ArticlePDF Available

Freeze-fight-flightreacties bij plegers en slachtoffers van gewelddadige aanslagen

Authors:

Figures

No caption available
… 
No caption available
… 
No caption available
… 
No caption available
… 
No caption available
… 
Content may be subject to copyright.
Magazine
nationale veiligheid
en crisisbeheersing
jaargang 11 | nummer 4 | augustus 2013
Thema: Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Veilige wereld, veilig Nederland
Risico-regulering en agrobiotechnologie
Investeren in capaciteit psychosociale hulpverlening
Inhoud
Het Magazine nationale
veiligheid en crisisbeheersing
is een tweemaandelijkse
uitgave van de Nationaal
Coördinator Terrorisme-
bestrijding en Veiligheid
van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie.
Het blad informeert,
signaleert en biedt een
platform aan bestuurders
en professionals over
beleidsontwikkeling,
innovatie, uitvoering en
evaluatie ten aanzien van
nationale veiligheid en
crisisbeheersing.
De uitgever is het niet
noodzakelijkerwijs eens
met de inhoud van
gepubliceerde bijdragen.
De verantwoordelijkheid en
aansprakelijkheid voor de
inhoud van de artikelen berust
bij de auteurs.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20132
THEMA: CONTRATERRORISME - TUSSEN ALERTHEID EN WEERBAARHEID
03 | Wél alert, niet gealarmeerd (introductie Dick Schoof, NCTV)
04 | Terugkerende Syriëgangers (Edwin Bakker)
05 | Geweld van eenlingen: niet altijd te voorkomen, risico’s wel te verkleinen
08 | Freeze-ght-ightreacties plegers en slachtoers gewelddadige aanslagen
10 | Media en contraterrorisme (Jan van Dijk)
12 | Out of the box-denken in de CT-Infobox
16 | Lokale aanpak radicalisering en jihadgang
18 | Internationale terrorismebestrijding met Haagse roots
20 | Gijzelingen in de Sahel: booming business voor terroristen?
22 | Verwachtingenmanagement avant la lere
24 | Defensie tegen terrorisme
48 | Vier vragen aan: Alex P. Schmid, nestor Nederlands wetenschappelijk
terrorisme-onderzoek
OVERIGE ONDERWERPEN
27 | Comeback van de staat in een hybride, onzekere wereld
30 | Veilige wereld, veilig Nederland
32 | Nieuwe afspraken crisiscoördinatie op Europees niveau
34 | Agrobiotechnologie en de politiek van risico-regulering
36 | Investeren in capaciteit voor psychosociale hulpverlening
38 | Cybersecurity crisisanalyse: risicomanagement risico’s nog niet onderkend
40 | Evaluatieraamwerk voor crisisoefeningen
42 | Wees Alert Online : samenwerken aan veilige digitale wereld
42 | Wedstrijd SecureYourFuture
43 | Verspreiding natuurbranden dynamisch modelleren
44 | De staat van de netcentrische crisisbeheersing
46 | CBRN Security website & middag
Omslagfot0:
Bomaanslag tijdens marathon Boston
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 3
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Dick Schoof,
Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding en
Veiligheid
Wél alert,
niet gealarmeerd
Waarom “alert”? Omdat de ontwikkelingen
in binnen- en buitenland dat van ons
vragen. Én omdat de burger dat van ons
vraagt. Er zijn op dit moment opstanden
in diverse regio’s van Noord-Afrika en het
Midden-Oosten. Daarbij is in enkele landen
een moeizaam proces naar democratisering
op gang gebracht. In die landen maken niet
alleen democratisch gezinde organisaties,
maar ook jihadistische netwerken gebruik
van de ruimte om te groeien. In sommige
landen, zoals Egypte en Syrië, trekken deze
laatst genoemde organisaties ook jihadisten
uit Europa aan. We zien, ook in Nederland,
een toename van jihadreizigers én een
toenemende radicalisering op internet en
sociale media. En bij terugkeer naar
Nederland bestaat er een risico dat deze
jihadreizigers getraumatiseerd en geradi-
caliseerd zijn. Deze ontwikkelingen zijn
een belangrijke reden geweest om het
Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN)
begin dit jaar te verhogen van “beperkt”
naar “substantieel”.
Sinds ruim een jaar is er bij het rijk één organisatie voor terrorisme-
bestrijding, cybersecurity, nationale veiligheid en crisisbeheersing: de
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding & Veiligheid (NCTV).
Doel van de NCTV is om samen met onze partners maatschappelijke
ontwrichting te voorkomen en beperken. De vorm van ontwrichting die
in deze special van het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing
centraal staat is terrorisme. “Be alert, not alarmed”.
Dát moo van Engelse en Australische crisiscollega’s vat de Nederlandse
visie op terrorismebestrijding mooi samen: wél alert, niet gealarmeerd.
Daarnaast leest u in deze special meer over
“potentieel gewelddadige eenlingen”. Dat
kunnen individuen zijn die vanwege een
psychiatrische stoornis een risico vormen.
Denk daarbij aan Tristan van der V. (schiet-
incident Alphen aan den Rijn). Maar dat
kunnen ook personen zijn die vanuit
religieuze motieven een gevaar vormen
voor de openbare orde en veiligheid.
Bijvoorbeeld de recente moordaanslag op
een militair in Londen. Een lastig, want
soms ongrijpbaar en onzichtbaar risico.
Onlangs zijn de cijfers van de Risico- en
crisisbarometer gepubliceerd. Dit is een
halaarlijkse meting naar de veiligheids-
beleving van de Nederlandse bevolking. Uit
de laatste meting blijkt dat 58% van de
Nederlanders zich druk maakt over cyber-
aanvallen en dat de angst voor terrorisme is
gestegen (sinds november 2012) met 11%,
naar 49%.
Waarom “not alarmed”? Uit onderzoek
blijkt dat Nederlanders begrijpen dat we er
als overheid alles aan doen om een aanslag
te voorkomen, maar dat we het nooit 100%
kunnen uitsluiten. Daarom zijn we ook
transparant in ons dreigingsbeeld.
De uitreisbewegingen naar Syrië en andere
bovengenoemde ontwikkelingen maken
samenwerking noodzakelijker dan ooit. En
deze is intensiever dan ooit: internationaal,
op rijksniveau, tussen de diensten zoals
AIVD en MIVD. Samenwerking met vitale
sectoren zoals luchtvaart. Samenwerking
met de wetenschap. Tussen tussen rijk,
regio en gemeente. En last but not least
samenwerking met professionals van
politie, onderwijs, jeugd- en welzijnswerk.
Daarbij helpt de NCTV, naast expertise
en netwerk, met coördinatie. Het zit ten
sloe in onze naam. Één van de concrete
producten, die is ontstaan uit deze samen-
werking, is de “Toolbox extremisme,
radicalisering en Potentieel Gewelddadige
Eenlingen”. Hierin vindt u o.a. e-learning
modules over hoe mensen radicaliseren en
hoe daarmee om te gaan. Daarbij zullen we
altijd blijven kijken naar “proportionaliteit”.
Met andere woorden: terrorismebestrijding
binnen de randvoorwaarden die de recht-
staat ons gee.
Deze special biedt u een heel brede kijk in
de keuken van contraterrorisme: mensen
uit de praktijk én wetenschappers, van
burger tot militair, van lokaal tot inter-
nationaal, van strategie tot middelen. Voor
zover u het nog niet was, hoop ik dat u na
het lezen van deze special “alert, not
alarmed” bent.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
prof. dr. Edwin Bakker,
hoogleraar Terrorisme en
Contraterrorisme,
Universiteit Leiden
Syrië-gangers
Terugkerende
De meerderheid van de ‘teruggekeerden’
raakte in het verleden echter niet betrokken
bij terroristische activiteiten. Hopelijk
kunnen we dat later ook over de Syrië-
gangers zeggen. Dat betekent overigens niet
dat ze desondanks geen gevaar kunnen
vormen of problemen kunnen veroorzaken.
Zo zouden ze een rol kunnen spelen bij de
verdere verspreiding van radicaal gedachte-
goed en het faciliteren van nieuwe foreign
fighters die ook naar Syrië willen. Daarnaast
valt te denken aan problemen die veroor-
zaakt worden door opgelopen trauma’s in
de vorm van huiselijk geweld, agressief
gedrag of suïcidale neigingen. Benadrukt
dient echter te worden dat een deel van de
Syrië-gangers mogelijk vrij geruisloos in de
samenleving zal re-integreren. Een aantal
Het is moeilijk een goede inschaing te
maken. We weten niet hoeveel er zijn
vertrokken en hoeveel terug zullen komen,
maar dat een aantal terugkomt, is zeker. De
vraag is in welke staat, met welke ervaring,
en met welke ideeën en intenties? Het
zwartste scenario is een persoon die in
eigen land een aanslag gaat plegen, zoals
het geval was in Frankrijk waar Mohamed
Merah meerdere militairen en joodse
medeburgers doodde in en rond zijn
woonplaats Toulouse. Helaas is Merah niet
de enige die bij terugkeer een gevaar
vormde. Onder de verantwoordelijken voor
de aanslagen die sinds 9/11 in Europa
hebben plaatsgevonden was ongeveer 12
procent ooit in het buitenland geweest om
te trainen of te vechten.
onder hen zal zelfs gelouterd terugkeren en
mogelijk extra gemotiveerd zijn om iets van
hun leven te maken. Kortom, er is niet één
type ‘terugkeerder.
Dit vraagt om genuanceerd beleid waarbij
het zwartste scenario niet per se het
uitgangspunt zou moeten zijn. Sterker nog,
als dit wel de basis voor beleid vormt en alle
‘terugkeerders’ primair gezien worden als
potentiële terroristen loop je het risico
wantrouwen of vijandbeelden te versterken
en zo ongewild mee te werken aan een
selffulfilling prophecy. Daarnaast zijn er
diverse juridische barrières die een louter
repressieve benadering in de weg staan – zo
is een persoon die in Syrië aan de strijd
hee deelgenomen voor de wet niet per se
een crimineel, laat staan een terrorist.
Bovendien is de capaciteit van de overheid
beperkt en is het onmogelijk tientallen
‘terugkeerders’ permanent in de gaten te
houden. Een genuanceerd beleid is derhalve
om meerdere redenen noodzakelijk.
De grootste uitdaging voor een verantwoord
en genuanceerd beleid is het maken van de
juiste inschaing: wie vormt beslist geen
gevaar en wie zouden we liever niet meer
vrij in Nederland zien rondlopen? Een snelle
inschaing is gewenst; direct na terugkeer
of indien mogelijk zelfs daarvoor. Bepaald
dient te worden wat iemand in Syrië hee
gedaan en meegemaakt, en in welke staat zo
iemand terugkeert. Deze uitdaging vraagt
veel ogen en oren in de directe omgeving
van de terugkerende Syrië-gangers en een
netwerk van diverse partijen die samen een
juist inschaing kunnen maken, hulp
kunnen bieden of, indien nodig, snel en
hard in kunnen grijpen. Gelet op het feit dat
er inmiddels al een aantal personen is
teruggekeerd, is het te hopen dat hiervoor
snel de benodigde middelen en structuren
worden gevonden.
Het vertrek van Nederlandse jongeren om deel te nemen aan de strijd in
Syrië vormde begin dit jaar de aanleiding voor het verhogen van het Dreigings-
beeld Terrorisme Nederland. Het feit dat deze jongeren zich aansluiten bij
jihadistische organisaties en getraind en mogelijk geïndoctrineerd worden,
is iets dat de overheid en de politiek zorgen baart. Welke dreiging gaat er van
hen uit als ze terugkomen? Is er reden om de alarmbel te luiden of zal het wel
meevallen?
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20134
Martelaarsfoto van Mourad Massali, de eerste bekend geworden jihadist, die – aldus meldingen in de
media – sneuvelde in Syrië.
Joost van Elk en Joost van Rossum,
NCTV
niet altijd te voorkomen,
maar risico’s wel te verkleinen
Geweld van eenlingen:
rieën met elkaar gemeen hebben, is dat van de daden
een maatschappij-ontwrichtend effect kan uitgaan.
Definitie
Voor een goede aakening van het type eenling waar
we hier over spreken, hee de NCTV recent een definitie
ontwikkeld. Potentieel gewelddadige eenlingen zijn
personen die, zonder medewerking van anderen en vanuit een
persoonlijke krenking of grief, een dreiging vormen richting de
maatschappij of diens vertegenwoordigers, als gevolg van een
individueel doorlopen proces richting geweld.
De definitie onderscheidt drie criteria. Ten eerste staat
de motivatie van de eenling centraal. Het gaat hierbij
om personen die handelen op basis van een krenking of
grief die zij hebben tegen de maatschappij, de overheid
en/of diens vertegenwoordigers. Het gaat dus niet om
gewelddadige uitingen in bijvoorbeeld de relationele of
criminele sfeer. Er moet sprake zijn van een link naar de
maatschappelij als doelwit.
In de tweede plaats staat het maatschappelijke effect
van de daad centraal. Het effect van de daad moet
maatschappij-ontwrichtende elementen bevaen. Zo is
een individuele gewelddaad die niet expliciet is gericht
tegen de Nederlandse overheid of diens vertegenwoor-
digers, maar wel degelijk grote angst of onrust zaait
onder de Nederlandse bevolking, ook onderwerp van de
Rijksbrede aanpak. Te denken valt aan het schietinci-
dent in Alphen a/d Rijn op 9 april 2011. De aanpak van
dergelijke incidenten valt onder de noemer ‘handha-
ving van de sociale en politieke stabiliteit’.
Tot slot gaat het erom dat de ‘eenling’ een potentieel
veiligheidsrisico vormt, dan wel een concrete dreiging
vormt voor de (nationale) veiligheid en/of de vitale
belangen. Er moet dus sprake zijn van een (potentieel)
veiligheidsrisico.
In beleidsstukken, analyses en artikelen wordt een
veelheid aan terminologieën door elkaar gebuikt.
Geradicaliseerde eenlingen, ‘lone wolves’, verwarde
personen, ‘school shooters’, solistische dreigers,
gefixeerde eenlingen, het lijkt een bonte verzameling
van gevaarlijke individuen waarin nauwelijks enige lijn
is te onderscheiden. Toch is dit niet helemaal het geval.
Dit artikel beoogt onderscheid aan te brengen in de
verschillende gedaanten waarin de eenling zich kan
manifesteren, zijn motieven en de doelwien waar hij/
zij zich tegen richt.
Om ernstige gewelddaden van eenlingen tegen de samen-
leving te voorkomen, is het van belang een dergelijk
persoon zo vroeg mogelijk in het vizier te krijgen.
Daarna kan worden gekeken welke maatregelen er
eventueel worden getroffen. Allereerst is dus detectie
nodig in een zeer vroeg stadium, als er nog slechts
sprake is van een intentie en nog niet van een concreet
gevaar. We spreken dan ook over potentieel geweldda-
dige eenlingen (PGE). Mensen dus die de intentie en de
potentie hebben om over te gaan tot geweld.
Zoals gezegd, kunnen potentieel gewelddadige
eenlingen zich manifesteren in vele gedaanten: als een
zogenoemde ‘straaaaldreiger, als een verwarde of
gefixeerde eenling, als een zogenoemde ‘systeemhater
1
of als een ideologisch geradicaliseerde eenling.
Laatstgenoemde categorie valt onder de noemer
terrorisme.
2
Dat is niet vanzelfsprekend het geval voor
de eerste drie categorieën. Wat de drie laatste catego-
De laatste tijd staan gewelddadige eenlingen sterk in de belang-
stelling. Ze halen het nieuws door aanslagen, geweldsincidenten of
bedreigingen van burgemeesters en politici. Wie zijn die mensen
precies? Wat beweegt hen? En welke type gewelddadige eenlingen
zijn er allemaal?
1
Uit onderzoek blijkt dat het merendeel (zo’n 60%) van de bedreigingen aan het adres van politici en andere publieke personen
aomstig is van jongeren (vooral jongens) in de leeijd van 10-16 jaar. Deze zogenaamde straaaaldreigers uiten hun dreigementen
meestal via het internet, sociale media of straaaal. Het achterliggende motief is vaak frustratie of verveling. De jongeren die deze
dreigementen uiten zijn zich in de meeste gevallen niet bewust van het feit dat dreigen straaar is (art. 285 Wetboek van Strafrecht).
2
Geradicaliseerde eenlingen is één van de prioritaire thema’s in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015. Uit recente
dreigingsanalyses blijkt bovendien dat het risico dat van deze groep uitgaat (mede dankzij de ontwikkelingen in Noord-Afrika en het
Midden-Oosten) in de nabije toekomst kan toenemen.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 5
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Om de beleidsmatige aanpak rond dit onderwerp
vorm te geven, wordt er onderscheid gemaakt tussen
zogenoemde ‘gekende’ en ‘ongekende’ dreigers. Een
gekende dreiger is het type (gewelddadige) eenling dat
zijn grief of krenking al één of meerdere malen kenbaar
hee gemaakt, bijvoorbeeld door middel van het
schrijven van een brief, een bedreiging op internet of
het stellen van een symbolische daad.
3
Deze personen
hebben al de nodige aandacht van de daartoe bevoegde
instanties. Voor deze groep is een specifieke aanpak
vereist: het gaat om maatregelen die uiteenlopen van
confronterende gesprekken en zorgtrajecten, tot
inlichtingenvergaring en arrestaties.
Voor de andere groep (gewelddadige) eenlingen, de
ongekende dreigers, is een andere aanpak vereist, die
zich in eerste instantie richt op het detecteren van deze
personen. Ongekende dreigers zijn personen die hun
grief of krenking nooit eerder publiekelijk hebben
geuit. Deze groep is logischerwijs zeer moeilijke te
detecteren. De inspanningen om dit type dreigers in
beeld te krijgen, bestaan dan ook veelal uit het
vergroten van de ‘awareness’ bij personen in hun
directe omgeving. Daarbij gaat het om familieleden,
omwonenden en kennissen (dus: burgers in algemene
zin), maar vooral aan zogenoemde ‘eerstelijnsprofessio-
nals’: docenten, zorgverleners, welzijnswerkers,
wijkagenten etc. De aanname bij de laatste groep is dat
zij eerder dan andere professionals in aanraking zullen
komen met (potentieel) gewelddadige eenlingen en het
verhogen van de ‘awareness’ onder deze professionals
de moeite loont.
Onderstaand wordt dit schematisch weergegeven.
Aanpak
De aanpak van de overheid is erop gericht zoveel
mogelijk (potentieel) gewelddadige eenlingen van de
categorie ‘ongekend’ naar de categorie ‘gekend’ te
krijgen, onder andere door middel van verhoogde
‘awareness’ onder diverse groepen professionals. De
pijlen in het schema illustreren dit. Zodra een geweld-
dadige eenling eenmaal ‘gekend’ is, is het mogelijk om
concrete maatregelen te nemen indien hier, na analyse
en risicotaxatie, aanleiding toe is. Het verhogen van
‘awareness’ is dus een methode om de categorie
ongekende dreigers’ te verkleinen en de categorie
gekende dreigers’ te vergroten.
De beleidsmatige aanpak voor (potentieel) geweldda-
dige eenlingen bestaat uit vijf sporen, die voortkomen
uit de genoemde onderverdeling in categorieën PGE’s.
1. Awareness’-verhogende maatregelen gericht op de
groep ‘ongekende’ dreigers, zoals multidisciplinaire
trainingen onder eerstelijns professionals en het
bevorderen van structurele informatie-uitwisseling
tussen (overheids-)instanties.
2. Verdere professionalisering en validering van
risicotaxatie-instrumenten, zodat nog beter kan
worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van een
mogelijke PGE en welke individuele maatregelen
nodig zijn.
3. Individuele maatregelen gericht op de groep
gekende’ dreigers, zoals (confronterende) gesprek-
ken, individuele zorgtrajecten of gerichte
inlichtingenvergaring.
4. Het beperken van de toegang tot middelen waarmee
gewelddadige eenlingen (gekend of ongekend) hun
intenties kunnen omzeen in daden, zoals wapens,
munitie, explosieven of specifieke websites.
5. Het zorg dragen voor een effectieve opvolgingsstruc-
tuur voor meldingen die voortkomen uit de verhoog-
de ‘awareness’ onder personen in de directe omge-
ving, bijvoorbeeld door op structurele basis
informatie uit te wisselen tussen verschillende
disciplines op lokaal en nationaal niveau (zorg,
welzijn, onderwijs en veiligheid)
Geradicaliseerde eenlingen
De problematiek van geradicaliseerde eenlingen – een-
lingen die handelen vanuit een terroristisch oogmerk,
in het buitenland vaak ‘lone wolves’ genoemd – is de
afgelopen jaren ook internationaal prominent op de
agenda gekomen. Veel landen worstelen met de
operationalisering van dit relatief nieuwe veiligheids-
vraagstuk. Men beperkt zich vaak tot de categorie
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20136
3
Te denken valt aan de gooier van de waxinelichtjeshouder naar de Gouden Koets tijdens Prinsjesdag 2010, de Damschreeuwer die op
4 mei 2011 de Nationale Dodenherdenking verstoorde, of de verwarde man die op 3 september 2011 het podium beklom van een
concert waarbij koningin Beatrix aanwezig was.
Op 20 juni jl. organiseerde de NCTV een congres over
potentieel gewelddadige eenlingen, waarbij multidisci-
plinaire samenwerking (tussen zorg, politie, gemeenten
en andere partijen) een van de onderwerpen was.
Centraal stond de presentatie van een drietal onder-
zoeken dat in opdracht van de NCTV is verricht. Het
eerste onderzoek, van de Universiteit Tilburg, riche
zich op de talrijke risicotaxatiemodellen die wereldwijd
bestaan, met als doel het in Nederland gebruikte model
verder te perfectioneren. Het onderzoek beoogde de
bestaande risicotaxatiemodellen te beoordelen op
geschiktheid om de (potentiële) dreiging die uitgaat van
specifieke personen tijdig en juist in te schaen. Dit
biedt vervolgens een basis voor het type (geïntegreerde)
behandeling of aanpak dat iemand behoe. Het tweede
onderzoek van de Universiteit Leiden stelde het
verschijnsel ‘systeemhaat’ centraal, in relatie tot de
talrijke comploheorieën die op het internet rondgaan.
Dit onderzoek loopt momenteel nog en wordt naar
verwachting in 2014 afgerond. De basisvraag bij dit
onderzoek is of comploheorieën, verdachtmakingen
en bedreigingen aan het adres van de overheid en diens
vertegenwoordigers het vertrouwen in het bevoegd
gezag op de langere termijn uithollen en daarmee
wellicht een voedingsbodem vormen voor mogelijke
acties door gewelddadige eenlingen. Het derde onder-
zoek betrof een terreinverkenning in de neurobiologie
door onderzoekers van de Radboud Universiteit
Nijmegen (zie elders in dit blad). Dit onderzoek riche
zich op de samenhang tussen neurobiologische reacties
en stresssituaties, bijvoorbeeld een concrete bedreiging,
en voegde een nieuw (vierde) element toe aan de
klassieke onderverdeling ‘Freeze/Fight/Flight’: het
element ‘Focus’. Focus zou een uitgestelde Fight-reactie
zijn en mogelijk een indicatie van gewelddadig gedrag
in de toekomst. Omdat deze bevinding betrekkelijk
nieuw is, verdient het verdere verdieping in de vorm van
voortgezet wetenschappelijk onderzoek. Wat de drie
onderzoeken met elkaar gemeen hebben is dat ze verder
bijdragen aan het inzicht in de maatschappelijke en
psychologische processen die kunnen leiden tot
potentieel gewelddadig gedrag door eenlingen.
De aanwezige eerstelijnsprofessionals zagen in deze
onderzoeken diverse aanknopingspunten om de
mogelijkheden van tijdige detectie van potentieel
gewelddadige eenlingen te vergroten. Men was het
er overigens over eens dat realisme geboden is wat
betre de verwachtingen: het zal onmogelijk zijn om
potentieel gewelddadige eenlingen in alle gevallen
tijdig te onderkennen en te stoppen. Het congres
toonde aan dat wetenschap, beleid en uitvoering
nauw samenwerken om de risico’s op zijn minst te
verkleinen.
politiek-religieus geïnspireerde eenlingen, waarbij wel
onderscheid wordt gemaakt tussen zogenoemde ‘lone
operators’ (wel verbonden met en/of aangestuurd door
terroristische netwerken/organisaties) en ‘lone wolves’,
die uitsluitend ideologisch geïnspireerd worden maar
solistisch handelen. Andere landen, waaronder
Nederland, zijn bezig de aanpak te verbreden, zodat ook
gewelddadige eenlingen die een minder helder
ideologisch uitgekristalliseerd motief hebben, in het
vizier genomen kunnen worden. Tot slot gaan er steeds
meer stemmen op om de term ‘lone wolves’ zoveel
mogelijk te vermijden. Er zou een onbedoeld heroïsch,
en daarmee wellicht inspirerend, effect van uitgaan op
individuen die zich zelf in een radicaliseringsproces
bevinden.
Zorg, politie en wetenschap
Een element dat de laatste tijd sterk in de belangstelling
staat, is de samenwerking tussen geestelijke gezond-
heidszorg en de politie bij een tijdige aanpak/detectie
van potentieel gewelddadige eenlingen. Waar de zorg
eenlingen vooral benadert vanuit curatief oogpunt
(en de eigen veiligheid van de cliënt en diens directe
omgeving centraal stelt), doet de politie dat primair met
het oog op openbare orde en veiligheid. De ervaring
leert dat beide werelden veel van elkaar kunnen leren.
Er wordt momenteel veel geïnvesteerd in het tijdig
delen van informatie, op basis van wederzijds vertrou-
wen en toegevoegde waarde voor beide partijen. Dat
levert de eerste resultaten op.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 7
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
drs Inti A. Brazi,
Donders Institute
for Brain, Cognition
and Behaviour,
Pompestichting,
Nijmegen
drs Noemi Kwaks,
Onderwijsinstituut
voor psychologie en
kunstmatige intelli-
gentie, Radboud
Universiteit Nijmegen
dr Erik Bulten,
Pompestichting
prof. dr. Karin Roelofs,
Donders Institute
for Brain, Cognition
and Behaviour,
Pompestichting,
Nijmegen
Freeze-f ight-f lightreacties
bij plegers en slachtoers
van gewelddadige aanslagen
en slachtoffers van gewelddadige aanslagen in de
periode vóór, tijdens en na de aanslag. De vraag was ook
om het onderzoek sterk te richten op de aanslagen
gepleegd door de GGE.
Plegers van gewelddadige aanslagen
De aanslag die de GGE pleegt is een zeer ernstige vorm
van agressie. Bij het verklaren van agressief gedrag is
het belangrijk om een onderscheid te maken tussen
twee vormen van agressie. Ten eerste agressie die
automatisch optreedt als reactie op de omgeving. Dit
wordt ook wel reactieve agressie genoemd en een
tweede vorm waarbij agressie doelgericht en gepland
wordt ingezet (instrumentele agressie). In het rapport
wordt de rol van freeze-fight-flight reacties bij beide
vormen van agressie toegelicht. De resultaten van een
literatuurstudie geven aan dat de concepten freeze-
fight-flight genoeg houvast bieden voor het begrijpen
van reactief agressief gedrag. De GGE kenmerkt zich
echter niet door reactieve agressie maar door instru-
mentele agressie. De agressie wordt immers gericht en
gepland ingezet om een doel te bereiken. Het instru-
mentele agressieve gedrag van de GGE in de fase
voorafgaand aan de aanslag wordt niet voldoende
verklaard door de concepten freeze-fight-flight. Er is
weliswaar een sprake van ‘vechtgedrag’, maar dit
agressieve gedrag vertoont veel meer overeenkomsten
met instrumentele agressie dan met het (reactieve)
fightgedrag. Om het gedrag van de GGE te beschrijven
bleek het nodig een ander concept te introduceren,
genaamd focus. Focus duidt op een fase van doelgericht
plannen, rigiditeit en een verhoogde fixatie op een
Het is bekend dat bij blootstelling aan een bedreigende
situatie een serie neurale en hormonale mechanismen
geactiveerd wordt. Deze mechanismen maken het
mogelijk dat iemand kan vechten of te vluchten bij
dreiging van gevaar. Deze basale afweermechanismen
zijn voor een deel genetische bepaald, maar worden
ook door omgevingsfactoren beïnvloed. Eén van de
meest bekende afweermechanismen is de zogenaamde
fight-or-flightrespons, waarbij het organisme automa-
tisch dan wel gepland overgaat tot vechten of vluchten.
We weten inmiddels ook dat voorafgaand aan fight-or-
flight, er een reactie optreedt die bekend staat als de
freezereactie. Freeze wordt gekenmerkt door een
verlaagde hartslag en bewegingsloosheid. Tijdens deze
freezereactie is het individu erg opleend; er wordt een
inschaing van het risico gemaakt
1
.
Als er in deze processen iets niet goed gaat kan dat
leiden tot overmatige inzet van agressie of te heige
angstreacties. Hoewel freeze-fight-flightgedragingen de
belangrijkste defensieve reacties zijn bij zowel mensen
als dieren, is er toch weinig bekend over de rol van deze
reacties bij slachtoffers en daders van gewelddadige
aanslagen.
Volgens de NCTV zou het vergroten van de kennis over
de freeze-fight-or-flightrespons mogelijk aanknopings-
punten kunnen bieden voor het beleid ten aanzien van
ernstige geweldsaanslagen. Met dit doel hee het
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
(WODC) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een
literatuurstudie en een experimentele studie naar de
mogelijke rol van freeze-fight-flightreacties bij plegers
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 20138
De aanslag op het World Trade Center in New York en de verschillende gewelddadige aanslagen die daarop volgden,
hebben internationaal geleid tot een verhoogde bewustwording van de aanwezigheid van terroristische dreiging. Ook
het belang om de nationale veiligheid te waarborgen kreeg in de afgelopen jaren toegenomen aandacht. Hoewel men
in eerste instantie misschien geneigd is om de term ‘gewelddadige aanslag’ te koppelen aan grote organisaties and
extremistische groeperingen, zijn er afgelopen jaren ook aanslagen gepleegd door de zogenaamde gewelddadige
geradicaliseerde eenlingen (GGEs). Deze mensen maken geen deel (meer) uit van een groepering en voeren solistisch
aanslagen uit. Om beleid te kunnen maken voor terrorismebestrijding is er behoee aan inzicht in de eigenschappen
en het gedrag van deze GGEs, maar ook in die van slachtoers als reactie op een aanslag.
1
M.A. Hagenaars, J. Stins en K. Roelofs, ‘Aversive life events enhance human freezing responses’, in: Journal of Experimental Psychology:
General, 141 (2012) , 98-105.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 9
vastomlijnd doel. Focus wordt daarbij gefaciliteerd door
processen van isolatie en radicalisering die voorafgaan
aan de aanslag. Figuur 1 gee een schematische
samenvaing weer van de dynamische samenhang
tussen freeze-fight-flight-en-focusreacties.
Bij de GGE zou focus zich kunnen uiten door toenemen-
de radicalisering en sociale isolatie. Er ontstaat een
steeds sterkere en eenzijdige fixatie op het doel dat
wordt nagestreefd en het verkrijgen van steeds speci-
fiekere informatie over wat dat doel dichterbij brengt.
Er is daarom sprake van een sterke cognitieve controle.
Ze laten zicht niet afleiden van het doel. Natuurlijk
spelen psychiatrische problemen vaak ook een rol bij
GGEs, maar de psychiatrische stoornissen zijn dusdanig
divers dat ze onvoldoende verklaring bieden voor het
gedrag dat de GGE kenmerkt voorafgaand aan de
aanslag. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of het
concept focus meer houvast biedt. Zo zijn er nog geen
vragenlijsten ontwikkeld waarmee dit concept gemeten
zou kunnen worden. In dit onderzoek is wel een eerste
aanzet gegeven om het focus concept in een experimen-
tele seing meetbaar te maken. Het rapport beschrij
een onderzoek bij gewelddadige delinquenten die
relatief hoog scoren op instrumentele agressie dan wel
reactieve agressie. Bij de instrumentele agressiegroep
zagen we dat emoties veel minder invloed hadden op
doelgericht gedrag. Deze effecten waren met name
aanwezig bij gewelddadige delinquenten die hoge
scores hadden op instrumentele agressie in combinatie
met lage scores op angst. Deze eerste empirische
verkenning biedt een experimenteel model voor de
verhoogde focus en het doelgerichte gedrag die bij de
GGE een rol lijken te spelen.
Samengevat, de oorspronkelijke opdracht was om te
onderzoeken of de freeze-fight-or-flightrespons
aanknopingspunten zou kunnen bieden om op
onderdelen het gedrag van de GGE beter te begrijpen
en/of deze responsen relevant zouden kunnen zijn voor
het beleid ten aanzien van ernstige geweldsaanslagen.
Zoals uit het voorafgaande blijkt, is de kennis over
freeze-fight-or-flightrespons hiervoor nauwelijks
bruikbaar. Daarom is het focusconcept geïntroduceerd.
Slachtoffers van gewelddadige aanslagen
In het geval van slachtoffers bieden freeze-fight-flight-
en-focusgedragingen wel een verklaring voor gedrag
tijdens en na de aanslag. Bij slachtoffers van een aanslag
spelen freeze-fight-flightreacties een grote rol in alle
verschillende fasen (voor, tijdens en na de aanslag) van
de aanslag. Deze neigingen zijn reeds voor de aanslag
aanwezig en worden gevormd door een aantal factoren,
zoals het meemaken van eerdere traumatische
gebeurtenissen, maar ook neurobiologische en
persoonlijkheidskenmerken. Tijdens de aanslag spelen
freeze-fight-flightreacties een grote rol. Het organisme
kan reageren met freeze en later fight of flight, waarna
deze reacties elkaar af kunnen wisselen en langer of
korter kunnen duren, naar gelang de situatie. Na de
aanslag is er nog steeds sprake van freeze-fight-flight-
reacties, deels automatisch (als reactie op dingen die
aan de aanslag doen denken) en deels gecontroleerd
(met als doel de herinnering aan de aanslag te vermij-
den). Freeze-fight-flightresponsen zijn vaak functioneel.
Echter wanneer ze voortduren tot na de aanslag en
elkaar niet flexibel afwisselen, kunnen ze leiden tot
psychische problemen zoals posraumatische stress
stoornis. Het rapport doet aanbevelingen voor een
gezond herstel na een trauma, hetgeen bestaat uit een
balans tussen freeze-fight-flight aan de ene kant en
gecontroleerd toenaderings- of herstelgedrag aan de
andere kant.
Bij een relatief kleine groep slachtoffers, bij wie er geen
sprake is van een afwisseling van freeze-fight-flight-
gedrag en gecontroleerd herstelgedrag, lijken andere
processen een rol te spelen. Deze groep slachtoffers
toont gedrag dat overeenkomsten vertoont met
focusgedrag van de GGE: een fixatie op de aanslag met
een rigide perceptie van acute dreiging en geassocieerd
doelbewust eenzijdig gedrag. Ook dit gedrag staat
herstel in de weg
2
. Slachtoffers van een aanslag lijken
het best geholpen met steun in de verwerking van
eventuele trauma’s, met name als er sprake is van een
rigide fixatie op het trauma en een verhoogd vermij-
dingsgedrag. Daarmee bieden freeze-fight-flightreacties
handvaen voor het ontwikkelen van beleid voor
slachtofferbegeleiding.
Deze bijdrage is gebaseerd op het rapport ‘De rol van freeze-fight-
flightreacties bij plegers en slachtoffers van gewelddadige
aanslagen’, geschreven door I.A. Brazil, M. Hagenaars, V. Ly,
N. Kwaks, S. Jellema, M. Vries, R. Verkes, E. Bulten, K. von Borries
& K. Roelofs.
2
A. Ehlers en D.M. Clark, ‘A cognitive model of posraumatic stress disorder’, in: Behavior Research and Therapy, 38 (2000), 319–345.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
prof. J. van Dijk,
hoogleraar Communicatiewetenschap, Universiteit Twente
lid van de Commissie Cohen (Project X Haren)
Media
en contraterrorisme
In deze tijd waarin mediahypes steeds vaker voorkomen
en krachtiger worden draaien dit soort gebeurtenissen
steeds sneller uit op een hype. Deze wordt mede
geschapen door de mensen zelf met hun sociale media
en berichten op de mobiele telefoon. Media en hun
ontvangers zwepen elkaar op in een cross-media hype.
Filmpjes en geruchten uit sociale media en gemaakt of
verspreid via de mobiele telefoon worden al te snel
vertoond op TV. Sensatie en de angst niet als eerste te
rapporteren zijn daarbij de drijfveer. Zo hee het
filmpje met de Nigeriaanse terrorist in Londen die met
een druipende hakbijl in de hand de reden van zijn daad
mocht uitleggen (‘oog om oog, tand om tand i.v.m.
Afghanistan’) niet alleen een schokkend maar ook een
verkeerd effect gehad. Sommige Islamisten zagen hierin
de bevestiging van hun zaak. Wanneer massamedia
terroristen de kans geven hun zaak uit te leggen hebben
zij tezamen met de door media versterkte angst dubbel
succes. Het is een beproefde strategie van Al Qaida om
videoboodschappen naar de massamedia te sturen.
Een ander bekend negatief effect is de versteking van
stereotypen en vijandbeelden, tegenwoordig vooral ten
aanzien van moslims en de Islam. In Boston was een
Saoediër ook de eerste verdachte.
Positief is daarentegen veel aandacht voor het individu-
ele leed van onschuldige slachtoffers. Dit is de grootste
antireclame voor de terroristische daad. Hetzelfde geldt
voor aandacht voor alle tegengebaren zoals stille
marsen, kransen op straat, sterke toespraken van
bestuurders en alle tekenen van: dit zal ons niet klein
krijgen.
Massamedia: hoe ver kan de reportage gaan?
Terroristen zijn gericht op het verspreiden van angst
onder de bevolking. Ongewild zijn de massamedia
daarbij hun belangrijkste handlangers. Zij kunnen dat
niet helemaal voorkomen. Dit is hun grote dilemma.
Toch is er een wereld van verschil tussen een traditio-
neel massamedium als krant, radio en TV dat zo
nuchter, onderbouwd en terughoudend mogelijk
verslag probeert te doen van een terroristische aanslag
en een medium dat emotioneel, zonder voldoende
feitencontrole, met sensationele inhoud en zonder
enige terughoudendheid het nieuws meteen brengt als
het geproduceerd wordt. In het laatste geval is de kans
groot dat de angst onder de bevolking onnodig versterkt
wordt.
Wat kunnen de massamedia het beste doen? In de
eerste plaats moeten de massamedia oppassen als zij
live verslaggeving bieden onder het label Braking News .
Zij gaan dan al snel niet geverifieerde informatie
doorgeven. Bij de aanslag in Boston dit jaar maakten zij
aan de lopende band fouten met betrekking tot het
aantal doden en gewonden, een vermeende aanslag in
de JFK bibliotheek en de arrestatie van verdachten. Zij
versloegen ook direct de paniekreacties van de
autoriteiten zoals de sluiting van een vliegveld en een
deel van het luchtruim, zware controles in de metro
enzovoort. In Boston werd zo een ware oorlogstoestand
door de autoriteiten zelf gecreëerd die vermenigvuldigd
werd door de massamedia, hongerig naar elk nieuwtje
in hun live verslaggeving. Terwijl terughoudendheid en
dubbel controleren voor je het nieuws brengt juist het
devies zou moeten zijn.
Massamedia zijn ongewild de belangrijkste verspreiders van angst onder de bevolking bij terroristische aanslagen.
In plaats van zich te laten meevoeren in een maalstroom van geruchten zouden zij zich gereserveerder kunnen
opstellen. Ook de autoriteiten moeten zich niet gek laten maken door de vermeende mogelijkheden van de sociale
media bij contraterrorisme.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201310
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 11
Twijfelachtig zijn daarentegen de oproepen van
autoriteiten om via de massamedia mensen naar tips te
vragen en zelfs naar daders te laten zoeken zonder heel
specifieke opsporingsinformatie te geven. Via de sociale
media kan dit ontaarden in een soort heksenjachten.
Die passen al snel in de stereotype vijandbeelden. In
Boston werden aanvankelijk de verkeerde verdachten
aangegeven. Er kwamen honderdduizenden tips, foto’s
en filmpjes binnen die de politie niet of nauwelijks kon
verwerken. Ze hebben hen wel enigszins geholpen in dit
geval, maar het is steeds de vraag of eigen recherche-
werk niet sneller en doeltreffender is. De politie hee
nog niet de middelen om snel het kaf van het koren te
scheiden. Hiermee komen we bij de rol van de sociale
media in contraterrorisme.
Sociale media: een gemengde zegen
Sociale media spelen een steeds belangrijkere rol in de
crisiscommunicatie. Zij zijn hierbij een gemengde
zegen. Aan de ene kant kunnen zowel de bevolking als
de autoriteiten elkaar hiermee zeer snel en doeltreffend
informeren. Potentiële slachtoffers melden hun familie
en bekenden dat zij veilig zijn. Autoriteiten geven
actuele en betrouwbare informatie. Aan de andere kant
is de informatie in sociale media voor het overgrote deel
gehaast en onbetrouwbaar. Zij creëren een enorme
informatieoverdaad vol met speculatie, geruchten en
misinformatie. Op de dag van de aanslagen in Boston
en in Londen werden miljoenen Tweets en Facebook-
berichten gegenereerd. In Boston kwamen meteen tien
verschillende hashtags waarin de berichten verzameld
werden. In noodsituaties weet de bevolking onjuiste
geruchten meestal snel te corrigeren via sociale media,
maar in Boston was dit een onbegonnen zaak.
Tientallen geruchten werden tegelijkertijd verspreid
door zowel sociale als massamedia.
De politie van Boston deed zijn uiterste best misinfor-
matie te corrigeren via Twier. Zij deed op dit medium
ook twee keer een informatieverzoek aan de bevolking.
De eerste keer om filmpjes van het parcours vlak bij de
aanslag en de tweede keer om algemene tips van de
bevolking. Hierop kwamen 300.000 reacties. Het op
deze wijze inzeen van de bevolking bij de opsporing
vormt eveneens een tweesnijdend zwaard. Het kan de
gouden tip bevaen, maar het kan ook een volgende
lawine aan geruchten, heksenjachten en uitingen van
discriminatie in gang zeen. Autoriteiten moeten
beseffen dat zij geen enkele greep hebben op het
vervolg. Bij massamedia kan men nog min of meer
verantwoordelijke journalisten aanspreken, bij sociale
media is dat niet het geval. Het beste advies aan de
autoriteiten is dat zij zichzelf moeten blijven, op hun
eigen recherchewerk en routines vertrouwen en slechts
heel gericht om steun van de bevolking moeten vragen.
Opsporing Verzocht komt immers ook niet met
ongerichte vragen.
Dezelfde houding zouden de autoriteiten moeten
aannemen bij informatie contra terrorisme in de sociale
media. Het is zaak hier een baken van rust en betrouw-
baarheid te worden in de geruchtenstroom. Creëer
direct een hashtag op Twier en een Facebook pagina
en maak hier reclame voor. Geef op deze adressen alleen
de meest cruciale informatie die zoveel mogelijk gerust
stelt. Corrigeer feitelijk de belangrijkste onjuistheden.
Verwijs alleen naar betrouwbare websites met aanvul-
lende informatie. Ga niet in discussie. Verkondig exact
hetzelfde in de massamedia. Dit is de enige manier om
overeind te blijven in het cross-mediale geweld van de
golf van berichtgeving rond terroristische aanslagen.
Hans de Wit,
hoofd CT-Infobox
CT-Infobox:
Out of the box-denken in de
inlichtingen- en opsporingsinformatie kon dit
samenwerkingsverband niet optimaal functioneren.
Om deze problemen op te lossen ontstond de idee voor
een CT-Infobox, dat op 1 juli 2004 werd gehuisvest bij de
AIVD. Al snel sloten de Immigratie- en Naturalisatie-
dienst (IND), de Militaire Inlichtingen- en Veiligheids-
dienst (MIVD) – en in latere instantie ook de Fiscale
Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de Konin-
klijke Marechaussee, Financial Intelligence Unit (FIU)
en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
– zich hierbij aan.
De CT-Infobox valt onder het regime van de Wet op de
Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2002. Deze
noodzakelijk ‘ophanging’ aan de WIV leverde in het
begin spanning op; de partners ervoeren de positie
van de AIVD te zeer als leidend. De CT-Infobox moest
immers een praktische samenwerking zijn op voet
van gelijkwaardigheid en onder erkenning van
ieders bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De
Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten (CTIVD)
4
was van mening dat er
een adequate weelijke basis moest komen, met
gelijkwaardigheid van de partners. Die basis komt er
binnenkort, in de vorm van een Algemene Maatregel
van Bestuur (AMvB). Daarin is de gelijkwaardigheid
vastgelegd van de deelnemende partijen in het
Coördinerend Beraad, het sturingsorgaan van de
CT-Infobox. Deze AMvB treedt naar alle waarschijnlijk-
heid in 2016 in werking. De AMvB kan worden
beschouwd als de formele bevestiging van een reeds
bestaande situatie.
De CT-Infobox hee zich inmiddels in goede harmonie
ontwikkeld tot een praktisch en gelijkwaardig samen-
werkingsverband. Die gelijkwaardigheid is een nood-
zakelijke voorwaarde voor succesvol samenwerken
tussen diensten, evenals het hebben van één gezamen-
lijk doel, het elkaar vertrouwen en het willen en durven
delen van informatie.
5
Inleiding
Door de aanslagen in 2001 en 2004 kwam de bestrijding
van terrorisme in Nederland hoog op de politieke
agenda te staan. Er werd fors geïnvesteerd, hetgeen
leidde tot een breed scala aan anti-terrorismemaat-
regelen. Een van die maatregelen was de oprichting
van de Contra-Terrorisme-Informatiebox, kortweg de
CT-Infobox
1
.
De laatste jaren is de aandacht van politiek, bestuur en
samenleving voor radicalisering afgenomen,
2
ondanks
het gegeven dat Nederland in de ogen van jihadisten
nog steeds een legitiem doelwit is, een land waarin
moslims worden gediscrimineerd en hun geloof
geregeld wordt beledigd. Afgelopen periode kwam de
terrorismebestrijding en dus ook de CT-Infobox weer in
een “hernieuwde” belangstelling te staan. Oorzaak: de
toenemende signalen in de afgelopen periode van
radicalisering van jongeren in Nederland, de “Arabische
opstanden” en de jihadgang naar landen in Afrika en
het Midden-Oosten, met name naar Syrië. Met het oog
op de veiligheidsrisico’s voor Nederland moest de
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veilig-
heid (NCTV) daarom op 13 maart 2013 het dreigings-
niveau verhogen van beperkt naar substantieel.
3
Achtergrond
Na de aanslagen in Madrid in maart 2004 kondigde
het kabinet aan dat personen die op enigerlei wijze in
verband konden worden gebracht met terroristische
activiteiten of ondersteuning daarvan, met een
verhoogde inzet in het oog dienden te worden
gehouden. Dit voornemen leidde begin april 2004 tot
de oprichting van een zogeheten Analytische Cel. Het
betrof hier een bij het (toen nog) Korps Landelijke
Politiediensten (KLPD) ondergebracht samenwerkings-
verband van het Openbaar Ministerie (OM), de politie
en de Algemene Inlichtingen- en veiligheidsdienst
(AIVD). Door de weelijke bepaalde scheiding van
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201312
1
Een samenwerkingsverband van de AIVD, Nationale Politie, IND, MIVD, FIOD, Kmar, FIU, Inspectie SZW, NCTV en OM.
2
Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 32, maart 2013.
3
De verhoging betekent dat de NCTV de kans op een aanslag in Nederland reëel acht.
4
De commissie die erop toe ziet dat de CT-Infobox zijn taken rechtmatig uitvoert.
5
Zie ook het evaluatieonderzoek Projectgroep Emergo (Gezamenlijke aanpak zware/georganiseerde criminaliteit in hart Amsterdam
2011) – Nodal Governance –.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 13
Werkwijze en meerwaarde
De CT-Infobox is een uniek samenwerkingsverband
van partners. Het is de enige plaats in Nederland waar
target-gerelateerde informatie over terrorisme en
expertise vanuit de verschillende organisaties bij elkaar
komt. De kracht van de Box is dat zij rechtstreeks
toegang hee tot een zeer groot aantal bestanden,
waaronder alle relevante registraties van de aangesloten
partners. Bovendien zijn de experts van de samenwer-
kende partijen bij elkaar gehuisvest, zodat optimaal
gebruik kan worden gemaakt van informatie, kennis/
expertise en bevoegdheden.
De CT Infobox werkt altijd persoonsgericht en naar
aanleiding van één of meer risicopersonen die door een
van de deelnemende organisaties is ingebracht. De
CT-Infobox doet geen zelfstandige onderzoeken en
gebruikt geen bijzondere inlichtingenmiddelen of
opsporingsbevoegdheden. Na aanmelding door een
partnerdienst bij de CT-Infobox van een persoon die te
relateren is aan terrorisme, wordt alle informatie over
betrokkene bijeengebracht vanuit de veelheid aan
beschikbare systemen van de samenwerkende partners.
De aangetroffen informatie wordt opgeslagen in een
gesloten database, die uitsluitend toegankelijk is voor
medewerkers van de CT-Infobox. Soms hebben
verschillende partners een stukje informatie waar zij
hun bedenkingen bij hebben, waardoor zij het moeilijk
kunnen taxeren en duiden. Met stukjes informatie van
andere partners daarbij opgeteld, kan de beschikbare
informatie wel net genoeg zijn om een signaal of zelfs
dreiging te onderkennen. Onderlinge, tot dan toe
verborgen verbanden worden op die manier zichtbaar.
Ook wordt duidelijk welke informatie van belang is voor
een specifieke organisatie.
Output/Advisering
Ten behoeve van advisering vindt vervolgens – op basis
van de aanwezige multidisciplinaire expertise – een
analyse van de informatie plaats. Verschillende
specialisten in de CT Infobox kijken daarbij naar de
mogelijkheden vanuit verschillende perspectieven
om de risico’s die uitgaan van de betreffende persoon
te verkleinen of weg te nemen: inlichtingenmatig,
vreemdelingrechtelijk, strafrechtelijk, fiscaalrechtelijk
en/of bestuurlijk. Met deze aanpak wordt het mogelijk
om tot afgewogen adviezen te komen aan de deel-
nemende organisaties, vaak over een vervolgaanpak.
De CT-Infobox brengt twee soorten adviezen uit aan de
samenwerkingspartners.
- Verstrekkingsadvies
Als een organisatie over informatie blijkt te
beschikken die voor één van de andere organisaties
van belang kan zijn, adviseert de CT-Infobox deze
gegevens uit te wisselen met één of meer organisaties
op basis van de daarvoor geldende regels.
- Aenderingsadvies
Dit advies is gericht op een mogelijke aanpak,
specifiek toegesneden op de aard van de betrokken
organisatie. Hierbij gaat het om adviezen voor het
starten van een onderzoek: inlichtingenmatig,
opsporingsmatig, financieel-informatief en/of
vreemdelingrechtelijk. Bij vreemdelingrechtelijke
advisering gaat het bijvoorbeeld om een advies om
een verblijfsvergunning te weigeren, in te trekken
of niet te verlengen, het ongewenst verklaren en
het weigeren, dan wel intrekken van het Neder-
landerschap zodat in een vroeg stadium plannen van
terroristen verstoord en misschien zelfs voorkomen
kan worden.
Ook in het kader van vroegtijdig ingrijpen en voorko-
men adviseert de CT-Infobox over een persoonsgerichte
aanpak aan de NCTV. Deze aanpak was in het verleden
uitsluitend gericht op het verstoren door bijvoorbeeld
het opvallend in de gaten houden van een persoon.
Doel daarbij is dat het voor betrokkene en zijn omge-
ving duidelijk wordt dat hij overheidsaandacht geniet,
waardoor hij belemmerd of op z’n minst geremd word
om zich in te laten met terrorismegerelateerde zaken.
6
Tegenwoordig is dit advies niet beperkt tot het voor de
voeten lopen van een persoon van wie een (terroristi-
sche) dreiging uitgaat. Ook een benadering vanuit
sociaal, maatschappelijk en/of psychologisch perspec-
tief, bedoeld om deradicalisering van zo’n persoon te
bevorderen, behoort thans tot de mogelijkheden.
Gedacht kan worden aan aandacht voor zaken als
scholing, huisvesting, werk en eventueel (geestelijke)
zorg. Deze aanpak is maatwerk en kent als uitgangspunt
dat de bewuste persoon zo snel mogelijk een regulier
leven kan opbouwen.
6
Door (rechts)wetenschappers ook wel aangeduid als ‘bestuurlijk pesten’.
Bloemenhulde voor slachtoffers bomaanslag Boston marathon
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
speelt bij contraterrorismemaatregelen tegen indivi-
duen. Door samenwerking en informatie-uitwisseling
tussen de betrokken partijen kan gericht worden over-
gegaan tot vroegtijdig verstoren, het bevriezen van
tegoeden, gericht optreden door politie of bijzon-
dere(bijstands)eenheden, of andersoortige risico-
reducerende maatregelen.
De evaluatiecommissie stelt tevens dat de totstand-
koming van de CT-Infobox een goed voorbeeld is van
hoe binnen de veiligheidsketen een informatieknoop-
punt kan worden opgezet. Zeker nu op meerdere
plaatsen binnen de veiligheidsketen wordt nagedacht
en geëxperimenteerd met het opzeen van dergelijke
knooppunten, verdient het aanbeveling om de
ervaringen van de CT-Infobox hierin mee te nemen.
10
Kernboodschap van de uiteindelijke evaluatie in 2011 is
dat het Nederlandse antiterrorismebeleid degelijk en
deugdelijk genoemd mag worden, maar niet in beton is
gegoten. De aanpak van terrorisme in Nederland past
zich aan op basis van de ontwikkeling van het feno-
meen, lessen uit de praktijk, rechtelijke toetsing en
kritieken uit de maatschappij. Ook de CT-Infobox
beweegt uiteraard mee met de maatschappelijke
ontwikkelingen.
Ontwikkelingen en toekomst
Uit de Nationale contraterrorismestrategie blijkt verder
dat Nederland als open samenleving kwetsbaar blij
voor alle mondiale ontwikkelingen die een relatie
hebben met terrorisme. In jihadistische kringen geldt
Nederland nog steeds als een legitiem doelwit. Tot voor
kort riche de CT Infobox zich dan ook met name op
het jihadisme en het maken van degelijke zeer uitge-
breide analyses. De Box hee inmiddels terrorisme in de
breedte als aandachtspunt. Maar ook kan de CT-Infobox
op verzoek van één van de partners worden ingezet bij
incidenten of calamiteiten. Binnen enkele uren
adviseert zij dan op basis waarvan de aanvrager kan
besluiten tot de juiste aanpak of inzet.
Volgens de Nationale contraterrorismestrategie
2011-2015 zien we ook ontwikkelingen in binnen- en
buitenland die extra aandacht rechtvaardigen voor de
aanpak van geradicaliseerde eenlingen, in de media ook
wel ‘lone wolves’ genoemd.
11
Niet altijd is duidelijk of de
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201314
Bij haar advisering hee de CT-Infobox in de afgelopen
periode een efficiencyslag gemaakt door verdere
standaardisatie, verkorting van het analysetraject en
investeringen in ICT waaronder het via een zoekschil
ontsluiten van informatie van verschillende partners,
waardoor het zoeken wordt vereenvoudigd en het
analyseren een stuk sneller kan worden uitgevoerd.
Effecten en evaluaties CT Infobox
De CT Infobox hee in de afgelopen negen jaar
honderden adviezen uitgebracht. Verreweg de meeste
adviezen worden opgevolgd. De meest tastbare
successen liggen in de vreemdelingrechtelijke aanpak
van personen. Het feit dat medewerkers van verschil-
lende diensten gezamenlijk, multidisciplinair onder-
zoek doen, vormt volgens de partners op zich al een
belangrijke meerwaarde. Gebruikmaken van elkaars
kennis, expertise, informatie en bevoegdheden – uiter-
aard met inachtneming van de voor die instantie
geldende weelijke bepalingen – bevordert de
professionaliteit en de samenwerking op CT-gebied.
Uit rapportages over het functioneren van de
CT-Infobox komt een overwegend positief beeld over
het samenwerkingsverband naar voren. Zo stelde de
Commissie van Toezicht betreffende Inlichtingen- en
Veiligheidsdiensten (CTIVD) in 2007 dat ‘…de CT-Infobox
van nut is voor het onderzoeksterrein islamistisch
terrorisme/radicalisme, waarop verschillende diensten
actief zijn, waardoor er voor de noodzakelijke afstem-
ming moet worden gezorgd’. De CT-Infobox voorziet
volgens de CTIVD in deze afstemming.
Alle maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen
in het kader van de terrorismebestrijding zijn in
opdracht van de Tweede Kamer in onderlinge samen-
hang geëvalueerd op basis van het rapport van de
commissie Suyver.
7
De CT-Infobox is in deze evaluatie
meegenomen.
8
De Commissie Suyver constateert dat de
CT-Infobox een belangrijk en nuig instrument is in de
samenwerking tussen de verschillende spelers op het
veld. De Commissie hee de indruk dat in de praktijk
veel afstemmingsproblemen worden voorkomen, juist
door het operationeel zijn van de CT-Infobox.
9
In de Nationale contraterrorismestrategie 2011-2015,
opgesteld onder leiding van de NCTV, wordt aangegeven
dat de CT-Infobox in Nederland een belangrijke rol
7
Ingesteld n.a.v. de motie van Kamerlid Pechtold om na te gaan hoe de antiterrorismemaatregelen het beste kunnen worden
geëvalueerd.
8
Rapport Antiterrorismemaatregelen in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw (januari 2011), Ministerie van Justitie en
Veiligheid, publicatie-nr. 04126-6359.
9
Rapport Commissie evaluatie antiterrorismebeleid “Naar een integrale evaluatie van antiterrorismemaatregelen” (mei 2009)
publicatie-nr. ibis-13174.
10
Rapport Antiterrorismemaatregelen in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw.
11
Olslo/Utoya, Karst T.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 15
aanvaller handelt of handelde uit ideologische
motieven, of dat het gaat om iemand die verward is of
andersoortige motieven hee. Alleen waar het gaat om
ideologische motieven is er een rol weggelegd voor de
CT Infobox. De zogenoemde “verwarden” vallen binnen
het project “solistische dreigers” van de Nationale
Politie. Niemand wordt als terrorist geboren. Voordat
iemand besluit een terroristische aanslag te plegen,
ondergaat hij of zij een radicaliseringsproces waarbij
onderweg meestal bepaalde ‘signalen’ tot uiting komen.
Vanuit dit standpunt zou het mogelijk zijn om preven-
tief op te treden, op voorwaarde dat die signalen tijdig
worden gedetecteerd. Het signaleren en vastleggen van
informatie waardoor vroegtijdige detectie mogelijk is, is
essentieel, maar tegelijk zeer moeilijk. Volgens de
strategienota dient de CT-Infobox juist een belangrijke
rol te spelen bij het initiëren van maatregelen tegen
individuen. In de CT-Infobox komt informatie samen
van alle samenwerkende instanties met betrekking tot
terrorisme en daaraan te relateren radicalisering.
Daardoor kan in de Box een weloverwogen afweging
gemaakt worden in de verschillende mogelijkheden om
tegen een (potentiële) terrorist op te treden.
Een ontwikkeling die anno 2013 een rol speelt zijn de
opstanden in Afrika en het Midden-Oosten (aanvanke-
lijk optimistisch aangeduid als de Arabische Lente) en
daarbij vooral de Nederlandse jihadgangers naar dit
gebied. Uitreizigers kunnen in gebieden waar zij actief
zijn westerse belangen schaden. Zij kunnen expertise en
strijdervaring opdoen. Na terugkeer kunnen zij anderen
inspireren tot radicalisering en jihadgang. Hoewel zeker
niet alle terugkeerders voor dreiging zorgen, moet
rekening worden gehouden met enkelingen die zeer
radicaal, getraumatiseerd en in hoge mate gewelds-
bereid terugkomen. De aanpak van de problematiek van
uitreizigers en terugkeerders is niet voorbehouden aan
een of enkele overheidsinstanties. Intensieve samen-
werking en gegevensuitwisseling tussen opsporings-,
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, nationaal en
internationaal is een absolute noodzaak. De CT-Infobox
hee hier een rol in. In de Box brengen alle deelnemen-
de partners informatie over risicopersonen samen, om
zo de meest effectieve interventiemogelijkheid te
benuen.
12
Het verder optimaliseren van de aanpak van de
CT-Infobox hee volgens de strategienota van de NCTV
de komende jaren prioriteit. Hierbij zal dan niet alleen
gekeken moeten worden naar het verder ontsluiten van
de informatiesystemen van de betrokken partijen,
teneinde vereenvoudigd zoeken en snellere analyses
mogelijk te maken. Wat betre de CT Infobox kan men
ook denken aan snellere producten, zoals advisering
over eventuele verstoringsmaatregelen bij geplande
uitreizen naar strijdgebieden en advisering over
persoonsgerichte aanpak bij terugkeerders. Daarnaast
zou gedacht kunnen worden aan enige betrokkenheid
van de CT-Infobox bij de ontwikkeling van een
Passenger Information Unit in het licht van reisbewe-
gingen en grensbewaking.
Tot slot
- Gezien vanuit het theoretisch perspectief en de
praktijk, blijkt dat een samenwerkingsverband zoals
de CT-Infobox een succes kan zijn.
Randvoorwaardelijk is wel het hebben en het
daadwerkelijk dragen van een gezamenlijk doel,
samenwerken in vertrouwen, informatie willen delen
en een juridische basis. Daarnaast het hebben van
specialisten vanuit de verschillende organisaties en
informatie op één locatie.
- Kijkend naar de vele adviezen en de opvolging
daarvan blijkt ook de CT-Infobox inhoudelijk zijn
meerwaarde te hebben.
- Ondanks de positieve evaluaties zal de CT-Infobox in
ontwikkeling moeten blijven. Er zal geïnvesteerd
dienen te worden in het doorontwikkelen van de
hiervoor benodigde informatiehuishouding, onder
meer door het stimuleren van het vastleggen van
signalen’, het ontsluiten van relevante bronnen en
data-analyse.
Kijkend naar de recente ontwikkeling op het vlak van
radicalisering, de vele jihadgangers en de aanslag in
Boston is de CT-Infobox niet meer weg te denken.
Zoals voormalig minister Remkes op 18 maart 2005 in de
Tweede Kamer zei:
“De bestrijding van terrorisme vergt de inzet van meerdere partijen
en samenwerking daartussen. Geen enkele partij hee daar het
alleenrecht op. Integendeel. Intensieve samenwerking en
gegevensuitwisseling – binnen de weelijke kaders die daarvoor
gelden – zijn absoluut noodzakelijk voor een effectieve aanpak van
terrorisme. Het is vanuit deze gedachte dat de CT Infobox tot stand
is gekomen.
12
Brief minister Opstelten aan Tweede Kamer d.d. 13 maart 2013.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Nationaal
Coördinator
Terrorismebestrijding
en Veiligheid
Lokale aanpak radicalisering
en jihadgang
waren tot nu toe daarin succesvol. ‘Jihadgang’ is dan
ook niet nieuw. Het aantal geslaagde reizen is dat wel.
Deze Nederlandse jongens gaan weg als amateurs, maar
kunnen terugkomen als professionals en dat baart
veiligheidsdiensten grote zorgen. Mede daardoor is het
dreigingsniveau in maart jongstleden verhoogd. Hoe we
de risico’s van uitreizigers en terugkeerders willen
ondervangen is uiteengezet in de beleidsbrief van de
Minister van Veiligheid en Justitie die het Dreigings-
beeld Terrorisme Nederland (DTN32) begeleidde. De
vele diensten die zich met terrorismebestrijding
bezighouden hebben hun inzet geïntensiveerd. Denk
aan inlichtingenwerk, opsporing, vervolging, vreemde-
lingrechtelijke maatregelen alsook in grensbewaking
en beveiliging. Maar er is ook hernieuwde aandacht
voor de lokale bestuurlijke aanpak van jihadistische
radicalisering, want niet iedereen die door het
mondiaal jihadisme is geïnspireerd kan op bovenstaan-
de manier worden aangepakt. De vraag die terrorisme-
bestrijders bezighoudt, is hoe we de risico’s die van deze
individuen uitgaan zoveel mogelijk kunnen inperken
(en daarmee aanslagen en jihadistische aanwas kunnen
voorkomen). In essentie is de (lokale) aanpak van
jihadistische radicalisering in het algemeen en jihad-
gang van en naar Syrië in het bijzonder onder te
verdelen in: preventie, detectie en interventie.
Preventie
Het voorkomen dat personen zich onderdeel gaan
voelen van de jihadistische beweging (oewel:
radicalisering) is een zeer complexe onderneming,
kent vele faceen die niet alleen op lokaal niveau te
adresseren zijn én het is maar de vraag of individuele –
vaak digitale – religieuze zoektochten vanuit de
overheid ‘te voorkomen zijn’. Het is intussen duidelijk
dat er geen uniek sociaal, etnisch, of psychologisch
profiel bestaat van personen die radicaliseren. Er is geen
directe link te leggen met socio-economische, pedago-
gische of onderwijskundige achterstelling. De reden
waarom iemand overtuigd raakt en zich inlaat met de
jihadistische beweging hangt sterk af van de persoon-
De reden dat Nederlandse jongeren die naar Syrië zijn
vertrokken zich bij dergelijke strijdgroepen willen
aansluiten, en niet bij de door de internationale
gemeenschap gesteunde Syrische oppositie, is dat ook
zij zichzelf als onderdeel zien van de mondiale jihadisti-
sche beweging (waarvan Al Qaida de meest bekende
uiting is). Sommige jongens (en soms ook meisjes)
begeven zich al jaren in deze ideologische kringen,
anderen slechts enkele weken voor vertrek. Personen in
deze beweging beschouwen zichzelf als de enige ware
gelovigen, die een individuele verplichting hebben de
islam te verdedigen tegen een wereldwijd front van
islamvijandige afvallige leiders, verraders, sjiieten,
Amerikanen, Joden en al hun bondgenoten. De
verplichting kan volgens hen ingevuld worden door
prediking, vorming en opvoeding, maar zich voegen
bij (en sneuvelen in) de gewapende strijd in oorlogs-
gebieden is voor hen het meest nastrevenswaardige.
Voor de dreigingsinschaing is een aantal dingen
complex: het is niet altijd gemakkelijk te onderkennen
wie zich onderdeel vindt van deze beweging, bovendien
is niet altijd duidelijk wie geweld legitimeert en wie
daadwerkelijk geweldsbereid is. Daarbij komt dan ook
nog dat hun definitie van het door hen verklaarde
oorlogsgebied erg ruim kan zijn. Het front kan zich
zomaar in Boston, Woolwich, Timboektoe, Aleppo of
Amsterdam bevinden, en is aankelijk van de inge-
schae waarde die een geweldsdaad zou hebben voor de
jihadistische zaak. Aanhangers van de jihadistische
beweging vormen een te verwaarlozen percentage van
het islamitisch spectrum. In Nederland gaat het naar
schaing om enkele honderden personen. Toch vormen
zij vanwege hun verheerlijking, rechtvaardiging en
nastreving van (terroristisch) geweld een dreiging voor
de nationale veiligheid van Nederland.
Personen in jihadistische kringen hebben in het
verleden – soms meerdere malen – geprobeerd zich aan
te sluiten bij jihadistische strijdgroepen in Tsjetsjenië,
Afghanistan, Irak en Somalië, maar slechts enkelen
De strijd in Syrië eist steeds meer slachtoers. Volgens cijfers van de Verenigde Naties zijn er tot eind april zeker
93.000 doden gevallen. Het afgelopen jaar kwamen in Syrië gemiddeld 5000 mensen per maand door geweld om
het leven. Volgens de VN is de situatie in Syrië “drastisch verslechterd”. Nederland maakt zich zorgen om de situatie
in Syrië zelf maar veiligheidsdiensten hebben ook alarm geslagen over de vele honderden EU ingezetenen die zich
aansluiten bij jihadistische strijdgroepen aldaar en de mogelijke dreiging die zij kunnen vormen voor Nederland.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201316
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 17
lijke context en lijkt vooral te maken met wie je bege-
leidt of tegenkomt in je (digitale) religieuze zoektocht.
Het gaat overigens ook over hele kleine aantallen die
niet andere kenmerken hebben dan hun vele leeijds-
genoten. Gegeven dit alles is radicalisering dusdanig
onvoorspelbaar en in aantallen beperkt dat het eigenlijk
niet in breed preventief beleid is te vaen. Heel lang is
aangenomen dat het verbeteren van de sociaaleconomi-
sche positie van (moslim)jongeren, versterken van
sociale cohesie tussen bevolkingsgroepen en het inves-
teren in (onderwijs over) democratisch burgerschap bij
zouden dragen aan de preventie van radicalisering. Dit
verband is echter niet te bewijzen en lijkt hoogstens
indirect. Gevoeligheid voor het jihadistisch discours
hee minder te maken met de eigen (achterstands)
positie dan met de overtuiging dat de eigen groep,
waarmee je je sterk identificeert, waar ook ter wereld
onrecht wordt aangedaan, wordt bedreigd en het idee
dat daar wat aan gedaan moet worden.
Toeval hou je niet tegen, maar rechtvaardigheidsgevoel
en idealisme kan gekanaliseerd worden en religieuze
gemeenschappen kunnen meer doen om te zorgen dat
nieuw-praktiserenden in hun (digitale) zoektocht niet
ontsporen. Ook andere personen in de omgeving
kunnen een rol spelen in de begeleiding van nieuw-
praktiserende, geëngageerde personen. Naast de familie
en vrienden kunnen onderwijspersoneel, jongeren-
werkers en hulpverleners ook een positieve invloed
hebben in het kanaliseren van idealisme, het plaatsen
van emoties, het tegenspreken van complotdenken en
het nuanceren van extreme (politieke of religieuze)
interpretaties. Dit alles is onderdeel van het versterken
van de weerbaarheid tegen de overtuigingskracht van de
jihadisten. Samen met sleutelfiguren uit de islamitische
gemeenschap, kunnen lokale professionals verder
bijdragen aan het ontmoedigend klimaat. Het is dan
ook van belang dat er lokale netwerken en samenwer-
kingsverbanden bestaan waarin ambtenaren, professio-
nals en sleutelfiguren aandacht geven aan dit gevoelig
onderwerp. In de meest relevante gemeenten biedt de
NCTV hierin advies en ondersteuning aan.
Detectie
Wil men interveniëren bij personen die zich in
toenemende mate de ideeën, doelen en methodes
van het mondiaal jihadisme toeëigenen of de intentie
ontwikkelen om naar buitenlandse strijdhaarden te
reizen, dan moet dit proces wel herkend worden. Dit
is geen simpele opgave, omdat veel persoonlijke
uiterlijkheden en religieuze gedragingen overlappen
met bestaande niet-gevaarlijke islamitische uitingen.
Ervan uitgaande dat radicalisering een afwijking van de
norm behelst, dan is de opdracht om de afwijking te
herkennen alleen mogelijk als de norm ook bekend is.
Is de gemiddelde belevingswereld en gedrag van (jonge)
geëngageerde praktiserende Nederlandse moslims wel
bekend? Kan het afwijkende proces naar het jihadisme
toe wel worden geduid? Een dergelijke duiding is niet
zonder grondige kennis te maken. De NCTV hee
daarom verschillende niveaus van trainingen en
voorlichting laten ontwikkelen om het bewustzijn en
detectiecapaciteit onder professionals op lokaal niveau
te vergroten. Een aantal gemeenten hee ook eigen
trainingen ontwikkeld. Naast het versterken van de
kennis is het van belang dat er ook duidelijke lokale
structuren zijn, waar de signalen gemeld en geduid
kunnen worden en dat deze meldingsstructuur ook
aangehaakt is aan de veiligheidsketen. Ook hierin kan
de NCTV ondersteuning en advies bieden.
Interventie
Op het moment dat een signaal geduid is als jihadisti-
sche radicalisering zal een interventie overwogen
moeten worden om de risico’s te verkleinen. Het type
interventie hangt sterk af van de persoon en context.
Het zal altijd maatwerk zijn. Iemand die net begint te
flirten met het gedachtegoed vereist andere aandacht
dan iemand die verhard is teruggekeerd van de strijd in
Syrië. Het is dan ook aan te bevelen om een multidisci-
plinair casusoverleg beschikbaar te hebben dat zich over
signalen van radicalisering en uitreis kan buigen. Dat
kan bijvoorbeeld plaatsvinden in het veiligheidshuis of
in andere bestaande overleggen voor bijzondere
doelgroepen, maar dat kan ook een apart opgerichte
werkgroep zijn als de situatie daarom vraagt. Soms kan
de insteek van interventie op het vlak van zorg en
begeleiding leiden tot een vermindering van risico’s en
soms zal gekozen moeten worden voor verstoring of
vervolging. Het kan ook dat hard en zacht gecombi-
neerd wordt. Soms is het ook aan te bevelen om een
gespecialiseerde coach in te zeen die tracht de
betrokkene uit de extremistische beweging te begelei-
den en daarmee de risico’s duurzaam te verminderen.
Dergelijk specialisme is erg schaars, maar ook hierin
kan de NCTV adviseren en ondersteunen.
Conclusie
Zoals duidelijk moge zijn, is de lokale aanpak van
jihadistische radicalisering in de uitvoering maatwerk.
Het is maatwerk dat erg aankelijk is van inhoudelijke
kennis en de samenwerking tussen formele en
informele partners en sleutelfiguren. Hierin onder-
steunt de NCTV die driehoeken waar het speelt. Niet alle
gemeenten of regio’s hoeven zich zorgen te maken of
een telefoontje van de NCTV te verwachten, maar men
kan altijd investeren in formele en informele samen-
werkingsverbanden en in sleutelfiguren die de lokale
gemeenschappen goed kennen en die zich ook zorgen
maken over jongvolwassenen die religieus ontsporen en
zich aan willen sluiten bij jihadistische strijdgroepen.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Peter Knoope,
directeur International Centre for Counter-Terrorism Den Haag
Internationale terrorismebestrijding
met Haagse roots
king van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan in
2014, en het moge duidelijk zijn dat de dreiging van
terrorisme internationaal onverminderd is, en zich
voortdurend ontwikkelt.
De verslechtering van de veiligheid om ons heen hee
vanzelfsprekend ook invloed op de situatie binnen
de EU en in Nederland. De EU is geen eiland en niet
geïsoleerd van haar omgeving. Er zijn internationale
reisbewegingen vanuit Europa, voornamelijk richting
het Syrische strijdtoneel; er is het internet dat kan
functioneren als informatie- en rekruteringsbron; er
zijn trainingskampen in bijvoorbeeld de Sahel en
Pakistan; en er zijn grieven en motieven die uitgebuit
kunnen worden. Vanwege het gevaar dat de onrust aan
de zuidgrens (maar ook aan de oostgrens) binnen de EU
consequenties kan hebben is het van belang om ook
met die bril naar de ons omringende wereld te kijken.
Binnenlandse veiligheid is zondermeer gediend met
buitenlandse en internationale stabiliteit.
Waar een klein land groot in kan zijn
ICCT borduurt voort op de internationaal geroemde
‘brede benadering’ van de Nederlandse overheid,
waarbij niet alleen de gevolgen maar ook de oorzaken
of aantrekkingskracht van terrorisme worden aange-
pakt. Zodoende hee ICCT als missie overheden te
overtuigen van het belang te concentreren op het
verminderen van het maatschappelijk draagvlak voor
politiek geweld en het wegnemen van factoren die
mensen motiveren om deel te nemen of steun te bieden
aan politiek gewelddadige organisaties. Een taak die
deels bij de overheid ligt, en deels bij de internationale
gemeenschap en maatschappelijke organisaties. ICCT
analyseert en adviseert, maar draagt ook bij aan het
faciliteren van discussie tussen deze verschillende
actoren en aan nationale capaciteitsopbouw door
trainingen en workshops te organiseren in voor
Nederland prioritaire landen.
Tegelijkertijd benadrukt ICCT het belang dat terrorisme-
bestrijdingsmaatregelen geïmplementeerd worden in
overeenstemming met mensenrechten en de rule of
law. Dit thema wordt ook in bredere zin uitgedragen in
het buitenlands beleid van de Nederlandse overheid. De
zorgvuldige handhaving van de principes van de
All terrorism is local
Volgens het meest recente rapport van Europol (de
TE-SAT) is de situatie binnen de EU, wanneer het gaat
over terroristische dreiging, in het afgelopen jaar
verslechterd. Ook Nederland verhoogde recent het
dreigingsniveau. Toch is deze situatie nog altijd bijna
geruststellend te noemen in vergelijking met die in
regio’s even ten zuiden van de EU. Noord-Afrika bevindt
zich sinds de Arabische lente in een chaotische periode.
Dit is mede een gevolg van het veiligheidsvacuüm dat
ontstond na de val van regimes in Tunesië, Egypte en
Libië. Op een aantal plekken trachten door Al Qaeda
geïnspireerde groepen deze ruimte in te nemen en het
verlies aan positie, uit de beginperiode van de revolu-
ties, te heroveren. Maar ook ten zuiden van de Sahara
spelen Jihadistische groeperingen een steeds grotere rol
in under-governed spaces. Zowel in Nigeria als in Mali is
onder invloed van verschillende ontwikkelingen een
toename van de aantrekkingskracht van gewelddadige
organisaties merkbaar. Tel daarbij op de aantrekkings-
kracht van het conflict in Syrië, ook op Westerse
jongeren, en de mogelijke gevolgen van de terugtrek-
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201318
Drie jaar geleden opende het International Centre for Counter-
Terrorism – The Hague (ICCT) ocieel zijn deuren. Inmiddels is het
uitgegroeid tot een mondiale speler met activiteiten in uiteen-
lopende landen als Algerije, Nigeria, de Filippijnen en Indonesië.
ICCT is een onaankelijke denktank en kritisch kennisknooppunt
dat overheden en internationale organisaties van analyse en
beleidsadvisering voorziet op het terrein van de preventieve en
internationaalrechtelijke aspecten van terrorismebestrijding. Het
Centre werkt nauw samen met onderdelen van de VN, de EU, OVSE,
het Global Counterterrorism Forum en het recent uit dit Forum
voortgekomen Hedayah centrum in Abu Dhabi. Hoewel ICCT
velerlei projecten uitvoert voor verschillende overheden en organi-
saties, liggen de roots van het Centre in een door de Nederlandse
overheid uitgewerkte motie van de Tweede Kamer. Mede dankzij
de voortdurende impulsen vanuit diezelfde overheid, draagt ICCT
internationaal zijn steentje bij aan de continu evoluerende discussie
over extremistisch geweld en terrorismebestrijding – een inter-
nationale discussie met lokale consequenties.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 19
rechtsstaat is überhaupt een belangrijk uitgangspunt.
Maar juist in het domein van terrorismebestrijding,
waar volgens sommigen elk middel gerechtvaardigd
is omdat het overleven van de rechtstaat zelf in het
geding is, verdient het zorgvuldige aandacht. Zeker ook
omdat overheden die zich niet aan de ‘eigen’ regels en
principes houden benzine op het vuur van extremisti-
sche propaganda gooien – zie bijvoorbeeld discussies
rondom Guantánamo Bay en Abu Ghraib. De stelling die
ICCT betrekt is, dat juist wanneer de rechtstaat wordt
aangevallen de kracht van het systeem moet worden
aangetoond door de aanval te voorkomen of af te slaan
met behulp van een zorgvuldige toepassing van de
regels van diezelfde rechtsstaat. Dat mag in Nederland
wellicht geen vraagtekens oproepen, in veel andere
landen bestaan hierover andere inzichten.
Kritische praktijk- en beleidsgerichte initiatieven
Op de bovengenoemde terreinen – de preventieve en
internationaalrechtelijke aspecten van terrorismebe-
strijding – ontplooit ICCT uiteenlopende activiteiten in
partnerschap met verschillende internationale,
statelijke en niet-statelijke actoren. Coöperatie in plaats
van concurrentie zit ingebed in de organisatie, die
berust op een samenwerkingsverband tussen Instituut
Clingendael, het T.M.C. Asser Instituut en de Campus
Den Haag van de Universiteit Leiden. Deze drie Haagse
instituten vormen het kennis- en onderzoeksfundament
voor de werkzaamheden van ICCT en leveren de
primaire Research Fellows. Daarnaast kent het Centre
Associate en Visiting Fellows, die op specifieke
onderwerpen en projecten worden ingezet.
ICCT levert kritische, onaankelijke analyse en
praktische, beleidsgerichte output. Onderstaande
projecten geven een indruk van de thematische focus en
het soort activiteiten waarmee ICCT zich bezighoudt.
Rehabilitatie en re-integratie programma’s
In samenwerking met de VN, en met sponsoring van
het US Department of State, ontplooit ICCT een
internationaal initiatief dat gericht is op de rehabili-
tatie en re-integratie van gevangenen die vastzien
vanwege terroristische misdrijven. Dit hee geleid tot
een serie good practices die overheden in overweging
kunnen nemen wanneer zij dergelijke programma’s
ontwikkelen. Op dit moment is ICCT bezig met de
ontwikkeling van een innovatieve trainingsmodule
die beoogt de kennis op dit terrein te vergroten onder
gevangenismanagement en beleidsmedewerkers in
verschillende landen.
Belang maatschappelijke middenveld in preventie
van terrorisme
Via verschillende initiatieven vergroot ICCT de rol van
maatschappelijke actoren bij het identificeren en
voorkomen van terrorisme. Dergelijke personen en
organisaties zijn diepgeworteld in de samenleving,
genieten geloofwaardigheid onder relevante groepen,
en werken dagelijks aan het wegnemen van veel van de
factoren die anders radicalisering in de hand werken.
Echter, in veel landen wordt er huiverig gekeken naar
het nationale en internationale maatschappelijke
middenveld, en zijn deze groepen steeds meer onderhe-
vig aan strikte wetgeving die de bewegingsvrijheid
beperkt. ICCT biedt een neutraal platform waarbij
statelijke en niet-statelijke actoren samen kunnen
werken aan de analyse én effectieve oplossingen van het
gedeelde probleem van politiek geweld in de samenle-
ving, bijvoorbeeld door middel van het mede-organise-
ren van regionale implementatie workshops voor
Resolutie 1624 van de VN Veiligheidsraad.
Rol slachtoffers in het voorkomen van radicalisering
Onder leiding van ICCT Associate Fellow Max Boon,
slachtoffer van de bomaanslag in het Marrio hotel in
Jakarta in 2009, verkent ICCT de meest optimale manier
waarop slachtoffers van terrorisme een structurele rol
kunnen spelen in het voorkomen van radicalisering in
Indonesië. Hierbij wordt gekeken naar de noodzakelijke
procedures, support en training om slachtoffers te
identificeren en voor te bereiden op targeted outreach
campaigns, waarbij interactie met Indonesische
jongeren die behoren tot primaire risicogroepen
vooropstaat. De uitkomsten van dit project zullen een
bron van inspiratie zijn ver buiten de landsgrenzen van
Indonesië.
Getuigenbescherming in terrorisme-gerelateerde
rechtszaken
In samenwerking met de Nederlandse overheid initieert
ICCT een project dat landen helpt bij de ontwikkeling en
verbetering van processen die het gebruik en de
bescherming van getuigen en inlichtingenmateriaal in
terrorisme-gerelateerde rechtszaken mogelijk maken.
Dit alles vanzelfsprekend in volledige overeenstemming
met de rule of law en mensenrechten. Door middel van
training en juridische bijstand aan wetgevers, rechters
en andere betrokkenen, in voor Nederland prioritaire
landen, wordt de effectiviteit én de legitimiteit van de
rechtsgang in deze landen vergroot.
Voor meer informatie over deze en andere projecten:
www.icct.nl
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
Sergei Boeke,
onderzoeker Centrum
voor Terrorisme en
Contraterrorisme,
Universiteit
Leiden-Campus
Den Haag
Gijzelingen in de Sahel:
booming business voor terroristen?
Ondanks de islamistische boodschap die deze groepen
uitdragen, is het de vraag of zij handelen vanuit het
(politieke) oogmerk van een terroristische organisatie
of juist vanuit het economisch oogmerk van een
crimineel netwerk. Het gebied in Noord-Mali, grenzend
aan de buurlanden Mauritanië, Algerije en Niger, is
traditioneel een kruispunt voor handel- en smokkel-
routes voor de hele regio. De commandanten van AQIM
en MUJAO staan bekend om hun smokkelactiviteiten.
Zo verdiende Mokhtar Belmokhtar zijn bijnaam als
sigareensmokkelaar, terwijl de andere belangrijke
AQIM commandant, de onlangs gesneuvelde Abu Zeid,
zijn kost verdiende door het smokkelen van thee. Deze
bestaande smokkelnetwerken werden begin jaren 2000
steeds meer gebruikt voor illegale goederen, waaronder
drugs (vooral cocaïne). Vanaf 2003 zou men ontdekken
dat gijzelingsacties eveneens veel inkomsten konden
genereren.
De kosten gaan voor de baten
Voordat wordt gekeken naar de opbrengsten van
gijzelingen, is het van belang om vanuit het perspectief
van de gijzelnemer het operationele proces te beschou-
wen. Het uitvoeren van een succesvolle gijzelingsactie is
namelijk veel complexer dan het organiseren van een
eenmalige terroristische actie of aanslag, en bovendien
staat aan het begin van het traject de uiteindelijke
opbrengst niet vast. Na een vaak relatief eenvoudige
ontvoeringsfase moeten de gijzelaars voldoende
worden gevoed, verzorgd en bewaakt, per definitie voor
een onbepaalde periode. Zo bevinden de vier Fransen
die in Niger zijn ontvoerd, zich al meer dan duizend
dagen in gevangenschap. Voor de gijzelnemer is dit een
inspanning op financieel vlak die ook een zware wissel
op menskracht en logistiek legt. Hierboven komt de
wetenschap dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten het
op hen gemunt hebben en dat onderkenning tot een
plotselinge en gewelddadige dood kan leiden. Dit
Met uitzondering van de gijzelingsactie in het Algerijnse
gascomplex Amenas in januari 2013, waarbij 37 westerse
werknemers in een mislukte bevrijdingsactie omkwa-
men, is het gros van de gijzelaars in de Sahel afgelopen
tien jaar vrijgekomen. Dit op helaas enkele executies en
mislukte bevrijdingsoperaties na. Al geven staten om
begrijpelijke redenen nooit toe dat losgeld is betaald, is
dit in de meeste gevallen wel het geval geweest. Ook
zijn soms veroordeelde terroristen vrijgelaten in ruil
voor een gijzelaar. Gijzelen blijkt dus een lucratieve
strategie voor de daders. Maar wie zijn deze daders? Wat
zijn hun motieven? En welk beleid kan het fenomeen
beperken?
Meerdere verantwoordelijke groeperingen
Het landschap van terroristische groeperingen in de
Sahel is complex en zeer gefragmenteerd. Veel groepen
zijn afsplitsingen van elkaar en zij hebben een sterke
decentrale organisatiestructuur, voor zover er van een
organisatie of een structuur gesproken kan worden. De
initiator van de gijzelingen in 2003, de Algerijnse GSPC,
hee zich in 2006 op het vijf-jarig lustrum van 9/11
omgedoopt tot Al-Qaida in de Islamitische Maghreb
(AQIM). In 2011 splitste een Afrikaanse groep strijders
zich van AQIM af en noemde zich le Mouvement pour
l’Unicité et le Jihad en Afrique de l’Ouest (MUJAO).
Binnen AQIM kon Mokhtar Belmokhtar, alias Mister
Marlboro en verantwoordelijk voor het gijzelingsdrama
in Amanas, het niet vinden met het leiderschap en
vertrok eind 2012 uit de organisatie, met medeneming
van zijn strijders om zelfstandig verder te gaan. Deze
drie groeperingen worden voornamelijk verantwoorde-
lijk gehouden voor de verschillende gijzelingen in de
Sahel. Tot de Franse interventie in januari 2013 (Operatie
Serval) hadden zij grote bewegingsvrijheid in Noord-
Mali en dit verklaart waarom gijzelaars, ook die uit
buurlanden waren onvoerd, daar meestal terecht-
kwamen.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201320
Zo’n tien jaar geleden, in het voorjaar van 2003, ontvoerde de Algerijnse terreurgroep Le Groupe Salaste pour la
Predication et le Combat (GSPC) 32 Westerse toeristen bij verschillende acties. Snel hierna werd de hel van de gijzelaars
door een Algerijnse militaire operatie bevrijd, terwijl de andere groep later dat jaar in Noord-Mali werd vrijgelaten. Dit
bleek de start te zijn van een reeks gijzelingen door terroristische groeperingen waarbij meer dan negentig westerlingen
werden ontvoerd. Het betre zowel toeristen als ex-pats en hun families. Onder hen veel Fransen – er wonen nog steeds
veel mensen met de Franse nationaliteit in de voormalige Franse kolonien. Ten tijde van dit schrijven houden terreur-
groepen in de Sahel nog zeker acht gijzelaars vast, waaronder de Nederlander Sjaak Rijke, die eind november 2011 in
Mali werd ontvoerd.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 21
dwingt de gijzelnemers tot continue alertheid en
verplaatsingen, een uitpuend regime voor zowel
gijzelnemer als gijzelaar.
Kortom, een gijzeling kost tijd en geld en is niet zonder
risico. Voordat men de stap neemt om een gijzelings-
actie uit te voeren, moet er een verwachting zijn dat
het wat oplevert. En eenmaal begonnen, is het in het
belang van de ontvoerders om hun gijzelaars in leven te
houden om hun investering terug te kunnen verdienen.
Een gijzelingsactie kan zeker een element van terro-
risme omvaen, met bijvoorbeeld het zaaien van angst
onder bepaalde groepen of gemeenschappen, maar de
aard van een gijzelingsoperatie leent zich derhalve meer
tot een economische dan een ideologische rationale.
Grote opbrengsten
Afgelopen tien jaar hebben de gijzelingen de verschil-
lende terroristische groeperingen financieel veel
opgeleverd en dit is de voedingsbodem geweest voor
nieuwe gijzelingsacties. Volgens de Amerikaanse
voormalige ambassadeur in Mali, Vicki Huddleston, is
tussen 2004 en 2011 ongeveer $ 90 miljoen door
Europeanen in losgeld betaald. Volgens een andere
Amerikaanse bron zou AQIM in 2011 gemiddeld $ 4,5
miljoen per gijzelaar hebben ontvangen. Dit maakt
losgeld tot de primaire inkomstenbron van de terroristi-
sche groeperingen, waarschijnlijk aanzienlijk groter dan
de inkomsten van drugssmokkel. Hier zijn de groepen
tensloe kleine schakels in een lange logistieke keten
van de cocaïne-boer in Zuid Amerika tot de verslaafde in
Europa. Aangezien tot 2012 intermediairs uit de
Malinese overheid de onderhandelingen namens
Westerse partijen met de gijzelnemers voerden, is
waarschijnlijk een deel van het losgeld bij hen blijven
hangen. Dit kan weer verklaren waarom de Malinese
overheid jarenlang niet optrad tegen deze groeperingen
en hun smokkel- en gijzelingspraktijken.
Het vrij krijgen van gevangengenomen terroristen kan
eveneens een opbrengst zijn van een gijzeling, maar
blijkt in de praktijk zeer ingewikkeld te zijn. West-
Afrikaanse landen, waar meestal de veroordeelde
terroristen gevangen zijn, staan begrijperlijkerwijze niet
te springen om deze vrij te laten in ruil voor de vrijheid
van een Europese gijzelaar. Externe diplomatieke druk
kan dit realiseren (het geval van Pierre Camae) maar
leidt weer tot regionale spanningen.
Kentering in beleid
Op internationaal vlak is er geen uniform beleid voor
de omgang met gijzelingsacties. Sommige landen,
waaronder de VS en het VK, weigeren principieel losgeld
te betalen terwijl anderen meer flexibel blijken te zijn in
de praktijk. Frankrijk speelt op dit gebied een belang-
rijke rol in de Sahel en het Franse beleid is recent
gewijzigd. Afgelopen jaren hee de Franse staat of
hebben Franse bedrijven losgeld betaald. Hiernaast zijn
overigens ook high-risk militaire bevrijdingsoperaties
uitgevoerd. Inmiddels is het na Operatie Serval politiek
onmogelijk om de tegenstander op het slagveld te
betalen. Deze kentering in beleid hee mede bijge-
dragen aan internationale overeenstemming op de G8
bijeenkomst op 19 juni jongstleden in Enniskillen, waar
in een gezamenlijk communique bepleit werd geen
losgeld meer te betalen aan terroristen. Dit zou niet
alleen hun belangrijkste inkomstenbron moeten
afsluiten, maar ook de incentive wegnemen voor
nieuwe gijzelingen. Verder is afgesproken dat best
practices worden gedeeld en dat hulp zal worden
verleend bij gijzelingsincidenten. Toch zal het onder-
werp van gijzelingen politieke dilemma’s blijven
opleveren, en ook voor de nog vastgehouden gijzelaars
geldt dat afgesproken principes de praktijk van het
redden van mensenlevens niet gemakkelijker maken.
Screenshot website YouTube waarop Sjaak Rijke te zien is. De Nederlander werd in
november 2011 ontvoerd in de stad Timboektoe in Mali.
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
C.W. Hijzen,
promovendus aan de
Universiteit Leiden
Verwachtingenmanagement
avant la lere
komen. In 1975 en 1977, toen Zuid-Molukse jongeren
verschillende gijzelingen en bezeingen hadden
uitgevoerd, kreeg de Binnenlandse Veiligheidsdienst
eveneens het verwijt te hebben ‘gefaald’.
1
Het publieke
en politieke ongeduld is begrijpelijk, omdat iedere
aanslag er één te veel is en het voorkomen van
terroristische aanslagen sinds de jaren zeventig tot de
kerntaken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is
uitgegroeid. Maar dit gaat voorbij aan de complexiteit
van de inlichtingenpraktijk in het contraterrorismeveld.
De diffuse netwerken van geradicaliseerde moslims, die
de belangrijkste bron van de hedendaagse dreiging
vormen, zijn zeer fluïde, veranderlijk, nauwelijks
georganiseerd, soms kortstondig en kennen een sterk
zelfsturend vermogen. Het opbouwen van een duur-
zame informatiepositie in deze moeilijk doordringbare
milieus, waar andere religieuze en ideologische
opvaingen dominant zijn, andere talen en gebruiken
normaal zijn, is een ongelooflijk ingewikkelde zaak
voor veiligheidsdiensten.
2
En een complexe praktijk
In de jaren zeventig kwamen die moeilijkheden pijnlijk
aan het licht. De BVD zag de gevaren uit terroristische
hoek niet aankomen, omdat de dienst geïnstitutionali-
seerd was als communismebestrijder. De normen van
extremisme en staatsgevaarlijkheid waren eigenlijk niet
op terroristen van toepassing, vond de dienst. Als
gevolg van die ideologische oriëntatie op het commu-
Diffusere dreigingen
De AIVD constateert in het laatste jaarverslag dat
dreigingen technologiseren, internationaliseren en
steeds diffuser worden. In de jaren zeventig, signaleerde
de BVD exact dezelfde trends. Van internationalisering
was sprake toen het ‘Arabisch terrorisme’ begin jaren
zeventig naar Nederland kwam, toen het Japanse Rode
Leger in 1974 de Franse ambassadeur en enkele mede-
werkers gijzelde en ‘de activiteiten van de Rote Armee
Fraktion zich tot ons land uitbreiden’ in 1977. Die
dreigingen technologiseerden tegelijkertijd, met name
door ‘voortdurende veranderingen van methodieken’
en steeds geavanceerder wordende explosieven, zoals
barometrische bommen. De diffusie bleek ten sloe uit
het feit dat ‘de contacten toenamen tussen groepen die
ideologisch weinig met elkaar gemeen hebben, doch
die alleen geweldstoepassing als een gemeenschappe-
lijk element hebben’, zo rapporteerde de BVD aan het
ministerie van Binnenlandse Zaken.
Hoge verwachtingen
Terwijl die dreigingen daardoor moeilijk grijpbaar zijn,
zijn politiek en maatschappij hun verwachtingen ten
aanzien van het veiligheidsapparaat juist gaan
opschroeven. Toen na de moord op Theo van Gogh op
2 november 2004 bleek dat Mohammed B. voor de AIVD
geen onbekende was, werd in pers en parlement de
vraag gesteld of de geheime dienst de gruwelijke
aanslag op Van Goghs leven niet had moeten voor-
Over de complexe inlichtingenpraktijk in het contraterrorismeveld
Het inwinnen van inlichtingen in het contraterrorismeveld is geweldig complex. Terwijl politiek en maatschappij
verwachten dat de geheime diensten in staat zijn aanslagen te voorkomen, communiceerde de Binnenlandse
Veiligheidsdienst (BVD) in de jaren zeventig juist dat er allerlei haken en ogen aan de inlichtingenpraktijk zaten.
Misschien dat ook de huidige Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de beperkingen aan het
inlichtingenwerk op dit vlak duidelijker moet communiceren.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201322
1
Commissie van Toezicht betreende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, Toezichtsrapport inzake de afwegingsprocessen van de
AIVD met betrekking tot Mohammed B., CTIVD nummer 17, 2: Handelingen der Tweede Kamer, ziingsjaar 1976-1977 Kamerstuk
14515 nummer 1, Verslag van de vaste Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten omtrent haar werkzaamheden, 15 mei
1975 – 7 juni 1977.
2
P.H.M. Abels, ‘Inlichtingen- en veiligheidsdiensten en terrorismebestrijding’, in: B.A. de Graaf, J.A. van Reijn en E.R. Muller (eds.),
Inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Hoofddorp 2010, 205-224, aldaar 210-211.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 23
Verwachtingenmanagement
nisme schoot de modus operandi eveneens tekort. De
BVD had zich bekwaamd in het binnendringen met
agenten en informanten van hiërarchisch en glashelder
gestructureerde organisaties, zoals de Communistische
Partij Nederland, maar de Zuid-Molukse jongeren en de
Rode Jeugd waren bij lange na niet zo strak georgani-
seerd. Waar gevaar in het communistische domein
samenhing met lidmaatschap van organisaties,
tijdschrien en kranten, daar was het lidmaatschap in
terroristische kringen veel minder eenduidig. Zo waren
de Zuid-Molukkers in talloze in elkaar overlopende en
elkaar bestrijdende actiegroepen georganiseerd,
waarvan sommige soms maar enkele maanden
bestonden. Als de BVD daar al zicht op kreeg, dan was
het erg moeilijk die organisaties binnen te dringen.
BVD’ers waren zeer goed opgeleid om een boom op te
zeen met een communist, maar met de jongeren in
activistische en terroristische kringen was dat veel
moeilijker.
Niemand is tot het onmogelijke gehouden
De dienst deed er in de jaren zeventig veel aan om die
praktische handicaps aan de buitenwacht te communi-
ceren. Achter de schermen maakte BVD-hoofd Andries
Kuipers na de Zuid-Molukse acties van 1975 minister van
Binnenlandse Zaken W.F. de Gaaij Fortman bijvoorbeeld
deelgenoot van de problematische ‘beheersing van de
informatiestroom’. De internationale en binnenlandse
inlichtingenpartners brachten tijdens terroristische
acties zoveel berichten in omloop dat de BVD geen tijd
had ze allemaal te verifiëren. De minister mocht
bovendien eens proberen met afluisterapparatuur aan
de slag te gaan. Zo ondervond hij aan den lijve hoe
slecht de verstaanbaarheid werkelijk was. Verder drukte
Kuipers De Gaaij Fortman op het hart dat zijn dienst
maar moeilijk tot de gesloten groepjes terroristen wist
door te dringen. Met name ten aanzien van de Zuid-
Molukkers zou voor een effectieve inlichtingeninwin-
ning zo’n groot apparaat vereist zijn dat ‘een politie-
staat’ zou ontstaan. Kuipers’ tempering van de
verwachtingen ten aanzien van zijn dienst konden
rekenen op begrip. PvdA-fractievoorzier van Thijn
concludeerde dat ‘niemand tot het onmogelijke
gehouden kon worden’.
3
Een diepgravend onderzoek
Dit soort verwachtingenmanagement avant la lere zien
we vandaag de dag nauwelijks terug. Onder invloed van
een groeiend budget en de uitbreiding van de techni-
sche mogelijkheden in het inlichtingen- en veiligheids-
werk, zijn de verwachtingen enorm gegroeid. Bij ieder
incident, iedere misstap of ieder krantenartikel wordt
geroepen om ‘een diepgravend onderzoek’, waarna een
minister of diensthoofd publiekelijk het eigen falen
moet toegeven. Ten dele hee de AIVD die enorme
verwachtingen aan zichzelf te wijten, omdat de dienst
zijn eigen bestaansnoodzakelijkheid meestal relateert
aan het voorkomen van aanslagen.
4
Het onwenselijke gevolg is echter dat het begrip voor de
complexiteit en de dilemma’s die inherent zijn aan de
inlichtingenpraktijk bij de buitenwacht is verdwenen.
Dat kan op den duur ten koste gaan van het draagvlak
voor de dienst. Misschien is het daarom tijd om net als
in de jaren zeventig zowel voor als achter de schermen
duidelijker te communiceren over de beperkingen aan
het inlichtingenwerk ten behoeve van de terrorismebe-
strijding. Ook de AIVD zou niet tot het onmogelijke
gehouden hoeven zijn.
3
Handelingen Tweede Kamer, 1976-1977-1973, 14 515 nr. 1, Verslag Vaste Commissie Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, 15 mei 1975
– 7 juni 1977; D. Engelen, Frontdienst: de BVD in de Koude Oorlog, Amsterdam 2007, 180-181.
4
Bijvoorbeeld: hps://www.aivd.nl/onderwerpen-0/terrorisme/
Foto: AIVD
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
dr Michiel de Weger,
onderzoeker en
consultant
Defensie tegen terrorisme
dreiging zich op richt, kunnen reguliere militairen of
de Nationale Reserve desnoods op grote schaal worden
ingezet voor (gewapende) bewakingstaken. Heel creatief
is bijvoorbeeld om militairen onder leiding van de
douane extra controles te laten uitvoeren, of militairen
te gebruiken om politiemensen of marechaussees vrij te
maken uit ondersteunende taken, zodat zij dan weer
bewakings- of gewone buurtgerichte politiediensten
kunnen verlenen (‘back filling’). Ook kan de Koninklijke
Marechaussee opdracht worden gegeven een deel van
haar normale taakuitvoering te stoppen, om op grote
schaal de politie te gaan helpen.
Buiten Nederland
Minder bekend is wat Defensie precies buiten Nederland
doet tegen terrorisme. De afgelopen jaren zijn boeken-
kasten vol geschreven over de ‘war on terror’ en hoe
onder die noemer westerse krijgsmachten wereldwijd
werden ingezet. Veelal in de slipstream van de
Amerikaanse krijgsmacht zijn ook Nederlandse
militairen actief geweest in landen als Irak en
Afghanistan. Of alles wat men daar deed contraterro-
risme mag worden genoemd is twijfelachtig.
1
Veel kan
beter een interventie in een burgeroorlog (Uruzgan) of
handhaving van de openbare orde (Irak, Al Muthana)
worden genoemd. Dat neemt niet weg dat ook
(potentiële) plegers van aanslagen tegen willekeurig
gekozen burgers werden gezocht en tegengehouden.
Bij dit soort gerichte acties speelden de Nederlandse
speciale eenheden, het Korps Commando Troepen (het
KCT van de Koninklijke landmacht) en de Maritime
Special Operations Forces (MarSOF, van het Korps
mariniers) een belangrijke rol. De derde speciale
eenheid van de krijgsmacht, de Brigade Speciale
Huidige bijdrage
Inmiddels steunt de krijgsmacht binnen Nederland het
bevoegd gezag op meer manieren tegen terrorisme. Zo
beveiligt de Koninklijke Marechaussee de burgerlucht-
vaart, met name de ‘’terrorismegevoelige” maatschap-
pijen op Schiphol. Ook levert het air marshalls die
meevliegen om eventueel aan boord nog kapingspogin-
gen te beëindigen. Marechaussees beschermen militaire
en andere VIPs, onder andere tegen aanslagen. De
speciale eenheden van de krijgsmacht nemen deel in de
Dienst Speciale Interventies, inclusief dat individuele
militairen in de staf en arrestatieteams werken.
Defensie hee ook enkele militaire en civiele mede-
werkers gedetacheerd bij de Nationaal Coördinator voor
Terrorismebestrijding en Veiligheid.
De Koninklijke luchtmacht hee permanent 2 F-16’s
klaar staan om vliegtuigen te onderscheppen in het
kader van de zogeheten Renegade-procedure die in
werking treedt als een onbekend vliegtuig ons lucht-
ruim schendt. Verder is publiek bekend dat de militaire
en de civiele inlichtingen- en opsporingsdiensten
informatie delen, onder andere over terrorisme, maar
ook tegen bijvoorbeeld de verspreiding van massaver-
nietigingswapens en landen die terroristische organi-
saties steunen.
Aankelijk van de soort of de omvang van de terroristi-
sche dreiging of de aanslag die al hee plaatsgevonden,
kunnen nog andere delen van de krijgsmacht ‘bijstand
verlenen’ aan het bevoegd gezag. Na een aanslag kan
worden gedacht aan CBRN- of medische hulp. Juist om
een aanslag te voorkomen, zeker als veel objecten
worden bedreigd – of niet precies bekend is waar de
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201324
De basis voor de rol die de Nederlandse Defensie speelt tegen terrorisme werd niet na ‘9-11’, maar
in de vroege jaren zeventig gelegd, als reactie op het gijzelingsdrama tijdens de Olympische
Spelen in München in 1972 en verschillende incidenten in Nederland zelf. Tijdens beraadslagingen
in de Ministerraad zei de toenmalige minister van Justitie, Dries van Agt, – in mijn woorden – dat
de terroristische acties in essentie militair van aard waren en ook om een militaire aanpak
vroegen. In die jaren werd het Korps Mariniers opgedragen een tegen gijzelingen en kapingen
bedoelde interventie eenheid op te zeen en ging de explosievenopruimingsdienst verdachte
pakketjes onderzoeken. Sinds die tijd is er veel veranderd, maar niet dat Defensie een belangrijke
rol speelt in contraterrorisme.
1
M. de Weger, Steeds weer speciaal en Altijd ergens anders, Breda: Nederlandse Defensieacademie, 2011.
25Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013
Beveiligingsopdrachten van de Koninklijke marechaus-
see, beschermt al jaren de Nederlandse ambassades en
diplomaten in de gevaarlijkste landen ter wereld, ook
tegen terroristische aanslagen.
Minder bekend is dat KCT en MarSOF de afgelopen jaren
ook trainingen hebben verzorgd van interventie
eenheden van andere landen (in termen van de special
forces zelf is dit een vorm van military assistance, naast
direct action en special reconnaissance een hoofdtaak
van militaire speciale eenheden). Zo werd in Uruzgan
enkele jaren een speciale politie-eenheid getraind.
Bijzonder is ook de jarenlange bijdrage aan het door de
Amerikaanse special forces geleide Flintlock trainings-
programma in Sahara-landen zoals Mali. Amerikaanse,
maar ook Engelse en Franse militaire speciale eenheden
voeren in tientallen landen aanvallen tegen terroristen
uit, verzamelen inlichtingen over hen, of trainen lokale
militaire of politie-eenheden in counterterrorism. De
Nederlandse special forces lijken, voor zo ver publiek
bekend, in niet zo veel landen te worden ingezet.
Technisch doen ze niet onder voor hun grote internatio-
nale voorbeelden, maar de politieke wil om hen
optimaal te gebruiken lijkt in ons land minder. Zou dat
veranderen, dan zouden ze een (veel) grotere rol in
contraterrorisme kunnen spelen. Overigens is interes-
sant dat inzet in het buitenland binnen een ander
politiek, bestuurlijk en juridische systeem plaatsvindt
dan inzet in Nederland. Als het echt contraterrorisme
betre zou wat mij betre de inzet niet wezenlijk anders
moeten worden behandeld, dus ook in het buitenland
moeten vallen onder de eindverantwoordelijkheid van
de minister van Veiligheid en Justitie, gecoördineerd
door de Nationaal Coördinator voor Terrorisme-
bestrijding en Veiligheid, geleid door de Dienst Speciale
Interventies en uitgevoerd binnen de Politiewet en
gerelateerde regelgeving.
Crossing to the dark side
Er is nog een wat paradoxale manier waarop Defensie
bijdraagt tegen terrorisme. Uit onderzoek blijkt dat
wereldwijd een aanzienlijk deel van de known terrorists
een militaire achtergrond hee. Zoals minister Van Agt
al suggereerde: terroristische aanslagen zijn vaak
vergelijkbaar met kleinschalig militair optreden. Zo’n
10-15% van alle terroristen is actief dienend of voor-
malig militair. Binnen deze groep zijn leden van speciale
eenheden en (onder)officieren oververtegenwoordigd.
Binnen terroristische organisaties nemen de (ex-)
militairen vaak belangrijke functies in, zoals het geven
van trainingen of het leiden van groepen. Sommige
terroristen blijken in een krijgsmacht sniper, arts,
explosieven of CBRN-specialist te zijn geweest, dan wel
bij een inlichtingendienst te hebben gewerkt.
2
Uiteraard zijn militaire inlichtingendiensten, ook de
Nederlandse, zich bewust van het risico dat militairen
oversteken naar the dark side of the force (in Star
2
H. Sollie en M. de Weger, Crossing to the dark side: een verkenning naar extremisme en terrorisme vanuit krijgsmacht en politie, Breda:
Nederlandse Defensieacademie, 2010.
Drone Scan Eagle, sinds eind juni 2013 in gebruik bij Defensie
Foto: Ministerie van Defensie
Contraterrorisme - tussen alertheid en weerbaarheid
gewelddaden door oud-militairen met al dan niet
tijdens missies opgelopen trauma’s te onderkennen en
tegen te gaan. Binnen de organisaties worden collega’s
en leidinggevenden geacht de inlichtingendienst in te
schakelen als zij denken dat een militair radicaliseert.
Ook op dit terrein wordt uiteraard met civiele en
buitenlandse inlichtingendiensten samengewerkt.
De toekomst
Van Agt hee ongetwijfeld in de jaren 1970 niet kunnen
voorspellen hoe Defensie anno 2013 bij zou dragen
tegen terrorisme. Waarschijnlijk is dat een militaire
bijdrage ook de komende decennia wel nodig zal zijn,
maar precies met welke capaciteiten dat zal gebeuren
valt niet te voorspellen. Teveel is aankelijk van de
ontwikkelijking van de terroristische dreiging zelf. Een
paar trends lijken echter wel in ieder geval voor de
middellange termijn (tot 5 - 10 jaar) relevant.
Zo lijkt de invloed van terroristische (jihadistische)
groeperingen in het noorden van Afrika, het Midden-
Oosten en Centraal-Azië toe te nemen. Voor militaire
speciale eenheden en de militaire inlichtingendienst
ligt hier dus mogelijk meer werk. Mogelijk leidt de groei
van het aantal potentiële terroristen in Nederland door
de terugkeer van grote aantallen Nederlanders die in de
conflicten in die delen van de wereld hebben gevochten
op een toenemend beroep op Defensie voor uitbreiding
van observatie- en interventiecapaciteit. Ten tweede, de
toenemende beschikbaarheid en gebruik van zwaar-
dere, vaak militaire wapens, explosieven en ook
chemische, biologische en radiologische stoffen, maakt
dat militaire kennis of inzet nodig is, omdat civiele
organisaties hier geen of slechts beperkt middelen
tegen kunnen inzeen. Dat terroristen uiteindelijk ook
komen te beschikken over nog nieuwere technologieën,
zoals nano-tech en bio-engineering, lijkt onvermijde-
lijk, maar wanneer dit zal gebeuren en wat dit voor de
bijdrage van Defensie tegen terrorisme zal betekenen is
veel minder duidelijk. Militaire bijstand tegen terroristi-
sche cyberaanvallen of inzet van luchtobservatie met
militaire drones zou kunnen toenemen. Van een heel
andere aard is de trend van toenemende centralisatie
van politiecapaciteit, door de vorming van de Nationale
Politie. Mits de komende jaren succesvol, zal de druk
toenemen om ook de Koninklijke Marechaussee in de
Nationale Politie op te nemen, misschien gelijk ook om
de politie als enige interventie eenheden te laten
hebben. Voor beide wordt al decennia gepleit, maar een
succesvolle Nationale Politie, die vertrouwd wordt door
en direct contact hee op regeringsniveau, kan deze
discussie definitief beslechten. Niet dat dat veel zou
uitmaken voor de bestrijding van terrorisme, maar wel
voor de omvang van de bijdrage van Defensie daaraan.
Wars-termen: Darth Vader was oorspronkelijk een jedi
knight, een soort commando die vocht aan de goede
kant). Om dit te voorkomen wordt geprobeerd om in
keuringen zoveel mogelijk personen met extremistische
ideeën te onderkennen en buiten de organisatie te
houden. Ook wordt geprobeerd risico’s van individuele
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201326
Rosa Dinnissen,
Research afdeling Instituut Clingendael
1
comebackDe
onzekere wereld
van de staat in een hybride,
Net als in de voorgaande editie staan dit jaar wederom
de mate van samenwerking en conflict in het inter-
nationale systeem en de aanwezigheid en invloed van
statelijke en niet-statelijke actoren centraal. De eerste
kernvraag van de Monitor is onveranderd gebleven:
Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen geweest in 2012 met
betrekking tot de internationale veiligheid en stabiliteit en wat
zijn op basis daarvan de verwachtingen voor de komende vijf a
tien jaar?
In aanvulling op de eerste kernvraag is er een tweede
vraag geformuleerd, die een vergelijking maakt met de
geschetste trends uit de Monitor 2012:
Vragen de bevindingen van de Monitor 2013 om een bijstelling van
de verwachtingen (waarschijnlijkheden en onzekerheden) zoals
deze geformuleerd zijn in de Verkenningen en de Monitor 2012, in
het bijzonder afgezet op het assenkruis?
Gebaseerd op het stramien van de Verkenningen en
de Monitor 2012 is dit jaar wederom een onderscheid
gemaakt tussen verschillende actoren
2
en drijvende
krachten
3
, waarbij de belangrijkste gebeurtenissen en
trends van het afgelopen jaar in kaart zijn gebracht en
geanalyseerd. Op basis van deze analyse is er per actor
en drijvende kracht een overzicht gegenereerd van de
verwachtingen voor de komende vijf à tien jaar (de
waarschijnlijkheden en onzekerheden), de strategische
schokken, winnaars en verliezers en tensloe de
gevolgen van deze ontwikkelingen voor de Nederlandse
en mondiale veiligheid en stabiliteit.
4
In navolging van het interdepartementale project van
Verkenningen: houvast voor de krijgsmacht van de
toekomst’ uit 2010, komt Instituut Clingendael dit
jaar met een vervolg op de pilot van vorig jaar: de
Clingendael Strategische Monitor 2013.
Toekomstige gebeurtenissen, uitkomsten en trends
kunnen onmogelijk worden voorspelt. Wel kan er iets
worden gezegd over de mate van waarschijnlijkheid van
bepaalde uitkomsten. In de Monitor duidt Instituut
Clingendael de belangrijkste ontwikkelingen uit één
jaar en voorziet beleidsmakers daarmee van de nodige
input voor toekomstig beleid. Zo wordt de Monitor
geraadpleegd bij het opstellen van nota’s van de mini-
steries van Buitenlandse Zaken, Defensie en ook Veilig-
heid en Justitie. Dankzij de analyses en scenario’s van de
Monitor, kunnen beleidsmakers anticiperen op toekom-
stige ontwikkelingen en hun beleid zo effectief mogelijk
proberen in te passen in een diffuse, onzekere wereld.
De staatsgreep in Mali, de leiderschapswisselingen in China en
Rusland, oplopende spanningen over eilanden in de Zuid- en
Oost-Chinese Zeeën, de verdere implosie van het Syrië regime,
stijgende (jeugd)werkloosheid in Europa en meer recent de aanslag
in Boston en het opnieuw oplaaiende geweld in Egypte. Na het
verschijnen van de eerste editie van de Clingendael Strategische
Monitor is er veel gebeurd.
1
Samen met Jan Rood is de auteur verantwoordelijk voor de eindredactie van de Clingendael Strategische Monitor 2013. Verder houdt
zij zich bezig met de Nationale Risicobeoordeling (NRB), de Nuclear Security Summit (NSS), klimaatverandering en voedselveiligheid.
Dank gaat uit naar Kees Homan, Senior Research Associate bij Instituut Clingendael, voor zijn constructieve commentaar op eerdere
versies van dit artikel.
2
Actoren: Grootmachten, Internationale en Regionale Organisaties, Niet-statelijke Actoren en Individuen, Risicolanden en Fragiele
Staten.
3
Drijvende krachten: Mondialisering, Economie, Technologie en Wetenschap, Proliferatie Massavernietigingswapens, Polarisatie en
Radicalisering, Natuurlijke Hulpbronnen en Klimaatverandering.
4
Wat betre het stramien zijn er een aantal verschillen met de Monitor 2012. In de Monitor 2013 worden de implicaties voor de
krijgsmacht niet meer separaat besproken. Hiertoe is eerder dit jaar ‘Clingendaels visie op de krijgsmacht van de toekomst’
gepubliceerd. Ook wordt er niet meer speciek ingegaan op het Conictspectrum en de Nederlandse samenleving en de Caribische
delen van ons Koninkrijk. Deze onderdelen worden dit jaar per hoofdstuk besproken. Ten sloe is dit jaar ook Japan opgenomen in
het hoofdstuk Grootmachten.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 27
De ontwikkelingen en trends zijn voor alle actoren en
drijvende krachten wederom geaggregeerd tot één
algemene verschuiving van het internationale systeem
op het assenkruis uit de Verkenningen (zie figuur 1). Bij
het schetsen van scenario’s voor de komende vijf à tien
jaar, zal er in een jaar tijd dan ook niet veel veranderd
zijn. Men moet bij het lezen van het rapport in ogen-
schouw nemen dat de Monitor 2013 slechts één jaar
na de pilotversie verschijnt. Wanneer trends voor de
komende vijf à tien jaar worden onderzocht, zullen
de veranderingen in één jaar niet erg groot zijn.
De Monitor 2012 concludeerde dat de druk op mondiale
openbare ruimtes’, onverminderd is. Hetzelfde gold
voor de onzekerheid over de zogenaamde ‘Gordel van
Instabiliteit’ in met name het Midden-Oosten en
Noord-Afrika (MONA regio), in risicolanden en fragiele
staten. Verder werden kennis en technologie gemakke-
lijker beschikbaar voor niet-statelijke actoren, die
nieuwe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ook
kwam de sociale cohesie van Europese samenlevingen
verder onder druk te staan door de economische crisis.
Tussen grote mogendheden verliep de samenwerking
stroever – waardoor de ‘global governance’ werd
aangetast – een ontwikkeling waar vooral opkomende
landen van leken te profiteren.
In vergelijking met de Monitor 2012 is er op veel punten
sprake van continuïteit. Het internationale systeem
verschui binnen het assenkruis richting het multi-
polaire kwadrant, maar bevindt zich nog steeds in het
multilaterale kwadrant; de westerse dominantie neemt
nog steeds af en de invloed van opkomende mogend-
heden zet verder door.
Naast continuïteit, is er ook sprake van verandering.
De ontwikkeling van machtsverhoudingen is in een
stroomversnelling geraakt, waarbij het patroon van
de verschuiving de BRICS landen overstijgt. Ook de
zogenaamde MIST landen
5
breiden hun invloed in
het internationale systeem uit. De spanningen tussen
China en de VS zijn het afgelopen jaar opgelopen.
Hierdoor kan de kans op conflicten rond deze ‘polen’
en het belang dat er wordt gehecht aan de Zuid- en
Oost-Chinese Zeeën, toenemen.
De economische crisis, klimaatonderhandelingen,
ontwikkelingen in Afghanistan en de afnemende
bewegingsvrijheid en terughoudendheid van inter-
nationale organisaties laten zien dat het multilaterale
bestel en het internationale leiderschap van bijvoor-
beeld de VN of de G20, verder onder druk staan en dat
het ‘Westerse waardensysteem’ verder wordt uitge-
daagd. Hierdoor wordt er een trend zichtbaar in de
richting van ad-hoc coalities, clusters en informele
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201328
5
MIST landen: Mexico, Indonesië, Zuid-Korea en Turkije.
Figuur 1
verbanden, met een grotere rol voor regionale verban-
den. De rol die de Economic Community of West African
States (ECOWAS) het afgelopen jaar in Mali speelde is
hier een voorbeeld van. Als gevolg hiervan vormen de
integratie van opkomende landen in het internationale
systeem en de vraagstukken over power en burden
sharing die daarbij centraal staan, een grote uitdaging.
De rol van niet-statelijke actoren blij groot. Hierdoor
nemen hybride bedreigingen van terrorisme, corruptie
en georganiseerde criminaliteit toe. Internationaal
nieuwe ‘hot spots’ van terrorisme, transnationale
criminaliteit en radicalisering in onder andere Syrië en
Mali, vragen om bijzondere opleendheid.
Burgerbewegingen nieuwe stijl worden invloedrijker,
mede dankzij de opmars van sociale media en de
makkelijke beschikbaarheid van kennis en technologie.
De verhouding tussen statelijke en niet-statelijke
actoren is daarmee diffuus en hybride, waardoor
onzekerheid toeneemt. Tensloe is er sprake van een
‘representativiteitscrisis’ in het Westen en staten die
hun best doen om hun dominante positie en legitimi-
teit te waarborgen of terug te winnen.
Tensloe lijken binnen het mondiale dreigingsbeeld de
grote onzekerheid over de uitkomst van de Arabische
Lente, de burgeroorlog in Syrië en de toekomst van
Iran, Pakistan en Afghanistan te zorgen voor een
toenemende fragiliteit van de ‘Gordel van Instabiliteit
in Sub-Sahara Afrika en delen van Azië.
Oplopende spanningen in Azië, de representativiteits-
crisis van de EU – met een toenemend gevaar van
radicalisering – en het onder druk komen te staan van
openbare ruimtes’, zorgen ervoor dat de onzekerheid
en het risico van onveiligheid in 2012 groter zijn
geworden. Confrontaties tussen grote mogendheden
in Zuidoost Azië, en tussen China en de VS of Japan in
het bijzonder, zijn toegenomen. De instabiliteit in de
periferie van Europa, met name in delen van Sub-Sahara
en Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Afghanistan en
Pakistan, brengen het risico van ‘spillover’ effecten met
zich mee. Hierdoor wordt Europa kwetsbaarder en
vatbaarder voor spanningen en conflict. Omdat hybride
dreigingen onverminderd groot zijn en de mondiale
openbare ruimtes’ door een sluipende dreiging worden
aangetast, wordt ‘global governance’ verder op de proef
gesteld.
Een grootschalige conventionele, nucleaire militaire
dreiging op Nederlands grondgebied blij onwaar-
schijnlijk. Wel bestaat het risico van ‘nieuwe’ dreigingen
zoals terrorisme, instabiliteit in de periferie van Europa,
met een toenemende kans op radicalisering, maat-
schappelijke ontwrichting, digitale aanvallen en de
(internationale) impact daarvan.
Het afgelopen jaar hee laten zien dat de trends zoals
deze zijn geschetst in de Monitor 2012, doorzeen en
dat de kwetsbaarheid voor internationale (economi-
sche) ontwikkelingen, zoals de economische crisis,
onverminderd groot blij. Ook voor Nederland kan dit
op termijn ingrijpende gevolgen hebben. In het licht
van bezuinigingen en een aanhoudende economische
crisis komen de klassieke ankers van het buitenland
beleid onder druk te staan. Hierdoor zal de samenwer-
king met Europese partners (EU) op het gebied van
veiligheid belangrijker worden, om zo de mondiale
agenda te kunnen blijven beïnvloeden. Om haar
huidige positie in het internationale systeem te
behouden zal Nederland over de EU grenzen heen
moeten kijken. Door de dreiging van ‘spillover’ effecten
van instabiliteit uit de periferie van Europa te beperken,
zal het belang van partners buiten het OESO-gebied
toenemen. Nederland zal hiertoe vaker in ad-hoc
samenwerkingsverbanden en clusters moeten deelne-
men, om zo niet alleen de stabiliteit in het buitenland,
maar ook de veiligheid dichter bij huis te waarborgen.
Demonstraties op Tahrirplein in Egypte
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 29
Joep Wijnands,
directeur Veiligheidsbeleid, ministerie van Buitenlandse Zaken
veilig Nederland
Veilige wereld,
(sociale) media zijn we mondiaal steeds nauwer met
elkaar verbonden. Dat is een groot goed. Tegelijkertijd
vormen cyberaanvallen een van de grootste veiligheids-
dreigingen van deze tijd.
Moderne dreigingen laten zich weinig gelegen liggen
aan grenzen of dijken. Interne en externe veiligheid
zijn steeds minder goed van elkaar te scheiden. Met
zijn open economie en internationale oriëntatie is
Nederland immers sterk aankelijk van het buitenland.
Terrorisme en piraterij vormen een veiligheidsprobleem
èn een economisch probleem. Nederlandse deelname
aan missies in conflictgebieden dient niet alleen ter
bestrijding van bijvoorbeeld terrorisme, maar ook voor
het veilig stellen van onze handelsroutes en de toegang
tot cruciale grondstoffen die nodig zijn voor onze
industrie van nu en morgen.
Strategische belangen en accenten
De Internationale Veiligheidsstrategie (IVS) onder-
scheidt drie strategische belangen op buitenlands
veiligheidsgebied:
• verdedigingvanheteigenenbondgenootschappe-
lijke grondgebied;
• eengoedfunctionerendeinternationalerechtsorde;
en
• economischeveiligheid.
Om deze belangen veilig te stellen, worden de volgende
accenten gezet in het buitenlands- en veiligheidsbeleid:
• Meer Europese verantwoordelijkheid: door het afnemende
relatieve gewicht van individuele Europese landen is
een verdieping van de samenwerking met Europese
partners nodig. Ook om relevant te blijven voor de VS
en de rest van de wereld. Een sterke EU die ook meer
verantwoordelijkheid neemt op het terrein van veilig-
heid en defensie is van belang voor een stabiel inter-
nationaal stelsel en een sterke NAVO. Dit betekent
ook meer defensiesamenwerking met andere Euro-
pese landen om ons militaire handelingsvermogen te
vergroten en voldoende slagkracht te behouden.
Veranderende omgeving
De wereld om ons heen verandert in snel tempo.
Zowel in economisch als in geopolitiek opzicht.
Machtsverhoudingen verschuiven, nieuwe grootmach-
ten winnen aan invloed. In deze veranderende wereld,
neemt de relatieve invloed van Europa af. Terwijl de
economie in Europa stagneert, laten Azië, Latijns-
Amerika en Afrika indrukwekkende groeicijfers zien. De
defensie-uitgaven in Europa vertonen een dalende
tendens, in andere delen van de wereld stijgen deze
juist. Snelle verandering en economische ontwikkeling
hee een keerzijde: instabiliteit. Toenemende onrust in
de ons omringende regio’s hee, zowel direct als
indirect, invloed op onze eigen veiligheid.
Dat de wereld complexer en onvoorspelbaarder is
geworden levert kansen op, maar ook dreigingen. De
snelle economische groei elders biedt kansen voor onze
export maar hee ook gevolgen voor de wereldwijde
voedsel-, grondstoffen– en energievoorziening. Ook
technologische ontwikkelingen brengen nieuwe
vraagstukken met zich mee. Denk aan de discussie over
schaliegaswinning en over drones. Door internet en
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201330
Sinds 21 juni jl. is er een kabinetsbrede visie op internationale
veiligheid – de Internationale Veiligheidsstrategie: “Veilige wereld,
veilig Nederland”. Een dergelijke strategie is volgens het kabinet
nodig omdat vandaag de dag vrede en veiligheid geen vanzelf-
sprekendheid zijn. In deze internationale veiligheidsstrategie
worden beleidsaccenten geformuleerd voor deze kabinetsperiode
op basis van een analyse van de belangrijkste ontwikkelingen in
onze internationale veiligheidsomgeving. Wat betekenen deze
ontwikkelingen voor onze strategische veiligheidsbelangen? Welke
kansen en bedreigingen brengen de veranderingen met zich mee
voor ons land? Wat betekent dit alles voor ons buitenlands- en
veiligheidsbeleid? Waar de bestaande Strategie Nationale Veiligheid
(2010) ingaat op binnenlandse maatregelen om de Nederlandse
veiligheidsbelangen te behartigen, richt deze strategie zich op
datgene dat Nederland ín en mét het buitenland onderneemt om
zijn belangen veilig te stellen.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 31
• Meer focus op instabiele regios nabij Europa: wat er gebeurt
aan de randen van de Europese Unie hee directe
gevolgen voor onze eigen veiligheid en economische
belangen. Zoals Timmermans schreef: als het huis
van de buren in brand staat, is het verstandig te
helpen met blussen. Instabiliteit en radicalisering in
het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn aanleiding
tot zorg. Op de korte termijn hebben deze strijdgebie-
den aantrekkingskracht op bepaalde groepen
Europese (ook Nederlandse) jongeren. Op de langere
termijn is de vraag wat deze ontwikkelingen
betekenen voor de stabiliteit in Europa zelf. Europa
zal meer verantwoordelijkheid moeten nemen en
meer moeten investeren in stabiliteit in de eigen
omgeving.
• Preventie: dat voorkomen beter is dan genezen, en
vaak aanzienlijk goedkoper, geldt ook voor veiligheid.
Dit ligt voor de hand bij onderwerpen als wapenbe-
heersing en terrorismebestrijding, maar is ook
essentieel bij crisismanagement en conflictpreventie.
Klimaatverandering, schommelende voedselprijzen
uitpuing van natuurlijke hulpbronnen, waaronder
waterschaarste zijn in toenemende mate de oorzaak
van (gewapende) conflicten. Deze bronnen van
conflict moeten in een zo vroeg mogelijk stadium
worden aangepakt.
• Ontwapening en wapenbeheersing: proliferatie van
massavernietigingswapens en rakeechnologie gee
steeds meer reden tot zorg. Een nog actievere inzet
van Nederland is daarom nodig voor de versterking
van het internationaal juridisch kader gericht op
non-proliferatie en ontwapening. Het uiteindelijke
doel is het geheel uitbannen van massavernietigings-
wapens, inclusief nucleaire wapens. Wederzijdse
ontwapening blij daarbij het uitgangspunt.
• Geïntegreerde benadering: aan crises liggen vaak vele
oorzaken ten grondslag. Duurzame veiligheid
ontstaat dan ook niet door aan één knop te draaien.
Het in goed overleg tussen de verantwoordelijke
bewindslieden geïntegreerd inzeen van het
beschikbare instrumentarium – diplomatie, ont-
wikkelingssamenwerking, defensie, inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, politie, justitie en handel – biedt
de beste kansen op blijvende resultaten. Dit inzicht
krijgt – mede dankzij Nederlandse inzet – steeds
meer weerklank bij andere landen en organisaties.
• Samenwerking met de private sector: economische
veiligheid is een integraal onderdeel van ons
veiligheidsbeleid. Het Nederlandse bedrijfsleven
hee ogen, oren èn belangen over de hele wereld.
Afspraken die wij maken met het bedrijfsleven
vergroten onze nationale veiligheid en de veiligheid
van de vitale sectoren zelf. Zo is de kennis en techniek
van bedrijven nodig om een veilige digitale wereld
dichterbij te brengen. Cyber security is een zaak van
overheid èn bedrijfsleven. Datzelfde geldt voor
energievoorzieningszekerheid en bescherming van
koopvaardijschepen.
Naast deze accenten blij er uiteraard een aantal
constanten in ons beleid. De trans-Atlantische samen-
werking en de NAVO blijven cruciaal voor de brede
veiligheid van Nederland. Nederland blij inzeen op
multilaterale samenwerking in verschillende verbanden
en organisaties. Een succesvol veiligheidsbeleid hee
alleen kans van slagen als we samenwerken: met andere
landen, internationale en maatschappelijke organi-
saties en het bedrijfsleven. ‘Bruggen slaan’ is ook in het
buitenlandbeleid het devies.
Van oudsher is de positie van Nederland – door zijn geo-
grafische ligging – als zeevarende natie en handelsland
onlosmakelijk verbonden met het buitenland en maken
we ons sterk voor een goed functionerende internatio-
nale rechtsorde en internationale stabiliteit. Een actieve
inzet voor wereldwijde stabiliteit en internationale
solidariteit is tevens een welbegrepen eigenbelang.
Want onze veiligheid begint en eindigt niet bij onze
landsgrenzen of bij de buitengrenzen van de Europese
Unie.
Vrede en veiligheid zijn geen vanzelfsprekendheid. Het
vergt een continue investering om een veilige wereld en
daarmee een veilig Nederland zeker te stellen.
Chris van Duuren,
Nationaal Crisiscentrum
Marieke Timmermans,
Permanente Vertegenwoordiging bij de EU
Eva Barneveld,
Nationaal Crisiscentrum
Nieuwe afspraken voor
crisiscoördinatie op Europees niveau
De CCA in de praktijk
De aanslagen in Mumbai in 2008, de uitbarsting van de
IJslandse vulkaan in 2009 en de aardbevingen in Haïti in
2010 toonden stuk voor stuk aan, dat er grens- en sector
overschrijdende rampen kunnen ontstaan, die een
gecoördineerde aanpak op EU-niveau vergen. Deze
‘rampen’ lieten echter ook zien dat de bestaande CCA
niet voldeden: zij werden geen enkele keer volledig
geactiveerd. Via de CCA-website werd informatie
gedeeld tussen lidstaten en instellingen over de
nationale aanpak en situatierapporten. De lidstaten
hadden een grote behoee aan informatie over
bijvoorbeeld consulaire bijstand (Mumbai), elkaars
aanpak van schaarste (geen vliegverkeer door vulkaan-
uitbarsting) en nationale bijstandsteams en hulpgoede-
ren (Haïti), maar de webpagina bleek onvoldoende
gebruikersvriendelijk om aan de behoeen te voldoen.
Dat kwam doordat de pagina niet regulier gebruikt
werd. De CCA waren opgesteld om een gepaste respons
op elke crisissituatie te kunnen formuleren, maar
tegelijkertijd bedoeld voor uitzonderlijke situaties die
zich niet dagelijks voordoen. Hierdoor kregen zij niet
genoeg bekendheid en werden zij niet vaak genoeg
gebruikt om echt goed te werken.
Intern onderzoek in 2010 onder de voorzierschappen
tussen 2006 en 2009 wees uit dat de activering van het
instrument niet laagdrempelig genoeg was. Men bleek
huiverig om de CCA te gebruiken, omdat dat een te
heig signaal naar de samenleving zou afgeven over de
reikwijdte van de ramp, in de wandelgangen ook wel
het ‘Armageddoneffect’ genoemd.
Daarnaast bracht het Verdrag van Lissabon de oprich-
ting van een nieuwe EU-instelling met zich mee: de
Europese Dienst voor Externe en Diplomatieke Betrek-
kingen (EDEO), met aan het hoofd de Hoge Vertegen-
woordiger voor Buitenland- en Veiligheidsbeleid,
Catherine Ashton. Deze nieuwe organisatie moest
worden ingebed in de CCA, vanwege haar bevoegd-
heden op het terrein van externe betrekkingen en
veiligheid. Het Verdrag bracht nog een novum met
zich mee: de solidariteitsclausule (artikel 222). Volgens
dit artikel zijn lidstaten verplicht elkaar bij te staan
wanneer één van hen getroffen wordt door een door de
De afspraken ‘oude stijl’
In 2006 werden door de EU-lidstaten (LS) de zogenaam-
de Crisis Coördinatie Arrangementen (CCA) opgesteld.
Dit zijn werkafspraken tussen de EU-instellingen en de
lidstaten over hun samenwerking bij een grens- en/of
sector overstijgende ramp binnen of buiten de EU.
De CCA werden door de EU opgesteld naar aanleiding
van de aanslagen in New York in 2001, Madrid in 2004
en Londen in 2005 en de tsunami in de Grote en
Indische Oceaan in 2004. De primaire drijfveer was het
internationale terrorisme, dat steeds meer de kop
opstak in Europese landen. De Ministers van Justitie en
Binnenlandse Zaken van de lidstaten spraken af dat het
(roulerend) voorzierschap van de EU voortaan de CCA
als coördinatie instrument tot zijn beschikking zou
hebben, ondersteund door de crisisstructuren van de
Europese instellingen.
Het doel van de CCA was de EU en haar lidstaten te
voorzien van een gecoördineerde strategische en
politieke respons op crisissituaties. Dat kan gaan om
coördinatie op het gebied van communicatie naar de
EU-inwoners, politieke besluitvorming of het simpel-
weg informeren van elkaar over de nationale analyse en
aanpak. De besluitvormingsprocessen in Brussel lopen
via de Permanente Vertegenwoordigingen, die daarmee
een cruciale spilfunctie vervullen tussen de lidstaten en
EU-instellingen als het gaat om onderhandelingen,
woordvoering en informatiedeling.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201332
Eind juni hebben de EU-lidstaten hun
afspraken over EU-brede crisiscoördinatie
op politiek niveau vernieuwd. De nieuwe
afspraken moeten het makkelijker maken
om op Europees niveau beslissingen te
nemen bij rampen binnen of buiten de EU
die om een respons op dat niveau vragen.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 33
natuur of door de mens veroorzaakte ramp, een
terroristische dreiging of aanslag en via de clausule om
bijstand verzoekt. Deze clausule moet worden gezien als
laatste redmiddel, als alle andere opties zijn uitgeput.
De CCA werden daarbij gezien als een geschikt instru-
ment om bij activering hiervan het handelen van de EU
te coördineren.
Om deze redenen werd in 2010 onder het Belgische
voorzierschap besloten de CCA grondig te herzien, met
als doel de afspraken flexibeler en laagdrempeliger te
maken.
Vernieuwing van de CCA: de IPCR
Op 26 juni van dit jaar nam de EU – na een herziening
die ruim drie jaar in beslag hee genomen – de nieuwe
arrangementen aan. Met de nieuwe naam, Integrated
Political Crisis Response arrangements (IPCR), moet het
verleden waarin de CCA bij de lidstaten onbekend en
onbemind waren, worden afgesloten en met een
schone lei worden begonnen. De nieuwe afspraken
moeten het makkelijker maken om op Europees niveau
beslissingen te nemen bij grote rampen die om een
respons op dat niveau vragen.
De nieuwe arrangementen zijn vooral bedoeld voor de
politieke coördinatie. Hiervoor moet alle voorhanden
informatie aan de beleidsmakers worden aangeboden.
Deze informatie moet vanuit de nationale crisiscentra
en de EU-instellingen en agentschappen via een
geïntegreerd informatieplatform binnen de Commissie
en EDEO uitkomen bij het politieke niveau dat de
beslissingen neemt. Omdat deze informatiestromen
snel op gang moeten komen is, in tegenstelling tot in
de oude arrangementen, gekozen te werken met de
bestaande vergaderstructuren. Hierdoor hoe niet elke
keer opnieuw een apart ‘vergadercircus’ te worden
opgetuigd. Dit moet ervoor zorgen dat het laagdrempe-
liger wordt voor een voorzierschap om de IPCR te
activeren.
Werkwijze van de IPCR
Het voorzierschap hee een leidende rol in de IPCR.
De Commissie, EDEO en het Raadssecretariaat onder-
steunen het voorzierschap in zijn rol. De basis van
de IPCR is dagelijkse monitoring door en informatie-
uitwisseling tussen instellingen en lidstaten, met in
het bijzonder de lidstaten die rond een bepaalde crisis
actief hun zorgen uiten.
Het voorzierschap beslist of zij tot activering over-
gaat en hoort betrokken partijen daarover. De
vervolgstap is het bijeenroepen van informele ‘round
table’-vergaderingen in Brussel met de Permanente
Vertegenwoordigers. Bij deze ronde tafel vergaderingen
worden adviezen geformuleerd voor de COREPER
(Comité van Permanente Vertegenwoordigers) of de
Raad van Ministers. De samenstelling van de Raad is
aankelijk van de geraakte sectoren en de verwachte
maatschappelijke en politieke impact daarvan. Het
voorzierschap kan ter voorbereiding hierop ook de
voor het onderwerp van de crisis relevante Raadswerk-
groepen bijeenroepen zoals de groep voor crisisbeheer-
sing (PROCIV) of hogere comités zoals het Politiek en
Veiligheidscomité (PSC) en het comité voor interne
Veiligheid (COSI).
Toekomst
Het komend half jaar worden de standaard procedures
uitgewerkt en gaan de lidstaten en instellingen het
beleid vormgeven en uitvoeren op het gebied van
opleiden, trainen en oefenen en crisiscommunicatie in
IPCR-verband. Daarnaast is het van groot belang dat de
sleutelfunctionarissen op het gebied van crisisbeheer-
sing in de lidstaten en de Europese instellingen de
nieuwe IPCR afspraken leren kennen en er mee leren
werken.
prof.dr.ir. Marjolein van Asselt,
hoogleraar risk governance, Universiteit Maastricht & lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)
dr. Esther Versluis, universitair hoofddocent European regulatory governance
universitair hoofddocent European regulatory governance
Agrobiotechnologie
en de politiek van risico-regulering
gewassen zijn zodanig genetisch veranderd dat ze
resistent zijn tegen bepaalde insecten of juist tolerant
voor een bepaald landbouwgif, waardoor het gif wel het
onkruid en niet de plant doodt. De insteek is dat de
opbrengst per hectare zo verbeterd kan worden.
In Europa is het gebruik van GMO’s in de landbouw,
in diervoeding en in voedselproductie omstreden. Er
worden nog altijd met enige regelmaat velden vernield,
regio’s of individuele boerderijen noemen zichzelf
GM-free en er zijn demonstraties tegen producenten
van GMO’s, ook in Nederland, zoals afgelopen mei
tegen Monsanto. Niet alleen de aard van de besluit-
vorming (het afwegen van goede en kwade kansen),
maar ook de maatschappelijke dynamiek maakt het
thema tot een politieke kwestie. Tegen die achtergrond
hebben we onderzocht hoe de diverse lidstaten op het
Europese toneel hebben gestemd.
Politiek tekort
Het is opvallend, zo niet onthutsend, dat in geen van
die 18 stemmingen er een gekwalificeerde meerderheid
voor of tegen was. De stemmen staakten. Met andere
woorden, de ‘politici’ slaagden er niet in om een besluit
te nemen.
Wat gebeurt er dan? Wordt er opnieuw gestemd net zo
lang tot dat er een meerderheid is? Nee. In de Europese
Unie is het anders geregeld: in dat geval krijgt de
Commissie het laatste woord. Op deze manier auto-
riseerde de Commissie alle geanalyseerde GMO’s: de
genetisch gemodificeerde mais- en koolzaadsoorten
werden toegelaten op de Europese, en daarmee ook op
de Nederlandse, markt.
De politieke dimensie van risicoregulering
In de wetenschappelijke literatuur is weinig aandacht
voor de politiek rondom risico-regulering en agrobio-
technologie. Daarom hebben wij (Navah e.a., 2013) 18
stemrondes in de SCFAH en de Council of Ministers
geanalyseerd. Vanwege data-beschikbaarheid hebben
we de periode 2003-2005 beschouwd. De besluiten
betroffen tien soorten genetisch gemodificeerde mais
bestemd voor de productie van voedsel en diervoeding
en één soort genetisch gemodificeerd koolzaad,
geproduceerd door Syngenta (CH), Monsanto (US) of
Pioneers/Dow AgroSciences (US). Dat is ongeveer 20%
van alle op de Europese markt toegelaten GMOs. De
In EU-verband wordt besloten of genetisch gemodiceerde zaden, landbouwproducten of voedselproducten
waarin GMO’s (genetically modied organisms) zijn verwerkt, worden toegelaten op de Nederlandse markt.
De goede en kwade kansen moeten worden afgewogen (zie WRR, 2011). Dat is een politieke afweging, die
thuishoort in een politiek gremium. Zo is het ook geregeld. Er zijn twee politieke organen waarin afgevaardigde
landen-vertegenwoordigers stemmen over agrobiotechnologische producten: de Standing Commiee on
Food Chain and Animal Health (SCFCAH) en de ‘ministerraad’ (Council of Ministers). Er is veel discussie over het
democratische gehalte van dergelijke organen, maar het zijn wel politieke instituten. Wat weten we over de politiek
van risico-regulering?
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201334
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 35
De Commissie is echter geen politiek orgaan, maar een
ambtelijk en technocratisch instituut. Er wordt vaak
gesproken over het ‘democratische tekort’ van de
Europese Unie, maar als het gaat om besluitvorming
over agrobiotechnologie dan is er nog een fundamen-
teler probleem. Er is een politiek tekort. Daarmee
bedoelen we dat besluiten die naar hun aard en maat-
schappelijke lading politiek zijn niet in de politieke
gremia worden genomen. Hoewel het volgens de
overeengekomen regels is, kunnen er fundamentele
vragen gesteld worden over de legitimiteit van dit type
risicobeleid.
Stempatronen
Vervolgens hebben we gekeken naar de stempatronen
van de lidstaten. Wij onderscheiden vier clusters op
basis van de manier waarop de landen stemden.
- Anti-GMO: Oostenrijk, Cyprus, Denemarken,
Griekenland, Hongarije, Litouwen, Luxemburg en
Malta.
- Pro-GMO: Tsjechië, Estland, Finland, Nederland,
Zweden en het Verenigd Koninkrijk.
- Ambivalent: België, Frankrijk, Italië, Letland en
Duitsland.
- Van pro/ambivalent naar anti: Polen, Portugal en
Ierland.
In de periode die wij bestudeerd hebben was er geen
land dat verschoof van ‘ambivalent/anti’ naar ‘pro’.
Vaak wordt aangenomen dat naarmate een nieuwe
technologie ingeburgerd raakt, ook de maatschappe-
lijke en politieke weerstand afneemt. Hoewel geneti-
sche modificatie al sinds midden jaren tachtig van
de vorige eeuw commercieel wordt toegepast in de
landbouw, was er aan het begin van de 21ste eeuw in
Europa sprake van toename van de weerstand.
Mede vanwege het gesignaleerde politieke tekort is het
draagvlak voor de genomen besluiten ook beperkt. Op
het niveau van de lidstaten zien we dan ook andere
politieke acties, zoals een nationaal verbod op het
verhandelen en cultiveren van GMO’s die op de Euro-
pese markt zijn toegelaten. Oostenrijk, Griekenland,
Hongarije, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland hebben
dergelijke verboden uitgevaardigd, ook nadat de
Wereldhandelsorganisatie dergelijk gedrag hee
veroordeeld (zie het artikel ‘De politieke rol van
risico-assessments’ in het Magazine Nationale Veilig-
heid en Crisisbeheersing, augustusl 2012). De Franse
en Duitse verboden zijn opvallend. In de door ons
onderzochte periode stemde Duitsland nooit tegen: 14
onthoudingen en 4 keer voor, waarbij die vier stemmin-
gen overigens allemaal betrekking hadden op dezelfde
maissoort (MON 863). Frankrijk stemde zelfs 13 keer
voor toelating op de Europese markt en slechts 5 keer
tegen.
De notulen van de politieke beraadslagingen in de
Europese gremia zijn niet openbaar. Dus we konden
niet langs die lijn het stemgedrag nader onderzoeken.
We hebben wel geanalyseerd in hoeverre de stem-
patronen verklaard kunnen worden door de politieke
machtsverhoudingen in de lidstaten. Stemmen ‘groene
regeringen’ tegen GMO’s? Dat bleek niet het geval.
Neem bijvoorbeeld Polen, die verschoof van ambivalent
naar negatief, terwijl een centrum-linkse regering
plaatsmaakte voor een centrum-rechtse. Ook het
pro-GMO blok bevat alle kleuren van de politieke
regenboog, inclusief ‘groene regeringen’. Verder viel
op dat als er in lidstaten majeure verschuivingen
plaatsvonden in de samenstelling van de regering dat
niet leidde tot een ander stempatroon. Dat gold in de
onderzochte periode bijvoorbeeld voor Nederland,
Zweden en Finland. Ook de ambivalentie en de daarmee
samenhangende variatie in het stempatroon kan niet
verklaard worden door parallelle veranderingen in
het nationale politieke landschap. Het lijkt erop dat
sommige landen een ingenomen positie hebben, waar
geen beweging meer in zit. Op die manier houden de
landen elkaar in de tang en worden er geen politieke
besluiten genomen.
Europa anti-GMO?
Europa wordt vaak gekarakteriseerd als anti-GMO:
de (potentiële) risico’s voor mens en milieu zouden
zwaarder wegen dat de (veronderstelde) voordelen.
Vandaar dat producenten als Monsanto ‘dreigen’ de
Europese markt links te laten liggen. Dit beeld doet
echter geen recht aan de variatie in de standpunten van
de lidstaten. De Europese Unie is helemaal niet verenigd
in een anti-GMO stellingname. In feite is het omgekeer-
de het geval: omdat de politiek er niet in slaagt om een
politiek besluit te nemen, staat de deur open voor
agrobiotechnologische producten. Genetisch gemodifi-
ceerde zaden, landbouwproducten of voedselproducten
worden langs technocratische weg toegelaten op de Euro-
pese markt. Als het gaat om de regulering van GMOs is
er een politiek tekort. Ook een land als Nederland, dat
op Europees niveau consistent pro-GMO stemt, zou zich
daar druk om moeten maken.
Referenties
- M. Navah, E. Versluis en M.B.A. van Asselt, ‘The
politics of risk decision-making: The voting behavi-
our of the EU member states on GMOs’, in: van M.B.A.
van Asselt, E. Versluis en E. Vos (red.), Balancing between
trade and risk: Integrating legal and social science perspectives,
Routledge, 2013, 128-146.
- WRR, Evenwichtskunst: Over de verdeling van verantwoor-
delijkheid voor fysieke veiligheid, 2011.
Michel Dückers,
Arq Psychotrauma Expert Group
Sander Banus, Marcel Mennen, Cisca Stom,
RIVM, Centrum Veiligheid
psychosociale hulpverlening
Investeren in de capaciteit voor
Verantwoordelijkheid voor PSH
Wie is verantwoordelijk voor PSH? In eerste instantie
zijn mensen zelf verantwoordelijk om hun eigen belang
te bewaken. De meeste mensen zijn daartoe prima in
staat, al dan niet met ondersteuning vanuit de eigen
sociale kring. Er is nieemin een groep – meestal wordt
de omvang geschat op 10-20% – met psychosociale
problemen die baat hee bij aanvullende zorg. De eigen
verantwoordelijkheid van de grote groep zelfredzamen
doet niets af aan de verantwoordelijkheid van overhe-
den voor de veiligheid en gezondheid van alle burgers.
Van overheden wordt verwacht dat ze de PSH coördine-
ren en faciliteren, knelpunten oplossen, beleid harmo-
niseren met oog voor verantwoordelijkheden en bevoegd-
heden van andere overheden. Bij een ramp zijn altijd
meerdere ministeries betrokken, waaronder VenJ als
bewaker van de nationale veiligheid. Zodra het op de
gezondheid en het welzijn van burgers aankomt, valt
PSH binnen het domein van het ministerie van VWS. De
taak is ondergebracht bij het Centrum Veiligheid van het
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Het RIVM werkt nauw samen met de Arq Psychotrauma
Expert Groep. Impact, het landelijk kennis- en advies-
centrum voor psychosociale zorg en veiligheid bij schok-
kende gebeurtenissen, is onderdeel van Stichting Arq.
Essentie van PSH
De essentie van PSH bestaat uit ondersteuning, hulp en
zorg voor mensen die zijn geconfronteerd met gevaar,
verlies, gezondheidsschade en een ernstige verstoring
van hun dagelijks leven. Of zij nu worden geëtikeeerd
als slachtoffer, patiënt of getroffene, de hulpverlening
moet passend zijn. Proportioneel, toegespitst op
behoeen en problemen, aansluitend op de eigen
veerkracht.
PSH laat zich lastig aakenen. In de smalste vorm gaat
het om zorg gericht op psychologische problemen die
(vermoedelijk) samenhangen met de gebeurtenis. In de
breedste zin zijn alle aspecten van de nafase relevant die
in relatie staan tot de veiligheid, het welzijn en de
gezondheid van getroffenen. Gebruikelijke PSH-thema’s
zijn opvang en verzorging, hereniging met dierbaren,
informatie en advies (over de gebeurtenis, de nasleep,
normale reacties, toegang tot hulpverleners en diverse
praktische zaken) en herdenkingen en monumenten.
Ook de afwikkeling van schadevergoeding en aanspra-
kelijkheid is van grote betekenis voor overlevenden en
nabestaanden.
Nationale veiligheid: psychosociale hulpverlening
altijd prioriteit
Het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting
door het waarborgen van de vitale belangen en
kernwaarden van onze samenleving, dat is de kern van
de Strategie Nationale Veiligheid. Rampen en crises
vormen een bedreiging die ons dwingt risico’s te
inventariseren, voorbereidingen te treffen, te voorzien
in een doortastende respons en maatwerk te bieden
bij de nazorg. Zowel voor de acute respons als voor
de nafase geldt dat de exacte uitdaging op voorhand
onbekend is. Omstandigheden bepalen problemen,
problemen bepalen prioriteiten. Omstandigheden
zijn onzeker, prioriteiten in principe dus ook. Een
verkenning van een aantal scenario’s van de Nationale
Risicobeoordeling – waarin steeds een inschaing
wordt gemaakt van de gevolgen van een gebeurtenis –
laat zien dat de psychosociale hulpverlening (PSH) altijd
een prioriteit zou moeten zijn. Zodra sprake is van
doden, gewonden, angst, verdriet, onmacht en
onzekerheid, vragen de gezondheid, het welzijn en
de veiligheid van mensen aandacht.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201336
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 37
psychosociale hulpverlening
Optimaliseren van de capaciteit
De Strategie Nationale Veiligheid inspireert tot het
kijken naar risico’s en dreigingen, de taken en uitdagin-
gen die daaruit voortvloeien en tot de slot de benodigde
capaciteit. Welke combinatie van mensen, middelen
en methoden vereist de PSH? Deze vraag hee een
kwalitatieve en een kwantitatieve dimensie.
Kwalitatief gezien zijn voor het verlenen van PSH in ieder
geval twee zaken essentieel:
- kennis over wat wel en niet te doen onder welke
omstandigheden;
- aanwezigheid van die kennis op de juiste plek:
toegang tot/ontsluiting van die kennis voor
gebruikers.
Kennis over wat wel en niet te doen
Om over een actueel referentiekader te beschikken
wordt voortdurend literatuuronderzoek verricht over
PSH bij rampen en crises in algemene zin, maar ook
toegespitst op bijzondere omstandigheden zoals CBRN
gebeurtenissen. De PSH inzet bij rampen en crises in
Nederland en buitenland wordt geanalyseerd en we
investeren doorlopend in ons evaluatie-instrumen-
tarium – aer-action reviews, quality of psychosocial
care vragenlijst. Daarnaast vindt voortdurend overleg
plaats met mensen uit praktijk, beleid en wetenschap
om in te spelen op actuele ontwikkelingen en behoef-
ten. De kennis zelf wordt vastgelegd in openbare
kennispublicaties en publiek toegankelijke kennisdata-
banken. In samenspraak met beoogde gebruikers en
andere betrokkenen worden bovendien standaarden
ontwikkeld – algemene multidisciplinaire richtlijnen,
maar ook concrete, doelgroep-specifieke
handelingsperspectieven.
Aanwezigheid van die kennis op de juiste plek
De kennis moet worden verankerd in het denken en
handelen van mensen in het veelvormige PSH netwerk.
Om de juiste kennis op de juiste plek te krijgen, wordt
vanuit het RIVM en Arq actief samengewerkt met de
partijen die op lokaal en nationaal niveau een rol
vervullen binnen de PSH, zoals Slachtofferhulp
Nederland, het Nederlandse Rode Kruis, gemeente en
veiligheidsregio, GGD, GGZ, artsen, psychologen,
psychiaters, maatschappelijk werk, welzijnsorganisa-
ties, ministeries en universiteiten. Inhoudelijk
kristalliseert die samenwerking uit in de standaarden
die op zichzelf al een voertuig zijn voor kennisversprei-
ding en implementatie. Maar het kan gerichter. De
uitwisseling tussen praktijk, beleid en onderzoek is
noodzakelijk om het gehele stelsel van organisaties
goed in te richten voor de hulpverlening. RIVM en Arq
onderhouden daartoe netwerken en verbinden het PSH
veld met experts en professionals uit relevante terreinen
zoals gezondheidsonderzoek, medische milieukunde,
toxicologie en virologie. Bijvoorbeeld via ontmoetings-
en uitwisselingsmomenten met gastsprekers, discussie-
sessies en workshops. Over actuele activiteiten,
producten en ontwikkelingen wordt gecommuniceerd
in nieuwsbrieven. Daarnaast is de kennis voeding voor
opleiden, trainen en oefenen; de drie-eenheid voor de
directe implementatie van kennis.
De genoemde activiteiten spelen in de koude fase, maar
vormen de basis voor de crisisadvisering in de warme
fase. Het Centrum Veiligheid draagt zorg voor de
vorming van een ad-hoc crisisteam om nationale en
lokale overheden te adviseren over de mogelijkheden
tot PSH tijdens de acute fase en de nafase (tijdens
kantooruren bereikbaar via het nummer: 030-274 2742,
buiten kantooruren via 030- 274 9111). Arq en Impact
zijn hierbij actief betrokken. Het crisisteam is ervaren in
het formuleren van praktische adviezen onder tijdsdruk.
Overheden en andere partijen mogen altijd een beroep
doen op het crisisteam. Doel is lessen uit eerdere crises
en wetenschap samen te brengen en te ontsluiten.
De kwantitatieve dimensie van de capaciteitsvraag gaat
over feitelijke en benodigde aantallen. De komende
periode wordt beter in kaart gebracht hoeveel mensen,
middelen en methoden beschikbaar zijn op het niveau
van Rijk en regio. Wat zijn hun kenmerken? Bij welke
organisaties zijn ze ondergebracht? Vervolgens kan
via verschillende scenario’s worden nagegaan of dit
toereikend is. Dat doet recht aan de uitingsvormen
van ramp en crisis. Scenario-denken is waardevol en
gangbaar binnen de crisisbeheersing. Echter, het is goed
om te benadrukken dat de lange termijn geen vanzelf-
sprekende plek inneemt in scenario-ontwikkeling. In de
nationale risicobeoordeling is dat bijvoorbeeld terug te
zien in de scoring van de impact van een gebeurtenis op
de sociale en maatschappelijke onrust. Die is met name
gebaseerd op directe effecten. De lange termijn is
minder grijpbaar, maar voor een inschaing van de
benodigde capaciteit in de nafase is een beeld van de
lange termijn onmisbaar.
Leren en anticiperen
Het is zaak de PSH meer systematisch te evalueren, te
leren van iedere inzet en de kwaliteitscyclus te sluiten.
Dit vraagt om de ontwikkeling, toepassing en versprei-
ding van evaluatiecriteria en -instrumenten. Naast leren
van het verleden is het nodig om vooruit te kijken.
Risico’s veranderen, nieuwe thema’s verlangen een
oplossing. Denk aan maatschappelijke onrust rondom
zedenzaken, asbest in woonwijken, allergie voor
purschuim etc. De PSH-kennis moet steeds mee
ontwikkelen en doordringen tot de juiste plek. Het
illustreert meteen de samenhang in alle activiteiten
zoals geschetst in dit artikel. Die samenhang bepaalt
de kwaliteit van de PSH-capaciteit.
Rieks Joosten en
André Smulders,
TNO
Risicomanagement
risico’s nog niet onderkend
nissen beheersbaar blijven. Door het bewust of
onbewust negeren van beschikbare signalen kunnen
gebeurtenissen onterecht bestempeld wordt als een
‘black swan’ of ‘perfect storm’ en daarmee onterecht
worden geëxcuseerd. Gevolg hiervan is dat er weliswaar
actie genomen wordt om de schade te beperken en te
herstellen, maar niet dat het falende risicomanagement
wordt verbeterd.
De DigiNotar casus
De DigiNotar crisis is hiervan een voorbeeld. Deze crisis
ontstond doordat bij een groot aantal partijen dat
aankelijk was van DigiNotar in de problemen kwam
toen bleek dat de certificaten van DigiNotar niet langer
te vertrouwen waren. Verschillende partijen dreigden de
ondersteuning voor deze certificaten in te trekken. Dit
escaleerde toen duidelijk werd dat er wellicht sprake zou
zijn van het intrekken van steun voor bovenliggende
certificaten, waardoor het effect versterkt zou worden.
We beperken ons voorbeeld tot de situatie waarin alleen
sprake was van het intrekken van de ondersteuning van
DigiNotar certificaten.
Een partij die van DigiNotar certificaten aankelijk was,
kan niet claimen dat het intrekken van de DigiNotar
certificaten een ‘perfect storm’ was. Voor die partij
was slechts één gebeurtenis relevant, namelijk dat de
DigiNotar certificaten werden ingetrokken. Dat dit
weer het directe gevolg was van het verliezen van het
vertrouwen in het DigiNotar certificaat systeem maakt
dit nog geen onwaarschijnlijke samenloop van
omstandigheden.
Een dergelijke partij kan ook niet stellen dat het
DigiNotar incident een ‘black swan’ was. Een signaal dat
tijdens het ontwerp van de dienst beschikbaar was, is
het feit dat de PKI structuur in Nederland uitdrukkelijk
specificeert dat certificaten ingetrokken kunnen worden
als er reden is om aan te nemen dat ze zijn gecompro-
mieerd. Een ander signaal, dat tijdens het operatio-
‘Black Swans’ en ‘Perfect Storms’
‘Black Swans’
1
zijn gebeurtenissen die niet eerder zijn
waargenomen en waarvan dus ook niet bekend is dat ze
kunnen voorkomen. ‘Perfect Storms’
2
zijn gebeurtenis-
sen die het gevolg zijn van een onwaarschijnlijke
samenloop van omstandigheden die elk voor zich
bekend en hanteerbaar zijn, maar in hun samenhang
een calamiteit opleveren.
Paté-Cornell stelt dat alleen gebeurtenissen die een
echte ‘black swan’ of een echte ‘perfect storm’ zijn,
geëxcuseerd kunnen worden. Andere potentieel
risicovolle gebeurtenissen dienen opgevangen te
worden in het reguliere risicomanagement proces, dat
ervoor moet zorgen dat de gevolgen van zulke gebeurte-
Simpele cybersecurity crisisanalyse verrast:
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201338
Volgens prof. Paté-Cornell van Stanford zijn
er twee soorten incidenten waar regulier
risicomanagement tekort schiet en een
crisis onvermijdelijk is: ‘Black Swans’ en
‘Perfect Storms’. In dit artikel laten we zien
dat een analyse van het DigiNotar incident
op basis van dit model leidt tot verrassende
conclusies. Deze manier van analyseren
helpt bestuurders om te komen tot betere
keuzes en een eectievere aanpak na een
incident.
1
De term ‘Black Swan’ is ontleend aan een gelijknamig boek van Nassim Taleb, waarin de auteur onbekende gebeurtenissen vergelijkt
met de ontdekking van zwarte zwanen door Nederlandse ontdekkingsreizigers in het 17e eeuwse Australië, terwijl in Europa tot dan
toe alleen wie zwanen voorkwamen.
2
De term ‘Perfect Storm’ is ontleend aan het boek ‘The Perfect Storm’ van Sebastian Junger, waarin de auteur beschrij hoe een
samenloop van gebeurtenissen die elk goed bekend en hanteerbaar zijn, leidt tot een calamiteit van buitengewone proporties. Het
doet denken aan de watersnoodramp van 53, waarin een samenloop van zwakke dijken, een zuidwesterstorm en springtij tot een
calamiteit leidden. Dit is vergelijkbaar met de ‘Swiss Cheese’ metafoor (Reason 1990).
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 39
nele leven van de dienst beschikbaar was, is de
berichtgeving over (mogelijk) gehackte certificate
authorities, zoals Comodo (maart 2011) en StartCom
(juni 2011), wat het denkbaar maakt dat ook DigiNotar
mogelijk gecompromieerd zou kunnen worden.
Risico’s van risicomanagement
Voor elke partij die een van de (meer dan 10.000) door
DigiNotar uitgegeven certificaten gebruikte, hadden
deze signalen aanleiding kunnen zijn om na te denken
over de gevolgen die dit voor hen zou kunnen hebben.
Toen het incident plaatsvond werden ze voor de acute
vraag gesteld hoe ze hun dienstverlening moesten
continueren bij gebrek aan daarvoor benodigde
certificaten. De (imago)schade die veel partijen hebben
opgelopen is dan ook volledig toe te schrijven aan het
feit dat zij het onverwacht intrekken van certificaten
niet als ¬risico hebben aangemerkt en dus ook geen
mitigerende maatregelen hebben genomen.
Bovenstaande analyse laat zien dat het falen van
DigiNotar de daaropvolgende crisis weliswaar hee
getriggerd, maar niet veroorzaakt. De daadwerkelijke
oorzaak van de crisis bestaat uit twee factoren: het
missen van signalen die het bestaan van dit soort
risicovolle gebeurtenissen (het falen van een CA)
aantoont, en het onvoldoende aandacht hebben –
zowel in de ontwerpfase als in het operationele leven
van systemen – voor het zelfstandig dan wel gezamen-
lijk optreden van zulke gebeurtenissen en de schade die
dit kan veroorzaken.
Het feit dat organisaties signalen missen in hun
risicomanagement en de risico’s van het optreden van
(samengestelde) bekende gebeurtenissen in (IT)
systeem¬ontwerpen niet meenemen, is wat ons betre
een duidelijk signaal, namelijk dat de huidige manier
waarop deze organisaties hun risicomanagement
hebben ingericht kennelijk ongeschikt is om bekende
en relevante risico’s mee te beheersen.
Volgens Paté-Cornell zou het reguliere risicomanage-
mentproces dit signaal dan ook moeten oppakken,
maar bovenstaande analyse laat zien dat het herkennen
van en acteren op zulke signalen alles behalve gemeen-
goed is. Dat lijkt ons een belangrijk risico van het
risicomanagement proces. Om dit risico te kunnen
adresseren is een nieuwe manier van denken over
risico’s nodig, en een bijbehorend nieuw risicomanage-
ment proces.
Een mogelijk alternatief
Binnen TNO hebben dit soort gedachten geleid tot
een nieuwe aanpak. Deze aanpak neemt de (bedrijfs)
doelstellingen (verplichtingen) op de verschillende
bestuurslagen als uitgangspunt en beoogt de bijbe-
horende risico’s (van het niet halen ervan) expliciet
en bestuurbaar te maken. Enerzijds gebeurt dit door
bestuurders aan doelstellingen (en dus risico’s) te
koppelen en anderzijds door in kaart te brengen waar
het welslagen van aankelijk is en signalen te inventa-
riseren die op mogelijke risico’s wijzen. Heldere criteria
om vast te stellen wanneer lijsten hiervan compleet zijn,
signaleren mogelijke risico’s in het risicomanagement
proces zelf.
Een andere eigenschap van deze aanpak is dat activitei-
ten een ‘menselijke maat’ hebben: managers hoeven
alleen hun eigen ‘scope of control’ te kunnen overzien
en de verplichtingen c.q. verwachtingen die zij hebben
ten aanzien van anderen (al dan niet binnen de eigen
organisatie). Gevolg hiervan is dat ook als zij onderdeel
zijn van complexe, genetwerkte samenwerkingsverban-
den, zij steeds ‘in control’ zijn omdat expliciet is
gemaakt over welke risico’s zij afspraken moeten maken
en duidelijk is met wie dat moet worden afgestemd.
Inmiddels is een experiment gestart waarin deze
methodiek wordt uitgeprobeerd in de praktijk. Totdat
de resultaten van dit experiment bekend zijn, kunnen
bestuurders het hier gepresenteerde model van ‘Black
Swans’ en ‘Perfect Storms’ gebruiken om in geval van
een incident te kunnen beoordelen of er eventuele
tekortkomingen zien in hun huidige risicomanage-
ment proces.
Referenties
E. Paté-Cornell, ‘On “Black Swans” and “Perfect
Storms”’: Risk Analysis and Management When
Statistics Are Not Enough’, in: Risk Analysis, 32 (2012),
1823–1833.
J. Reason, ‘The Contribution of Latent Human Failures
to the Breakdown of Complex Systems’, in: Philosophical
Transactions of the Royal Society of London. Series B, Biological
Sciences 327 (1990-04-12, 1241), 475–484.
Bertruke Wein en Rob Willems,
Radboud Universiteit Nijmegen
crisisoefeningen
Evaluatieraamwerk
voor
Daarmee zijn de kritische processen het vaakst als
evaluatiecriterium gevonden en bovendien zijn ze het
onderwerp van oefeningen om te beoordelen of (delen
van) de crisisstructuur werkt als beoogd.
Een andere bevinding uit het onderzoek is dat de voor
de kritische processen gehanteerde evaluatiecriteria
veelal zogenaamde ‘procescriteria’ zijn: het zijn criteria
die vooral gaan over de juiste handelwijze. Dit in
tegenstelling tot criteria die aangeven wat de gewenste
uitkomst van het kritische proces zou moeten zijn, de
zogenaamde ‘uitkomstcriteria’.
Het evaluatieraamwerk
Het evaluatieraamwerk bouwt voort op de meest
gehanteerde evaluatiecriteria (de kritische processen)
en focust op uitkomstcriteria. Allereerst een toelichting
op de kritische processen. Deze zijn voor het regionale/
lokale niveau (veiligheidsregio en aangesloten
gemeenten) vastgelegd in het Besluit Veiligheidsregio’s
en vinden feitelijk hun oorsprong in de Basisvereisten
Crisismanagement van het Landelijk Beraad Crisis-
beheersing (2006). Voor het nationale niveau (de
ministeries) ontbreekt een dergelijke weelijke basis.
De processen zijn echter voor het nationale en
regionale/lokale niveau grotendeels dezelfde; het
minieme verschil zit vooral in de precieze organisatie-
structuur en de te bereiken uitkomsten. Tussen de
Het onderzoek
Voor het onderzoek is een zo representatief mogelijke
selectie gemaakt uit de ruim 400 opgestuurde evaluaties
van nationale en voornamelijk regionale crisisoefe-
ningen. Deze selectie (ruim 70 evaluaties van crisis-
oefeningen) is allereerst geanalyseerd op gehanteerde
evaluatiecriteria. Hieruit kwam naar voren dat met
name de functie van de oefening bepalend is voor de
gevonden evaluatiecriteria, waarbij een onderscheid
kan worden gemaakt in de functies testen, ontwikkelen
en oriënteren.
Testen als functie komt nationaal het meest voor
(ongeveer 1 op de 2 evaluaties tegenover 1 op de 7
evaluaties regionaal) en evaluatiecriteria zijn met name
de zogenaamde ‘kritische processen’: melden &
alarmeren, opschalen, informatie managen en leiding
geven & coördineren. Ontwikkelen als functie komt
regionaal het meest voor (ongeveer 2 op de 3 evaluaties
tegenover 1 op de 4 evaluaties nationaal) en evaluatie-
criteria zijn opnieuw de kritische processen en de
competenties van belangrijke functionarissen in de
crisisstructuur dan wel de competenties van een team
als geheel. Bij oriënteren als functie tensloe (nationaal
ongeveer 1 op de 3 evaluaties, regionaal 1 op de 5
evaluaties) zijn de evaluatiecriteria divers, variërend van
meer inhoudelijk (crisisspecifiek) tot meer algemeen
van aard (samenwerking, communicatie).
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201340
Omdat evaluaties van crisisoefeningen veelvuldig van elkaar verschillen hee
het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het
ministerie van Veiligheid en Justitie de Radboud Universiteit/ITS te Nijmegen
gevraagd evaluaties van nationale en regionale crisisoefeningen onder de loep
te nemen. Doel was de gehanteerde evaluatiecriteria in kaart te brengen en op
basis daarvan met een raamwerk te komen voor het eectief evalueren van
crisisoefeningen. In dit artikel worden zowel het onderzoek als het uiteindelijke
evaluatieraamwerk toegelicht.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 41
kritische processen zit een duidelijke samenhang. Het
eerste kritische proces ‘melden & alarmeren’ hee tot
doel de onderdelen van de crisisstructuur in gereedheid
te brengen en te voorzien van de eerste, essentiële
beslisinformatie. Het proces daarna, ‘opschalen’ hee
tot doel de beschikbare eenheden inzetbaar te krijgen
op de daartoe aangewezen plaats. Vervolgens levert
het proces ‘informatie managen’ de grondstof (beslis-
informatie) voor het meest wezenlijke proces van
crisismanagement: ‘leiding geven & coördineren’.
Leiding geven & coördineren moet ten sloe leiden tot
een gecoördineerde aanpak van de rampenbestrijding
en/of crisisbeheersing via het treffen van juiste, tijdige
maatregelen. De uitkomst van de processen afzonderlijk
bepaalt uiteindelijk de uitkomst van de crisisstructuur
als geheel: alarmeren en opschalen resulteren in inzet-
bare eenheden, informatie managen resulteert in
beslisinformatie op basis waarvan via het proces leiding
geven & coördineren maatregelen worden getroffen.
Anders gezegd leiden de processen melden & alarmeren
en opschalen tot inzetbaarheid van de crisisstructuur,
het proces informatie managen tot bestuurbaarheid en
ten sloe het proces leiding geven & coördineren tot
weerbaarheid van de crisisstructuur. In het schema
staan deze evaluatiecriteria en de bijbehorende
uitkomst samengevat (zie figuur 1).
Door de kritische processen vervolgens in een stroom-
schema te plaatsen wordt duidelijk hoe de processen
en hun uitkomsten samenhangen. We beschrijven
het stroomschema kort: de input voor de processen
melding, alarmering en opschaling wordt geleverd door
de beschikbare (en geprepareerde) eenheden van de
crisisstructuur, wat resulteert in inzetbare eenheden.
Deze output vormt weer de input voor de processen
informatiemanagement en leiding & coördinatie wat
resulteert in beslisinformatie en uiteindelijke maat-
regelen. Deze output moet er uiteindelijk in resulteren
dat de (effecten van de) crisis beperkt dan wel voor-
kómen wordt (outcome). Door de begrippen doel-
matigheid en doeltreffendheid toe te voegen aan het
stroomschema ontstaat vervolgens het uiteindelijke
evaluatieraamwerk; de relatie tussen de input en output
in het stroomschema bepaalt de uiteindelijke doel-
matigheid en de relatie tussen de output en de outcome
de uiteindelijke doeltreffendheid van de getroffen
maatregelen. Het evaluatieraamwerk ziet er daarmee
als volgt uit (zie figuur 2. Voor de volledigheid is daarbij
ook het startpunt meegenomen: geprepareerde,
beschikbare eenheden).
Praktische wenk
Het voorgestelde evaluatieraamwerk vraagt iets extra’s
van degenen die oefeningen van (delen van) de crisis-
structuur voorbereiden en evalueren. Naast de ‘nor-
male’ voorbereiding op de evaluatie van een oefening
(ondermeer vaststellen functie, doel, doelgroep en
wijze van evalueren) vraagt het evaluatieraamwerk een
extra voorbereiding op het scenario. Aan de hand van
het scenario zal immers tevoren nagedacht moeten
worden over de verwachte output en outcome van de
crisisstructuur. Met andere woorden welke maatregelen
en bijbehorende beslisinformatie worden verwacht bij
dit specifieke scenario met welk beoogd effect? Deze
verwachte maatregelen en beslisinformatie vormen
vervolgens het startpunt van de evaluatie: welk effect
beoogden we, hebben we de juiste maatregelen
getroffen en beschikten we over de juiste beslis-
informatie?
Dit evaluatieraamwerk, met de focus op te treffen
maatregelen en bijbehorende beslisinformatie (op basis
van scenario’s gebaseerd op de nationale risicobeoorde-
ling of het regionale risicoprofiel), kan de opmaat
vormen voor een meer resultaatgerichte evaluatie van
crisisoefeningen.
Figuur 1
Figuur 2
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201342
samenwerken aan een
veilige digitale wereld
Wees Alert Online 2013:
Doe mee
Organisaties die zich al verbonden hebben
aan Alert Online zijn o.a. Nationaal Cyber
Security Centrum, Cyber Security Raad,
Shell, TNO, Nederland ICT, Nationale Politie,
VNO-NCW, Ordina, ECP platform voor de
InformatieSamenleving, Nationaal Platform
Criminaliteitsbestrijding, Cap Gemini,
RB&W, ministeries van Defensie, Veiligheid
en Justitie, Infrastructuur en Milieu,
Economische Zaken, Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken,
taskforce BID en NCTV als initiatiefnemer
van de campagne. Wilt u samen met deze
partijen optrekken en een activiteit
toevoegen aan het campagneprogramma?
Doe mee en sluit aan!
Meer informatie of direct aanmelden?
Achtergrondinformatie en voorbeelden
van deelname zijn hier terug te vinden:
www.alertonline.nl.
Aanmelden kan eenvoudig door een e-mail
te sturen naar: alertonline@nctv.minvenj.nl.
Nederland hoort bij de landen met de
meeste internetaansluitingen, het snelste
internet en de meeste internetbankierende
mensen. Dat gee Nederland een voor-
sprong en biedt kansen voor innovatie,
een hogere arbeidsproductiviteit en econo-
mische groei. Maar dat betekent ook dat
iedereen zich bewust moet zijn van gevaren,
risico’s maar nog belangrijker de kansen
die er zijn. Door gezamenlijk op te trekken,
krachten te bundelen en ervaringen te
delen, kunnen slimme, effectieve maat-
regelen worden getroffen om zo de digitale
veiligheid sterker te maken.
Krachten bundelen
In de week van 28 oktober tot en met
5 november 2013 start de NCTV weer
samen met het bedrijfsleven en overheid
de campagne Alert Online. De campagne-
week maakt het bedrijfsleven, overheid
en publiek bewust van hun internet- en
mobiel gebruik en de risico’s die dat met
zich meebrengen, maar wordt er ook breed
aandacht besteed aan de kansen die er
liggen voor bedrijven en overheden.
Een goed draaiende digitale samenleving kan niet zonder goede
beveiliging van het internet: Cyber security. Onze concurrentie-
positie, nationale veiligheid en ons dagelijks leven kan in het
gedrang komen wanneer vitale bedrijven en overheden hun
Cyber security niet op orde hebben.
Ben jij gespecialiseerd in het ontwikkelen
van oplossingen in nieuwe media, zoals
app’s, (serious) games en websites? En heb
je een goed idee hoe we deze multimediale
toepassingen in kunnen zeen om onze
samenleving tegen allerlei bedreigingen
te kunnen beveiligen? Doe mee met de
wedstrijd Secure Your Future! Het beste
product, concept of idee wordt beloond met
een mooie prijs én je krijgt professionele
begeleiding bij het marktrijp maken.
Waar zijn we naar op zoek?
We zijn in deze wedstrijd op zoek naar de
beste multimediale toepassing op veilig-
heidsgebied. Het draait hierbij zowel om
nationale veiligheid als om openbare veilig-
heid op straat, internetveiligheid en bescher-
ming van overige vitale infrastructuur.
Je kunt bijvoorbeeld denken aan een
toepassing op het gebied van crisiscommu-
ni-catie, GIS toepassingen, informatiedeling,
intelligence, cameratoezicht, contraterro-
risme, politieoptreden, brandweer, defensie,
slimme big data toepassingen, kennisma-
nagement, serious security gaming, veilig-
heidsonderwijs, crowd control, gaswolk
detectie. Of om multimedia toepassingen
voor detectie en opsporing van calamiteiten,
zoals chemische, biologische of radioactieve
besmeing of van digitale criminaliteit.
Meedoen?
Verzin of bouw een app, game, website,
video, Prezie of andere multimedia toepas-
sing en zend deze vóór 17 oktober 2013 in
via de website www.secureyourfuture.eu.
De toepassing hoe dus nog niet helemaal
uitontwikkeld te zijn tot een werkende
oplossing. Het mag ook een concept of
idee zijn, die je bijvoorbeeld helder uitlegt
in een presentatie, demonstratievideo. Ieder-
een met een goed idee mag meedoen, van
student, hobbyist tot ervaren ondernemer.
Heb je een vraag?
Kijk op de website of stuur een bericht aan
info@thehaguesecuritydelta.com
Secure Your Future is een initiatief van The Hague
Security Delta samen met technologietijdschri
De Ingenieur en het Koninklijk instituut van
Ingenieurs KIVI NIRIA.
Wedstrijd
SecureYourFuture.eu
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 43
Ester Willemsen, Instituut Fysieke Veiligheid (ester.willemsen@ifv.nl)
Vera Bánki, Geodan (vera.banki@geodan.nl)
Arda Riedijk, Geodan (arda.riedijk@geodan.nl)
Verspreiding natuurbranden
dynamisch modelleren
maatregelen nodig zijn, gericht op het
beperken van de grooe, de intensiteit en
de schade van natuurbranden. Om hiervoor
oplossingen te vinden wordt samengewerkt
tussen ministeries, provincies, gemeenten,
veiligheidsregio’s, brandweer, terrein-
beheerders en de recreatiebranche
1
.
Sneller en beter inzicht
Eén van de ontwikkelde oplossingen is het
verspreidingsmodel natuurbranden. Het
model helpt de hulpdiensten om beter
voorbereid te zijn op een natuurbrand; de
resultaten die het model genereert geven
bijvoorbeeld weer waar in een bepaald
gebied het grootste risico op snelle
uitbreiding van een brand is. Dit is cruciale
informatie bij het inschaen van risico’s
rondom zwaartepunten zoals verzorgings-
tehuizen, energiebedrijven, pretparken of
recreatiegebieden. Ook voor het oefenen
biedt het model meerwaarde, want op basis
van eerdere branden kunnen oefenscena-
rio’s worden gemaakt die het verloop van
een echte brand simuleren, al dan niet met
gebruik van Virtual Reality. Ten sloe gee
het model meer inzicht tijdens de besluit-
vormingsfase van een natuurbrand over
Van onbeheersbaar naar beheersbaar
Hoe snel en op welke manier een natuur-
brand zich verspreidt, is aankelijk van veel
factoren. Bijvoorbeeld de windrichting en
-snelheid, het type vegetatie maar ook de
ondergrond, droogte, leeijd en dichtheid
van de vegetatie. In droge periodes is de
kans dat een natuurbrand onbeheersbaar
wordt 50%. Dat betekent dat er bij de hel
van de natuurbranden in droge periodes
sprake is van onbeheersbaarheid. Of deze
branden onbeheersbaar blijven, is erg
aankelijk van de omstandigheden ter
plaatse. Dat betekent dat aanvullende
bijvoorbeeld evacuatie of de inzet zelf.
De meerwaarde van het nieuwe versprei-
dingsmodel natuurbranden zit in een aantal
elementen. Het model:
• houdtrekeningmetdeweerssituatieter
plaatse en die van de dagen hieraan
voorafgaand;
• anticipeertopveranderendeweersom-
standigheden;
• neemthettypevegetatievanhet
getroffen gebied mee in de berekening
(op basis van open data);
• istekoppelenaanbestaandegeogra-
sche informatiesystemen (GIS), dit maakt
het eenvoudig bruikbaar voor verdere
analyses zoals: het berekenen van de snel-
heid waarmee de brand een bepaalde
locatie bereikt, het opvragen van het
aantal bewoners of recreanten binnen de
natuurbrandcontour, of het maken van
een vergelijking met oudere natuur-
brandgegevens.
Bruikbaar basismodel
Vanuit innovatieplatform i-Bridge is er in
2012 een proof of concept van het model
ontwikkeld voor heidegebieden. Eind 2012
is dit project afgerond met een groots
opgezee eindoefening op Vliegbasis
Twente. Vanuit het project Effectief Blussen
is een doorstart gemaakt van proof of
concept naar een voor het veld bruikbaar
basismodel voor heidegebieden. Het
heidemodel zal tevens dienen als basis voor
de overige Nederlandse landschappen als
duin, veen en bos. Het model is reeds
beschikbaar voor professionals die zich
bezighouden met het voorkomen, bestrij-
den en onderzoeken van natuurbranden.
Meer informatie vindt u op
www.infopuntnatuurbranden.nl.
Nieuw rekenmodel inzetbaar door de hele veiligheidsketen
1
A. van Gullik, Natuurbrand, een onderschat risico, 2008.
Een model dat de uitbreiding van een natuurbrand betrouwbaar, real-time
en realistisch voorspelt bestond nog niet eerder in Nederland. De brandweer
is gewend te werken met statische mallen en vuistregels die hun werk doen
maar bijvoorbeeld geen rekening houden met de actuele weerssituatie ter
plekke. Het onderzoeksproject ‘Verspreidingsmodel Natuurbranden’ van het
Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), Efectis Nederland, diverse veiligheidsregio’s
en Geodan biedt daarin verandering. Het model is uitvoerig getest en met
succes ingezet bij de natuurbrand op de Groote Heide in Leende op 26 maart
2013. De brand voltrok zich in slecht toegankelijk gebied onder schemerige
omstandigheden. Ondanks het feit dat een berekening door het model een
benadering is van de werkelijkheid, kwam de uitkomst tijdens deze inzet
zeer dicht bij de werkelijke verspreiding.
Willem Treurniet en Kim van Buul,
TNO
Alexander Bouwman,
programmamanager Netcentrisch Werken, Instituut Fysieke Veiligheid
De staat van de netcentrische
crisisbeheersing
tussen de regio’s en hoe zij aansluiten bij het landelijke
niveau NCC en LOCC. Naar aanleiding van de huidige
staat van netcentrisch werken zijn er zes gebieden
geïdentificeerd die zich lenen voor een verdere door-
ontwikkeling:
• Een algehele professionaliseringsslag
Het algemene beeld is dat de nieuwe professie van
IM (zowel het proces, als de functionarissen) nog een
verdere professionaliseringsslag kan gebruiken.
Deze behoee geldt niet alleen voor IM, maar ook
om de samenwerking tussen IM en andere processen.
Met name in de samenwerking tussen informatie-
managers en ‘hun’ teamleider (op CoPI-, ROT- of
BT-niveau) is winst te halen. Er is behoee aan meer
informatie-gestuurd leiderschap, gericht op het
verbinden van zelfstandige en zelewuste
professionals.
• Verdere verfijning van de rol van de meldkamer en CaCo
Het snel beschikbaar hebben van een startbeeld is
belangrijk voor een snelle en adequate aandeling
en opschaling. De wijze waarop momenteel de
Calamiteiten Coördinator rol (CaCo-rol) wordt
ingevuld en de informatiepositie van de meeste
meldkamers in het algemeen leidt nog onvoldoende
tot de snelle beschikbaarheid van een informatief
startbeeld.
De landelijke scan
Aan de hand van zes workshop, waarin gebruik werd
gemaakt van een toetsingskader, is de huidige staat van
netcentrisch werken bij alle 25 veiligheidsregio’s, het
NCC en het LOCC in kaart gebracht. Het doel van de
workshops was om inzicht te krijgen in de wijze waarop
betrokkenen netcentrisch werken hebben geïmplemen-
teerd en welke keuzes daarin zijn gemaakt. Een belang-
rijk uitgangspunt van de workshops was de onderlinge
uitwisseling van ervaringen, knelpunten en good
practices tussen de regio’s, het NCC en het LOCC. Op
deze manier kon een duidelijk beeld worden geschetst
van de keuzes en invulling van netcentrisch werken
binnen deze partijen.
Naast de vorm van de workshops droeg ook de focus van
het toetsingskader bij aan de landelijke scan. Zo lag de
focus op de invoering van informatiemanagement (IM)
ter ondersteuning van de multidisciplinair leiding &
coördinatie, zoals dit ook de focus is geweest van het
landelijke project. Hierbij is nadrukkelijk aandacht
besteed aan de inbedding van het IM-proces in de
bredere procescontext.
Waar staan we nu?
Uit de workshops is duidelijk gebleken dat de meer-
waarde van een netcentrische aanpak onderkend wordt,
maar dat er nog grote verschillen zijn qua invulling
Meerwaarde netcentrische aanpak in de praktijk onderkend
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201344
Ruim zes jaar geleden stare Nederland met een landelijk project dat zich riche op het
verbeteren van de informatievoorziening voor de rampenbestrijding. Dit onder andere naar
aanleiding van het adviesrapport van de ACIR dat concludeerde dat de toenmalige informatie-
voorziening onvol-doende toereikend was tijdens rampen en crises om informatie goed te
laten stromen. Een netcentrische informatiedeling zou eraan moeten bijdragen dat alle crisis-
functionarissen op alle betrokken niveaus gelijktijdig toegang hebben tot de meest actuele
informatie. In 2007 stare het Landelijke project Netcentrisch Werken met de conceptontwikkeling
en in 2009 volgde de imple-mentatie bij alle veiligheidsregio’s, het NCC en het LOCC. Rond het
einde van het landelijke project hee TNO een landelijke scan gehouden om de balans op te
maken van de resultaten van het landelijke project: de huidige staat van netcentrisch werken
in Nederland. In dit artikel gaan we in op deze huidige staat, maar vooral waar nog uitdagingen
liggen en hoe deze opgepakt gaan worden.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 45
• Doorontwikkeling van beleidsteams
Wat hierboven is opgemerkt over de noodzaak tot
verdere professio-nalisering van IM, geldt in het
bijzonder voor het beleidsteam. De manier waarop
het totaalbeeld in het LCMS is opgebouwd en
gestructureerd is vooral toegesneden op de opera-
tionele aspecten van een incident. Informatie die
nodig is voor de taken waarvoor het BT gesteld wordt
en voor het maken van beleidsassessments, ontbreekt
deels.
• Aandacht voor grensoverschrijdende samenwerking
Grensoverschrijdende samenwerking – zowel over
regiogrenzen als over landsgrenzen – wordt op dit
moment nog niet of nauwelijks ondersteund door de
opgestelde werkwijze netcentrische crisisbeheersing
en het ondersteunende LCMS.
• Aandacht voor samenwerking met het rijksniveau
De netcentrische werkwijze, de functionaliteiten van
het LCMS en de mogelijkheden die het LCMS biedt
worden in de samenwerking tussen veiligheidsregio’s
en het rijksniveau nog onvoldoende benut. Bij de
veiligheidsregio’s is nog onvoldoende helder wat er
bedoeld wordt met de rollen van het rijk (faciliteren,
richting geven of sturen) en hoe deze rollen zich
verhouden tot de rollen en bevoegdheden van de
veiligheidsregio’s.
• Herbezinnen op de scope van netcentrisch werken
Er is bij de start van het landelijke project net-
centrisch werken bewust voor een bepaalde scope
gekozen: implementatie van IM ter ondersteuning
van het proces van grootschalige en multidiscipli-
naire leiding & coördinatie. De destijds gekozen
scope blijkt echter naarmate het project vordert,
in toenemende mate als ‘knellend’ te worden
ervaren. Diverse regio’s hebben geïnvesteerd
in – bijvoorbeeld – het informatienetwerk ter directe
ondersteuning van ingezee eenheden, in informatie-
management bij risicobeheersing en herstel en in het
delen van informatie met ketenpartners. Om uniformi-
teit van optreden te bevorderen en te handhaven, moet
de doorontwikkeling zich daarom herbezinnen op de
scope. Hierbij is het van belang om in de toekomst
nadrukkelijker het proces leiding & coördinatie in de
scope te betrekken. Met name door te investeren in dit
proces kan de winst van het werken op basis van een
actueel gedeeld beeld worden geoogst.
Hoe nu verder?
Het algemene beeld van ‘de staat’ is dat de implementa-
tie van netcentrische crisisbeheersing bij de veiligheids-
regio’s, bij het NCC en het LOCC daadwerkelijk in gang
is gezet; de professie van informatiemanagement (IM) is
op de kaart is gezet en bij daadwerkelijke incidenten is
en wordt de meerwaarde van een netcentrische aanpak
onderkend. Maar we zijn er nog niet. De landelijke scan
hee uitgewezen dat er nog belangrijke punten zijn om
verder door te ontwikkelingen.
Het landelijke project is afgerond, maar kent een door-
start in het programma Netcentrisch Werken onder
leiding van Alexander Bouwman. Dit programma is
ondergebracht bij het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV)
en zal de verdere doorontwikkeling samen met de veilig-
heidsregio’s, het NCC en het LOCC gestalte te geven. De
doorontwikkeling zal er op gericht zijn om te komen
tot een in voldoende mate uniforme aanpak voor de
veiligheidsregio’s, het NCC en het LOCC, zodat gespro-
ken kan worden van een landelijke werkwijze. De
inhoud van ‘de staat van de netcentrische crisisbeheer-
sing’ is daarbij van grote waarde en waardevolle input.
Fedor Meerts,
NCTV
CBRN Security Website & Middag
organisaties inzien om hun beveiliging te
verbeteren. In de eerste stap stelt de
gebruiker vast welke CBRN-stoffen de
organisatie in beheer hee en in welke
hoeveelheden. Dit is belangrijk om te
kunnen bepalen of – en zo ja welke – aan-
vullende maatregelen noodzakelijk zijn. In
de tweede stap beoordeelt de gebruiker aan
de hand van een vragenlijst het huidige
weerstandsniveau van zijn of haar organisa-
tie op de volgende thema’s:
• securitymanagement;
• registratieeninkoop;
• toegangsbeveiliging;
• transportenmobielgebruik;
• personeelenbewustwording;
• informatie-enkennisbeveiliging.
In de derde stap worden het risiconiveau en
het weerstandsniveau gevisualiseerd in een
spinnenwebdiagram. Per thema worden
daarna tips voor verbeteracties getoond.
CBRN Security Middag
Op 8 november 2013 organiseert de NCTV de
CBRN Security Middag, samen met de
Veel organisaties hebben de afgelopen jaren
hard aan gewerkt aan hun beveiliging, met
een duidelijke verhoging van het weer-
standsniveau tot gevolg. Om hen hierbij te
ondersteunen hebben de NCTV en de
betrokken ministeries – samen met een
groot aantal instellingen – een pakket
instrumenten ontwikkeld. Deze instrumen-
ten zijn vanaf nu op één centrale plaats te
vinden: www.nctv.nl/onderwerpen/tb/tools.
U vindt factsheets en modules die hulp
bieden bij:
• beveiligingopdeagendazeen;
• beveiliginganalyserenenmaatregelen
voorbereiden;
• securityawarenessbinnenuworganisatie
vergroten;
• beveiligingbeoefenenenevalueren.
Zelfanalysemodule CBRN Security
Een goed startpunt is de nieuwe online
Zelfanalysemodule CBRN Security. Hiermee
kunnen beveiligingsmanagers snel zelf hun
risiconiveau inschaen, de staat van hun
beveiliging beoordelen en tips van andere
ministeries van Economische Zaken (EZ),
Infrastructuur en Milieu (I&M), Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW) en
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Deze middag is gericht op managers die
dagelijks verantwoordelijk zijn voor de
beveiliging van CBRN-stoffen. In het
plenaire gedeelte zal de NCTV het actuele
dreigingsbeeld in Nederland toelichten.
Daarna zijn er workshops over de CBRN
Security instrumenten die vanuit de
Rijksoverheid aangeboden worden. Onder
meer staan workshops op het programma
over Zelfanalyse CBRN Security, Security
Awareness, Cyber Security Awareness,
spionage, Biosecurity, Red Teaming
oefeningen en maatregelen bij instellingen.
De middag biedt tevens de mogelijkheid
om ervaringen en kennis uit te wisselen
met collega’s. Deelname aan de dag is
alleen op uitnodiging. Werkt uw organisatie
met risicovolle CBRN-stoffen, maar hee
u nog geen uitnodiging ontvangen?
Neem dan contact op met de NCTV via
cbrn@nctv.minvenj.nl.
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201346
Chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) stoen hebben veel belangrijke toepassingen in Nederland,
maar zijn voor kwaadwillenden ook interessant om een aanslag mee te plegen. Daarom is het noodzakelijk om deze
risicovolle stoen goed te beveiligen. Bedrijven en overheidsinstellingen die werken met CBRN-stoen zijn zelf
verantwoordelijk voor een adequate beveiliging en moeten in staat zijn om signalen van misbruik te herkennen.
Redactieadres Magazine nationale veiligheid en
crisisbeheersing
Ministerie van Veiligheid en Justitie
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid, kamer Z.06.136
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
E-mail: magazine@nctv.minvenj.nl
Internet: www.nctv.nl
Redactiecommissie
Marcel van Eck, Paul Abels, Chris van Duuren,
Arjo van Driel, Chris Hanekamp,
Hedzer Komduur, Martine van de Kuit,
Jan-Bart van Oppenraaij,
Eelco van Stoergen, Maaike van Tuyll
en Geert Wismans (samenstelling en
eindredactie)
Redactieraad
Prof. dr. Ben Ale (Technische Universiteit Del)
Prof. dr. ir. Marjolein van Asselt (Universiteit
Maastricht, Wetenschappelijke Raad voor
het Regeringsbeleid)
Prof. dr. Edwin Bakker (Universiteit Leiden/
Centre for Terrorism & Counterterrorism)
Prof. dr. Arjen Boin (Universiteit Utrecht)
Mr. dr. Ernst Brainich
Prof. dr. Adelbert Bronckhorst (TNO/VU
Amsterdam)
Dr. Menno van Duin (Nederlands Instituut
Fysieke Veiligheid)
Prof. dr. Michel van Eeten (Technische
Universiteit Del)
Prof. dr. Georg Frerks (Universiteit
Wageningen)
Prof.dr. Beatrice de Graaf (Universiteit
Leiden/Centre for Terrorism &
Counterterrorism)
Prof. dr. Bob de Graaff (Nederlandse
Defensie Academie)
Prof. dr. Ira Helsloot (Radboud Universiteit
Nijmegen)
Prof. dr. Erwin Muller (Universiteit Leiden)
Dr. Astrid Scholtens (Crisislab)
Prof. dr. Erwin Seydel (Universiteit Twente)
Prof. dr. Rob de Wijk (Universiteit Leiden,
The Hague Centre for Strategic Studies)
Aan dit nummer werkten mee:
Paul Abels, Marjolein van Asselt,
Kamaldeep Badwal, Edwin Bakker,
Vera Bánki, Sander Banus, Eva Barneveld,
Sergei Boeke, Alexander Bouwman,
Inti Brazil, Erik Bulten, Kim van Buul,
Merijn ten Dam, Jan van Dijk,
Rosa Dinissen, Michel Dückers,
Chris van Duuren, Esselien van Eerten,
Joost van Elk, Constant Hijzen,
Rieks Joosten, Peter Knoope,
Noemi Kwaks, Fedor Meerts,
Marcel Mennen, Arda Riedijk,
Karin Roelofs, Joost van Rossum,
Alex P. Schmid, Dick Schoof,
André Smulders, Cisca Stom,
Marieke Timmermans,
Willem Treurniet, Esther Versluis,
Michiel de Weger, Bertruke Wein,
Lodewijk van Wendel de Joode,
Joep Wijnands, Rob Willems,
Ester Willemsen, Hans de Wit
Fotografie
AIVD, ANP, Geodan, Hollandse Hoogte,
IPI/Anna Blau, Ministerie van Defensie,
NCTV
IIlustraties
Instituut Clingendael, NCTV,
Radboud Universiteit Nijmegen/ITS
Cartoons
Foksuk.nl, Stripstudio.nl
Vormgeving
Grafisch Buro van Erkelens, Den Haag
Productiebegeleiding
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
Directie P&O / GMD / Grafisch Buro
J-16981
Druk
DamenVanDeventer
© Auteursrecht voorbehouden.
ISSN 1875-7561
Colofon
Voor een gratis abonnement mail: magazine@nctv.minvenj.nl
Het magazine is te downloaden via www.nctv.nl
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 2013 47
Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing augustus 201348
Alex P. Schmid,
nestor van het Nederlandse wetenschappelijk
onderzoek naar terrorisme
Vier vragen aan:
Tot hoe ver terug gaat uw wetenschappe-
lijke betrokkenheid bij de bestudering
van terrorisme en hoe bent u hierbij
betrokken geraakt?
“Ik kwam eind jaren zeventig vanuit
Zwitserland naar Nederland en vond al snel
werk bij het Centrum voor Onderzoek van
Maatschappelijke Tegenstellingen (COMT) in
Leiden. Het centrum kreeg van de regering
het verzoek onderzoek te doen naar de
Molukse kapingen. Ik deed een studie naar
de Molukse gijzelingsacties vanuit een
nieuwe invalshoek: geweld als communi-
catiestrategie. Tot dat moment was de
dominante visie op terrorisme dat het een
voortzeing was van guerrillaoorlog in een
stedelijke omgeving. Door de opkomst van
de massamedia, met name televisie, kreeg
het 19de eeuwse concept van de “propaganda
van de daad“ echter een nieuwe dimensie.
Ik zag dat gebeuren, en ontwikkelde een
theorie die ik uitwerkte in het boek Violence
as Communication; Insurgent Terrorism and
the Western News Media. Het was overigens
niet zo dat mijn invalshoek meteen als waar-
devol werd gezien. Ik herinner me nog een
krantenkop in het Leidsch Dagblad: “Dom,
dwaas en zelfs gevaarlijk”, zo werd mijn
pleidooi, om de sensatielust van de mas-
samedia via guidelines aan banden te leggen,
gekenschetst. Ik deed ook ander onderzoek
in de jaren tachtig, bij voorbeeld naar de
effectiviteit van geweldloosheid en naar
schendingen van mensenrechten.
Wat is uw fascinatie voor terrorisme en
contraterrorisme?
“Ik ben niet gefascineerd door geweld,
integendeel, ik verafschuw geweld en ben
daarom vooral geïnteresseerd in hoe je
geweld kan voorkomen of beperken. Mijn
moeder ontvluche de Sovjet Unie in 1932;
haar ouders kwamen in de nadagen van de
Eerste Wereldoorlog om het leven, tijdens de
Russische burgeroorlog . Mijn proefschri
aan de Universiteit van Zürich ging dan ook
over interventie en contrarevolutie in deze
burgeroorlog. Ook later liet Rusland mij niet
los. Zo schreef ik onder meer Soviet Military
Interventions since 1945 . Ook in een nieuwe
publicatie die binnenkort verschijnt, ‘Ter-
rorists on Trial’, die ik samen met Beatrice de
Graaf redigeer, behandel ik twee Russische
case studies. De eerste betre een rechtszaak
uit 1878 tegen Vera Zasulich, een revolutio-
naire aristocrate die aan de wieg stond van
het hedendaagse terrorisme , en de tweede
case study gaat over een Stalinistisch show-
trial medio jaren dertig.
Is er een vergelijking te maken tussen het
terrorisme en de bestrijding ervan in de jaren
zeventig en nu?
“Zelfmoordterrorisme bestond toen zo goed
als niet en religie speelde nog nauwelijks
een rol. Links terrorisme verdween met de
ondergang van de Sovjet Unie, terwijl etnisch
nationalistisch terrorisme ook na de Koude
Oorlog bleef voortbestaan. Het fanatisme is
toegenomen nadat in Iran de Ayatollahs de
macht overnamen en in Afghanistan, als
reactie op de Sovjet interventie, de Jihad
werd uitgeroepen. Een ander verschil is
dat de nexus tussen terrorisme en georgani-
seerde misdaad vroeger nauwelijks bestond.
Bij de bestrijding van terrorisme gebruikte
men toendertijd nog geen computers, al
legde in Duitsland Horst Herold met zijn
‘Rasterfahndungsstrategie’ de basis voor het
gebruik van data-mining bij de opsporing.
Nu is met de opkomst van het internet de
rol van communicatie strategieën zowel bij
het terrorisme als bij het contra-terrorisme
centraal komen te staan.
Hoe beoordeelt u het hedendaagse
wetenschappelijke onderzoek op het
vlak van terrorisme?
“Ik ben niet zo pessimistisch als Marc
Sageman, die onlangs stelde dat het onder-
zoek in de laatste tien jaren ‘stagneert’. Ik
deel wel zijn opvaing dat de verregaande
scheiding tussen academisch onderzoek en
inlichtingenwerk een beter begrip van ter-
rorisme in de weg staat, wat ook negatieve
gevolgen hee voor de bestrijding ervan. Een
betere samenwerking tussen wetenschap-
pers, beleidsmakers en practitioners komt
de effectiviteit van terrorismebestrijding ten
goede.
Foto: IPI/Anna Blau
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Two images, "black swans" and "perfect storms," have struck the public's imagination and are used-at times indiscriminately-to describe the unthinkable or the extremely unlikely. These metaphors have been used as excuses to wait for an accident to happen before taking risk management measures, both in industry and government. These two images represent two distinct types of uncertainties (epistemic and aleatory). Existing statistics are often insufficient to support risk management because the sample may be too small and the system may have changed. Rationality as defined by the von Neumann axioms leads to a combination of both types of uncertainties into a single probability measure-Bayesian probability-and accounts only for risk aversion. Yet, the decisionmaker may also want to be ambiguity averse. This article presents an engineering risk analysis perspective on the problem, using all available information in support of proactive risk management decisions and considering both types of uncertainty. These measures involve monitoring of signals, precursors, and near-misses, as well as reinforcement of the system and a thoughtful response strategy. It also involves careful examination of organizational factors such as the incentive system, which shape human performance and affect the risk of errors. In all cases, including rare events, risk quantification does not allow "prediction" of accidents and catastrophes. Instead, it is meant to support effective risk management rather than simply reacting to the latest events and headlines.
Article
Several recent accidents in complex high-risk technologies had their primary origins in a variety of delayed-action human failures committed long before an emergency state could be recognized. These disasters were due to the adverse conjunction of a large number of causal factors, each one necessary but singly insufficient to achieve the catastrophic outcome. Although the errors and violations of those at the immediate human-system interface often feature large in the post-accident investigations, it is evident that these 'front-line' operators are rarely the principal instigators of system breakdown. Their part is often to provide just those local triggering conditions necessary to manifest systemic weaknesses created by fallible decisions made earlier in the organizational and managerial spheres. The challenge facing the human reliability community is to find ways of identifying and neutralizing these latent failures before they combine with local triggering events to breach the system's defences. New methods of risk assessment and risk management are needed if we are to achieve any significant improvements in the safety of complex, well-defended, socio-technical systems. This paper distinguishes between active and latent human failures and proposes a general framework for understanding the dynamics of accident causation. It also suggests ways in which current methods of protection may be enhanced, and concludes by discussing the unusual structural features of 'high-reliability' organizations.
Menno van Duin (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid)
  • Dr
Dr. Menno van Duin (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid)
Astrid Scholtens (Crisislab)
  • Dr
Dr. Astrid Scholtens (Crisislab)
The Hague Centre for Strategic Studies)
  • Prof
  • Dr
Prof. dr. Rob de Wijk (Universiteit Leiden, The Hague Centre for Strategic Studies)