen en neven en nichten waarmee
er contact mee is. Andere vrienden/vriendinnen, huishoudelijke hulp, kennissen
van activiteitenclubs en gemeenschappen.
Onderlinge relaties binnen de familie (dichtheid van het netwerk bepalen).
Relatie met de oudere (Rol van de oudere in de familie, belangrijkste mensen in
het netwerk).
Functionele Relaties (Bij wie kan de oudere terecht als het minder goed gaat?).
Kennis van computers en internet (voor de criteria).
2. Nul-meting met elk van de ouderen van Pilot 2.
Door middel van nul-metingen werd de situatie van de ouderen vastgesteld voordat
ze het fotolijstje kregen. In deze semi-gestructureerde interviews kwamen de volgende
vragen aan bod (Bijlage3):
32
Gebruik/kennis van computers en internet
Overzicht van activiteiten en locaties: diende als inleiding op het gesprek en
geeft ons inzicht in hoe mobiel en zelfstandig de oudere nog is, hoeveel initiatief de
oudere neemt om leuke dingen te doen en welke mensen hij/zij daarbij tegenkomt.
Eenzaamheidsvragen Jong Gierveld en Tilburg (2008): vaststellen hoe eenzaam
de oudere zich voelt (niet/matig/ernstig eenzaam) en dit resultaat vergelijken
met de eindmeting.
Hoe groot is het sociale netwerk en hoe sterk zijn de banden: Nabijheidscirkels.
Wat vindt de oudere van het sociale netwerk? Tevreden? Aangeven of de gerea-
liseerde relaties achterliggen bij de gewenste relaties (eenzaamheid).
Waarom wil de oudere mee doen? Wat zijn de verwachtingen? (Doel waarnaar
de oudere streeft, niet tevreden/verbetering in relaties gewenst?).
Bij de twee beginend dementerende ouderen was er in het begin van het interview een
familielid aanwezig, om hen op hun gemak te stellen. Bij een derde deelneemster was
er ook een familielid aanwezig omdat zij aan een andere vorm van dementie leidt wat
niet zo zeer met vergeetachtigheid te maken heeft (Alzheimer’s) maar haar familie ziet
wel achteruitgang. Ook om haar op haar gemak te stellen is er in het eerste deel van
het interview een familie lid bij geweest.
3. Tussentijdse meting met elk van de ouderen van Pilot 2, behalve met de twee demen-
terenden.
Op ongeveer de helft van het project zijn er individuele (korte) interviews gehouden.
Vragen die in dit interview aan bod kwamen waren:
(a) Hoe gebruikt de oudere het lijstje? Staat het meestal op de carroussel stand of
op de stand-by stand? Dit geeft ons inzicht in de waarde die de deelnemers aan
de foto’s hechten. Genieten ze door de dag heen van het lijstje doordat hun “oog
af en toe op een foto valt” of gaan ze er weleens voor zitten om alle foto’s te
bekijken?
(b) Maakt de oudere gebruik van de “vind-ik-leuk”-knop? Is dit omdat de kinderen
antwoord vereisen (niet) of is dit omdat de oudere zelf (geen)behoefte heeft om
antwoord te geven?
(c) Praat de oudere met anderen over het lijstje? In hoeverre is het fotolijstje van
toegevoegde waarde in het leven van de oudere en vindt de oudere het de moeite
waard om te vertellen aan anderen?
(d) Is de oudere tevreden met de frequentie waarop hij/zij foto’s ontvangt?
(e) Zijn de gesprekken met de familie anders? Praten ze over de foto’s? Gaat de
familie dieper in op de dingen die ze in het dagelijks leven doen?
(f) Wat zijn der verwachtingen voor de rest van het jaar? Dit geeft een idee van de
behoefte van de oudere.
(g) Feedback-boekje bespreken: opmerkingen, vragen, positieve en negatieve punten,
soort en manier van antwoorden op foto’s.
4. Eindmeting met elk van de ouderen (Pilot 1 en Pilot 2), behalve de twee dementeren-
den.
33
Na ±7 weken zijn er individuele interviews met de ouderen gehouden. In deze in-
terviews kwamen, naast de eenzaamheidsvragenlijst en de nabijheidscirkels, nog een
aantal vragen aan bod. Hieronder staat er een overzicht van deze vragen met een
beschrijving waarom deze wat er bedoeld wordt:
(a) Hoe gaat het met de oudere en met de familie? Praat de oudere al meteen over
het lijstje? Speelt het lijstje een grote rol wanneer de oudere praat over zijn of
haar gesteldheid en over de dingen die de familie mee heeft gemaakt?
(b) Hoe gaat het met het lijstje? Praat de oudere over problemen die er zijn geweest?
Of zijn er vooral positieve gevoelens die overheersen?
(c) Is de communicatie met de familie veranderd? Komt de familie minder vaak of
juist vaker langs? Bellen ze minder vaak of juist vaker? Zijn de gesprekken anders
(zie tussenmeting).
(d) Wat vindt u ervan om op deze manier contact te onderhouden met uw familie?
Wat vindt u er leuk aan?
(e) Verbondenheid dmv plaatjes. Hoe voelt de oudere zich en welke plaatjes spreken
nog meer aan? Waarom? (Vergelijken met eenzaamheidsgraad).
(f) Heeft u zich de laatste tijd vaker verbonden gevoeld? Gebeurt dit wanneer er
een foto binnenkomt? Of juist niet omdat er geen foto’s binnenkwamen. Oudere
voelt zich juist vaker in de steek gelaten?
(g) Hoe voelt u zich als er een foto binnenkomt (vogeltje fluit): verrassingseffect?
Gevoel van verbondenheid aangewakkerd door het geluid van het vogeltje? En
als er lang geen foto binnen is gekomen? En als u achteraf ziet (bijvoorbeeld
waneer u ’s ochtends binnenkomt) dat er een foto is gestuurd? Wat is het effect
op het gevoel van verbondenheid?
(h) verwachtingen en uitkomsten: wat waren de verwachtingen toen u zich opgaf
voor dit project? Wat was de behoefte aan de kant van de oudere? Zijn de
verwachtingen waar gemaakt?
(i) Zijn er belangrijke dingen gebeurd in de familie de afgelopen tijd? Hoe bent
u daarvan op de hoogte gehouden? Stuurt de familie een foto en/of bellen of
langsgaan? Gebruik van het lijstje en effect op verbondenheid.
(j) Wat denkt u dat de kinderen ervan vinden om op deze manier contact met u te
onderhouden? Heeft de oudere inzicht in de behoefte van de kinderen?
5. Een familie-enquˆete via de e-mail voor alle deelnemende familie-leden.
Omdat verbondenheid iets is dat tussen twee mensen plaatsvindt, is het niet geheel
onbelangrijk om ook de kant van de familie te onderzoeken. Door middel van een
enquˆete heb ik gevraagd naar de ervaringen van de familie. In de enquˆete werden
naast een aantal rechtstreekse vragen over het effect van het contact via het digitale
fotolijstje, ook vragen gesteld uit de ABC-Q (Bijlage 5).
6. Een schriftelijk interview (e-mail) met de dochter van ´en van de dementerenden.
7. Een telefonisch interview met een dochter van de mevrouw van Pilot 1.
Een tweetal meetinstrumenten zijn zowel in de nulmeting als in de eindmeting gebruikt,
zodat er een verschil gemeten kan worden (ge¨
ınspireerd op Fokkema en Tilburg (2006), zie
hoofdstuk 4.4).
34
De eenzaamheidsschaal en verbondenheidsschaal Zoals in het effectenonderzoek van
NIDI (Fokkema en Tilburg (2006)) werd de eenzaamheidsschaal van de Jong-Gierveld en
Kamphuis zowel in het begin als aan het einde van de proefperiode gebruikt om de het
niveau van eenzaamheid te meten. Aanvullend daarop is de Social Connectedness Scale van
Lutterman (vertaald uit de (Amerikaanse) Mental Health Statistics Improvement Program
(MHSIP) Adult Consumer Survey) toegevoegd omdat ik vond dat de vragen van toegevoegde
waarde waren:
1. Ik ben blij met de vriendschappen die ik heb.
2. Ik heb mensen met wie ik leuke dingen kan doen.
3. Ik heb het gevoel dat ik bij een gemeenschap hoor.
4. In moeilijke tijden heb ik de steun die ik nodig heb van familie of vrienden.
De eerste stelling van de MHSIP is te vergelijken met stelling 8 van de eenzaamheidsschaal
(“Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.”). Interessant is om te
onderzoeken of de deelnemers deze stelling inderdaad hetzelfde interpreteren.
Ik vond stelling 2 van de MHSIP wel van toegevoegde waarde: “Ik heb mensen met wie ik
leuke dingen kan doen.” . Het is te vergelijken met de stelling: “Ik vind mijn kring van
kennissen te beperkt.” uit de eenzaamheidscchaal van de Jong Gierveld (1985), alleen is de
vraag van Lutterman et al. wat specifieker.
Ook stelling 3 voegt een element toe aan de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985),
gezien sommige mensen lid zijn van een bepaalde groep, en ook al hebben ze verder geen
sterke vriendschapsbanden, het kan ze wel een gevoel van verbondenheid geven tot een be-
paald niveau. Er kwam in de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) geen stelling
voor dat te maken heeft met dit aspect.
Ook is er een vergelijkbare stelling van stelling 4 in de eenzaamheidsschaal van de Jong Gier-
veld (1985): “Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.”. De
ene stelling legt de nadruk op de beoordeling/tevredenheid (“genoeg mensen”), de ander legt
de naruk op de steun zelf. Als je maar 1 persoon hebt bij wie je terecht kunt, zijn het er niet
veel en kun je al gauw een negatief antwoord geven bij de vraag uit de eenzaamheidsschaal.
Als deze ene persoon namelijk wel degene is die je veel steun biedt, is het positief voor de
schaal van de MSHIP, maar als die persoon een keer niet beschikbaar is als je hem/haar
nodig hebt, is het dus niet genoeg.
De Nabijheidscirkels In het interviewprotocol van Familie-LinQ werd er gebruik ge-
maakt van de nabijheidscirkels, ge¨
ınspireerd op Antonucci (Hierarchical Mapping Techni-
que) 4.3. Dit heb ik ook gebruikt voor het huidige onderzoek, omdat het een goed overzicht
geeft van de grootte van het netwerk en tegelijkertijd de verdeling in nabijheid (voorbeeld,
zie figuur 11).
Het aantal gestuurde foto’s en inhoud van de foto’s van elke deelnemer is bijgehouden vanaf
de familie-website.
35
Figuur 11: Nabijheidscirkels
De data is verwerkt door middel van Thematic Analysis (zie 4.2). In de volgende paragraaf
wordt ingegaan op hoe deze analyse is uitgevoerd.
6.4 Procedure
Het onderzoek vond plaats in de periode tussen 1 november 2013 en 30 april 2014. De
ouderen hebben het fotolijstje gedurende ±7 weken in huis gehad (vanaf ±10 januari 2014)
toen de eindmetingen plaatsvonden tussen 4 maart 2014 en 20 maart 2014. Tijdens de
interviews werden, met toestemming van de oudere, video opnames gemaakt (zie bijlage 9
voor een voorbeeld van het toestemmingsformulier).
Kwalitatieve content analyse en kwantitatieve analyse van de foto’s Met toestem-
ming van de familie-beheerders kon ik meekijken op de familie-website. Ik heb regelmatig
bijgehouden wanneer er nieuwe foto’s op het fotolijstje binnenkwamen. Op deze manier
kreeg ik al een inzicht in welke mensen regelmatig foto’s ontvingen en bij wie dit nauwelijks
het geval was. Ook heb ik van de software-ontwikkelaars een lijst gehad met het aantal ge-
stuurde foto’s en de data waarop de foto’s gestuurd zijn en door wie, maar deze lijst bevatte
niet de foto’s die verwijderd waren. Ik heb dus grotendeels mijn eigen data gebruikt en
vooral geverifie¨
erd met de lijst. De dochter van ´en van de demente dames wiste regelmatig
oude foto’s en berichten, dus was mijn eigen data het enige dat ik had. Van deze mevrouw
kon ik geen content analyse doen, omdat ik dit achteraf gedaan heb en de foto’s niet meer
op de website stonden (deelneemster 10).
Van de rest van de deelnemers heb ik, net als Biemans en van Dijk (2009), de categorie¨
en van
Kindberg et al. (2005) en Garau et al. (2006) als inspiratie gebruikt. De volgende categrie¨
en
kwamen naar voren in de content analyse:
1. Vakantie (van familieleden): Familieleden die op vakantie zijn en foto’s sturen van
zichzelf in een omgeving of van omgeving alleen
2. Eigen vakantie en uitstapjes: Waar de oudere zelf ook bij was
3. Familiebijeenkomsten: groep familieleden, vaak aan het dineren
4. Speciale gelegenheden: verjaardag, diploma-uitreiking, feestdag
5. Natuur, landschap, gebouwen of dieren/vogels/vlinders/bloemen
36
6. Portretten: Foto waar voor geposeerd is en niet veel andere informatie/landschap op
de achtergrond te zien is.
7. Oude foto’s: vaak zwart-wit, bevatten vaak overleden mensen/dieren of zaken uit de
jeugd van de oudere
8. Boodschap/info: foto met boodschap of een bericht of wenskaart
9. Onbepaald
10. Portretten of activiteiten kinderen: Kinderen aan het spelen, eten, poseren (met of
zonder volwassene). Het gaat vaak om babies en peuters, het oudste kleinkind dat tot
die groep gerekend wordt is 10 jaar.
11. Momenten delen/uitstapjes: Aan het onderschrift duidelijk dat het een leuk moment is
dat gedeeld wordt met de oudere (dagje naar het strand, uitzicht, activiteit kinderen.
De klassificatie is niet altijd vanzelfsprekend. Vaak hangt het af van het onderschrift en
de omgeving: Is een foto op vakantie gemaakt maar zijn de gefotografeerde personen een
dominant onderdeel van de foto, dan is het een portret. Is de omgeving daarentegen wel op-
vallend aanwezig, dan wordt de foto als vakantie foto geklassificeerd. Foto’s van wintersport
(ook van de kinderen op wintersport) horen bij de vakantiefoto’s. Een familiebijeenkomst
waar er veel portret-foto’s zijn gemaakt, noem ik nog steeds een familiebijeenkomst, omdat
het gaat om het moment.
Verwerken eenzaamheidsschaal De vragenlijst is volgens de regels beschreven door
Fokkema en Tilburg (2006) verwerkt: “De schaal bestaat uit vijf positief geformuleerde
uitspraken (item 1, 4, 7, 8 en 11) en zes negatief geformuleerde uitspraken (item 2, 3, 5,
6, 9 en 10). Het niet instemmen (de antwoorden ’nee!’, ’nee’ en ’min of meer’) met de
positief geformuleerde uitspraken en het instemmen (de antwoorden ’ja!’, ’ja’ en ’min of
meer’) met de negatief geformuleerde uitspraken wordt indicatief geacht voor het ervaren
van eenzaamheid. Sommatie over de elf items levert een schaalscore op die van 0 tot 11
loopt. Hoe hoger de score, des te eenzamer men is. Een score van drie of hoger is indicatief
voor de aanwezigheid van matige eenzaamheid, een score van negen of hoger voor ernstige
eenzaamheid”.
De sociale connectedness scale van de MHSIP is apart verwerkt door de gemiddelde score
te bekijken (Lutterman et al.).
Hierarchical Mapping De nabijheidscirkels van de nul- en eindmeting van elke deelne-
mer zijn naast elkaar gelegd. De effecten van het fotolijstje kunnen zijn:
1. Dat de contacten die al dichtbij zijn dichterbij komen
2. Dat de contacten die al dichtbij zijn verder weg gaan, omdat deze mensen bijvoorbeeld
minder foto’s hebben gestuurd dan verwacht of helemaal geen foto’s hebben gestuurd
3. Dat de contacten die verder weg waren nog verder weg gaan, omdat deze mensen bij-
voorbeeld minder foto’s hebben gestuurd dan verwacht of helemaal geen foto’s hebben
gestuurd
4. Dat de contacten die verder weg waren dichterbij komen, omdat de oudere door de
foto’s een beter contact met hen kan onderhouden
37
Interviewvragen en plaatjes Er zijn aantekeningen gemaakt bij de interviews en ook
de video-opnames konden bekeken worden. Aan de hand van de antwoorden op de vragen
en analyse van de verandering in antwoorden van de eenzaamheidsvragen, nabijheidscirkels
en kwalitatieve content analyse van de foto’s en kwantitatieve analyse van de foto’s.
Voor het meten van het gevoel van verbondenheid heb ik bij de eindmeting een nieuwe
aanpak geprobeerd om de ouderen hun gevoel van verbondenheid te laten beschrijven. Dit
komt omdat het moeilijk kan zijn voor sommige mensen om hun ervaringen en gevoelens te
beschrijven. Volgens Sanders en Dandavate (1999) kan er een verschil zijn in wat mensen
zeggen (wat afhangt van hun communicatieve vaardigheden), en in wat mensen echt voelen
en denken (zie figuur 12. De plaatjes die de ouderen kiezen kunnen wat zeggen over hun
gevoel. Er werd vooral geluisterd naar de onderbouwing voor de keuze van het plaatje. De
gebruikte plaatjes vindt u in bijlage 8.
Figuur 12: Verschillende niveau’s waarop we te weten kunnen komen wat mensen ervaren.
Thematische Analyse Thema’s m.b.t de effecten op de sociale verbondenheid:
1. Verbondenheid verbetert met bepaalde personen doordat er meer contact is met die
personen.
2. Verbondenheid verbetert doordat de oudere meer op de hoogte is van wat de familie
doet.
3. Oudere voelt zich meer verbonden omdat hij/zij zich meer betrokken voelt bij wat er
gaande is in de familie.
4. Oudere voelt zich meer verbonden vanwege het gevoel dat er aan hem/haar wordt
gedacht.
5. Oudere spreekt niet over verbeterde verbondenheid, maar het extra contact heeft wel
een bepaald effect.
6. Geen/nauwelijks verbetering in sociale verbondenheid, omdat de banden al goed waren
en/of er is niet veel gebruik gemaakt van het delen via het fotolijstje.
38
7. Oudere voelt zich minder eenzaam.
Thema’s m.b.t het gebruik van het medium (sturen van foto’s en berichten):
1. Meteen enthousiast beginnen en aanhouden
2. Meteen enthousiast beginnen en later minder
3. Meteen enthousiast beginnen, later minder, dan weer meer tot regelmaat
4. Terughoudend in het begin en later meer
5. Terughoudend in het begin en niet op gang gekomen
6. Dementerende gebruikers
In het volgende hoofdstuk zullen de resultaten met betrekking tot deze thema’s gegeven
worden.
39
7 Resultaten
7.1 Lichamelijke en Geestelijke gesteldheid
Figuur 13: Lichamelijke en Geestelijk gesteldheid van de deelnemers
Uit de nul-meting was af te leiden hoe het stond met de lichamelijke en geestelijke gesteld-
heid van de ouderen. De lichamelijke gesteldheid geeft aan hoe het gaat met de oudere, op
fysiek niveau. Hoe mobiel is de oudere en hoeveel last heeft de ouderen van kwaaltjes en
pijnen. De deelnemers met een slechte lichamelijke gesteldheid zijn deelnemers 2, 3 en 10.
Deelnemer 2 heeft vooral veel last van haar lichaam (rug, evenwicht, hoofdpijn), waardoor
ze zich niet altijd goed voelt en niet altijd in staat is om activiteiten te ondernemen. Deel-
nemer 3 is ´en van de oudere deelnemers. Ze loopt met een rollator, kan niet zo goed meer
zien, en is ook achteruit gegaan doordat ze meermaals is gevallen in haar eerste nacht in
het Bartholomeus Gasthuis (oktober 2013). Deelnemer 10 is nierpati¨
ent en moet 3 keer in
de week gedurende 3 uren dialyseren. Daarnaast heeft ze ook last van haar knie en loopt ze
met een stok.
De deelnemers met een slechte geestelijke gesteldheid zijn de twee dementerende dames.
40
7.2 Kwalitatieve Content Analyse
In deze paragraaf zullen antwoorden worden gezocht voor de gestelde hypotheses. Er waren
twee hypotheses t.a.v inhoud van de foto’s (alledaagse activiteiten):
“De (klein)kinderen zullen vooral foto’s sturen van de dingen die ze meemaken
in het dagelijks leven in tegenstelling tot het vooral sturen van “oude” foto’s.
Dit zal ertoe leiden dat de ouderen de ervaringen mee beleven, alsof ze er een
beetje bij zijn.”
en
“Het gebruik van het digitale fotolijstje zal leiden tot een betere verbondenheid
tussen ouderen en hun (klein)kinderen omdat de ouderen weten wat de familie-
leden doen in hun dagelijks leven en wat ze bezighoudt.”
Hypothese 3 heeft betrekking op de effecten van het fotolijstje op het gevoel van verbon-
denheid:
“Zoals bleek uit het onderzoek van van Biemans en van Dijk (2009) en ook uit
de verkenning van Familie-LinQ, zullen ook in dit geval het de foto’s ervoor zor-
gen dat de ouderen meer “food for talk” hebben. Vervolgens leidt het hebben
van meer gespreksstof ertoe dat de banden versterkt worden.”
Om te weten of de familie vooral van alledaagse activiteiten foto’s heeft gestuurd, en wat de
effecten zijn van de soort foto’s die gestuurd zijn, is er kwalitatieve content analyse gedaan.
Zoals in de procedure (paragraaf 6.4) beschreven, zijn een aantal verschillende categorie¨
en
gemaakt waaronder foto’s kunnen vallen. Foto’s en berichten die onder alledaagse activti-
teiten vallen:
Momenten delen/uitstapjes: foto’s van activiteiten van volwassenen, (meestal) van
degene die de foto heeft gestuurd
Portretten of activiteiten van kinderen: foto’s van de kleintjes
Natuur, dieren, uitzicht: bijvoorbeeld landschap, (huis)dieren, vlinders, vogels, na-
tuur.
Hier volgt een content analyse van de ontvangen foto’s van alle deelnemers van Pilot2, be-
halve van deelneemster 11. De dochter heeft namelijk alle foto’s van het lijstje afgehaald,
waardoor er geen content analyse meer gedaan kon worden.
Deelneemster 1 heeft vooral veel foto’s gehad van vakanties van familieleden. Dat klopt ook,
want ze wilde graag het fotolijstje al in november, omdat er veel familie van haar op vakan-
tie zou zijn. Ook is ze regelmatig zelf weggeweest (met familieuitstapjes mee en met haar
vriend) en heeft haar dochter foto’s daarvan op het lijstje gezet. Verder staan er foto’s van
verjaardagen op en andere diners en familiefoto’s. In totaal heeft ze 133 foto’s ontvangen
over de gehele pilot periode. In figuur 14 is te zien dat 5% van de foto’s die deelneemster 1
ontvangen heeft van de categorie “Natuur, dieren en uitzicht” zijn, en dat zij 1 portretfoto
van een leuk moment heeft ontvangen. Ze heeft veel foto’s van vakanties en verjaardagen
41
Figuur 14: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 1
ontvangen waar zij vaak zelf ook bij was (47%), deze kunnen getypeerd worden als “oude
foto’s”. In het geval van deze mevrouw geldt hypothese 1 niet. In de interviews gaf me-
vrouw aan dat ze al veel contact had met haar kinderen, en dat ze niet beter op de hoogte
is van hun dagelijkse bezigheden door het fotolijstje. Ook hypothese 2 geldt niet voor deze
mevrouw.
Figuur 15: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 2
Deelneemster 2 heeft overwegend portretfoto’s ontvangen van kinderen. Deze mevrouw heeft
weinig foto’s ontvangen (34 over de gehele periode) en moest er ook steeds om vragen. Het
sturen van foto’s door haar familie is niet echt op gang gekomen. 53% van de foto’s die zij
ontvangen heeft, zijn van portretten of activiteiten van kinderen uit de familie. Dit staat
tegenover 6% oude foto’s en 26% portretten (zie figuur 15). In dit geval zijn de portretten
plaatjes van haar familieleden waar ze poseren en zegt het onderschrift niet veel over het
moment dat gedeeld wordt. Deze portretfoto’s worden dan ook niet meegerekend als mo-
menten. De reden dat ik portretten van kleine kinderen wel reken als alledaagse momenten,
is omdat de kinderen op de foto’s vaak in hun alledaagse omgeving zijn en alledaagse acti-
viteiten doen. De ouders willen deze activiteiten delen met de oudere. Meestal vindt men
foto’s van kinderen erg leuk en maakt het niet uit wat ze aan het doen zijn. In het geval
van deelneemster 2 gaat hypothese 1 dus wel op, omdat ze veel foto’s van kleine kinderen
42
heeft ontvangen. In de interviews gaf mevrouw aan niet beter op de hoogte te zijn van de
activiteiten van haar familie. Ze heeft ook geen foto’s gehad van hun activiteiten. Hypothese
2 gaat dus ook niet op voor deze mevrouw. Wel gaf ze aan dat ze het fijn vondt als ze een
foto kreeg en zich dan meer verbonden voelde. Dat komt, zegt ze, omdat ze dan het gevoel
heeft dat haar familie “toch wel” aan haar denkt.
Figuur 16: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 3
Deelneemster 3 heeft vooral portretten ontvangen van haar familie (26% van de in totaal
53 foto’s en berichten) en foto’s van gelegenheden waarbij ze zelf erbij was (24%). 13% van
de foto’s die zij heeft gehad, waren van momenten/uitstapjes en 4% van activiteiten van
kinderen (totaal 17%, zie figuur 16. Dit staat tegenover de 24% oude foto’s van haar eigen
activiteiten, de 6% foto’s van familiebijeenkomsten en de 8% foto’s van speciale gelegenhe-
den waar ze soms ook bij is geweest (totaal 38%). De categorie genaamd “oude foto’s” (4%)
gingen in dit geval om een foto van haar ouders en van een overleden hond. In dit geval
gaat hypothese 1 dus niet op. Over hypothese 2 zei ze dat ze zich niet vaker verbonden
heeft gevoeld (“Nee, dat is een beetje overdreven”) en ook heeft ze al goed contact met haar
kinderen waardoor ze op andere manieren op de hoogte wordt gehouden van hun leven en
dat van de kleinkinderen. Ze vertelt wel aan de hand van de foto’s over haar kleindochter
die is gaan studeren en hoe leuk ze het vindt in Amsterdam, boven verwachting. En over
haar kleinzoon die in het leger zit. Ze ziet en spreekt haar kinderen regelmatig, dus dan
hoort ze de verhalen ook. Met de foto’s erbij kan ze makkelijker aan anderen vertellen over
haar familie. Dit is de enige deelnemer waar hypothese 3 duidelijk naar voren komt (het
fotolijstje draagt bij aan “Food for talk”). Ze heeft het fotolijstje zelfs een keer meegenomen
toen ze op bezoek ging bij vrienden.
Deelneemster 4 heeft vooral foto’s van activiteiten van kinderen ontvangen. Dit klopt ook
want haar dochter die drie kleine kinderen heeft en in Engeland woont heeft veel foto’s
gestuurd (57% van de 108, in totaal waren er 11 afzenders). Dit is een goed voorbeeld van
momenten delen waar de oudere niet bij kan zijn. 3% van de foto’s waren van speciale gele-
genheden: foto’s van de eerste verjaardag van de kinderen en ´en foto van info/boodschap
waren de eerste schoenen die ze aanhadden. Verder waren 3% van de foto’s van natuur,
dieren en uitzicht. Er zijn niet veel oude foto’s gestuurd. Een paar uit deze categorie waren
43
Figuur 17: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 4
foto’s van de mevrouw zelf toen ze nog heel jong was. In dit geval gaat de hypothese 1 dus
wel op. Ze gaf tijdens de interviews aan dat ze misschien iets meer contact heeft met haar
familie, maar ze kan nog niet spreken van een sterkere band. De band met haar familie was
al goed. Wel vond ze het verrassend dat haar broer ook 2 foto’s had gestuurd, dat had ze
niet verwacht en ze vond het heel leuk dat hij de moeite had genomen. Hypothese 2 gaat
niet duidelijk op in het geval van deelnemer 4.
Figuur 18: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 5
Deelneemster 5 heeft de meeste foto’s ontvangen van activiteiten van kinderen (12%). Dit
hield vooral de sport van een kleinzoon van haar zus in: wielrennen. Verder heeft ze 1 foto
van een huisdier ontvangen die net terug was van de kapper (moment delen) en 11 procent
uitstapjes van de familie (totaal 24% van de 97, zie figuur 18). Daar tegenover heeft ze
18% foto’s ontvangen van familieleden en ´en oude foto van toen haar nichtjes jonger waren.
Ook geeft ze aan in de eindmeting beter op de hoogte te zijn van wat haar familie doet. Ze
spreekt ze niet zo veel. In dit geval gaan beide hypotheses op.
Deelnemer 6 heeft overwegend foto’s ontvangen van de activiteiten van de kinderen van de
zoon van zijn broer (75% van de 61), 19). Hij gaf ook aan meer op de hoogte te zijn van
de sporten waar de kinderen op zitten en verder heeft hij niet op een andere manier contact
44
Figuur 19: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 6
met zijn neef en diens vrouw. In dit geval gaan beide hypotheses op.
Figuur 20: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 7
Deelneemster 7 heeft veel portretten en activiteiten van haar kleinkinderen ontvangen. Ze
heeft in de gehele pilot periode maar 24 foto’s ontvangen. 3 daarvan waren bloemstukken, ze
gaf aan dat ze daar dol op is. Ook haar kleinkinderen een foto van zichzelf gestuurd. In het
geval van deelneemster 7 heeft zij 46% foto’s gehad van haar kleinkind tegenover 2 foto’s van
een speciale gelegenheid waar ze bij is geweest (zie figuur 20). In dit geval gaat hypothese
1 wel op, maar ze voelt zegt niet dat ze beter op de hoogte is van wat de familieleden in
het dagelijks leven doen. Ze had namelijk al een goede band met haar kinderen en belt
dagelijks met hen. Ze hadden wel meer contact in de pilot periode, maar dat kwam omdat
ze was gevallen. Ook kwam haar dochter (de beheerder) vaker langs ter voorbereiding op
45
de interviews en dergelijke.
Figuur 21: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 8
Deelneemster 8 heeft vooral foto’s gehad van de katten van haar dochter 50% van de 30, zie
figuur 21). Verder heeft ze wat portretfoto’s gehad van haar kleinkinderen en vakantiefoto’s
van ´en van haar zoons. Ook hier gaat hypothese 1 op. Helaas is er geen eindmeting
gedaan omdat deze mevrouw dement is en kan er geen antwoord gegeven worden wat betreft
hypothese 2.
Figuur 22: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 9
11% van de foto’s die deelnemers 9 en 10 hebben ontvangen, waren van kleinkinderen die
in Amerika wonen. In totaal hebben ze 90 foto’s ontvangen in de pilot periode, waarvan
15% waren van momenten, vooral van de drumband van hun dochter. 8% van de ontvangen
foto’s waren natuurfoto’s (zie figuur 22). Ze hebben verder geen foto’s ontvangen die ik wist
te klassificeren als oud. In dit geval gaat hypothese 1 dus ook op. Deelnemers 9 en 10 geven
aan dat ze zich niet vaker verbonden hebben gevoeld met hun familie en ook dat ze niet
meer contact hebben met hun familie dan voorheen. Hypothese 2 wordt dus niet bevestigd.
46
Aan de kant van de familie gaf een kleindochter juist aan dat ze het soms moeilijk vond
om te telefoneren met haar grootouders omdat ze niet zo goed meer horen en ze vindt het
moeilijk om het gesprek gaande te houden. Voor haar is het contact door middel van foto’s
een goede uitkomst.
Figuur 23: Kwalitatieve Analyse van de gestuurde foto’s naar deelneemster 11
En tenslotte de laatste mevrouw, deelneemster 12. Deze mevrouw heeft voornamelijk foto’s
ontvangen van de kleinkinderen van haar broer: 42% van de 41 foto’s (zie figuur 23), 17%
momenten en uitstapjes van de familie. Maar ook 22% oude foto’s. Zij hechtte veel waarde
aan de oude foto’s want er waren veel familieleden op die al overleden waren. Ook waren
foto’s van de momenten, foto’s van haar neef bij het graf van haar broer. Ze gaf vaak aan
hoe belangrijk ze deze foto’s vond. Hypothese 1 klopt dus ook bij deze mevrouw. Deze
mevrouw gaf tijdens de interviews aan dat ze daadwerkelijk meer contact met haar familie
heeft dan voorheen:
“Ja we hebben veel meer contact dan vroeger door het fotolijstje! Vroeger belden we 1 keer
in de 3 weken en nu 1 keer per week!”
Ze geeft ook aan beter op de hoogte te zijn van wat haar familie doet. Hypothese 2 is waar
voor deelneemster 12.
47
Conclusie Inhoud Foto’s Hier volgt een overzicht van de bovenstaande resultaten met
betrekking tot de hypotheses 1, 2 en 3:
H1 H2 H3
Deelnemeemster 1
Deelnemeemster 2 X
Deelnemeemster 3 X
Deelnemeemster 4 X
Deelnemeemster 5 X X
Deelnemeemster 6 X X
Deelnemeemster 7 X
Deelnemeemster 8 X
Deelnemeemster 9 en 10 X
Deelnemeemster 12 X X
7.3 Thematische analyse
Effecten op het gevoel van verbondenheid: Nabijheidscirkels De nabijheidscir-
kels7zullen besproken worden aan de hand van de gevonden thema’s die betrekking hebben
op de effecten op het gevoel van sociale verbondenheid. In dit gedeelte gaat het om de deel-
nemers van Pilot 1 en 2, zonder de dementerenden. De deelnemers hebben elk een unieke
situatie. Het kan dat meerdere thema’s voorkomen bij ´en persoon. De deelnemer wordt
onder het thema geplaatst die het meest kenmerkend is voor zijn of haar situatie.
Thema 1: Verbondenheid verbetert met bepaalde personen doordat er meer
contact is met die personen. Deelneemster 11 heeft een netwerk van 23 personen. Ze
heeft zelf ´en kind gehad (aangenomen kind) die is overleden. Daar heeft ze twee kleinkin-
deren aan over gehouden. Verder heeft ze goed contact met drie van de vier kinderen van
haar broer. Met ´en van die kinderen (beheerder) is de band heel goed zelfs. Het gezin, dat
bestaat uit haar neef, zijn vrouw, hun 3 kinderen en drie kleinkinderen plaatst zij in de bin-
nenste cirkel. Haar eigen kleinzoon en een vriendin van haar plaatst ze ook in de binnenste
cirkel. In de tweede cirkel wordt er nog een kind van haar broer geplaatst met diens vrouw,
ook plaatst ze daar de vrouw van haar kleinzoon en drie van haar vriendinnen (uit de buurt).
In de buitenste cirkel plaatst ze het derde kind van haar broer en diens vrouw. Deze hebben
een tijd in het buitenland gewoond waardoor het contact is verwaterd. Tijdens de pilot is
deze neef weer terug naar Nederland verhuisd met zijn vrouw. Momenteel is het contact
met haar kleindochter en haar gezin om bepaalde redenen wat minder, daarom werden ook
die in de buitenste cirkel geplaatst. Tijdens de eindmeting is dat laatste nog steeds het
geval en staan ze nog steeds in de buitenste cirkel. De beheerder, diens vrouw en 3 kinderen
staan nog steeds in de binnenste cirkel. De drie kleinkinderen van haar neef staan daar ook
nog steeds. De andere neef en vrouw staan nog steeds in de tweede cirkel. Maar de neef
en vrouw die eerst in de buitenste cirkel stonden en nu weer in Nederland wonen, zijn nu
verplaatst naar de binnenste cirkel. De oudere vertelde hoe geweldig ze het vond dat deze
7Vanwege de vertrouwelijke informatie die de nabijheidscirkels bevatten, zal ik de nabijheidscirkels van
de deelnemers niet plaatsen, maar slechts bespreken.
48
neef haar opbelde omdat hij had gehoord over het lijstje. In het feedbackboekje schrijft ze
ook:
“Leuk dat we, naar aanleiding van mijn aanwinst, na zo veel jaar weer contact hebben ge-
kregen. Dat jullie zelfs ook al langs gekomen zijn! Niet te geloven! Zonder dit experiment
was dit niet gebeurd.”
Natuurlijk speelt het ook mee dat de neef weer naar Nederland was verhuisd en ook daarom
contact op nam en eerder niet. Maar het is wel interessant dat hij meteen over het lijstje
begon en foto’s wilde sturen. Helaas lukte het hem niet om foto’s te sturen, of had hij het
niet goed begrepen, maar heeft hij foto’s via de beheerder gestuurd. De nabijheid van de
andere neef was al goed, en de nabijheid van deze neef is dus erg verbeterd. De derde neef
en diens vrouw zijn in de tweede cirkel gebleven en hebben ook geen foto’s gestuurd.
Thema 2: Verbondenheid verbetert doordat de oudere meer op de hoogte is
van wat de familie doet. Het netwerk van deelnemer 6 bestaat uit 19 personen. Hij
heeft ´en broer en die heeft 2 kinderen. ´
en van die kinderen (beheerder) heeft 5 kinderen.
De ander heeft 2 kinderen. Daarnaast heeft hij nog 7 vrienden, voornamelijk mensen uit de
buurt. Zijn broer, met diens vrouw en twee kinderen plaatste hij tijdens de nul-meting in de
binnenste cirkel. In die cirkel plaatste hij nog 3 vrienden. Vier van de kleinkinderen van zijn
broer, en de vrouwen van de zoons van zijn broer, plaatste hij in de tweede cirkel. Verder
plaatste hij nog 3 vrienden in de tweede cirkel. In de buitenste cirkel plaatste hij de drie
(jongere) kleinkinderen. In de eindmeting kwamen de vrouwen van de zoons van zijn broer
wat dichterbij: in de binnenste cirkel (de tweede broer en zijn vrouw doen niet mee aan het
project, terwijl de vrouw van de eerste zoon de beheerder is van de familiewebsite). Ook
werden alle kleinkinderen van zijn broer in de tweede cirkel geplaatst, waarvan de oudste op
de rand van de binnenste en tweede cirkel. De oudere heeft veel foto’s ontvangen waar de
kinderen van de eerste zoon op staan. Van de andere twee kleinkinderen heeft hij helemaal
geen foto’s ontvangen. De drie vrienden die eerder in de buitenste cirkel werden geplaatst,
kwamen nu op de tweede cirkel terecht. Ook wilde hij graag negen vrienden toevoegen aan
zijn netwerk, waarvan ´en in de binnenste cirkel en twee in de buitenste cirkel. ´
en van
de vriendinnen uit de buitenste cirkel heeft ook foto’s gestuurd. 6 vrienden kwamen in de
tweede cirkel terecht. Een vriend waarvan hij graag foto’s zou willen ontvangen heeft nog
geen geen foto’s gestuurd, maar is wel in de binnenste cirkel gebleven. Belangrijk is dat de
beheerder van de tweede naar de binnenste cirkel is verschoven. Dit zou best aan het lijstje
kunnen liggen want ze heeft zelfs meer foto’s verstuurd dan de neef van de oudere en zij was
de beheerder die het project op zich heeft genomen. Maar dit zijn natuurlijk speculaties
want hij heeft het nooit specifiek over haar gehad, meestal noemde hij de naam van zijn
neef als het over de foto’s ging.
Thema 3: Oudere voelt zich meer verbonden omdat hij/zij zich meer betrokken
voelt bij wat er gaande is in de familie. Deelneemster 5 heeft wel meer dan honderd
familie-leden. Ze komt uit een gezin van 9 kinderen die in totaal 36 kinderen en hebben
gehad en daarvan in totaal 78 kleinkinderen. ´
en zus heeft zelf 12 achterkleinkinderen.
Daarbij zijn de partners, die ook deel van de familie zijn geworden, nog niet meegerekend.
Zij heeft besloten om alleen de mensen met wie ze ook daadwerkelijk contact heeft en een
goede band mee heeft te plaatsen in de nabijheidscirkel. In haar nabijheidscirkel bestaat
49
haar netwerk uit 17 personen. De broers en zussen werden tijdens de nulmeting in de bin-
nenste cirkel geplaatst. Twee broers werden op de rand van de binnenste en de tweede
cirkel geplaatst. ´
en nicht werd ook in de binnenste cirkel geplaatst (dochter van broer). 4
neven en nichten werden in de tweede cirkel geplaatst en 4 neven en nichten werden op de
rand van de tweede en de buitenste cirkel geplaatst. Bij de eindmeting werden de meeste
personen in de binnenste cirkel geplaatst. Twee broers werden op de rand van de tweede
cirkel geplaatst, waarvan ´en daar in de nul-meting ook al was geplaatst. Twee broers zijn
dus omgewisseld van de binnenste naar de rand van de tweede cirkel en andersom. Deze
broers hebben geen foto’s gestuurd (ze zijn al in de 80). Verder zijn alle neven en nichten
die niet in de binnenste cirkel waren, dichterbij gekomen: een viertal van de derde naar de
tweede cirkel en een drietal van de tweede naar de eerste cirkel. ´
en nicht is op dezelfde plek
gebleven. Twee van de nichten die dichterbij zijn gekomen hebben foto’s gestuurd. Daarvan
is heeft de ´en er maar ´en gestuurd en de ander 10 foto’s. De laatste is van de tweede cirkel
naar de binnenste cirkel verplaatst. De oudere heeft hier niets specifieks over gezegd, dus
het is niet mogelijk om te concluderen dat dit door de foto’s komt. Vooral omdat de andere
nichten en neven ook dichterbij zijn geplaatst zonder dat zij foto’s hebben gestuurd. Wel
zou het kunnen dat het algehele familie gevoel - het behoren tot de groep - beter is geworden.
Thema 4: Oudere voelt zich meer verbonden vanwege het gevoel dat er aan
hem/haar wordt gedacht. Deelneemster 2 heeft een heel groot netwerk (41 personen).
Ze heeft 5 kinderen en 6 kleinkinderen. Strategisch staan in de nul-meting haar vijf kinderen
en haar 9 broers en zussen in de binnenste cirkel. Daarna komen haar kleinkinderen, en
daarna de kinderen van haar broers en zussen. Ze heeft een tante die nog leeft en die is heel
dichtbij, in de binnenste cirkel. Ook noemde ze een nicht, die is in de tweede cirkel. In de
eindmeting zijn de kleinkinderen verplaatst naar de binnenste cirkel op dezelfde hoogte als
haar kinderen. De broers en zussen staan ook nog steeds in de binnenste cirkel. Ze licht
toe dat ze de oudste is en ze haar broers en zussen ook een beetje als haar kinderen ziet.
De tante die eerst in de binnenste cirkel stond is nu verplaatst naar de buitenste cirkel. De
nicht is in de tweede cirkel gebleven. Bij deze mevrouw zijn de kleinkinderen allemaal dich-
terbij gekomen. Ze heeft foto’s van haar kinderen ontvangen waar de kleinste kleinkinderen
op staan. Van haar oudere kleindochter die 20 jaar is, heeft ze ook foto’s ontvangen. Van
haar kleinzoon van 16 heeft ze geen foto’s ontvangen. Dat alle kleinkinderen dichterbij zijn
gekomen, zou dus wel aan het lijstje kunnen liggen. De kleinzoon hoort daar gewoon bij,
ook al heeft hij geen foto’s gestuurd.
Thema 5: Oudere spreekt niet over verbeterde verbondenheid, maar het extra
contact heeft wel een bepaald effect. Het netwerk van deelneemster 1 bestaat uit 15
personen. Ze heeft 6 kinderen en 6 kleinkinderen. In de nul-meting had zij 7 personen in de
binnenste cirkel geplaatst. In de tweede cirkel plaatste ze 6 mensen: 4 kleinkinderen en twee
vriendinnen en in de buitenste cirkel plaatste ze een vriendin en ´en kleindochter. Bij de
eindmeting werden de meeste mensen uit de tweede cirkel geplaatst in de binnenste cirkel,
alleen die ene kleindochter die eerder in de buitenste cirkel geplaatst was, was nu in de
tweede cirkel. Twee kleinkinderen die eerder in de tweede cirkel waren geplaatst stonden in
de eindmeting op de rand van de binnenste en de tweede cirkel. De meeste mensen zijn dus
dichterbij gekomen. De twee vriendinnen daarentegen, die in de nul-meting in de middelste
cirkel waren zijn verplaatst naar de buitenste cirkel. De vriendin die in de nul-meting in de
50
buitenste cirkel stond is verplaatst naar de binnenste cirkel. Dit zou kunnen komen omdat
ze de vriendin niet lang geleden had gezien, terwijl ze minder contact heeft met de twee
vriendinnen van de bridgeclub.
Bij deelnemers 9 en 10 deed alleen de mevrouw dit onderdeel van de meting, zowel bij
de nul-meting als bij de eindmeting. Het netwerk bestaat uit 22 personen. Zij hebben 5
kinderen waarvan ´en helaas is overleden. Ze hebben 6 kleinkinderen en ´en achterklein-
kind. De meneer heeft twee broers die nog leven, zij heeft 1 zus die nog leeft. Van de vier
kinderen woont er ´en in Utrecht, ´en in Friesland, ´en in Frankrijk en ´en in Japan. Met
de zoon in Japan is er weinig contact, ze plaatste hem tijdens de nul-meting op de rand
van de binnenste en de tweede cirkel. De andere drie kinderen waren wel in de binnenste
cirkel. Van de kleinkinderen woonden er op het moment van de nulmeting 2 in Nederland,
´en in Lissabon, 2 op Bonaire en ´en in Amerika. De eerste drie zijn in de binnenste cirkel
geplaatst en de laatste drie in de tweede cirkel, waarvan ´en op de rand van de binnenste
cirkel. Bij de eindmeting viel het op dat de kaartjes dichter op elkaar werden geplaatst
waardoor er weinig mensen waren die in de tweede cirkel terecht kwamen. De personen
die daar terecht zijn gekomen zijn: De partners van de vier kinderen, ´en is op de rand
van de binnenste cirkel geplaatst. Ook de broers van meneer werden op de rand geplaatst
(vooral, lichtte ze toe, omdat het niet haar familie is). Twee achterkleinkinderen die in
Amerika wonen, werden ook op de rand van de tweede cirkel geplaatst. Van mensen die
foto’s hebben gestuurd zijn degenen in Amerika wonen van de tweede naar de binnenste
cirkel verplaatst. Mevrouw zegt zelf niet dat ze meer op de hoogte is of zich beter verbon-
den voelt door de foto’s, maar toch zijn ze dichterbij gekomen. Ook heeft ze twee neven
uit Bonaire dichterbij geplaatst, maar die hebben geen foto’s gestuurd. Wel zijn het de
broers van de nicht uit Amerika, dus het kan dat ze de drie daarom bij elkaar plaatst.
De mensen zijn intussen ook niet op vakantie geweest, dus we zouden kunnen zeggen dat
het fotolijstje die verdere familie die in het buitenland wonen, toch dichterbij heeft gebracht.
Thema 6: Geen/nauwelijks verbetering in sociale verbondenheid, omdat de ban-
den al goed waren en/of er is niet veel gebruik gemaakt van het delen via het
fotolijstje. Deelneemster 3 heeft een netwerk van 31 personen. Ze heeft 3 kinderen die elk
ook 3 kinderen hebben gekregen (9 kleinkinderen). In de nulmeting zijn de meeste kinderen
en kleinkinderen in de binnenste cirkel geplaatst. Ze heeft nog 5 goede vriendinnen in de
binnenste cirkel en 1 nicht en een vriendin in de tweede cirkel. Familie van haar broer is
allemaal wat verder weg: tweede en buitenste cirkel. Bij de eindmeting plaatste ze ´en van
haar zoons in de tweede cirkel en haar dochter op de rand van de eerste en de tweede cirkel.
Verder veranderde niet veel, aleen de familie van haar broer plaatste ze wat dichterbij. ´en
zoon en een dochter zijn dus wat verder weg geplaatst. De zoon had wel ´en foto gestuurd,
maar heeft geen profiel foto. Het zou dus best kunnen dat zij niet weet dat hij de foto heeft
gestuurd. De dochter was beheerder en heeft de meeste foto’s gestuurd. In dit geval is de
verandering van de band heel moeilijk te relateren aan het gebruik van het fotolijstje.
Deelneemster 4 heeft een netwerk van 37 personen. Ze komt uit een gezin van 9 kinderen
en heeft zelf 2 kinderen en 3 kleinkinderen. Bij de nul-meting plaatste ze haar 8 broers en
zussen en haar 2 kinderen en 3 kleinkinderen, en ook een vriendin, in de binnenste cirkel.
Twee broers stonden op de rand van de binnenste en de tweede cirkel. Twee kinderen van
haar broers en zussen plaatste ze in de tweede cirkel en ook een kleinkind van haar zus. De
51
andere neven en nichten en vrienden kwamen in de buitenste cirkel. Bij de eindmeting wa-
ren alleen nog maar twee zussen en een broer en haar twee kinderen in de binnenste cirkel.
´en zus stond op de rand van de binnenste en de tweede cirkel. Haar drie kleinkinderen
bevonden zich in de tweede cirkel, tezamen met nog twee broers en het kleinkind van haar
zus die daar in de nul-meting ook stond. Drie neven en een nicht werden ook in de tweede
cirkel geplaatst. Alle andere neven en nichten en vriendinnen werden in de buitenste cirkel
geplaatst. De vriendin die in de nul-meting in de binnenste cirkel was, staat nu op de rand
van de buitenste en de tweede cirkel. Bij deze mevrouw zijn veel mensen dus juist wat
verder weg geplaatst. Dit terwijl ze allemaal foto’s hebben gestuurd, ook een broer waar ze
het niet van verwacht had. Deze broer is bij de eindmeting in de buitenste cirkel terecht
gekomen.
Deelneemster 7 heeft een netwerk van 14 personen. Ze heeft ´en broer en ´en zus die nog
leven. Ze heeft 3 kinderen en 3 kleinkinderen. Daarnaast heeft ze nog 4 vrienden en een
nicht waarmee ze een goede band heeft (de dochter van haar broer). In de binnenste cirkel
plaatste, tijdens de nul-meting, ze haar drie kinderen en haar broer. Verder plaatste ze
nog haar drie vriendinnen en het jongste kleinkind in de binnenste cirkel. Een vriendin, de
nicht en haar dochtertje werden op de rand van de binnenste en de tweede cirkel geplaatst.
Twee overige kleinkinderen kwamen in de tweede cirkel en haar zus kwam in de buitenste
cirkel terecht. Die spreekt ze ook maar ´en keer in het jaar ongeveer. Bij de eindmeting
veranderde er nauwelijks iets. ´
en kleinkind die eerst op de rand van de binnenste en de
tweede cirkel stond, kwam nu in de binnenste cirkel terecht (hij heeft 2 foto’s gestuurd) en
drie van haar vriendinnen kwamen juist op die rand terecht (geen foto’s gestuurd).
Conclusies: Effecten op verbondenheid Over het algemeen kan dus worden gesteld
dat de mensen die daadwerkelijk foto’s hebben gestuurd wel dichterbij komen:
Deelneemster 1: meeste familieleden dichterbij.
Deelneemster 2: kleinkinderen dichterbij, van allemaal foto’s behalve van 1 kleinzoon
(puber).
Deelneemster 5: aantal nichten dichterbij gekomen (zowel degenen die wel als degenen
die geen foto’s hadden gestuurd).
Deelnemer 6: beheerder dichterbij gekomen.
Deelnemers 9 en 10: familie uit Amerika en Bonaire zijn dichterbij gekomen, terwijl
de nicht uit Amerika alleen gestuurd heeft.
Deelneemster 12: een neef en diens vrouw dichterbij gekomen “vanwege het lijstje”
zegt zij.
Bij sommige mensen lijkt de band iets minder geworden, of is er nauwelijks een verandering
te zien:
Deelneemster 3: twee kinderen, waaronder de beheerder, wat verder weg geplaatst.
Deelneemster 4: veel familieleden verder weg geplaatst.
52
Deelneemster 7: nauwelijks verandering.
In de meeste gevallen in de verandering dus wel positief en heeft het ook invloed op de
familiebanden met anderen. In 20% van de gevallen is de verandering negatief. In de de
discussie (hoofdstuk 8.2 worden mogelijke verklaringen hiervoor gegeven.
Effecten van verbondenheid op eenzaamheid Hypothese 4 was:
“Het verbeteren van de verbondenheid van ouderen met hun (klein)kinderen
zal ertoe leiden dat ouderen zich minder eenzaam voelen.”.
Deze hypothese kan beantwoord worden aan de hand van het laatste thema.
Thema 7: Eenzaamheid: Oudere voelt zich minder eenzaam
(a) Percentage deelnemers (Pilot2
zonder de dementerenden) dat een-
zaam is bij de nul-meting.
(b) Percentage deelnemers (Pilot2
zonder de dementerenden) dat een-
zaam is bij de eindmeting.
Figuur 24: Resultaten eenzaamheidsschaal de Jong Gierveld (1985)
Uit de vragenlijsten was af te leiden dat geen van de deelnemers ernstig eenzaam was (Score
>9, Eenzaamheidsschaal de Jong Gierveld (1985)). Bij de nul-meting was 40% niet een-
zaam (score <3). Bij de eindmeting was dit percentage verhoogd tot 50%. Ik heb geen
eindmeting gedaan bij de twee dementerende dames, dus die zijn niet meegenomen in deze
vergelijking. Zij werden bij de nul-meting geclassificeerd als “Matig Eenzaam” (score 3 en
9).
De eenzaamheidsschaal van de MHSIP van Lutterman et al. is niet meegerekend in de
beoordeling van eenzaamheid hierboven, omdat het op een andere manier berekend wordt:
score <2,5 niet eenzaam, score >2,5 eenzaam.
Volgens de verbondenheidsschaal van Lutterman et al., gebruikt in de MHSIP, is bij de
nul-meting als bij de eindmeting maar 1 persoon echt eenzaam (zie figuur 25). Bij de nul-
meting is dit deelneemster 10 en bij de eindmeting is het deelneemster 2. In figuur 7.3
53
(a) Verdeling niet eenzaam (score <2,5)
en eenzaam (score 2,5) (Pilot2 zonder
de dementerenden) volgens de schaal
van de MHSIP bij de nul-meting.
(b) Verdeling niet eenzaam (score <2,5)
en eenzaam (score 2,5) (Pilot2 zonder
de dementerenden) volgens de schaal
van de MHSIP bij de eindmeting.
Figuur 25: Resultaten eenzaamheidsschaal Lutterman (MHSIP)
valt het inderdaad op dat deelnemers 2 en 10 inderdaad erge hoge waardes hebben in beide
schalen, alleen is het verschil tussen de nul- en eindmeting net andersom.
(a) Verandering in gevoel van eenzaamheid volgens
eenzaamheidsschaal de Jong Gierveld (1985)
(b) Verandering in gevoel van eenzaamheid vol-
gens eenzaamheidsschaal Lutterman et al.
Volgens de verbondenheidsschaal van Lutterman et al. hebben 4 mensen bij de eindmeting
meer eenzaamheidsgevoelens dan bij de nul-meting (deelnemers 1, 2, 4 en 6). Bij de een-
zaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) zijn dit deelnemers 3,4,7,10. Bij een aantal
deelnemers is het gevoel gelijk gebleven (deelnemers 3 en 5 (Lutterman et al. vs. deel-
nemers 5, 6 en 12 (de Jong Gierveld (1985))) en bij de overige deelnemers is het gevoel
van eenzaamheid minder geworden (deelnemers 7, 9, 10 en 12 volgens de MHSIP schaal vs.
deelnemers 1,2 en 9 volgens de schaal van de Jong Gierveld (1985)).
De twee meetinstrumenten die gebruikt zijn lijken dus in sommige gevallen in tegenspraak
met elkaar te zijn (zie tabel 1). Het verschil zou kunnen komen omdat de eenzaamheids-
54
schaal van de Jong Gierveld (1985) uitgebreider is (11 items) dan de verbondenheidsschaal
van Lutterman et al. (4 items). De schaal van de MHSIP wordt ook in een algemenere con-
text gebruikt: het gevoel van verbondenheid met betrekking tot de gezondheid in landelijke
enquˆetes. De eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) wordt gebruikt in weten-
schappelijke onderzoeken. In de discussie wordt dit verschil nader bestudeerd (hoofdstuk
8.2).
hhhhhhhhhhhhhhhhhhhh
h
Eenzaamheidsschaal
Verbondenheidsschaal
Toegenomen Gelijk gebleven Afgenomen
Toegenomen 4 3 7,10
Gelijk gebleven 6 5 12
Afgenomen 1,2 9
Tabel 1: Vergelijking Eenzaamheidsschaal de Jong Gierveld (1985) en verbondenheidsschaal
Lutterman et al.
Uit de resultaten van de nabijheidscirkels blijkt dat bij deelnemers 1, 2, 5, 6, 9, 10 en
12 de gevoelens van verbondenheid zijn toegenomen. Dit komt het meeste overeen met
de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985), waarbij bij deelnemers 1,2 en 9 de
eenzaamheid is afgenomen en bij deelnemers 5, 6 en 12 de gevoelens van eenzaamheid gelijk
zijn gebleven (en dus niet zijn afgenomen). Hypothese 4 klopt in 30% van de gevallen.
Gebruik van het fotolijstje In deze paragraaf zullen de thema’s met betrekking tot het
gebruik van het fotolijstje behandeld worden. Ook kan aan de hand van deze thema’s iets
gezegd worden over hypothese 5 die te maken heeft met het gebruik van het fotolijstje:
“Deze manier van contact onderhouden zal vooral veel gebruikt worden door de
kleinkinderen (jongere generatie), omdat zij al gewend zijn om foto’s te delen
met hun vrienden via social media.”
Thema 1: Meteen enthousiast beginnen en aanhouden:
Deelnemers 4 en het echtpaar (9 en 10) zijn de enige waarbij foto’s vanaf het begin enthou-
siast gestuurd werden en ook hebben aangehouden: ongeveer elke week worden er wel foto’s
gestuurd.
De dochter van deelnemer 4 woont in het buitenland (Engeland) met haar 3 kleine kinderen
(een jongen van 5 en een tweeling die 1 jaar zijn geworden tijdens dit onderzoek). Zij stuurt
regelmatig foto’s van haar kinderen. De zoon van deze mevrouw woont ook in het buiten-
land (Singapore) en reist in zijn vrije tijd door Azi¨
e. Verder komt deze mevrouw uit een
gezin van 9 kinderen. Er waren dus genoeg mensen in het netwerk die foto’s konden sturen.
Van deelnemers 9 en 10 wonen veel familieleden in het buitenland: Een zoon woont in
Frankrijk en daarvan wonen twee zoons in Bonaire, en een dochter in Amerika. Ze hebben
ook een zoon die in Japan woont en een dochter die wel in Nederland woont, maar best
ver: in Leeuwarden. Verder hebben ze een kleindochter die in Lissabon woonde tijdens het
onderzoek en een andere kleindochter die door Nieuw Zeeland is gaan reizen tijdens het
55
Figuur 26: Pilot periode Deelnemer 4, totaal 108 foto’s
Figuur 27: Pilot periode Deelnemers 9 en 10, totaal 75 foto’s
onderzoek. Ook zijn er twee familieleden tijdens het onderzoek op vakantie geweest. Vooral
de kleinkinderen hebben enthousiast foto’s gestuurd. Hypothese 5 wordt door deze familie
bevestigd.
Thema 2: Meteen enthousiast beginnen en later minder:
Deelneemster 1 was de mevrouw wiens familie op vakantie ging en zij daarom het lijstje
eerder kreeg. In het begin zijn er dan ook regelmatig foto’s gestuurd, maar vanaf ze het
nieuwe lijstje kreeg, in januari werd dat minder. Dit kan verschillende oorzaken hebben:
56
Figuur 28: Pilot periode Deelnemer 1
de overstap van het oude naar het nieuwe lijstje was verwarrend (andere website en ander
email-adres). Maar het kan ook dat de familie toen terug was van vakantie en ze daarom
minder de behoefte hadden om foto’s te sturen. Ook ging deze mevrouw zelf ook weleens
op vakantie, dus dan heeft het voor de familie ook weinig zin om foto’s te sturen als ze niet
aanwezig is. Deze mevrouw heeft ook een kleindochter die veel foto’s stuurde, maar volgens
de oudere stuurde de kleindochter vooral foto’s namens haar moeder, omdat die niet zo goed
met de techniek overweg kon.
57
Thema 3: Meteen enthousiast beginnen, later minder, dan weer meer tot regel-
maat:
Figuur 29: Pilot periode Deelnemer 3, totaal 69 foto’s
De familie van deelneemster 3 heeft een maand geen foto’s gestuurd. Ik heb toen de beheer-
der een herinneringsmail gestuurd. Daarna begon de familie weer. Wat precies de reden is
van deze tussenpauze is niet bekend. Bij deze mevrouw waren er 5 kleinkinderen die foto’s
hadden gestuurd. Ook bij deze familie wordt hypothese 5 bevestigd.
Thema 4: Terughoudend in het begin en later meer:
Het duurde even voordat de familie van deelneemster 5 het sturen van de foto’s onder de
knie had. Het waren namelijk vooral haar zussen die foto’s stuurden, en die zijn ook van
de oudere generatie. Toen ze het eenmaal door hadden bleven ze regelmatig foto’s sturen.
Ze heeft ook een hele grote familie, waardoor er regelmatig van verschillende mensen foto’s
binnen kwamen. Bij deze mevrouw heeft de jongere generatie, de kleinkinderen van haar
broers en zussen, geen foto’s gestuurd.
Deelnemer 6 heeft zelf geen kinderen. Zijn neef en diens vrouw sturen foto’s. De neef stuurt
altijd foto’s via de mail: hij is door zijn vrouw benoemd tot veilige afzender. Zij is beheer-
der en stuurt altijd foto’s via de website. Het duurde ook even voordat de familie op gang
kwam, maar ze sturen regelmatig foto’s en berichten. Deze meneer heeft geen foto’s gehad
58
Figuur 30: Pilot periode Deelnemer 5
van de jongere generatie.
59
Figuur 31: Pilot periode Deelnemer 6
Thema 5: Terughoudend in het begin en niet op gang gekomen:
Figuur 32: Pilot periode Deelnemer 2
60
Aan de activiteit in figuur 32 is af te lezen dat de familieleden van deelneemster 2 niet zo
actief waren als bij de andere deelnemers. Twee van haar dochters hebben elk in totaal 12
foto’s foto’s gestuurd. De ene heeft de 12 foto’s op ´en dag gestuurd, de ander heeft op 4
verschillende momenten. Ook een kleindochter (20 jaar) heeft een foto gestuurd (nadat de
oudere erom had gevraagd).
Figuur 33: Pilot periode Deelnemer 7
In de familie van deelneemster 7 wordt het fotolijstje als aanvulling gebruikt op het vele
contact dat er al is. In de eindmeting zei de mevrouw eerst dat ze vaak belt met haar
kinderen. Als ze een foto heeft ontvangen belt ze ook op om erover te praten. Echter, later
gaf ze weer aan dat ze niet per se meer contact heeft of vaker met haar kinderen belt. Twee
kleinkinderen hebben een paar foto’s gestuurd, maar ook niet zo vaak (2 stuks per kleinkind).
Van deeneemster 12 sturen maar 2 familieleden foto’s. Haar neef begin in het begin redelijk
vlot met sturen, maar na een tijd werd het steeds minder. Haar kleinzoon heeft ´en foto
gestuurd.
61
Figuur 34: Activiteit Familiewebsite Deelneemster 12, totaal 48 foto’s
Thema 6: Dementerende gebruikers :
De familieleden van de dementerende gebruikers gebruikten het fotolijstje op een andere
manier dan de andere gebruikers. Ze sturen vooral berichten over wat er op bepaalde dagen
gaat gebeuren.
Het fotolijstje voor deelneemster 8 is aangevraagd door haar dochter. Omdat de mevrouw
sinds korte tijd in de gesloten inrichting woont van het Bartholomeus Gasthuis, en geen
telefoon meer kan bedienen, zocht de dochter naar een andere manier om contact te on-
derhouden. Ze mist het om haar moeder te kunnen bellen. Ze gaf tijdens het kennisma-
kingsgesprek al aan dat ze vooral foto’s van haar katten zou sturen, omdat dat de gedeelde
passie van haar en haar moeder is. Verrassend genoeg hebben ook haar twee broers en
de twee kinderen van ´en van de broers, ook foto’s gestuurd. Voor de bediening van het
fotolijstje (foto binnenhalen vooral) is er hulp van de medewerkers uit de verzorging van het
Bartholomeus Gasthuis. Opvallend was dat, toen ik met de mevrouw sprak, zij even niet
zeker was of ze nou 3 of 2 kinderen had. De volgende keer dat ik langs ging had ook haar
derde kind foto’s naar het lijstje gestuurd en toen wist ze het wel weer.
62
Figuur 35: Pilot periode Deelnemer 8
Figuur 36: Pilot periode deelneemster 11
De familie van deelneemster 11 (dementerend) begon in het begin enthousiast met sturen
van foto’s en berichten. Helaas waren er meermaals technische problemen, waardoor de
animo is afgenomen. Alhoewel de technische problemen waren verholpen heeft ze na 25
maart, bij het schrijven van deze resultaten eind april, geen nieuwe foto’s of berichten meer
ontvangen. In totaal heeft deze mevrouw 20 foto’s en berichten ontvangen.
63
Conclusie: Gebruik van het fotolijstje Hypothese 5 geldt voor twee families (deel-
nemers 3, en 9& 10) die kleinkinderen hebbe rond de 20 jaar. Deelnemers 2 en 4 zijn de
jongste deelnemers. Deelnemer 2 heeft twee oudere kleinkinderen, waarvan ´en 20 jaar is,
die heeft wel een foto gestuurd, maar alleen op aandringen van de oudere. Deelneemster 4
heeft haar oudste kleinkind is acht jaar. Verder hebben haar kinderen en de kinderen van
haar zus, die 30+ zijn, wel veel foto’s gestuurd.
7.4 Verbondenheid door middel van plaatjes
In de eindmeting is de deelnemers van Pilot 2 (maar niet aan de dementerenden) gevraagd
om te vertellen hoe verbonden zij zich voelen met hun familie door middel van plaatjes. De
plaatjes dienden daarbij vooral ter ondersteuning van wat zij wilden vertellen, omdat het
vaak moeilijk kan zijn om het gevoel van verbondenheid uit te drukken.
Door middel van de plaatjes (zie bijlage 8) gaf deelneemster 1 aan dat haar kinderen goed
voor haar zorgen.
Deelneemster 2 geeft aan dat het een knus gevoel zou moeten zijn met haar familie, maar
dat ze zich toch vaak alleen voelt.
Deelneemster 3 geeft door middel van de plaatjes aan dat haar kleinkinderen heel lief voor
haar zijn. Ze wijst op een plaatje van een vrouw die alleen thuis zit. Ze zegt dat dat bij haar
soms ook zo is, maar dat vindt ze niet erg. “Het hoort er een beetje bij”. Bij een plaatje
waar iemand alleen is en over het water uitkijkt zegt ze dat ze het soms heel mooi vindt om
zo in har eentje te zijn. “Soms moet je even de rust opzoeken. Alleen in huis zijn is niet zo
leuk, maar alleen naar het strand is wel mooi”.
Deelneemster 4 zocht een plaatje waarbij ze haar verbondenheid met de hele familie kon
weergeven. Zij zocht het plaatje waarbij 1 persoon in het midden staat. Ze gaf aan dat het
niet echt zo is tussen haar en haar familie, maar dat ze het wel zou willen. Ze vindt dat
je pas kan spreken over verbondenheid wanneer er minstens 4 mensen op het plaatje staan:
“Maar dat komt misschien ook omdat ik uit een grote familie kom”.
Deelneemster 5 geeft aan dat ze zich niet afgezonderd voelt en andersom ook niet het gevoel
heeft dat ze het niet in de gaten zou hebben als iemand zich zo voelt. Ze sluit niemand uit.
De plaatjes van de oudere mensen met kleine kinderen doen haar denken aan de foto’s die
ze heeft gehad van haar nichten en neven met hun grootouders en hoe trots de kinderen zijn
op hun grootouders. Het plaatje aan het strand doet haar denken aan Noordwijk en hoe ze
aan haar zussen vertelt hoe het is als ze daarheen gaat en hoe ze soms behoefte heeft aan
stilte om zich heen.
Deelnemer 6 zegt aan de hand van de plaatjes dat hij zich toch wel eenzaam voelt en dat
het zo had moeten zijn: een opa met een kleinkind.
Deelneemster 7 koos voor een foto van een oudere met een kleinkind: ze zegt dat het past
bij haar gevoel van verbondenheid; “gewoon gezellig, elkaar wat vertellen”. Ze kiest een foto
van iemand die in de verte kijkt: “iemand alleen op de uitkijk”. “Toen ik laatst gevallen
was en ik niet zo veel kon, dacht ik wel af en toe “waarom sturen ze geen foto?””.
64
Deelnemer 9 kiest foto van oudere en jongere hand: “past bij dochter kleindochter en haar
kinderen in de VS, knus”.
Deelneemster 12 kiest de plaatjes van de ouderen met kinderen: De verbondenheid heeft ze
ook nog met de vrouw van haar neef: “lekker knuffelen”. Ze denkt ook aan de tijd dat ze
met haar broers en zussen zo samen was, knus op de bank. Met haar vader kon ze ook altijd
lekker knuffelen.
Conclusie: verbondenheid door middel van plaatjes De plaatjes geven een beeld
van hoe de ouderen in het leven staan. Het geeft ook een extra manier om de conversatie op
gang te brengen. Verder hebben de antwoorden door middel van de plaatjes niet veel extra
inzichten gegeven in de eenzaamheids- en verbondenheidsgevoelens van de ouderen.
7.5 Antwoorden op de foto’s/berichten
Tijdens de eindmeting is er aan de mensen die het feedback-boekje niet hadden ingevuld, ge-
vraagd welke woorden zij zouden willen gebruiken om antwoord te geven. Sommige ouderen
vinden het toch moeilijk om te typen en zouden liever een keuze hebben uit een aantal
woorden. De overgang van de “vind-ik-leuk”-knop naar antwoorden typen kan zo in twee
stappen gedaan worden, door eerst een aantal antwoorden aan te bieden. Ook is dit voor
de mensen die echt niet kunnen of willen typen een goede uitkomst. De woorden die het
meeste zijn gekozen waren:
Figuur 37: Antwoorden en hoe vaak ze gekozen zijn
Deze resultaten zijn niet van belang voor dit onderzoek, maar was in de vragenlijst opge-
nomen op verzoek van Familie-LinQ. De antwoorden die het meest gekozen werden waren
dus: “Grappig”, “mooi” en “Dank je wel!”.
65
7.6 Effecten van het fotolijstje op langere termijn
Deelneemster 13 had (de oude versie van) het fotolijstje al sinds augustus 2012. In dit
hoofdstuk wordt inzicht verkregen in de resultaten van het gebruik van het fotolijstje op
langere termijn.
Figuur 38: Frequentie foto’s ontvangen gedurende periode augustus 2012 tot maar 2014
(cumulatief)
In figuur 38 kunnen we zien dat de familie van deelneemster 13 een periode na de start
geen foto’s heeft gestuurd (3 maanden lang). Dit heeft te maken met technische problemen.
Uiteindelijk is het probleem opgelost en is de familie weer begonnen met het sturen van
foto’s en dat doen ze nog steeds (met uitzondering van ´en maand (februari 2014).
In interviews geeft de mevrouw aan dat ze zich meer betrokken voelt bij het leven van haar
kinderen. Ze is blij dat ze nog “meetelt”.
Tijdens het telefonisch interview met de tweede dochter van de mevrouw blijkt dat ze het
een hele leuke manier vindt om contact te onderhouden met haar moeder. Ze zei dat het
vooral voor de jongere generatie (kleinkinderen van de oudere) een geweldige uitkomst is,
omdat zij niet zo makkelijk meer een kaartje sturen of een brief schrijven wanneer ze op
vakantie zijn. Ook hebben ze het allemaal druk met hun eigen leven waardoor sommigen
helemaal niet, en anderen weinig langs gaan bij de oudere:
“Vooral het contact met de kleinkinderen is er beter op geworden. De jongere generatie
is helemaal niet gewend om kaartjes te sturen of brieven (30+), op deze manier kunnen ze
af en toe een fotootje sturen als ze op vakantie zijn. Ze is dan meer betrokken bij hun leven.
In de eindmeting gaf mevrouw aan dat ´en van haar kleinzonen dichterbij is gekomen (z1d1).
In figuur 39 kunnen we zien dat het de kleinzoon is die de meeste foto’s heeft gestuurd van
alle kleinkinderen.
In 2012 heeft geen enkel kleinkind foto’s gestuurd, in 2013 begon het langzaamaan, en het
lijkt erop dat het in 2014 nog hoger zal worden dan in 2013. Het heeft dus tijd nodig om
op gang te komen en het zou best zo kunnen zijn dat de kleinkinderen van de ouderen
uiteindelijk inderdaad het veel gebruik zullen maken van contact onderhouden met hun
66
Figuur 39: Aantal foto’s per familielid
grootouder(s) via het fotolijstje.
Figuur 40: Voorbeeld activiteit van de kleinkinderen op lange termijn
8 Conclusie, discussie& reflectie en aanbevelingen
Dit hoofdstuk gaat in op het gehele onderzoek. In de conclusie wordt er antwoord gegeven
op de onderzoeksvraag. Daarna wordt er een kritische blik geworpen op het onderzoek
in de discussie en de reflectie. Tenslotte staan in dit hoofdstuk de aanbevelingen voor
vervolgonderzoek beschreven.
67
8.1 Conclusie
In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvraag en de hypotheses. De
onderzoeksvraag ging enerzijds om de effecten van het fotolijstje op het gevoel van verbon-
denheid, en anderzijds om het product zodanig aan te passen dat de effecten alleen positief
zijn.
Aangezien dit onderzoek van korte duur was, kunnen er niet zo makkelijk harde conclusies
getrokken worden. Wel kunnen de geobserveerde effecten benoemd worden.
De geobserveerde effecten waren voor sommige deelnemers positief, en voor anderen nega-
tief. Positieve gevallen:
Oudere voelde zich verbonden wanneer er een foto binnenkwam, ze kreeg het gevoel
dat er aan haar werd gedacht (Deelneemster 2). Dit is onderdeel van het eerste element
van sociale verbondenheid volgens figuur 5: Being in touch : In contact zijn/blijven met
mensen die niet in de buurt zijn (verzekerd zijn van het welzijn van anderen, anderen
laten delen in jouw ervaringen, iemand laten weten dat je aan hem/haar denkt
en kansen cre¨
eren voor synchrone communicatie).
Oudere was beter op de hoogte van de activiteiten van de familie waardoor het gevoel
van behoren bij de groep mogelijk werd versterkt (Deelneemster 5). Dit is onder-
deel van het tweede element van sociale verbondenheid volgens figuur 5: Sharing &
involvement: Delen en betrokken zijn (het hebben van gedeelde inzichten, elkaars erva-
ringen en gevoelens kennen en het ervaren van gevoelens van nabijheid (op individueel
niveau)).
Oudere was beter op de hoogte van de activiteiten van de kleine kinderen in de fa-
milie, zoals aan welke sport ze doen (Deelnemer 6). Dit hoort ook bij “Sharing &
involvement”
Oudere voelt zich meer verbonden met familieleden die ver weg wonen (“Being in
touch”, Deelnemers 9 en 10).
Oudere had daadwerkelijk meer contact met haar familie (Quantity of social interac-
tion: van eens in de 3 weken naar 1 keer per week, deelneemster 12).
Deelneemster 13 van Pilot 1 geef wel aan dat haar band met ´en kleinzoon sterker is
geworden vanwege de foto’s (Quality of Social [contacts] (closeness)). Bij de rest van
de deelnemers van Pilot 2 kunnen daar nog geen conclusies over getrokken worden,
omdat de periode te kort is geweest.
Een negatief effect van het fotolijstje is dat de oudere teleurgesteld kan zijn wanneer er
langere tijd geen foto’s gestuurd worden (Deelneemster 2). Ook waren er bij een aantal
ouderen meer eenzaamheidsgevoelens na de pilot periode dan ervoor. In de discussie zullen
de mogelijke redenen hiervoor worden besproken.
Het tweede deel van de onderzoeksvraag is: “hoe kan het product zodanig aangepast worden
dat de effecten positief zijn?”. Antwoord op dit deel van de onderzoeksvraag zal in de
aanbevelingen behandeld worden.
68
Hypotheses Er zijn een vijftal hypotheses opgesteld aan de hand van voorgaande onder-
zoeken (het onderzoek van Biemans en van Dijk (2009) en van Familie-LinQ (2012)). Een
drietal hypotheses ging over de inhoud van de foto’s: (1) dat er vooral foto’s van alledaagse
gelegenheden gestuurd zouden worden in tegenstelling tot het onderzoek van Biemans en
van Dijk (2009), omdat de technologie nu betere mogelijkheden daartoe biedt, (2) dat de
ouderen daardoor beter op de hoogte zullen zijn van wat de familie in het dagelijks leven
doet, waardoor de verbondenheid versterkt zal worden en (3) dat de ouderen meer “‘food
for talk” zullen hebben met hun familie en anderen.
Hypothese 1 bleek voor 7 van de 9 families (pilot 2, zonder de dementerenden en inclusief
echtpaar als ´en familie) te kloppen. Hypothese 2 bleek voor 3 van de 9 deelnemers te
kloppen. Hypothese 3 was alleen het geval voor ´en deelnemer.
De twee overige hypotheses gingen over (4) de effecten van de veranderingen in het gevoel
van verbondenheid op het eenzaamheidsgevoel en (5) het gebruik van het fotolijstje: vooral
de jongere generatie zal er veelvuldig gebruik van maken. Voor 3 personen gold dat de
eenzaamheidsgevoelens minder zijn geworden en de gevoelens van verbondenheid/nabijheid
toegenomen zijn. Voor 3 andere deelnemers zijn de gevoelens van verbondenheid toegeno-
men, maar zijn de gevoelens van eenzaamheid gelijk gebleven (en zijn dus in ieder geval
niet toegenomen). Bij deelnemers 9 en 10 hebben de kleinkinderen de meeste foto’s ge-
stuurd. Bij de andere deelnemers hebben de kleinkinderen niet veel foto’s gestuurd. Bij
deenneemster 13, die het fotolijstje al bijna anderhalf jaar heeft, bleek dat de kleinkinderen
pas later begonnen met het versturen van foto’s (na een jaar). Dit werd later steeds meer.
De jongere generatie maakt dus wel gebruik van deze manier van communiceren met hun
grootouders, maar het is over het algemeen niet meer dan hun ouders, vervolgonderzoek
zal moeten uitwijzen of de kleinkinderen inderdaad meer gebruik van de dienst zullen gaan
maken.
8.2 Discussie
Sommige deelnemers hadden na het onderzoek juist meer gevoelens van eenzaamheid: deel-
nemers 3, 7 en 10 volgens de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) en deelnemers
1,2,4 en 6 volgens de verbondenheidsschaal van Lutterman et al.. Aan het feit dat er verschil-
lende deelnemers worden genoemd bij de eenzaamheidsschaal en de verbondenheidsschaal,
kunnen meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals het aantal items dat de schaal
bevat, en het doel waarvoor de schaal gebruikt wordt.
Deelneemster 3 heeft wel veel foto’s ontvangen, maar ook een hele maand tijdens de pilot
periode helemaal niets. Dit zou een verklaring kunnen bieden voor het iets verder weg
plaatsen van twee van haar kinderen bij de nabijheidscirkel. Het gevoel van eenzaamheid is
volgens de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) iets toegenomen. Ze heeft het
fotolijstje vooral gebruikt om anderen te vertellen over haar familie. Dit zou een effect kun-
nen hebben op de band met andere mensen in haar omgeving, namelijk dat de kwaliteit van
de gesprekken met anderen verbetert. Het zou kunnen dat het daardoor komt de het gevoel
van eenzaamheid volgens de schaal van Lutterman et al. gelijk is gebleven: met de familie
is de verbondenheid iets minder doordat ze een hele maand niets hebben gestuurd, terwijl
ze dat wel verwacht had. Daarentegen is de band met haar vrienden iets beter geworden.
69
Deelneemster 7 heeft weinig foto’s ontvangen en was in de pilot periode ook gevallen, waar-
door ze meer contact had met haar kinderen. Het zou kunnen dat ze daarom ook minder
met het fotolijstje bezig zijn geweest. Volgens de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld
(1985) is het eenzaamheidsgevoel toegenomen. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat
zij foto’s verwacht had toen ze was gevallen en thuis zat. Zij kwamen wel vaker langs, wat
kan verklaren dat het eenzaamheidsgevoel volgens de schaal van Lutterman et al. juist is
afgenomen.
Deelneemster 10 is deel van het echtpaar. De meneer zit elke dag op de bridgeclub en hij
heeft geen behoefte aan veel mensen om zich heen of goede vrienden. met de heren van
de bridge praat hij ook niet echt. De mevrouw heeft 3 dagen in de week nierdialyse en
heeft wel contact met de mensen daar. Omdat ze last heeft van haar knie, kan ze niet veel
leuke dingen meer doen. Ook wil ze niet elke keer met dagelijke probleempjes haar man
lastig vallen. Ze zei tijdens de interviews, dat ze wel behoefte had aan een goede vriend of
vriendin. Door het fotolijstje heeft ze weliswaar meer contact met haar nicht en twee neven
uit het buitenland en is de band ook iets sterker geworden (zie hoofdstuk 7.3), maar de
situatie thuis en dat ze weinig vrienden heeft is daar natuurlijk niet door veranderd. Een
verklaring dat het gevoel van eenzaamheid iets hoger is geworden, zou kunnen zijn omdat ze
toch andere manieren van contact met andere mensen mist, zoals hierboven beschreven bij
deelnemer 6. We kunnen uit deze twee gevallen de conclusie trekken dat de communicatie
via het fotolijstje zeker niet als vervanging kan dienen voor andere manieren van contact,
maar wel dat het kan dienen als verrijking van contact en het versterken van de sociale
verbondenheid met familieleden die men weinig ziet.
Deelneemster 1 heeft veel vakantie foto’s gehad van haar familie, maar ook van haar eigen
uitstapjes. Ze heeft al een hele goede band met haar familie en ook is ze druk met andere
activiteiten en vakanties. Volgens de eenzaamheidsschaal van de Jong Gierveld (1985) is
het gevoel van eenzaamheid dan ook afgenomen. Echter, volgens de schaal van Lutterman
et al. is het eenzaamheidsgevoel juist iets toegenomen. Ze zei dat ze het fijn vond om de
foto van haar vriend langs te zien komen. Een verklaring voor een stijging van eenzaam-
heidsgevoelens zou kunnen zijn dat ze hem meer mist wanneer ze zijn foto langs ziet komen.
Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ze weinig foto’s van alledaagse situaties heeft
gehad, alleen heel veel foto’s van vakanties en familie-aangelegenheden, waar ze zelf ook bij
is geweest. De theorie was namelijk dat de gevoelens van verbondenheid zouden verbeteren
omdat de oudere beter op de hoogte is van wat zijn/haar familie in het dagelijks leven doet
en zich meer betrokken zou voelen in het leven van zijn/haar familie (hypothese 2).
Deelneemster 2 heeft aan dat het in haar aard zit dat ze zich eenzaam voelt, ook al zijn er
mensen om haar heen. Haar familie was niet erg enthousiast met het sturen van foto’s. Ze
stuurden alleen foto’s als zij erom vroeg en daarna tijden niet. Ze hebben ook geen foto’s
gestuurd van hun bezigheden. Het zou kunnen dat zij zich daarom ook nog eenzamer voelde.
Dit is een negatief effect van het fotolijstje: wanneer de familie niet veel foto’s stuurt en
de oudere wel hoge verwachtingen heeft, heeft dit een negatief effect op de gevoelens van
verbondenheid.
Deelneeemster 4 heeft vooral veel foto’s gehad van de kinderen van haar dochter die in En-
geland woont. Ook heeft ze haar dochter vaker gezien dan normaal (zeker om de 6 weken),
vanwege de feestdagen en de verjaardag van de tweeling. Met Pasen zou ze zelfs weer langs
70
komen. Zowel volgens de schaal van de Jong Gierveld (1985) als de schaal van Lutterman
et al. is de eenzaamheid toegenomen. Vergelijkbaar bij deelneemster 1 zou het kunnen dat
ze haar kinderen en kleinkinderen juist meer mist doordat ze de foto’s ziet. Ze zei tijdens
de eindmeting ook dat ze erover dacht om in te trekken bij haar dochter in Engeland.
Bij deelnemer 6 zijn de eenzaamheisgevoelens volgens de schaal van de Jong Gierveld (1985)
gelijk gebleven. Wel geeft hij aan beter op de hoogte te zijn van de activiteiten van de
kinderen in zijn familie. Volgens de schaal van Lutterman et al. blijkt dat zijn gevoelens
van eenzaamheid iets toegenomen zijn. Dit zou te verklaren zijn doordat hij naast het con-
tact via het fotolijstje helemaal geen andere vorm van contact heeft met zijn neven. We
zouden hieruit kunnen concluderen dat hij ook de andere vormen van contact nodig heeft
(zoals bellen en face-to-face contact).
8.3 Aanbevelingen voor verbetering van het product
De bovengenoemde negatieve effecten waren dat de verbondenheid minder kan worden als
men verwachtingen heeft, maar weinig foto’s krijgt. Dit ligt dan aan de kant van de familie.
Een oplossing voor dit probleem zou kunnen zijn om herinneringen te sturen naar de familie
om af en toe een foto te sturen. Hierbij maakt het dus niet uit wat er op de foto staat.
De herinnering zou opdrachten of idee¨
en kunnen bevatten van waar ze een foto van kunnen
maken, bijvoorbeeld:
“Wat ben je nu aan het doen?”, “Met wie ben je nu?”, “Heb je een mooi uitzicht?”, “Wat
valt je op in je omgeving?”
Het is dan wel de bedoeling dat de persoon een smartphone of tablet heeft, zodat er ten
plekke een foto gemaakt en verstuurd kan worden. Deze herinneringen kunnen in gedachten
gehouden worden bij het ontwikkelen van de mobiele applicatie. De mobiele applicatie
omgeving zou ook kunnen bijdragen aan andere manieren om de gebruiker te motiveren om
foto’s te sturen, bijvoorbeeld door:
De mogelijkheid om te kunnen zien welke foto’s anderen hebben gestuurd en te kunnen
reageren erop,
Het zichtbaar maken van statistieken over hoe vaak anderen foto’s sturen en hoe vaak
jij foto’s hebt gestuurd,
Bij te houden wanneer je voor het laatst een foto hebt gestuurd en je in kunt stellen
wanneer je weer een herinnering wilt krijgen: om de 3 dagen, elke week, elke twee
weken, etc.
Ook wanneer het mogelijk wordt voor de oudere om een reactie te geven, zou het gesprek
met de ouderen de familie kunnen motiveren om een reactie terug te geven en volgende keer
weer een foto te sturen ter initiatie van een gesprek.
8.4 Reflectie
Beperkingen van het onderzoek De manier van het onderzoeken naar verbondenheid
had achteraf anders gekund. Aangezien Sociale verbondenheid een gevoel is dat fluctueert
71
over tijd, hadden er dagboekjes achtergelaten kunnen worden (zoals in het onderzoek van
de ontwikkeling van de ABC-Q, hoofdstuk 4.5). In dit onderzoek heb ik dat niet gedaan,
omdat ik vond dat het erg intensief zou zijn in een korte tijd. We kwamen al vaak langs en
de interviews duurden best lang. In de tussentijdse meting heb ik wel een feedback-boekje
achtergelaten, maar dat is door maar 3 mensen ingevuld. Ik vraag me af of een dagboek
wel bijgehouden zou worden.
Ook is het bij dit soort (kwalitatief) onderzoek niet te vermijden dat de contacten die de
onderzoekers met de deelnemers hebben, ook invloed hebben op het gevoel van eenzaam-
heid/verbondenheid van de ouderen. Zij hebben namelijk regelmatg contact met mij, en
ik belde hen ook regelmatig op, vooral als ik zag dat de foto’s niet aan kwamen. Ik kwam
dan ook vaak bij hen over de vloer. Ook het feit dat zij zoveel vertellen over hun leven
en hun familie, schept toch een (vertrouwens)band. Sommige ouderen vertelden waarom ze
geen contact hadden met sommige familieleden en hoe moeilijk het voor hen was. Of ze
vertelden over de moeilijkheden die hun familie heeft. Het is daarom moeilijk om te weten
te komen of het verschil in gevoel van verbondenheid ligt aan het medium of ook (deels)
aan de contacten met de onderzoeker.
Aanbevelingen voor vervolgonderzoek Veel van de conclusies zijn speculaties. Voor
vervolgonderzoek zou het interessant zijn om te onderzoeken wat het verschil is tussen de
twee schalen.
Het probleem bij onderzoek naar de effecten van nieuwe technologie is dat de effecten pas
na lange tijd merkbaar zijn. Dit onderzoek is eigenlijk een soort tussentijdse evaluatie. Om
harde conclusies te kunnen trekken zou het onderzoek aan het einde van het jaar weer op-
nieuw moeten worden gedaan.
Een vraag voor vervolgonderzoek zou kunnen zijn of het gevoel van verbondenheid aan blijft
houden. Zullen de effecten in de loop van tijd afnemen?
Het zou ook interessant kunnen zijn om een extra component toe te voegen aan het lijstje,
bijvoorbeeld verschillende kleuren licht implementeren in de lijst eromheen (denk aan Scot-
tie, hoofdstuk 4.6). Er kan dan op een andere (meer gevoelsmatige) manier gecommuniceerd
worden met de oudere, naast het delen van de foto’s (zie Scottie, hoofdstuk 4.6). Het zou
interessant zijn om te onderzoeken welk effect dit heeft op de verbondenheid.
De opties die genoemd zijn in de vorige paragraaf, zouden eerst wetenschappelijk onderzocht
moeten worden: onderzoek naar “incentives”: hoe kun je mensen motiveren om foto’s te
(blijven) sturen? Eventueel kan daarbij ook inspiratie gehaald worden uit “gamification
elementen voor de applicatie. Bijvoorbeeld, dat degene die de meeste foto’s stuurt een hoge
beoordeling krijgt, bijvoorbeeld door een titel of door het verdienen van sterren of punten.
72
Bibliografie
Alak¨
arpp¨
a, I., P¨
aykk¨
onen, K., V¨
ant¨
anen, J., en Jaakkola, E. (2014). Experiences of the
Elderly, their Relatives, and Volunteers of a Social Media Application in Monitoring of
Wellbeing. pages 105–110.
Antonucci, T. (1986). Hierarchical mapping technique. Generations, 10(4):10–12.
Biemans, M. en van Dijk, B. (2009). Food for talk: photo frames to support social connec-
tedness for elderly people in a nursing home. In Norros, L., Koskinen, H., Salo, L., en
Savioja, P., editors, ECCE, page 15. VTT Technical Research Centre of Finland / ACM.
Brown, N. en Stockman, T. (2013). Examining the Use of Thematic Analysis as a Tool for
Informing Design of New Family Communication Technologies. ewic.bcs.org, pages 1–6.
CBS. Aanhoudende omzetdaling telecomsector. http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/
themas/financiele-zakelijke-diensten/publicaties/artikelen/archief/2014/
2014-3934-wm.htm, bezocht op 14/04/2014.
CBS. De digitale economie 2006. http://www.cbs.nl/nr/rdonlyres/
d2e9e66d-d6a1-4438-83c4- 541dc6d92b30/0/2006p34pub.pdf, bezocht op 14/04/2014.
CBS (2013a). Een derde van de 75-plussers gebruikt internet. http://www.cbs.nl/
nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-cultuur/publicaties/artikelen/archief/2013/
2013-3834-wm.htm, bezocht op 10/04/2014.
CBS (2013b). Gebruik en gebruikers van sociale media. http://www.cbs.nl/NR/
rdonlyres/06A12225-495E-4620-80F6- F2A53E819957/0/20131001b15art.pdf, be-
zocht op 14/04/2014.
Cornwell, B., Laumann, E., en Schumm, P. (2008). The Social Connectedness of Older
Adults: A National Profile*. American sociological review, 73(2):185–203.
De Haan, J. (2008). Sociale contacten via digitale kanalen. In P. Schnabel, R. Bijl, J. de
Hart (red.). Betrekkelijke betrokkenheid. Studies in sociale cohesie. Sociaal en Cultureel
Planbureau. Sociaal en Cultureel Rapport 2008., pages 365–385.
De Haan, J., Klumper, O., en Steyaert, J. (2007). Surfende senioren: kansen en bedreigingen
van ICT voor ouderen. SCP-publicatie. Centraal Boekhuis.
de Jong-Gierveld, J. (1984). Eenzaamheid : een meersporig onderzoek. Van Loghum Slaterus
[Deventer].
73
de Jong Gierveld, J. (1985). The development of a rasch-type loneliness-scale. Applied
Psychological Measurement, 9:289–299.
Dohmen, D. (2014). Focus Cura Website. http://www.focuscura.nl/website/, bezocht
op 30/01/14.
Duimel, M. (2003). Aansluiting of kortsluiting? Sociaal Cultureel Planbureau.
Fokkema, T. en Tilburg, T. v. (2006). Aanpak van Eenzaamheid: Helpt het? NIDI rapport.
Fokkema, T. en Van Tilburg, T. (2005). Eenzaam en dan? De (on)mogelijkheden van
interventies bij ouderen. Eindrapportage aan de Stichting Sluyterman van Loo van een
vergelijkend effect- en procesevaluatie-onderzoek naar interventies ter voorkoming en ver-
mindering van eenzaamheid onder ouderen.
Fokkema, T. en van Tongeren, L. (2005). How to escpe loneliness? kwalitatieve evaluatie van
een experiment om met ict uit eenzaamheid te geraken. Journal of Social Intervention:
Theory and Practice, 14(4):15–28.
Garau, M., Poisson, J., Lederer, S., en Beckmann, C. (2006). Speaking in pictures: Visual
conversation using radar. PICS Workshop, Ubicomp.
Halsema, F. (2008). Geluk! Voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid.http:
//www.debibliotheekandersbekeken.nl/content/Femke\_Halsema.pdf, bezocht op
01/04/2014.
IJsselsteijn, W., Van Baren, J., Markopoulos, P., Romero, N., en De Ruyter, B. (2009).
Measuring Affective Benefits and Costs of Mediated Awareness: Development and Vali-
dation of the ABC-Questionnaire. In Markopoulos, P., De Ruyter, B., en Mackay, W.,
editors, Awareness, Human-Computer Interaction Series. Springer London, London.
IJsselsteijn, W., Van Baren, J., en Van Lanen, F. (2003). Staying in touch: Social pre-
sence and connectedness through synchronous and asynchronous communication media.
Human-Computer Interaction.
Jong Gierveld, J. en Tilburg, T. v. (2008). De ingekorte schaal voor algemene, emotionele
en sociale eenzaamheid. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie, 39(1):4–15.
Kindberg, T., Spasojevic, M., Fleck, R., en Sellen, A. (2005). I saw this and thought of
you: some social uses of camera phones. In van der Veer, G. C. en Gale, C., editors, CHI
Extended Abstracts, pages 1545–1548. ACM.
Kuiper, L., van Veggel, P., en van Raaij, J. (2012). Projectplan.
Lee, R., Dean, B., en Jung, K.-R. (2008). Social connectedness, extraversion, and subjective
well-being: Testing a mediation model. Personality and Individual Differences, 45(5):414–
419.
Lutterman, T., Phelan, B. E., en Berhane, A. Development of Mental Health Measure of
Social Connectedness. Technical report.
McCarty, C., Molina, J. L., Aguilar, C., en Rota, L. (2007). A Comparison of Social Network
Mapping and Personal Network Visualization. Field Methods, 19(2):145–162.
74
Sanders, E. B. en Dandavate, U. (1999). Design for Experiencing: New Tools Elizabeth
B.-N. Sanders and Uday Dandavate SonicRim The Department of Industrial Design at
The Ohio State University.
Schnabel, P. (1999). Individualisering en Sociale Integratie. Sociaal Cultureel Planbureau.
Takahashi, K. (2005). Toward a Life Span Theory of Close Relationships: The Affective
Relationships Model. Human Development, 48(1-2):48–66.
Van Baren, J. (2004). Measuring affective benefits and costs of awareness systems supporting
intimate social networks. CTIT workshop.
van Baren, J., IJsselsteijn, W., Romero, N., Markopoulos, P., en de Ruyter, B. (2003).
Affective benefits in communication: the development and field-testing of a new questi-
onnaire measure. In PRESENCE 2003, 6th Annual International Workshop on Presence,
Aalborg, Denmark, 6-8 October 2003 (short abstract in programme book; long abstract on-
line www.presence-research.org/p2003.html, pages 48 – 53, Aalborg. PRESENCE, PRE-
SENCE.
Van Bel, D. T., Smolders, K. C. H. J., De Kort, Y. A. W., en IJsselsteijn, W. A. (2009).
I-sharing promotes Social Connectedness. In MobileHCI’09, pages 54–58.
van Bel, D. T., Smolders, K. C. H. J., IJsselsteijn, W. A., en de Kort, Y. (2009). Social
connectedness: concept and measurement. In Callaghan, V., Kameas, A., Reyes, A., Royo,
D., en 0001, M. W., editors, Intelligent Environments, volume 2 of Ambient Intelligence
and Smart Environments, pages 67–74. IOS Press.
van Dijk, B., Biemans, M., Dadlani, P., en van Halteren, A. (2010). Life Changes , Con-
nection Stays : Photo Sharing and Social Connectedness for People with Special Needs.
(August):25–27.
van Dijk, D., Wildevuur, S., en van Roij-Lubsen, A. (2012). De waarde van verbondenheid.
Waag Society.
Veldheer, V. en Bijl, R. (2011). Actuele maatschappelijke ontwikkelingen 2010. Sociaal en
Cultureel Planbureau, page 68.
Waag Society (2012). Scottie: Gebruikersonderzoek ouderen. (April).
75
Bijlagen
76
1 Summary
1.1 The effects of using the Family-LinQ photo frame on the social
connectedness between seniors and their (grand)children
Elderly people risk the chance of becoming socially isolated. This has to do with different
changes like retirement, loss of friends and relatives, sickness and decreased mobility. Also,
communication nowadays is predominantly through use of social media, but less than 50%
of the people over 65 use these media. The individualization of society also causes people
to care a lot less about others (Halsema (2008)). People lead busy lives and communicate
more and more through use of new media, and visit each other less often (De Haan (2008)).
In many cases, children live far away from their parents, so it is not possible to visit them
often. Calling or writing takes up more time than they want to spend, being used to the
social media. Elderly who do not use these media get left out of the social circle and have
less contact with ther family than they could have if they were online.
A possible solution for this problem is Family-LinQ: a digital photo frame for seniors, with
a mobile internet connection. Family from all over the world can easily send a picture of
their activities or a text message to the elderly family member. The photo frame is actually
an Android tablet with a photo-frame around it and the Family-LinQ application running
on it. It is easy to use: it has only one button on top of it to put it on stand-by and a smiley
button which the senior can tap to let the sender know that he/she has received the picture
and that he/she likes it. The aim of this project is to bring generations together: younger
generations share their experiences through social media all of the time. Family-LinQ makes
it possible for them to share their experiences with the elderly people in their family, who do
not make use of these media. In this thesis, the effects of the use of the Family-LinQ photo
frame will be discussed. Het Bartholomeus Gasthuis, a home for the elderly in the center
of Utrecht, provided a Family-LinQ photo frame to 12 seniors, who live in and around the
city of Utrecht.
The University of Twente did research on a similar medium in 2009, when digital commu-
nication was not so widely spread as it is now. The study targeted 8 seniors in a group care
home8and 4 patients rehabilitating from a spinal cord lesion. The outcome of that study
was that the communication by use of the photo frame has a possitive effect on the social
connectedness of both target groups and their families. For the elderly, the pictures mostly
served as “food for talk” in the nursing home. The patients rehabilitating from a spinal
cord lesion highly valued being able to be updated on the events going on at home.
The current research focusses on 11 elderly people who live (semi-)independently and two
people with Alzheimer desease, one of them who can not live independently. The research
question is: “What are the effects on sociale connectedness between seniors and their family
when using the Family-LinQ photo-frame, and how can the concept be improved to make
sure that the effects are positive?
Method
The research was done by conducting individual interviews with both the seniors and the
8The elderly people have seperate bedrooms and a shared living room where they were during the day.
The photoframes were all put in the living room.
77
family members. The first interview was with one of the family members of each of the
participants. This family member is also in charge of the family website. The task of this
family member is to invite other family members to the family website. The manager is the
person the senior can turn to for anything related to the photo frame. The interview with
this family member was to have an indication of the situation of the senior (age, health,
connectedness and social network). The social network of the senior was established as
preparation for the next interview.
Subsequently, there were three individual interviews with each of the seniors: One interview
before the senior received the photo frame: this interview was to establish the situation of
the senior at the beginning of the research. The second interview was done halfway through
the study. This interview was to evaluate the use of the photo frame at an intermediate
stage. At last there was a third interview with each of the seniors (except the two with
Alzheimer’s), to evaluate the situation, approximately seven weeks after having received the
photo frame.
In the interviews a protocol was used, with questions which were formulated in advance. To
measure the connectedness, the Social Connecteness Scale of Lutterman (2009) was used in
addition to the Loneliness Scale of De Jong Gierveld (2008). To indicate the social network
and the closeness of each of the people in the network, the hierarchical mapping technique
of Antonucci (1986) was used. The interviews were all video recorded and were analysed
afterwards.
The hypotheses are:
The (grand)children will mostly send pictures of daily events, instead of sending pic-
tures “old” pictures, as was the case in the study of 2009, because younger generations
already share a lot of their experiences on social media.
The pictures will serve as “food for Talk”, as was the case in the study of 2009.
Sharing daily events will lead to the seniors being better informed about the daily
activities of their family. This will cause a stronger connection between the seniors
and their familymembers.
Increasing feelings of social connectedness will lead to less feelings of loneliness on
behalf of the elderly.
Especially the younger generation will use this new way to communicate with their
grandparent(s), because they are already used to sharing pictures with friends through
social media.
Results
Of each of the seniors, on average 6 of their family members sent pictures. Some of them
only had 2 people sending pictures, while another had 11 family members sending pictures.
The difference between the amount of pictures sent also varies a lot: from 8 to 108 pictu-
res/messages.
The seniors were very positive about the use of the Family LinQ photo frame. Some of
them said that they were better informed about the activities of their family members, 2
78
seniors said that they had more contact with their family than before they had the Family-
LinQ photo frame. Two of the seniors experienced more positive feelings on days that they
received a photo, one said that she was happy to know that someone thought about her.
Another senior said it was nice to use the photo frame when she talked to others about her
family.
A downside for the photo frame can be that some of the elderly are a bit disappointed when
they do not receive pictures or messages for a long time.
There were two participants who are in the beginning stage of Alzheimer’s desease. Their
family used the Family-LinQ photo frame differently than the rest of the participants used
it. One of the family members said that she used to call her mother every week, but now
she lives in a closed department of Het Bartholomeus Gasthuis and she cannot call her any-
more. She is happy to have a bit of contact now through the photo frame. The daughter of
the other woman also thinks it is an easy way to send messages to her mother in a similar
way as messaging other friends and family. The two participants with alzheimer cannot
learn something new, so they need assistance when a new picture or message arrives. I have
spoken to one of them and she seemed happy to have the picture frame and receive pictures
of her family. She told me about her family members by using the photo frame.
In general, the participants were positive about the use of the photo frame. They felt more
involved in the lives of their family, were better up to date, and had more food for talk.
These positive outcomes can have a positive effect on the overal well-being of the seniors
which will make them happier and healthier.
The family members were also very positive. They are happy that there is an easy way to
supplement the contact with their seniors that they already have. The families indicated
that they would like the seniors to be able to reply more elaborately than only with the
“like” button. Also they would like to get reminders, because they experienced that they
used this new way of communicating with their parents less than they thought they would.
This research showed that hypothesis 1 and 2 were true: most family members sent pictures
of daily events, which caused the elderly to be more up to date about the events in the
lives of their family. Hypothesis 3 was only true for one participant. Hypothesis 4 was
true in 30% of the cases: the elderly who felt more connected to their family members also
reported having less feelings of loneliness. Hypotesis 5 was true in some cases, especially in
the long term case. One senior had the photo frame since August, 2012. In her case, the
grandchildren used this new way of communicating more extensively later on, compared to
the beginning of the project.
79
1
Protocol Kennismakingsgesprek
Gegevens oudere
Naam oudere hoe wordt de oudere binnen de familie aangesproken?
Leeftijd:
Heeft de oudere een partner?
Heeft oudere een opleiding?
Heeft de oudere vroeger een beroep gehad / gewerkt?
Sociale Netwerk (15 min)
Ik zou nu graag met u het sociale netwerk van de oudere in kaart willen brengen:
Hoeveel kinderen heeft de oudere:
o Per kind noteren: naam, leeftijd, woonplaats
o Kleinkinderen
Per kleinkind noteren: naam, leeftijd, woonplaats
Broers/zussen (leven / niet leven):
o Per broer/zus noteren: naam, leeftijd, woonplaats
o Kinderen van de broer / zus
Per kleinkind noteren: naam, leeftijd, woonplaats
Andere familieleden met wie de oudere veel contact heeft?
Vrienden/vriendinnen
Activiteitenclubs en kennissen daarvan
Andere kennissen met wie de oudere veel contact heeft
Onderlinge relaties (15 min)
Voor ons onderzoek is het ook interessant om een idee krijgen van de onderlinge relaties binnen de
familie:
Kunt u mij iets meer vertellen over de onderlinge band binnen uw familie?
In hoeverre heeft uw familie een hechte band?
Welke familieleden wonen er dichtbij/ver van elkaar?
Hoe vaak ziet men elkaar in de familie gemiddeld?
Zijn er bijvoorbeeld familiereünies of ziet men elkaar alleen op verjaardagen e.d.?
Wie heeft/hebben het meeste onderlinge contact?
Hoe vaak spreekt men elkaar in de familie gemiddeld?
Hoe wordt er binnen de familie met elkaar gecommuniceerd?
Zijn er familieleden die elkaar liever niet spreken (ruzies))?
Relatie met oudere (10 min)
We zouden ook graag willen weten hoe de relatie met de oudere is:
2 Interviewprotocol Kennismakingsgesprek
80
2
Band met de oudere?
Welke familieleden hebben het meeste contact met de oudere?
Wie gaat er regelmatig langs bij de oudere?
Worden hierover onderlinge afspraken gemaakt?
Hoe is het contact tussen de oudere en de kleinkinderen (of neven/nichten)?
Voor bewoners in de wijk
Hoe gaat het zelfstandig wonen van de oudere?
Stel dat het minder goed zou gaan met de oudere en deze wellicht niet meer zelfstandig kan
wonen:
o Hoe zou dat in zijn werk gaan?
o Welke rol zou de familie dan spelen?
Hoe gaat het met de oudere? (10 min)
Hoe gaat het met het welzijn van de oudere? Geestelijk / Lichamelijk
Heeft u het gevoel dat de oudere voldoende mensen heeft waarmee hij/zij:
o leuke activiteiten kan ondernemen
o kan delen hoe het met hem/haar gaat - ook als het minder goed gaat?
Internet (3min)
Heeft oudere ervaring met computers, internet, mobiele telefoons of andere media?
Wie binnen de familie biedt ondersteuning?
Denkt u dat Internet voor hem/haar nuttig zou kunnen zijn? In welk opzicht?
81
Interview protocol nul-meting ouderen
Introductie
Bedankt dat u mee wilt doen aan dit onderzoek van Bartholomeus Gasthuis. U heeft aangegeven
mee te willen doen met het onderzoek waarbij u een fotolijstje krijgt en u foto’s van u familie erop
kunt ontvangen. Om te weten te komen wat de voor- en nadelen zijn van deze manier van
communiceren, zouden we u graag beter leren kennen en ook een beetje begrijpen hoe u nu
communiceert met kinderen, vrienden en bekenden. We gaan het vandaag dus vooral over u hebben.
Communiceren doe je met andere mensen. Daarom zal dit interview voor een groot deel bestaan uit
het in kaart brengen van de mensen waar u mee communiceert, de manier waarop u dat doet.
De manier van interviewen is anders dan u misschien zou verwachten. We zullen alles wat u zegt
zichtbaar maken in plaatjes. Zo kunt u kijken of het klopt en eventueel aanvullen als u het plaatje
niet compleet vindt.
Algemeen
- Naam en leeftijd controleren
- Hoe lang woont u al in…?
- Welk beroep had u vroeger?
- (Inschatting maken van opleidingsniveau, anders doorvragen)
- Heeft u weleens een computer gebruikt of gezien?
- Heeft u weleens een tablet/iPad gebruikt of gezien?
- Heeft u een mobiele telefoon?
- Weet u wat internet is?
Activiteiten en locaties
Eerst gaan we het hebben over wat u allemaal doet gedurende de week en naar welke plekken u gaat.
Dagelijks leven in kaart brengen (15 min. dus niet te diep overal op in gaan)
Hoe ziet uw week er normaal gesproken uit?
Standaard week:
Figuur 3: Schema weekoverzicht
Wat zijn de dingen die u iedere week hetzelfde
doet?
Wie doet de boodschappen? vaste tijdstippen?
Waar is/zijn de winkel(s)? Hoe komt u daar?
Wie maakt huis schoon? vaste dag?
Eet u meestal thuis?
Alleen/met partner/met vrienden?
Wat doet u ‘s avonds?
Heeft u bepaalde avonden vaste
afspraken/activiteiten?
Welke activiteiten doet u buitenshuis (werk, hobby)?
Waar gaat u zoal heen? Hoe komt u daar?
Hoe ziet uw weekeind er meestal uit?
Waar gaat u zoal heen? Hoe komt u daar?
We zitten nu in het najaar. Zijn er in zomer of in de winter andere dingen die u doet?
3 Interviewprotocol Nul-meting oudere
82
Verbondenheid
Ik heb hier een aantal stellingen. Zou u kunnen aangeven in hoeverre u het ermee eens bent? Vindt u
het goed om het zelf rustig in te vullen of heeft u liever dat ik de vragen voorlees?
Tijdens invullen schema sociale netwerk en kaartjes klaarleggen
1. Ik ben blij met de vriendschappen die ik heb.
2. Ik heb mensen met wie ik leuke dingen kan doen.
3. Ik heb het gevoel dat ik bij een gemeenschap hoor.
4. In moeilijke tijden heb ik de steun die ik nodig heb van familie of vrienden.
5. Er is altijd wel iemand in mijn omgeving bij wie ik met mijn dagelijkse probleempjes terecht
kan.
6. Ik mis een echt goede vriend of vriendin.
7. Ik ervaar een leegte om mij heen.
8. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.
9. Ik mis gezelligheid om mij heen.
10. Ik vind mijn kring van kennissen te beperkt.
11. Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen
12. Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.
13. Ik mis mensen om mij heen.
14. Vaak voel ik me in de steek gelaten.
15. Wanneer ik daar behoefte aan heb, kan ik altijd bij mijn vrienden terecht.
Ja!
geheel mee eens
ja,
best wel
min of meer
nee,
niet helemaal
nee!
geheel mee oneens
De verbondenheidsschaal van Lutterman (1-4) en de eenzaamheidsschaal van De Jong-Gierveld
samengevoegd (5-15).
Sociale Netwerk
We hebben al met [naam contactpersoon] gesproken en hebben uw familie en kennissen in kaart
gebracht (laat stamboom zien en controleer!). U heeft al een aantal mensen genoemd die hier op het
overzicht staan. Ik zou graag met u willen praten over de mensen waar u vaker contact mee heeft
Met welke personen heeft u het meest (of dagelijks) contact (ontmoeting of telefoon)? [Naam]
Volgorde van opnoemen noteren
1. Met wie van deze mensen heeft u het meest contact?
Hoe vaak ziet u elkaar? Waar is dat meestal?
Hoe vaak belt u elkaar?
Heeft u nog op een andere manier contact met elkaar? SMS? E-mail?
2. Heeft u mensen in uw omgeving met wie u een praatje kunt maken?
3. Zijn er mensen in uw omgeving met wie u dezelfde interesses deelt en samen leuke dingen
mee kunt doen?
4. Bij wie kunt u terecht als u ergens mee zit/ ergens bang voor bent?
5. Zijn er nog mensen die erg belangrijk voor u zijn en die u nog niet genoemd heeft?
83
Ik zou u nu willen vragen om de personen die u net
genoemd heeft te plaatsen in uw persoonlijk
netwerk. In de binnenste cirkel plaatst u de
personen met wie u zich het meest verbonden voelt.
In de cirkel erna plaatst u de personen met wie u
zich wat minder verbonden voelt. En in de
buitenste cirkel plaatst u de personen met wie u
zich het minst verbonden voelt enz.
6. U hebt nu een indruk van de belangrijkste mensen in uw sociale netwerk.
Wat vindt u daar nu van?
Tevreden over het aantal contacten?
Tevreden over de waarde van de contacten?
Met wie zou u graag meer contact willen hebben?/ Van wie zou u graag wat meer
over zijn/haar leven willen weten?
Foto’s
1. Wat betekenen foto’s voor u?
2. Hoe wordt u nu op de hoogte gehouden over het leven van uw (klein)kinderen?
3. Als ze op vakantie gaan, krijgt u foto’s te zien? Hoe krijgt u de foto’s te zien?
Verbondenheid
Ik zou u graag wat vragen stellen over uw kinderen en kleinkinderen degenen die u ook echt
foto’s zullen sturen straks.
1. Bent u op de hoogte hoe het met [naam] gaat?
2. Bent u op de hoogte waar [naam] mee bezig is in het dagelijks leven
Zo ja: Hoe wordt u daarvan op de hoogte gehouden?
Zo nee: Zijn er bepaalde dingen die [naam] doet waar u graag van op de hoogte gehouden
zou willen worden? (Als oudere moeite heeft met iets bedenken, voorbeelden geven om op
gang te helpen: hoe het op school/werk gaat, hobbies, uistapjes met vrienden?)
3. Denkt u vaak aan [naam]?
4. Heeft u vaak het gevoel samen te zijn met [naam], ook als jullie niet samen zijn?
5. Heeft u het gevoel dat [naam] weleens aan u denkt?
En tot slot: Wat zijn uw verwachtingen van de communicatie via dit fotolijstje?
Dat was het. Bedankt voor uw tijd en medewerking. We komen over [een week?] weer bij u langs
samen met een [beheerder] om het fotolijstje te brengen en uit te leggen hoe het werkt. Heeft u
verder nog vragen of opmerkingen?
84
Protocol Eindmeting Oudere
Checklist: meenemen
1. Protocol 2x
2. Pen en papier
3. Camera + lader
4. Eventueel: Bruikleenovereenkomst
5. Eenzaamheidsvragen
6. 1 A1 poster met nabijheidscirkels
7. Persoonskaartjes
8. Printje oude situatie (nabijheidscirkels)
9. Stamboom
10. Kaartjes met woorden
11. Plaatjes
12. Bus lijm om de kaartjes op te plakken
13. Iets lekkers voor bij de koffie
Introductie
Dit is het laatste gesprek voor mijn onderzoek. Zoals u weet doe ik onderzoek naar de effecten van
het fotolijstje op de verbondenheid tussen u en uw familie. In het eerste gesprek met u hebben we u
een aantal vragen laten invullen over hoe eenzaam of hoe verbonden u zich voelt over het algemeen.
Deze vragen gaan we u nogmaals in laten vullen. U mag bij de vragen vertellen waarom u voor een
bepaald antwoord kiest als u vindt dat het uitleg behoeft. Verder had u toen ook kaartjes geplakt op
de nabijheidscirkels. Dat mag u zometeen weer doen. Ik zal dan kijken of er een verschil is tussen wat
u toen voelde en wat u nu voelt. Misschien is er dankzij het lijstje wel iets veranderd!
Ook zullen we het feedback-boekje doornemen dat ik de vorige keer heb achtergelaten. Dus dat is
een beetje in het kort wat ik wil doen vandaag. Maar laten we beginnen met een algemene vraag:
Hoe gaat het met de oudere
1. Hoe gaat het met u? Hoe gaat het met uw gezondheid? Hoe voelt u zich?
2. Hoe gaat het met uw familie?
3. En met het fotolijstje?
Laten we dan meteen met de vragenlijst beginnen.
Eenzaamheidsvragen
1. Ik ben blij met de vriendschappen die ik heb.
2. Ik heb mensen met wie ik leuke dingen kan doen.
3. Ik heb het gevoel dat ik bij een gemeenschap hoor.
4. In moeilijke tijden heb ik de steun die ik nodig heb van familie of vrienden.
4 Interviewprotocol Eind-meting oudere
85
5. Er is altijd wel iemand in mijn omgeving bij wie ik met mijn dagelijkse probleempjes terecht
kan.
6. Ik mis een echt goede vriend of vriendin.
7. Ik ervaar een leegte om mij heen.
8. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.
9. Ik mis gezelligheid om mij heen.
10. Ik vind mijn kring van kennissen te beperkt.
11. Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen
12. Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.
13. Ik mis mensen om mij heen.
14. Vaak voel ik me in de steek gelaten.
15. Wanneer ik daar behoefte aan heb, kan ik altijd bij mijn vrienden terecht.
Evaluatie
1. Wat vond u ervan om het fotolijstje in huis te hebben/ om via het fotolijstje te
communiceren met uw familie. Is het leven nou anders dan voorheen (ligt het aan het
lijstje?)?
2. Hoe is het gegaan sinds u het lijstje heeft (en de daaropvolgende weken)?
Plaatjes
Zoals u weet doe ik onderzoek naar verbondenheid. Dit begrip is heel moeilijk te omschrijven.
Daarom heb ik hier een aantal plaatjes.
3. Als u denkt aan uw gevoel van verbondenheid met uw familie, welk(e) plaatje(s) passen daar
het beste bij?
4. Hoe heeft u de afgelopen weken met het lijstje in huis ervaren?
a. ‘s ochtends wakker foto: hoe voelt u zich/geen foto: hoe voelt u zich?
b. Als u lange tijd geen foto ontvangt, hoe voelt u zich dan? (Wachten op een foto?)
5. Hoe voelt u zich als u een foto ontvangt? Maakt het ook uit wat er op de foto staat? Wat
doet u dan?
Gemoed, verwachtingen en uitkomsten
6. Heeft u zich de afgelopen tijd vaker verbonden gevoeld of juist vaker niet? (in de steek
gelaten)?
7. Heeft u nu meer contact met uw familie dan voordat u het lijstje had?
8. Heeft u foto’s gehad van dagelijkse zaken? Heeft u het gevoel dat u nu meer weet over het
dagelijks leven van uw familieleden?
9. Zijn er belangrijke gebeurtenissen geweest in uw familie? Hoe bent u daarover op de hoogte
gehouden/hoe hebben ze dat met u gedeeld?
10. Heeft u foto’s ontvangen over andere familiezaken? Bent u nu beter op de hoogte over wat
er gaande is in de familie?
11. Wat waren uw verwachtingen toen u meedeed met het project? Van wie, soort foto’s, hoe
vaak, hoeveelheid foto’s?
86
12. Is het anders gelopen dan verwacht? Waar zou dat aan kunnen liggen?
13. Zijn er nog dingen mis gegaan met het fotolijstje?
14. Hebben de opstartproblemen effect gehad op uw enthousiasme om mee te doen?
15. Hebben de opstartproblemen effect gehad op het enthousiasme van uw familieleden, denkt
u?
16. Wat verwacht u de rest van het jaar?
17. Wat vindt uw familie er van?
a. Vinden ze het moeilijk/lastig? Kost het hen veel moeite om foto’s te sturen?
Nabijheidscirkel
Feedbackboekje
Heeft u nog wat opgeschreven in het boekje dat ik had achtergelaten?
Zo niet: Wat zou u nog meer willen zeggen behalve “Leuk!” (fotolijstje erbij pakken)
Mooi
Lief
Waardevol
Grappig
Interessant
Gek
Typisch
Aah…
Herinnering
Nostalgie
Jammer
Vervelend
Wat een pech!
Yes!
Gefeliciteerd!
Dank je wel!
Geestig
Bedankt!
Wilt u het fotolijstje houden voor de rest van het jaar?
87
ABC-Q Selectie Familie:
1. Naam:
2. Leeftijd:
3. Naam oudere:
4. Wie bent u van de oudere?
5. Wat vindt u ervan dat u foto's kunt delen met de oudere?
Wat vond u van het project toen u er in eerste instantie van hoorde? Is uw mening
veranderd nu u inderdaad foto’s hebt gestuurd naar de oudere?
6. Wat denkt u dat de oudere ervan vindt om op deze manier contact te hebben?
7. Stuurt u meestal foto's via de familiewebsite of via de e-mail?
8. Vraag voor de beheerder: Hoe heeft u familieleden verteld over het project en hoe
verliep het aanmelden?
Was er voldoende animo? Sturen ze regenmatig foto's?
9. Wat voor soort foto's heeft u vooral gestuurd?
a. Foto's van alledaagse gebeurtenissen
b. Foto's van speciale gebeurtenissen
c. Foto's van vroeger
10. Wat voor soort foto's denkt u dat d oudere het leukst vindt om te ontvangen?
a. Foto's van alledaagse gebeurtenissen
b. Foto's van speciale gebeurtenissen
c. Foto's van vroeger
d. Maakt niet uit
11. Heeft u vooral foto's gestuurd via de e-mail of vooral via de website?
a. Vooral via de e-mail
b. Vooral via de website
c. Altijd via de e-mail
d. Altijd via de website
e. Beiden (ongeveer even veel)
12. Stuurt u meestal foto's vanaf uw computer, tablet of mobiele telefoon?
a. Meestal vanaf de computer
b. Meestal vanaf mijn tablet
c. Meestal vanaf mijn mobiele telefoon
13. Hoe vaak dacht u eraan om foto's te sturen?
Was u er nauwelijks mee bezig of dacht u er op een aantal momenten gedurende de
dag/week aan?
14. 14. Heeft u foto's gedeeld die u ook op facebook hebt gedeeld/zou delen met andere
familieleden/vrienden?
Zocht u foto's speciaal uit voor de oudere of maakte het niet zo veel uit wat u stuurde?
5 Enquˆete Familie
88
In hoeverre bent u het met de volgende stellingen eens? Beantwoorden op een schaal
van 1-7:
Helemaal
mee oneens
Mee
oneens
Een beetje
mee oneens
Niet mee oneens/niet
mee eens
Een beetje
mee eens
Mee
eens
Helemaal
mee eens
15. Ik voel me verplicht om foto's te sturen.
16. Nadat de oudere een foto heeft ontvangen denkt hij/zij nog langere tijd aan mij.
17. Ik vind het moeilijk om op deze manier af te leiden hoe het met de oudere gaat.
18. Ik vind dat andere manieren van communicatie (zoals bellen of langsgaan) te veel tijd in
beslag nemen.
19. Door de foto's is de oudere beter op de hoogte van belangrijke gebeurtenissen in mijn
leven.
20. De oudere voelt zich deel van een groep (familie) door het ontvangen van de foto's.
21. De oudere vind het moeilijk om met mij in contact te blijven via dit fotolijstje.
22. Ik doe mijn best om speciale foto's uit te kiezen om te sturen voor de oudere.
23. Als ik een foto stuur, verwacht ik een reactie.
24. Ik denk door de dag heen regelmatig aan het contactmoment met de oudere.
25. Dit medium helpt mij om in contact te blijven met de oudere.
26. De oudere is teleurgesteld als ik lange tijd geen foto's stuur.
27. Ik vind het moeilijk om ervaringen te delen met de oudere via dit fotolijstje.
28. Door het ontvangen van de foto's heeft de oudere een gevoel van eenheid in onze groep.
29. Door het ontvangen van mijn foto's kan de oudere zich met mij identificeren.
30. De oudere verwacht dat ik hem/haar regelmatig foto's stuur.
31. Ik doe mijn best om ervoor te zorgen dat de foto's die ik stuur leuk zijn voor de oudere
om te zien.
32. Vanwege de foto's weet de oudere hoe het met mij gaat.
33. Ik steek haast geen energie in het sturen van de foto's.
34. Door de foto's voelt de oudere zich betrokken bij mijn leven.
35. Na het sturen van een foto/na het ontvangen van het bericht dat de oudere mijn foto
leuk vindt denk ik nog langere tijd aan de oudere.
36. Ik vind het moeilijk om met de oudere in contact te blijven via dit fotolijstje.
37. Als ik een foto stuur vindt de oudere dat hij/zij moet reageren erop.
38. Belt de oudere u dan meestal op of gebruikt hij/zij meestal de ''vind-ik-leuk''-knop?
a. Belt op
b. Gebruikt de ''vind-ik-leuk''-knop
c. Geen van beiden
d. Anders
39. De foto's zorgen ervoor dat de oudere zich betrokken voelt bij wat er bij ons in de
groep/familie gebeurt.
40. Ik vind het belangrijk dat de foto's waardevol voelen voor de oudere.
41. Ik zou wat meer energie kunnen steken in het sturen van foto's naar de oudere.
42. Heeft u verder nog opmerkingen?
89
OPAh.08.a
HKA werkgroep ouderenzorg 2010
pagina 2 van 2
Ja!
Geheel mee eens
Ja
Min of meer
Nee
Nee!
Geheel mee oneens
Ernst
1 = matig
2 = ernstig
3 = zeer ernstig
1. Er is altijd wel iemand in mijn omgeving bij wie ik met mijn dagelijkse
probleempjes terecht kan
2. Ik mis een echt goede vriend of vriendin
3. Ik ervaar een leegte om mij heen
4. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen
5. Ik mis gezelligheid om mij heen
6. Ik vind mijn kring van kennissen te beperkt
7. Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen
8. Er zijn voldoende mensen met wie ik mij nauw verbonden voel
9. Ik mis mensen om me heen
10. Vaak voel ik me in de steek gelaten
11. Wanneer ik daar behoefte aan heb, kan ik altijd bij mijn vrienden terecht
6 Eenzaamheidsvragen
90
7 ABC Questionnaire
91
92
93
8 Plaatjes voor Verbondenheid
94
28-4-2014
2
http://www.radio2.be/sites/default/files/images/kleinkinderen.jpg
http://www.gezondheidsnet.nl/sites/gezondheidsnet/files/styles/gn_492x304/
public/afbeeldingen/Mensen/Oude_handen/Oude_handen_507x338.jpg?itok=6kfTxUaG
http://www.gettyimages.nl/detail/foto/
crowd-of-young-adults-taking-photos-of-man-with-mobile-stockfotos/200149274-001
http://www.gettyimages.nl/detail/foto/
man-waiting-for-rowing-in-the-distance-stockfotos/159402918
http://www.gettyimages.nl/detail/foto/
old-man-sitting-on-a-sofa-looking-out-window-stockfotos/169710980
http://www.gettyimages.nl/detail/foto/
elderly-man-using-computer-with-grandson-royalty-free-beeld/467305437
95
Toestemmingsformulier
DOEL VAN HET ONDERZOEK
Wij zullen onderzoeken of het gebruik van een digitaal fotolijstje de verbondenheid tussen
ouderen en hun (klein)kinderen vergroot.
TOESTEMMING
1. Ik heb het doel van het onderzoek begrepen, heb de kans gehad om vragen te
stellen en heb duidelijke antwoorden gehad op mijn vragen.
2. Ik begrijp dat mijn deelname volledig vrijwillig is en dat ik elk moment kan
aangeven dat ik met het onderzoek wil stoppen, zonder een reden aan te geven.
3. Ik ga ermee akkoord dat er video opnames gemaakt worden tijdens de
interviews mits deze uitsluitend gebruikt worden ter ondersteuning van het
onderzoek.
4. Ik begrijp dat alle informatie die ik tijdens het onderzoek bijdraag, vertrouwelijk
behandeld zal worden en niet voor doeleinden buiten dit onderzoek zal worden
gebruikt.
5. Ik neem deel aan het bovengenoemd onderzoek.
___________________________ ____________________ ____________________
Naam Datum Handtekening
9 Consent Form
96
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Conference Paper
Full-text available
Frequently family members are geographically separated for large parts of the day. This separation, allied to a busy schedule, can make it difficult to share daily experiences and maintain the feeling of connectedness. This paper describes an exploratory study to investigate family dynamics and the use of technology in families with primary school children. We interviewed five families about their daily communication and use of technology. We examined the use of thematic analysis, a method for qualitative data analysis used in social science, as a tool for systematically identifying and describing features of qualitative data and informing the design of new family technologies. The results of the investigation showed that the first 3 phases of the 6-phase thematic analysis approach were the most fruitful in yielding information about the families' use of technology and information at a level that could be of value for designing new communications technology. The use of the full 6 phases of the approach however, is more appropriate where it is required to produce a summary of the data in a form of a high level thematic map accompanied by the analytic narrative.
Article
Full-text available
Loneliness is an indicator of social well-being and pertains to the feeling of missing an intimate relationship (emotional loneliness) or missing a wider social network (social loneliness). The 11-item De Jong Gierveld scale has proved to be a valid and reliable measuring instrument for overall, emotional and social loneliness, although its length has sometimes rendered it difficult to use the scale in large surveys. In this study, we empirically tested a shortened version of the scale on data from two surveys (N = 9448). Confirmatory factor analyses confirmed the specification of two latent factors. Congruent validity and the relationship with determinants (partner status, health) proved to be optimal. The 6-item De Jong Gierveld scale is a reliable and valid measuring instrument for overall, emotional and social loneliness, which is suitable for large surveys. Tijdschr Gerontol Geriat 2008; 39: 4-15
Article
Full-text available
Abstract The emergence and proliferation of email, mobile communication devices, internet chatrooms, shared virtual environments, advanced tele-conferencing platforms and other telecommunication systems underline the importance ,of developing ,measurement ,methods ,that are sensitive to the human experience with these systems. In this paper, we discuss the concepts of social presence and connectedness as complementary notions, each relating to a different set of media properties that serve distinct communication,needs.
Article
Full-text available
This article presents an analysis of personal network visualization based on systematic evaluations of alter pairs compared to freestyle drawings respondents made of their personal network. In most cases, personal network visualization provided important details that are different from respondents' perceptions. Several case studies are discussed that highlight the additional data provided when using personal network visualization.
Article
Full-text available
Presents a hierarchical mapping technique using a diagram of concentric circles to represent the degree of closeness of members of the social support network. This method does not assume that particular family or social relationships automatically ensure network membership. The method provides a relatively unbiased account of social support. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)
Article
This paper describes an attempt to construct a measuring instrument for loneliness that meets the cri teria of a Rasch scale. Rasch (1960, 1966) proposed a latent trait model for the unidimensional scaling of di chotomous items that does not suffer from the inade quacies of classical approaches. The resulting Rasch scale of this study, which is based on data from 1,201 employed, disabled, and jobless adults, consists of five positive and six negative items. The positive items assess feelings of belongingness, whereas the negative items apply to three separate aspects of miss ing relationships. The techniques for testing the as sumptions underlying the Rasch model are compared with their counterparts from classical test theory, and the implications for the methodology of scale con struction are discussed.
Article
This investigation examined social connectedness as distinct from extraversion and as a mediation variable in the relationship between extraversion and subjective well-being. A college student sample (N=295) and a sample of individuals who identify as lesbian, gay, and bisexual (LGB; N=148) completed measures of extraversion, social connectedness, life satisfaction, and positive and negative affect. Factor analytic results suggest social connectedness is a unique construct from extraversion. Moreover, the relationship between extraversion and well-being was mediated by social connectedness.
Article
This article addresses how close relationships can be conceptualized so that they can be accurately understood over the life span. First, two typical clusters of theories of close relationships, the attachment theory and the social network theory, are compared and discussed with regard to their fundamental but con-troversial assumptions regarding the scope of lifelong development. Second, previous research into close relationships among mature adults is reviewed. Third, a new social network model, the affective relationships model, and its assessment instrument are proposed. This model describes the nature of indi-vidual close relationships consisting of multiple significant others, and con-denses the complexity of each social network by typological classifications. Fourth, new evidence based on the model is reviewed. Finally, fundamental as-sumptions about close relationships and emerging topics for future studies are discussed. Nowadays, most researchers will agree that, from the cradle to the grave, hu-mans need others not only for their survival but also for a flourishing life. To date, empirical studies have revealed that humans have close relationships with signifi-cant others, and most of these studies have focused on dyadic relationships, such as child-mother [e.g.