ArticlePDF Available

Kindisme en anti-kindisme na Korczak: kinderrechten tussen vooroordeel en SMECC-model

Authors:

Abstract

Door zijn leven en zijn dood voor en met kinderen blijft Korczak ons de vraag stellen: hoe staat het met de rechten van het kind in jouw land, in jouw tijd, in jouw leven? Korczak vraagt ons wat anno 2012 voor kinderen en hun rechten is bereikt. Wat kunnen wij antwoorden? Waar zijn wij op de weg van kindisme: vooroordelen, geweld en wreedheid tegen kinderen, naar anti-kindistische wetgeving en beleid op de vijf krachtlijnen van het SMECC-model?
1
Kindisme en anti-kindisme na Korczak:
Kinderrechten tussen vooroordeel en SMECC-model
Jan CM Willems
Eerdere versie in: Helma Brouwers en Theo Cappon (red.), Het verlangen naar een betere
wereld, Jaarboek 2012, Janusz Korczak Stichting, Amsterdam 2012 (in druk)
Door zijn leven en zijn dood voor en met kinderen blijft Korczak ons de vraag stellen: hoe
staat het met de rechten van het kind in jouw land, in jouw tijd, in jouw leven? Korczak vraagt
ons wat anno 2012 voor kinderen en hun rechten is bereikt. Wat kunnen wij antwoorden?
Waar zijn wij op de weg van kindisme: vooroordelen, geweld en wreedheid tegen kinderen,
naar anti-kindistische wetgeving en beleid op de vijf krachtlijnen van het SMECC-model?
Inleiding: kindisme
Antisemitisme, racisme en seksisme zijn bekende begrippen begrippen ook die ons met huiver
vervullen. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er vanuit de Verenigde Naties (VN) twee specifieke
verdragen tot stand om deze ‘-ismen uit te bannen: het Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen
van Rassendiscriminatie (het VN-Rassenverdrag van 1965) en het Verdrag inzake de Uitbanning van
alle vormen van Discriminatie tegen Vrouwen (het VN-Vrouwenverdrag van 1979). Even eeuwenoud
als antisemitisme, racisme en seksisme maar als begrip nieuw is childism, kindisme: vooroordelen,
geweld en wreedheid tegen kinderen.
Dankzij Elisabeth Young-Bruehl beschikken we sinds kort over een gedegen analyse van kindisme als
individueel en maatschappelijk vooroordeel tegen kinderen. Begin dit jaar verscheen van haar hand het
boek Childism: Confronting Prejudice Against Children, uitgegeven door Yale University Press
(hierna: Young-Bruehl 2012). Het is verplichte literatuur voor elke onderzoeker en activist op het
gebied van kinderrechten, maar ook voor beleidsmakers, ouders en al degenen die met en voor ouders
en kinderen werken. Young-Bruehl, die eind 2011 kort vóór het verschijnen van haar boek op 65-
jarige leeftijd overleed, was psychoanalytica en een erkend deskundige op het gebied van Prejudice
Studies, de wetenschappelijke bestudering van vooroordelen. Haar boek Childism uit 2012 is een
vervolg op haar in 1996 verschenen werk The Anatomy of Prejudices. Zij won prijzen met haar
biografieën van Hannah Arendt en Anna Freud en haar boek Why Arendt Matters.
Voor wie het boek Childism nog niet gelezen heeft, zal het begrip childism eerder verbazing oproepen
dan het soort afschuw of huiver dat uitgaat van de begrippen seksisme, racisme en antisemitisme.
Samenlevingen, en vooral ouders, willen toch het beste voor hun kinderen? Hoe kindvriendelijk, of
juist giftig voor het kind-zijn en de gezonde ontwikkeling van kinderen, zijn die samenlevingen
echter? Hoe navrant groot is niet de omvang van kindermishandeling: in rijke landen geschat op
grofweg tien procent per jaar. Hoe te verklaren dat ondanks onze rijkdom en kennis nog steeds één
2
op de drie jonge kinderen niet veilig is gehecht? Op zijn minst moeten daar structurele verschijnselen,
structurele tekorten, aan ten grondslag liggen.
In het verleden heb ik voor die structurele fenomenen en tekorten begrippen voorgesteld die min of
meer aan childism verwant zijn, namelijk parentiarchie (Willems 1992) en transgenerationele
discriminatie (Willems 1998), korte tijd later verkort tot transisme (Willems 2000a, 2000b).
1
Net zoals
patriarchie (kort gezegd: bezitsmacht van mannen over vrouwen en kinderen) verwijst parentiarchie
(kort gezegd: bezitsmacht van ouders over kinderen) als term naar de, in maatschappelijke structuren
verankerde, daderkant van vooroordelen, wreedheid en geweld. Het begrip seksisme verwijst
weliswaar meer of mede naar de slachtofferkant, maar daarbij denken we wel aan vrouwen als groep
waarop het patriarchale vooroordeel zich richt, maar niet aan kinderen. Ook bij de term huiselijk
gewelddenken we in de eerste plaats aan geweld tegen vrouwen, en pas in tweede instantie ook aan
kindermishandeling.
Transgenerationele discriminatie, in verkorte vorm transisme, verwijst naar vormen van achterstelling
en buitensluiting die van generatie op generatie worden doorgegeven. Het is een begrip dat meer
vanuit mensenrechten is beredeneerd, en vanuit onze kennis over de transgenerationele overdracht van
(jeugd)trauma’s en onveilige gehechtheid, dan vanuit de studie van vooroordelen (Prejudice Studies).
Maar los daarvan komen ook bij de term transisme kinderen als slachtoffergroep, als groep waarop de
vooroordelen van volwassenen zich bewust of onbewust richten, onvoldoende in beeld. Bij het begrip
childism ligt dat anders. Dit begrip is in de zeventiger jaren van de vorige eeuw al eens voorgesteld
door twee psychiaters, echter zonder veel succes. Wellicht dat één van hen, Jack Westman, daarom het
begrip juvenile ageism leeftijddiscriminatie tegen jeugdigen introduceerde (Westman 1994).
Juvenile ageism,” schrijft Westman, verwijst naar de opvatting dat kinderen het bezit van hun
ouders zijn, en geen burgers. En hij voegt daaraan toe dat het net zo kwaadaardig is als racisme, en
net zo alomtegenwoordig als seksisme (Westman 2011, p. 347).
In de literatuur zijn nog andere termen te vinden waarmee vooroordelen en discriminatie tegen
kinderen, dan wel machtsmisbruik van volwassenen ten opzichte van kinderen, worden aangeduid
zoals anti-youth racism (anti-jeugdracisme) en adultisme, of de variant adultocentrisme. Young-
Bruehl noemt dit out-of-focus-woorden.’ Zij is van mening dat de term childism geschikter is om ons
politiek bewust te maken en beter is om te onderzoeken wat de onderliggende oorzaken of motieven
zijn waardoor volwassenen er niet in slagen kinderen te koesteren, te voldoen aan hun (emotionele,
sociale en morele) ontwikkelingsbehoeften en hun rechten te respecteren (Young-Bruehl 2012, pp. 6
en 8). In navolging van Young-Bruehl zal ik voortaan ook het begrip childism hanteren, dat ik vanaf
hier als kindisme zal aanduiden.
Young-Bruehl definieert kindisme als “een vooroordeel tegen kinderen op grond van de overtuiging
dat zij bezit zijn, en kunnen (of zelfs moeten) worden beheerst, onderworpen of onzichtbaar gemaakt
om de behoeftes van volwassenen te dienen” (Young-Bruehl 2012, p. 37). Zij ziet in deze overtuiging
dezelfde narcistische, hysterische en obsessieve trekken terug die ook worden waargenomen bij
respectievelijk seksistisch, racistisch en antisemitisch bevooroordeelde mensen. Haar analyse op dit
punt is boeiend en overtuigend, maar het zou het bestek van deze bijdrage te buiten gaan om er hier
verder over uit te weiden.
1
Hieraan kunnen nog twee door de auteur geïntroduceerde begrippen worden toegevoegd, namelijk
ouderschapslibertinisme (Willems 1998) en privacycultuur (Willems 1998, 2000c). Voor een derde term:
bloedband-ideologie, zie bijlage 1 bij deze bijdrage.
3
Vooroordelen ook waar het om (de eigen) kinderen gaat tonen een gebrek aan respect, afgunst of
haat die met de eigen geestelijke gesteldheid of het eigen verleden, in het bijzonder traumatische
jeugdervaringen, te maken hebben (Young-Bruehl 2012, pp. 37 en 54; vergelijk ook Willems 1998,
pp. 473 e.v.). Een psychische gesteldheid en voorgeschiedenis die niet worden onderzocht, bewerkt en
waar mogelijk verwerkt, maar waarvan de negatieve inhoud en gevoelens op een specifieke groep
worden geprojecteerd en ‘uitgeleefd. De vraag is dan in hoeverre een maatschappij zich tegen deze
vooroordelen kant en wetten en beleid hanteert die bijdragen aan bewustwording, educatie en
geestelijke gezondheid. En die tegelijk de slachtoffers weerbaar maken en beschermen. Niet alleen
materiële armoede in arme landen (denk bijvoorbeeld aan kinderarbeid) maar ook geestelijke en
emotionele armoede in rijke landen, onder meer tot uitdrukking komend in vooroordelen, kunnen van
generatie op generatie worden doorgegeven bij ontbreken van moreel leiderschap van regeringen en
van wetten en beleid die er paal en perk aan stellen. Niet onaannemelijk is dat kindisme ten grondslag
ligt aan tal van andere discriminerende ‘-ismen’ zoals antisemitisme, racisme en seksisme, maar ook
homofobie en islamofobie. In de woorden van Darcia Narvaez (2012): “Prejudice against children
may be the most widespread of prejudices likely the one from which all others spring.
Anti-kindisme
De hierboven genoemde VN-verdragen uit 1965 en 1979, het Rassenverdrag en het Vrouwenverdrag,
verplichten tot respectievelijk anti-racistische en anti-seksistische wetgeving en beleid. Maar wat als
kinderen het slachtoffer worden van het ‘niet geleefde leven’ van volwassenen? Er is sinds 1989 wel
een VN-Kinderrechtenverdrag (in de officiële vertaling: Verdrag inzake de Rechten van het Kind),
maar in hoeverre is dat een verdrag om kindisme uit te bannen, een verdrag dat verplicht tot anti-
kindistische wetgeving en beleid? Als het concept kindisme al zo onbekend is, wat kunnen we op dit
vlak dan van het Kinderrechtenverdrag verwachten?
Het Kinderrechtenverdrag van 1989 gaat uit van het kind als subject van rechten. Het kind zien als
subject van rechten in plaats van als (ouderlijk) bezit, is natuurlijk een belangrijke eerste stap. Zoals
alle VN-mensenrechtenverdragen kent het Kinderrechtenverdrag een toezichthoudend orgaan, het
zogenaamde Comité inzake de Rechten van het Kind, samengesteld uit onafhankelijke deskundigen
die diverse rechtsstelsels en culturen vertegenwoordigen. Dit Comité zetelt in Genève en vaardigt
vandaaruit Algemene Aanbevelingen (zogenaamde General Comments) uit voor alle staten die partij
zijn bij het Kinderrechtenverdrag. Op drie landen na Somalië, de VS en Zuid-Soedan zijn dat alle
lidstaten van de VN en nog een drietal kleine entiteiten (Niue en de Cook-eilanden almede het
Vaticaan): 193 staten-partijen in totaal. Het Geneefse Kinderrechtencomité heeft inmiddels dertien
Algemene Aanbevelingen naar al deze staten doen uitgaan. Daarnaast stuurt het Comité aanbevelingen
naar elk land apart (in de zogenaamde Concluding Observations) in het kader van de statenrapportage-
procedure (zie <www.ohchr.org>).
Aanbevelingen van het Comité inzake de Rechten van het Kind om wetten en beleid in te voeren die
geweld tegen kinderen, economische, seksuele en emotionele exploitatie, mishandeling en
verwaarlozing moeten tegengaan, kunnen bijdragen aan het uitbannen van kindisme. Maar als we naar
de omvang van onveilige gehechtheid van baby’s en peuters kijken (één op de drie kleintjes!), en naar
de bijna niet de bevatten omvang van kindermishandeling in rijke landen (één op de tien kinderen!),
dan is meteen duidelijk dat de root causes de kernoorzaken en diepere motieven van kindisme niet
duidelijk zijn, en dus niet effectief kunnen worden aangepakt.
4
Een andere belangrijke stap in de goede richting is de aanbeveling door het Comité van Ministers van
de Raad van Europa, aangenomen in december 2006, om wetgeving en beleid in te voeren om
zogenaamd ‘positief opvoeden’ te bevorderen. Anti-kindistisch beleid zou omschreven kunnen worden
als beleid dat leidt tot de algehele invoering van positief opvoeden. Door de Raad van Europa, die
zetelt in Straatsburg, wordt positief opvoeden omschreven als “ouderlijk gedrag dat is gebaseerd op
het belang van het kind; dat zorgzaam is en niet-gewelddadig; dat de eigenwaarde van het kind
bevordert en dat zowel waardering als leiding omvat, met inbegrip van het stellen van grenzen, om de
volledige ontplooiing van het kind mogelijk te maken (Raad van Europa 2006).
Hoe fraai dit alles ook klinkt, we moeten wel beseffen dat het zowel vanuit Genève als vanuit
Straatsburg om aanbevelingen gaat, zonder directe bindende rechtskracht. Aanbevelingen ook die niet
of nauwelijks door de media worden opgepakt, en die dus niet doordringen tot het algemene publiek.
Zo zullen we hierna nog zien dat inmiddels bijna de helft van de lidstaten van de Raad van Europa (23
van de 47) de aanbeveling heeft overgenomen om in het nationale familierecht een verbod op te
nemen op het slaan en vernederen van kinderen door hun ouders. Nergens is dit echter gepaard gegaan
met de essentie de raison d’être van dat verbod: het stelselmatig informeren van alle ouders over
opvoeden zonder fysiek of geestelijk geweld, over respectvolle en (daardoor) effectieve vormen van
opvoeden. Laat staan dat het ergens in Europa (bij mijn weten) tot verplichte vormen van
opvoedingseducatie voor aanstaande ouders heeft geleid. Slaan en vernederen van kinderen is
overigens niet zelden onderdeel van of de aanzet tot (meer) ernstige vormen van kindermishandeling.
We keren nog even terug naar Young-Bruehl. Het heeft niet zoveel zin, stelt zij in Childism, om
kindermishandeling te bestuderen in termen van de verschillende vormen en gradaties van ouderlijk
doen en nalaten: fysieke en/of emotionele mishandeling en/of verwaarlozing en/of seksueel misbruik.
Dat leidt er slechts toe dat naar de stem van kinderen of van volwassenen die in hun jeugd één of
meerdere vormen van kindermishandeling hebben ervaren, onvoldoende of in het geheel niet wordt
geluisterd. Het is beter naar de motieven de vooroordelen en projecties van ouders te kijken. En
naar de mate waarin die vooroordelen in de samenleving worden getolereerd of zelfs onder het mom
van family values worden bekrachtigd. Die family values, gezinswaarden, omvatten namelijk niet de
rechten van kinderen maar wel ouderlijke privileges die ook in de wetgeving zijn verankerd. En die
bovendien niet of nauwelijks ter discussie staan. Op dit punt verlaat ik de analyse van Young-Bruehl
om deze vanuit de optiek van de mensenrechten door te trekken naar het nationale familierecht in het
algemeen en dat van Nederland in het bijzonder.
Kindistische wettelijke privileges
In een racistische maatschappij geniet een etnisch gedefinieerde groep wettelijke privileges ten
opzichte van een andere etnisch gedefinieerde groep (of groepen). In een seksistische maatschappij
geldt dat voor mannen ten opzichte van vrouwen (en voor hetero- ten opzichte van homoseksuelen). In
een kindistische maatschappij kunnen we dus wettelijke privileges verwachten van volwassenen,
inzonderheid ouders, ten opzichte van kinderen.
Uit het deels nog onvoltooid verleden zijn de privileges van blanken tegenover zwarten, ‘ariërs’
tegenover Joden (en andere groepen) en mannen tegenover vrouwen welbekend. Dit soort
bevoorrechting wordt niet langer geaccepteerd en dient door wetgeving en beleid actief te worden
bestreden. Staten die daarin te kort schieten, worden daarop aangesproken binnen en buiten
5
internationale gremia, met inbegrip van nationale en internationale rechters. Maar wettelijke privileges
van volwassenen ten opzichte van kinderen worden nog steeds als vanzelfsprekend gezien, laat staan
dat er verdragsverplichtingen bestaan om deze uit te bannen. Het gaat hierbij in essentie om twee
wettelijke privileges, waarvan althans het eerste, zij het halfhartig, door Nederland is afgeschaft.
Volwassenen hebben nog steeds in vijf van de zes landen het privilege van geweld tegen kinderen:
het zogenaamde ouderlijke tuchtigingsrecht. Hoewel Nederland dat recht in 2007 formeel heeft
afgeschaft, is het slaan en vernederen van kinderen, onder het mom van disciplinering en onder het
voorwendsel van privacy en recht op gezinsleven, in ons land nog steeds gemeengoed. Daarbij worden
dan bovendien privacy en gezinsleven van volwassenen bedoeld, met uitsluiting van kinderen en met
voorbijgaan aan wat de essentie van privacy is: bescherming van de persoonlijke (lichamelijke èn
geestelijke) integriteit. De term ‘pedagogische tik’ verbloemt nog steeds inbreuken op de persoonlijke
integriteit die geen enkele volwassene zou dulden als het niet om zijn of haar eigen handelen ten
opzichte van zijn of haar eigen kinderen ging.
Daarnaast hebben volwassenen, overal ter wereld, het privilege van onvoorbereid ouderschap, wat in
veel gevallen neerkomt op een privilege van wreedheid tegen kinderen. We kunnen dit ook aanduiden
als het privilege van het automatische ouderlijke gezag bij de geboorte van een kind. Ouderlijk gezag
wordt door het familierecht dus door de wetgever toegekend zonder screening, voorbereiding of
zelfs maar een opvoedingsbelofte. Doordat de wetgever ouderlijk gezag automatisch toekent, ook aan
absoluut incompetente verzorgers ouders die niet eens voor zichzelf kunnen zorgen noch de
verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en gezondheid aankunnen , worden baby’s uitgeleverd
aan dreigende of daadwerkelijke wrede of onmenselijke behandeling.
Ouderlijke incompetentie kan ook relatief zijn, in gevallen waarin intensieve begeleiding toch een
minimaal verantwoorde verzorging en opvoeding mogelijk maakt. Bij absolute incompetentie moeten
we denken aan vormen van emotionele blindheid die opvoederschap onverantwoord maken, zoals bij
diepe hechtings- of (andere) zware empathiestoornissen. Het gaat dan om het ontbreken van
empathisch en zelfreflectief vermogen, in het bijzonder bij psychiatrische aandoeningen (met name
sommige persoonlijkheidsstoornissen
2
) die in ernstige mate gepaard gaan met de narcistische,
obsessieve of hysterische karaktertrekken en vooroordelen waar Young-Bruehl over schrijft. Helaas
wordt voor onverantwoord opvoederschap de term onverantwoord ouderschap gebruikt, maar
ouders kunnen natuurlijk altijd begeleid worden in hun existentiële ouderrol, óók als zij niet de
opvoeders van hun kind zijn doordat tijdig waar mogelijk en noodzakelijk al prenataal adoptie of
andere vervangende gezinsopvoeding in of buiten de eigen familiekring is geregeld. Meewerken aan
verantwoord opvoederschap is altijd verantwoord ouderschap.
Gaat het niet te ver het privilege van onvoorbereid ouderschap een privilege van wreedheid tegen
kinderen te noemen? Is ons familierecht onze wetgever en daarmee onze samenleving wreed?
Uitlevering aan ernstig dreigende wrede of onmenselijke behandeling is een grove schending van
mensenrechten. Kan dat ook zo worden gezien als een pasgeborene door het automatische ouderlijke
gezag wordt toevertrouwd aan absoluut incompetente verzorgers? Er is immers de hoop van zegen,
dat wil zeggen de hoop op ingrijpen achteraf als schade of ernstig gevaar is gesignaleerd en gemeld
door kinderbescherming en kinderrechter. Helaas moeten we, in het licht van onze huidige kennis
over vroege hersenontwikkeling en ontwikkeling van veilige gehechtheid bij pasgeborenen,
2
Zie bijlage 2 bij deze bijdrage voor de stoornissen die geconstateerd werden bij Gerben K., vader en
mishandelaar van baby Dayton (geboren 28 april, overleden 24 juli 2011).
6
constateren dat postnataal ingrijpen, achteraf ingrijpen in ouderlijk gezag om ouderlijke rechten te
beperken of te beëindigen, per definitie te laat is. De hersenen ontwikkelen zich en veilige
gehechtheid ontstaat door intensieve en sensitieve interactie met de baby, door adequaat (in vaktaal
responsief) te voldoen aan diens basisbehoeften aan koestering, zorg en troost. Gezonde hersen- en
gehechtheidsontwikkeling staat of valt met sensitief, responsief ouderschap. Incompetent ouderschap,
onverantwoord opvoederschap, moet in het licht van onze huidige kennis over de levenslange
medische, psychische, relationele en sociale gevolgen van vroegkinderlijke traumatisering lees: van
ernstig verstoorde hersenontwikkeling in de cruciale eerste levensjaren beschouwd worden als wrede
en onmenselijke behandeling van pasgeborenen. De hoop van zegen van het nationale
familierechtelijke kinderbeschermingsrecht rechtvaardigt derhalve geenszins de schending van het
internationale mensenrechtelijke verbod op wrede of onmenselijke behandeling. Ik zal hierna dan ook
spreken van het wreedheidsprivilege als het om het privilege van onvoorbereid ouderschap, van
automatisch ouderlijk gezag gaat.
Beide hierboven aangestipte ouderlijke privileges het geweldsprivilege van het (formeel in ons land
afgeschafte) ouderlijk tuchtigingsrecht en het wreedheidsprivilege van het onvoorbereid automatisch
opvoederschap kunnen anno 2012 beschouwd worden als wettelijke en sociale uitwassen van het
oude vooroordeel dat kinderen het bezit van hun ouders zijn. Zoals eens zwarte slaven het bezit van
blanken waren, formeel tot de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863. En
zoals eens vrouwen het bezit waren van mannen, waaraan in ons land weliswaar al in 1809 paal en
perk werd gesteld door de afschaffing van het tuchtigingsrecht van de man, maar waarvan het laatste
aperte bezitsprivilege pas verdween in 1991 door de strafbaarstelling van verkrachting van de vrouw
binnen het huwelijk.
Het bezit van de sterkere of dominante partij (de vreemde ander-als-bezit, de vrouw-als-bezit, het
kind-als-bezit) kan gewenst zijn voor eigen profijt of gerief, voor eigen belangen of emotionele
noden, voor eigen meerdere eer of glorie maar het is en blijft bezit: een object waarover respectloos
macht wordt uitgeoefend. Zogenaamd met de beste bedoelingen, zogenaamd uit liefde, zogenaamd om
eigen bestwil. Zo’n bezitsobject kan ook ongewenst zijn: kinderen die er niet hadden mogen zijn, of
‘vreemde’ mensen die niet thuishoren in ‘ons’ land. Kinderen, of ‘vreemde’ mensen, die worden
buitengesloten, verwaarloosd, vernederd, verwijderd. Dat kan met kinderen in bepaalde gezinnen
gebeuren, met levenslange en soms fatale gevolgen. Of met ‘vreemde’ mensen in een bepaalde
maatschappij soms met genocidale consequenties, zoals in nazi-Duitsland. De geschiedenis van
Korczak en zijn kinderen is bekend.
Gelukkig staat het kindistische geweldsprivilege thans wereldwijd ter discussie. Het VN-
Kinderrechtenverdrag (officiële benaming: Convention on the Rights of the Child, afgekort CRC; in
Nederlands: Verdrag inzake de Rechten van het Kind, afgekort: VRK), aangenomen door de
Algemene Vergadering van de VN op 20 november 1989 (voor Nederland in werking getreden op 8
maart 1995), wordt daartegen met wisselend succes ingezet. Eén op de zes landen heeft het privilege
inmiddels afgeschaft (23 in Europa, 5 in Afrika, 3 in Zuid-Amerika, Israël, Nieuw-Zeeland). Maar nog
nergens heeft dat geleid tot de wettelijke consequentie van verplichte oudercursussen over opvoeden
zonder geweld (positief opvoeden in de terminologie van de Raad van Europa). Ook Nederland heeft
dit privilege afgeschaft, in 2007. Artikel 1:247 lid 2 Burgerlijk Wetboek werd toen aangevuld met de
zinsnede: “In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk
geweld of enige andere vernederende behandeling toe.” Uit de parlementaire behandeling blijkt dat
‘geweld’ gelezen moet worden zoals door het Comité inzake de Rechten van het Kind bedoeld, en dus
ook de zogenaamde ‘pedagogische tik’ omvat. Op het punt van de bescherming van de lichamelijke en
7
geestelijke integriteit schept de wet sinds 2007 in principe volkomen rechtsgelijkheid tussen
volwassenen en kinderen: hitting people is wrong and children are people too!
De wetswijziging in 2007 ging echter niet gepaard met verplichte oudereducatie over positief
opvoeden. Ja zelfs een publiekscampagne over het verbod op de ‘pedagogische tik’ bleef tot op heden
achterwege. De invoering van het verbod op slaan en vernederen, en daarmee de formele afschaffing
van het ouderlijk tuchtigingsrecht in ons land, kan derhalve als voornamelijk symbolisch worden
gezien. Omdat er geen ruchtbaarheid aan de wetswijziging is gegeven, is de afschaffing van het
parentiarchale tuchtigingsrecht nagenoeg onbekend. In de praktijk bestaat het geweldsprivilege in ons
land nog volop. Hoe anders verliep dat in Zweden, waar het verbod op de pedagogische tik’ in 1979
werd ingevoerd, en op de melkverpakking stond afgebeeld.
In tegenstelling tot het kindistische geweldsprivilege staat het kindistische wreedheidsprivilege echter
niet eens ter discussie. Kinderrechten hebben er nog nergens toe geleid dat kinderen door
kinderrechteneducatie op school en volwassenen in, bijvoorbeeld, aanstaande-vader- of
moedergroepen op ouderschap worden voorbereid. Laat staan dat er sprake is van educatieve
responsabilisering: schoolse en prenatale voorbereiding die ervan uitgaan dat opvoederschap aan
bepaalde kinderrechtelijke criteria moet voldoen. Nog nergens mag ouderlijk gezag pas daadwerkelijk
worden uitgeoefend als elementaire condities zijn vervuld. Nog nergens is een wettelijke
minimumstandaard of wettelijk richtsnoer ingevoerd met noodzakelijke voorwaarden om, met steun
van de omgeving, te kunnen voorzien in de basisbehoeften van een baby aan liefde en zorg. Ook bij
aperte ongeschiktheid of grote noden van opvoeders wachten we af tot kinderen ernstig zijn
beschadigd. Nog steeds regeert de kindistische leugen dat kinderen veerkrachtig zijn, of te jong om
zich iets te herinneren. Maar het kinderlichaam ‘vergeet’ niet – zoals vroegere of latere psychische en
gezondheidsproblemen laten zien. En veerkracht ontstáát juist door liefdevolle zorg.
Het SMECC-model
De gevolgen van het ontbreken van een wettelijke minimumstandaard voor opvoeding en opvoeders,
en de daarmee samenhangende voorbereiding, educatie, brede facilitering en gerichte ondersteuning
van ouders (volgens het hierna aan te stippen SMECC-model), zijn net zo onbekend als men in een
kindistisch wegkijkende samenleving mag verwachten. Om de belangrijkste gevolgen op een rij te
zetten: één op de drie jonge kinderen is onveilig gehecht; één op de tien kinderen wordt elk jaar
mishandeld of verwaarloosd (in rijke landen); één op de twintig baby’s wordt geslagen of door elkaar
geschud (Nederland); één op de vijf volwassenen kampt met emotionele, gezondheids- en sociale
problemen als gevolg van beschadigende jeugdervaringen (Willems 2012). Trauma’s, onveilige
gehechtheid, vooroordelen, geweld, wreedheid ze worden nog steeds op grote schaal aan volgende
generaties doorgegeven.
Zoals dat met vooroordelen wetende onwetendheid gaat, laten niet alleen de menselijke maar ook
de sociale en maatschappelijke, ja zelfs de economische kosten ons ogenschijnlijk koud. Slechte
gezondheid, verslaving, criminaliteit, schooluitval, arbeidsuitval en uitkeringsafhankelijkheid als
gevolg van incompetent en beschadigend opvoeden nemen we op de privileges-koop toe.
Onvoorbereid ouderschap wordt niet als sociale misstand of economische kostenpost gezien.
8
Collectief lijken we niet geïnteresseerd in verspreiding van kennis over vroege kindontwikkeling en
opvoeding hersenontwikkeling, ontwikkeling van veilige gehechtheid, cruciale inzichten uit
neurowetenschappen, ontwikkelingspsychologie, ontwikkelingspsychopathologie, pedagogiek,
ouderbegeleiding Dat de kosten van kindisme voor de belastingbetaler een veelvoud zijn van anti-
kindistisch beleid, lijkt ons niet te deren. Of ligt juist in de enorme toename van onze kennis op al deze
gebieden, en de economische reikwijdte daarvan, de kiem voor anti-kindistische hoop? De kiem van
het verlangen naar en de daarop gebaseerde inzet voor een betere wereld? Verlangen en inzet op
geleide van wetenschappelijke kennis en kinderrechten?
Zeker, er is hoop, er zijn gunstige tekenen. Het kind als meer of minder gewenst bezit maakt
langzaam plaats voor het kind als gewenst subject van rechten dat aanspraak maakt op respectvolle
bejegening en opvoeding. Maar het kindistisch vooroordeel dat met de mond ‘het belang van het kind
vooropstelt maar in de praktijk laat wijken voor de luimen en privileges van volwassenen, is nog
steeds dominant. Hoewel de privileges het familierecht betreffen, laten andere rechtsgebieden zien hoe
die privileges en de achterliggende vooroordelen en onwetendheid (tegen beter weten in) ook daar
doorwerken in achterstelling en beschadiging van kinderen. Zo bevatten het vreemdelingenrecht en het
jeugdstrafrecht tal van regels en uitvoeringspraktijken die juist niet het ontwikkelingsbelang van
kinderen dienen; die daarmee zelfs direct in strijd zijn. Kinderrechtenorganisaties, en de in 2011 in ons
land aangetreden kinderombudsman, Marc Dullaert, komen daartegen terecht in het geweer. Ook het
familierechtelijk geweldsprivilege oudereducatie als wezenlijk onderdeel van het verbod op slaan en
vernederen van kinderen staat op hun agenda.
Met het familierechtelijk wreedheidsprivilege is dat helaas niet het geval. In Nederland steekt alleen de
kinderrechtenorganisatie NoKidding op dit punt haar nek uit. NoKidding doet dat (onder leiding van
directeur Friso van der Wal) door ons te confronteren met de omvang en bovenal de ernst van
kindermishandeling, door de “pijn en beschadiging van het kind zichtbaar en voelbaar” te maken als
basisvoorwaarde voor bewustwording, inzicht, gezamenlijke actie en maatschappelijke verandering
(zie <www.no-kidding.nu>). Voor NoKidding begint de weg naar voorbereid ouderschap bij het
‘bewegen’ van het publiek – scholieren en volwassenen als persoonlijk ‘geraakte’ omstanders van
kindermishandeling. Raken en bewegen: “Dit doen wij, wat doe jij?”
Een andere kinderrechtenorganisatie, KinderrechtenNu (officieel Stichting Kinderrechten en
Menselijke Ontwikkeling), brengt in een groeiend aantal gemeenten kinderen met elkaar en met
volwassenen in gesprek over thema’s die direct raken aan het recht van het kind op voorbereide
opvoeders. Ze doet dat door de inzet van jeugdambassadeurs (9 tot 12-jarigen), en aan de hand van een
kinderrechtenchecklijst en het kinderrechtenspel, ontworpen door adviseur kinderparticipatie en
kinderrechten Willemijn Dupuis, oprichter van de Stichting (zie <www.kinderrechten.nu>).
In 2012 herdenken we de zeventigste sterfdag van Janusz Korczak, de Poolse kinderarts, pedagoog en
“weeshuisopvoeder tussen de kinderen (…) die in 1942 met zijn tweehonderd kinderen en
medewerkers meereisde naar de gaskamers van Treblinka” (Waaldijk 2008, p. 147). Alweer 91 jaar
geleden schreef Korczak in de congresrede ‘De lente en het kind’ (Korczak 1921, p. 102):
“Men mag niets doen zonder voorbereiding, zonder kwalificatie, zonder toezicht, zonder verantwoording
zonder kwalificaties mag men niet eens schoenpoetser zijn. Zelfs een middel voor het poetsen van
deurklinken dient geanalyseerd te worden of het geen gif bevat, geen bijtende, schadelijke eigenschappen
heeft. Maar iedereen kan vader en moeder worden, wie dat ook maar wil. Om een stalletje met sodawater te
openen, moet men een vergunning hebben, toestemming van de autoriteiten, en hier, waar een mens verwekt
9
wordt, niets, behalve: ik had lust. (…) Zo kan het niet verder gaan, het moet eerst door de wetenschap en dan
bij wet verboden worden.”
Wetenschap en wet kunnen voortplanting moeilijk verbieden, maar wel eisen dat zonder voorbereiding
en screening aan de hand van een minimumstandaard aan niemand de zorg voor een pasgeborene
wordt toevertrouwd, met andere woorden dat niemand (de bevoegdheid tot het uitoefenen van)
ouderlijk gezag krijgt zonder dat bepaalde wettelijk vastgelegde minimale voorwaarden zijn vervuld.
Deze minimale voorwaarden dienen in de minimumstandaard te worden opgenomen, en betreffen
basale kwalificaties op het punt van kennis, inkomen, empathisch en zelfreflectief vermogen en
kinderrechtelijk commitment van de opvoeders-in-spe. In Nederland hoeft daartoe slechts nadere
invulling en daadwerkelijke uitvoering te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 1:246 van
ons Burgerlijk Wetboek. Dit artikel luidt:
Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld, en zij wier geestvermogens
zodanig zijn gestoord dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij de stoornis van
tijdelijke aard is.”
Gestoorde geestvermogens is natuurlijk geen terminologie van deze tijd. Maar het hier bepaalde
biedt wel een belangrijk aanknopingspunt voor modernisering en uitwerking van de wet, bijvoorbeeld
in de volgende, eerder door mij bepleite vorm (Willems 2011; criteria ontleend aan Vopat 2007):
“Bevoegd tot het gezag zijn zij die vanaf de conceptie doch uiterlijk bij de geboorte van hun kind:
a.) beschikken over basiskennis omtrent zwangerschapsgezondheid, babyzorg, voeding en opvoeding,
blijkend uit schoolvak of cursus;
b.) in geval van eerdere veroordelingen of maatregelen wegens (‘huiselijk’) geweld, kindermisbruik,
verwaarlozing of mishandeling een succesvolle behandeling hebben ondergaan;
c.) blijkens een medisch of psychiatrisch attest niet verslaafd zijn aan alcohol, nicotine of andere schadelijke
drugs of lijden aan psychiatrische aandoeningen die een ernstige bedreiging vormen voor de totstandkoming
van een veilige gehechtheidsrelatie met hun baby;
d.) over een basisinkomen uit werk of uitkering beschikken, en over adequaat onderdak voor de verzorging
van een baby;
e.) bereid en in staat zijn tot het afleggen van een opvoedingsbelofte de rechten van hun kind te beschermen
en er altijd voor het kind te zijn, hoe de relatie met de huwelijks- of samenlevingspartner zich ook moge
ontwikkelen.”
In dit voorstel komen wetenschap en kinderrechten samen om tot responsabilisering van volwassenen
te komen, en zo het einde in te luiden van het kindistisch wreedheidsprivilege. Het voorstel werpt een
handschoen toe aan iedereen die van kinderen houdt en hun rechten wil bevorderen en beschermen;
aan iedereen die, in alle ootmoed, een voorbeeld neemt aan Janusz Korczak.
Daarmee is uiteraard niet gezegd dat we er met dit voorstel zijn. Verre van dat. Of een wettelijke
minimumstandaard nu in bovenstaande of in enigerlei andere vorm wordt ingevoerd, is van minder
belang dan het besef, en het handelen naar het besef, dat zo’n standaard hooguit de spil kan zijn van
een mééromvattend anti-kindistisch beleid. Een dergelijk beleid dient namelijk in nauwe samenhang
op vijf deels in elkaar overlopende hoofdlijnen te worden gevoerd. Deze vijf hoofd- of krachtlijnen
de Big Five van de aanpak van kindisme en kindermishandeling zijn samen te vatten onder het
acroniem SMECC. SMECC staat voor School (kinderrechteneducatie en participatie), een wettelijke
Minimumstandaard, Educatie over positief opvoeden, Child- & family-friendly policies (de CLYCO-
vijf) en Continuum of care (een professionele zorgketen). Schetsmatig aangeduid, en met verwijzing
10
naar de diverse bouwstenen voor integraal SMECC-beleid in het Verdrag inzake de Rechten van het
Kind (VRK), gaat het dan om:
1. School: het schoolcurriculum
In basis- en voortgezet onderwijs is kinderrechteneducatie een kerndoel, en in samenhang daarmee
allerlei vormen van participatie op school en in de wijk alsmede educatie over kindermishandeling,
democratisch ouderschap en positief opvoeden. Deze kinderrechteneducatie hoort integraal onderdeel
te zijn van persoonlijke, sociale en burgerschapsvorming (zie artikel 29 alsook artikel 42 VRK).
Kortom: voorbereid ouderschap, als onderdeel van democratisch burgerschap, al op school en in de
wijk laten beginnen.
2. Minimumstandaard: aanpassing Burgerlijk Wetboek artikel 1:246
De modernisering en concretisering van de toegang tot ouderlijk gezag aan de hand van een
minimumstandaard (zie het voorstel hierboven met betrekking tot artikel 1:246 Burgerlijk Wetboek).
Prenatale screening van ernstige risicos wordt aldus algemeen (en dus non-discriminatoir) en
transparant gemaakt (als eis van rechtszekerheid). Bij niet voldoen aan de minimumstandaard kan hulp
worden aangeboden en/of opgelegd (prenatale zorg en kinderbescherming). Ook kan, in zorgvuldig
overleg met alle betrokkenen, prenataal adoptie of andere vervangende gezinsopvoeding voorbereid
worden, in of buiten de eigen familiekring. Hoofddoel is te zorgen voor competente opvoeders aan
elke wieg en een einde te maken aan de wettelijke ‘uitlevering’ van pasgeborenen aan situaties van
wrede of onmenselijke behandeling (zie artikel 19 en artikel 37a VRK).
Kortom: door een wettelijke minimumstandaard aanstaande ouders in hun verantwoordelijkheid
plaatsen, als ouders-en-opvoeders òf als ouders-niet-opvoeders van hun kind.
3. Educatie met inbegrip van emancipatie en empowerment
Informatie en educatie over positief opvoeden invoeren voor alle aanstaande opvoeders vanaf
kinderwens en/of zwangerschap (zie artikel 5, artikel 18 lid 2, artikel 24 lid 2 en artikel 42 VRK).
Educatie staat daarbij in het teken van emancipatie: beide ouders zijn verantwoordelijk en moeten hun
zorgtaken kunnen delen (artikel 18 lid 1 VRK). Alsook in het teken van empowerment: alle ouders
hebben recht op algemene en specifieke steun (artikel 18 lid 2 en artikel 19 lid 2 VRK).
Kortom: door educatie aanstaande ouders in hun kracht plaatsen.
4. Child- & family-friendly policies: kindvriendelijk CLYCO-beleid
Uitbouw van kind- en gezinsvriendelijke wetgeving en beleid, in het bijzonder met betrekking tot de
vijf aan de hand van een tweede acroniem: CLYCO hieronder kort aangestipte punten. CLYCO
staat voor: Child care (kinderopvang); parental Leave (ouderschapsverlof); positive Youth policy
(positief jeugdbeleid); Community (omgeving, buurt, wijk) c.q. (pedagogische) Civil society, en parent
Organization and participation (ouderorganisatie en ouderparticipatie). CLYCO gaat over
ouderschapsversterking op vijf nauw samenhangende en elkaar deels overlappende gebieden.
11
4.1 Child care (kinderopvang)
Ruime facilitering en stimulering van oudereducatie, empowerment en emancipatie door c.q. in
combinatie met ingrijpende verbetering van de kinderopvang (artikel 4 en artikel 18 lid 3 VRK).
Kinderopvang staat in het bijzonder in dienst van de gezonde fysieke, emotionele, sociale en morele
ontwikkeling van de peuter (artikel 6 lid 2 en artikel 24 VRK).
4.2 (Parental) Leave (ouderschapsverlof)
Ruime facilitering en stimulering van oudereducatie, empowerment en emancipatie door de introductie
van vader- en moedergroepen, bijvoorbeeld in de vorm van pre- en postnatale workshops bij de Centra
voor Jeugd en Gezin, in combinatie met uitbreiding van zwangerschapsverlof, aanstaande-vaderverlof
en ouderschapsverlof (artikel 4, artikel 18 lid 2 en artikel 27 lid 3 VRK). Ruim ouderschapsverlof staat
in het bijzonder in dienst van de gezonde hersen- en gehechtheidsontwikkeling van de baby (artikel 6
lid 2 en artikel 24 VRK).
4.3 (Positive) Youth policy (positief jeugdbeleid)
Ruime facilitering en ondersteuning van ouders, kinderen en gezinnen door c.q. in combinatie met
bevordering van positief jeugdbeleid (“het stimuleren en ondersteunen van de normale ontwikkeling
van de jeugd”) en jeugdparticipatie met inbegrip van actieve deelname aan spel, sport, kunst, cultuur
en natuur (artikel 6 lid 2, artikel 12 en artikel 31 VRK).
3
4.4 Community en/c.q. pedagogische Civil society
Versterking van de zogenaamde pedagogische civil society (De Winter 2011) in de buurt (community)
en in het land (society), om te beginnen door publiekscampagnes over en brede bewustwording van
kindermishandeling en toxische sociale factoren enerzijds en kinderrechten en positief opvoeden in en
om het gezin en ieders verantwoordelijkheid daarbij anderzijds (artikel 3, artikel 5 en artikel 42
VRK).
4.5 (Parent) Organization (ouderorganisatie en ouderparticipatie)
Verbeterde organisatie van ouders en brede ouderparticipatie en ouderbetrokkenheid, op macro-niveau
bijvoorbeeld de oprichting van een Sociaal-Pedagogische Raad (zie Willems 2003, pp. 13-15).
Kortom: met kindvriendelijk beleid alle ouders en aanstaande ouders ruimhartig faciliteren.
5. Continuum of care: een professioneel zorgcontinuüm
Voortgaande verbetering en professionalising van het Continuum of care, een professioneel
zorgcontinuüm (artikel 3 lid 3 VRK), voor Nederland op alle RAAK-proof-punten
4
voor Centra Jeugd
en Gezin (zie Kooijman 2011, checklist bijlage 4). Tot deze RAAK-proof-punten horen onder andere
de volgende twee kernpunten: Alle ouders worden voorgelicht over geweldloos [lees: positief]
opvoeden. Alle zwangere vrouwen [en hun levenspartners] worden gescreend op risicosituaties.” In
3
Informatie over positief jeugdbeleid en over jeugdparticipatie en is te vinden op de website van het Nederlands
Jeugdinstituut, <www.nji.nl>. Zie met betrekking tot het recht van het kind op (contact met de) natuur
<www.iederkindheeftrechtopnatuur.nl>.
4
RAAK staat (thans) voor Regionale Aanpak Kindermishandeling, maar (oorspronkelijk) ook voor Reflectie- en
Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (Kooijman 2011, p. 9). De auteur van deze bijdrage is mede-oprichter
en oud-bestuurslid van de Stichting RAAK en was lid van de landelijke Stuurgroep Aanpak Kindermishandeling
(zogenoemde Commissie Opstelten) die op de RAAK-implementatie toezag.
12
essentie gaat het om het effectief hanteren van de verplichte meldcode huiselijk geweld en
kindermishandeling (zie <www.meldcode.nl>) in samenhang met de RAAK-aanpak qua:
1) preventie: pre- en postnatale zorg- en opvoedingseducatie en zwangerschaps-, babyzorg- en
opvoedingsondersteuning (artikel 18 lid 2, artikel 19 lid 2 en artikel 24 VRK);
2) interventie door maatschappelijk werk of andere instellingen, jeugdzorg en als sluitstuk
kinderbescherming: vrijwillige en maatregelhulp (artikel 19 lid 2 VRK); en
3) trauma-reparatie: diagnosestelling en behandeling in gevallen van kindermishandeling, zodat de
cyclus van geweld en transgenerationele traumatisering wordt gestopt (artikel 39 VRK).
Kortom: in een zorgcontinuüm ouders en aanstaande ouders waar nodig professioneel informeren,
terzijde staan en ondersteunen, met (maatregelen van) kinderbescherming als sluitstuk.
Het bovenstaande SMECC-model is elders meer uitgebreid beschreven en toegelicht (Willems 2012).
Op deze plaats moet worden volstaan met het onderstrepen van het belang van de samenhang in anti-
kindistisch beleid langs alle vijf genoemde krachtlijnen: school(curriculum), minimumstandaard,
oudereducatie, kindvriendelijk beleid en professioneel zorgcontinuüm. Na de tot op heden vrijwel
symbolisch gebleven afschaffing van het geweldsprivilege in het familierecht aanpassing zonder
effectieve uitvoering van de wet zit niemand, althans geen kind, te wachten op een even symbolische
afschaffing van het familierechtelijke wreedheidsprivilege. De afschaffing van beide privileges dient
te zijn ingebed in effectieve investeringen in faciliterend en flankerend beleid.
Tot slot: wat kunnen we Korczak antwoorden?
Door zijn leven en zijn dood voor en met kinderen blijft Korczak ons de vraag stellen: hoe staat het
met de rechten van het kind in jouw land, in jouw tijd, in jouw leven? Korczak vraagt ons wat anno
2012 voor kinderen en hun rechten is bereikt. Wat kunnen wij antwoorden? Respect voor het kind en
zijn rechten zijn universeel mensenrechtelijk erfgoed geworden sinds de aanvaarding van het Verdrag
inzake de Rechten van het Kind in 1989. Van de twee centrale kindistische privileges het
geweldsprivilege van het ouderlijk tuchtigingsrecht en het wreedheidsprivilege van het onvoorbereid
ouderschap staat de afschaffing van het eerste wereldwijd op de agenda. Maar de universele rechten
van het kind vereisen van overheden meer dan de formele afschaffing van het ouderlijk
tuchtigingsrecht en de meer of minder symbolische familierechtelijke normering van opvoeden zonder
geweld, opvoeden zonder vernederen en slaan.
De Janusz Korczak Stichting viert dit jaar haar zesde lustrum (1982-2012). In de bundel ter
gelegenheid van het derde lustrum (in 1997) met de treffende titel De ongehoorde rechten van het
kind merkte Theo Cappon op dat we “met Janusz Korczak oog in oog [staan] met discriminatie,
vooroordeel en rassenhaat. En hij vervolgde (Cappon 1997, p. 46):
In zijn geschiedenis ligt een les voor de toekomst. Onze multi-etnische samenleving kan alleen maar bestaan
bij de gratie van de uitspraak dat in de gelijkwaardigheid van mensen de grondslag ligt voor een
verdraagzame samenleving. We kunnen onze opvoeding hierop richten.”
13
De afgelopen vijftien jaar hebben de betekenis en het belang van deze woorden verder aangescherpt.
Het is nu meer dan ooit niet alleen een kwestie van kunnen: we móéten onze opvoeding op geleide
van een nauwelijks nageleefde maar cruciale bepaling in het Kinderrechtenverdrag: artikel 29 VRK
richten op gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Maar daartoe dienen alle opvoeders wel in hun
kracht èn in hun verantwoordelijkheid te worden geplaatst.
Elisabeth Young-Bruehl laat ons in en door haar scherpe analyse van kindisme zien dat we, ook
zeventig jaar na Korczak, nog steeds oog in oog staan met discriminatie, vooroordeel, geweld en
wreedheid tegen kinderen. In deze bijdrage heb ik gepoogd dit inzicht toe te passen op wettelijke
privileges die moeten worden afgeschaft èn omgesmeed tot speerpunten van anti-kindistisch beleid
langs de vijf krachtlijnen van het SMECC-model.
In dezelfde hierboven aangehaalde bundel stelt Kees Waaldijk dat “wreedheid en verhongering
tegenwoordig minstens even verbreid [zijn] in de wereld van kinderen als vroeger” (Waaldijk 1997, p.
84). Daaraan kunnen we drie lustra verder toevoegen: óók in rijke landen, óók in Nederland, waar
verhongering zowel slaat op emotionele en morele verhongering als op vormen van ongezonde
(op)voeding die leiden tot overgewicht en obesitas bij een steeds groter aantal kinderen. Ook aan deze
vormen van verhongering liggen uiteindelijk het geweld en de wreedheid van kindistische privileges
ten grondslag.
Samenvattend: zeventig jaar na Korczak zijn er diverse positieve ontwikkelingen op het gebied van
kinderrechten te melden. Maar hoe kunnen we Korczak uitleggen dat we nog steeds niet hebben
afgerekend met de misstand van onvoorbereid ouderschap? Zal een breder besef van kindisme kunnen
bijdragen aan het aanpakken van die misstand? Zou een Anti-kindismeverdrag, een Verdrag inzake de
Uitbanning van alle vormen van Discriminatie en Geweld tegen Kinderen, dan in zicht komen? Een
verdrag of een aanvullend protocol bij het Kinderrechtenverdrag dat een einde maakt aan oude
maar tot wreedheid tegen kinderen leidende ‘volwassen’ privileges?
Dankzij onze enorm toegenomen kennis over vroege kindontwikkeling (neurowetenschappen,
ontwikkelingspsychologie) en over positief opvoeden weten we hoe we de zwakke uitwerking van het
Kinderrechtenverdrag kunnen verstevigen. Het verlangen naar een betere wereld dat Korczak zijn
kinderen meegaf, kunnen we vertalen naar mensenrechten en rechten van het kind op vijf krachtlijnen
van samenhangende wetgeving en beleid: de Big Five van SMECC.
Een minimumstandaard voor de uitoefening van ouderlijk gezag is daarbij een belangrijke stap wèg
van de kindistische bezitstraditie. Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag bepaalt voor overheden,
wetgevers, rechters en alle instellingen die met en voor kinderen en ouders werken, dat het
ontwikkelingsbelang van kinderen waar enigszins mogelijk vóór de belangen van volwassenen dient te
gaan. Artikel 18 van het Verdrag stelt dat het ontwikkelingsbelang van kinderen de allereerste zorg
van ouders is. Van de hand van de Amerikaanse rechtsgeleerde en filosoof James Dwyer verscheen
vorig jaar een briljant pleidooi voor de morele superioriteit van kinderen: Moral Status and Human
Life: The Case for Children’s Superiority. Zelfs wie niet verder wil gaan dan de internationale
consensus van het geprioriteerde ontwikkelingsbelang van kinderen, kan de woorden ter harte nemen
in het slothoofdstuk van Dwyers boek (Dwyer 2011, p. 189; vertaling JW):
Zelfs als we niet verder willen gaan dan aan te nemen dat kinderen en volwassenen dezelfde morele status
hebben, dan nog is de opvatting dat ouders een bezitsachtig recht hebben ten aanzien van de opvoeding van
hun kinderen, verfoeilijk. Ouderschap moet gezien worden als een toevertrouwde rol die eerder bij wijze van
14
gunst dan als recht wordt vervuld. Een gunst die wordt verleend in de mate dat het belang van het kind ermee
is gediend.”
Bijlage 1: Kindisme en bloedband-ideologie (Rechtbank Groningen)
Als een kind uit de mis(be)handeling geplaatst is en in een pleeggezin is opgenomen, is het belang van
het kind bepalend als de biologische ouders het (‘bloedeigen’) kind weer opeisen. Bij dat belang speelt
het gehechtheidscriterium de hoofdrol maar nog steeds wordt het ideologische (kindistische)
‘bloedbandcriterium’ gehanteerd – óók door deskundigen die beter moeten weten.
Voor een uitspraak waarin het hechtingsbelang van een pleegkind prevaleerde boven het door de
gehoorde deskundigen (de GZ-psychologen Hamel en Tabak) tegen beter moeten weten in verdedigde
zogenaamde bloedband-criterium, zie de beschikking van Rechtbank Groningen 22 mei 2012 en de
redactionele commentaren in Het Kind Eerst 2012 nummer 4 (<www.hetkindeerst.nl>).
5
Rechtbank Groningen, Sector Civielrecht, Meervoudige kamer, Beschikking d.d. 22 mei 2012
(<www.rechtspraak.nl>):
“Vader is ontheven uit het gezag, dat hij sinds 2008 had, van nu zevenjarige dochter, die sinds haar
eerste levensjaar in een pleeggezin verblijft. Vader had haar van daaruit in juni 2010, zonder overleg,
meegenomen naar het buitenland, van waaruit ze in december 2010 opgehaald is om weer bij het
pleeggezin te worden geplaatst. De rechtbank acht, nu het kind gedurende een bepaalde periode óf met
toestemming van de gezagsouder óf onder vigeur van een jeugdbeschermingsmaatregel niet in het
gezin van de gezagsouder heeft verbleven, artikel 1:268 lid 2 BW [Burgerlijk Wetboek] van
toepassing.
Getoetst is derhalve of voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin van het kind noodzakelijk is en
of terugkeer naar de vader ernstig nadeel voor het kind meebrengt, waarbij het belang van het kind
mede op grond van artikel 3 VRK [Verdrag inzake de Rechten van het Kind] de eerste overweging
is.
Mede op grond van uitgebrachte deskundigenrapportages heeft de rechtbank geoordeeld dat het
woonperspectief van het kind in het pleeggezin ligt, en dat het gezag van vader zich daarmee niet
verdraagt.
Daarbij zijn de conclusies van de deskundigen dienaangaande niet gevolgd nu de rechtbank deze niet
vindt voortvloeien uit de gerapporteerde bevindingen en voorts het door de deskundigen gehanteerde
criterium, de bloedband, niet juist acht.
Hechtings- en loyaliteitsproblematiek zijn leidend geweest in de afweging van de rechtbank. De
belangen van het kind dienen in deze te prevaleren boven het belang van de gezaghebbende
[biologische] ouder om het kind in zijn eigen gezin te kunnen opvoeden.”
5
Respectievelijk: Huub van ’t Hek, ‘Waar is het kind geworteld?’ Het Kind Eerst 2012/4, pp. 4-5; ‘[Rechtbank
oordeelt:] Het kind eerst’ – hoofdredactioneel commentaar, pp. 6-8; Beschikking Rechtbank Groningen 22 mei
2012, pp. 9-21. (Reacties op <www.hetkindeerst.nl>.)
15
Bijlage 2: Baby Dayton (Rechtbank Maastricht)
Baby Dayton, geboren op 28 april 2011, is op 24 juli 2011, na drie maanden mishandeling, aan
hersenletsel overleden. Dagblad de Limburger bericht op 31 juli 2012 over twee pagina’s (pp. 2-3)
over de rechtszaak tegen de vader, Gerben K., woonachtig aan de Vermeerstraat in Sittard. Volgens de
krant was er bij baby Dayton sprake van een elf centimeter grote schedelfractuur, van verse en oude
fracturen in armpjes en beentjes en van vijftien ribbreuken. Dit blijkt later ook uit het strafvonnis,
waarbij vader Gerben K. wordt veroordeeld tot zeven jaar en tbs (de eis was negen jaar en tbs).
Hieronder volgt een tweetal citaten uit het strafvonnis van de Rechtbank Maastricht d.d. 13 augustus
2012 (te vinden op <www.rechtspraak.nl> onder LJN nummer BX4455). Daaraan voeg ik tot slot nog
een kort commentaar toe.
Uit het vonnis van de Rechtbank Maastricht (voornaam baby en voornamen, initialen achternamen en
adresgegevens ouders door mij op basis van persberichten ingevuld, JW):
Doodslag drie maanden oude baby. Voorwaardelijk opzet op de dood door het toebrengen van een
klap, met de vuist en met grote kracht, op het hoofdje van zijn drie maanden oude zoontje, tengevolge
waarvan deze is overleden. Daarnaast veroordeling voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
aan diezelfde baby in de periode van zijn geboorte tot aan zijn overlijden en voor het meermalen
mishandelen van verdachtes levensgezel. (…) Veroordeling tot 7 jaar gevangenisstraf en daarnaast de
maatregel van tbs met verpleging van overheidswege.
(1)
De Rechtbank overweegt (onder punt 5.3.1 van het vonnis) ten aanzien van de op te leggen straf:
“(…) Verdachte [vader Gerben K., woonachtig aan de Vermeerstraat, in de wijk Stadbroek, te Sittard]
heeft zijn drie maanden oude zoontje [Dayton] stelselmatig mishandeld, waarbij hij aan [Dayton]
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Op 24 juli 2011 is [Dayton] overleden als gevolg van een
harde slag met de vuist tegen zijn hoofdje, toegebracht door verdachte, zijnde [Dayton]s vader.
De zware letsels die bij deze drie maanden oude baby zijn geconstateerd, zijn weerzinwekkend. Het
gaat eenieders voorstellingsvermogen te boven dat de verdachte zijn gevoelens van onmacht en
frustratie op een dergelijke manier op zijn weerloze zoontje heeft botgevierd. Ook is het schrijnend dat
de mishandelingen vaak plaats vonden in het bijzijn van de twee halfzusjes, die niet bij machte waren
om hun broertje te beschermen en zich daarover in hun verhoren zeer ontdaan toonden. Dit is nog
schrijnender nu zij ook de moeder [Agnes B., levensgezel van Gerben K.] er niet van konden
overtuigen dat hetgeen zij zeiden gezien te hebben, ook daadwerkelijk had plaatsgevonden.
Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen mishandelen van zijn
levensgezel [Agnes B., vanaf augustus 2010, praktisch gedurende haar hele zwangerschap van
Dayton], een feit dat ook voortkwam uit onmacht en frustratie volgens verdachte.
(2)
De Rechtbank overweegt (onder punt 4.2 van het vonnis) met betrekking tot de strafbaarheid van de
verdachte:
16
Over de verdachte is een triple-rapportage uitgebracht door de psychiater [D.], de psycholoog prof.
dr. [naam psycholoog] en de forensisch milieuonderzoeker [naam onderzoeker], gedateerd
respectievelijk 11 en 12 april 2012. Zowel de psychiater als de psycholoog komen tot de conclusie dat
de ten laste gelegde feiten aan de verdachte verminderd toegerekend kunnen worden.
De psychiater [D.] baseert zijn conclusie op de bevindingen dat bij verdachte sprake is van een
persoonlijkheidstoornis (…) met borderline, antisociale en vermijdende kenmerken. Tevens is er
sprake van defecten die uit deze stoornis voortvloeien, zoals een hechting[s]stoornis, gestoorde
emotieregulatie, gestuwd agressiepotentieel en een lacunaire gewetensfunctie. [D.] heeft tevens
misbruik van cannabis en partnerrelatieproblematiek, waarbij er een grote angst is voor verlating,
geconstateerd.
De psycholoog [naam psycholoog] stelt in zijn rapportage d.d. 12 april 2012 dat bij verdachte sprake is
van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in combinatie met een
persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende, alsmede borderline en antisociale trekken.
In complexe en stressvolle situaties schiet verdachtes probleemoplossend vermogen tekort en is er een
verhoogd risico op ontsporingen en agressief gedrag. Voorts is er volgens [naam psycholoog] sprake
van misbruik van cannabis en van een partnerrelatieprobleem, waarbij er een grote behoefte is aan
affectie en er met hevige jaloezie gereageerd kan worden op concurrenten, zowel volwassenen als
kinderen.
Kort commentaar
Vraag: Hoe is bovenstaande te rijmen met het bepaalde in artikel 1:246 BW dat iemand met ernstige
stoornis der geestvermogens onbevoegd is tot (de uitoefening van) het (ouderlijk) gezag?
Antwoord: Tot op heden worden aanstaande opvoeders niet op basis van dit artikel op ernstige voor de
baby (levens)gevaarlijke stoornissen gescreend. Dit geldt voor de vader, Gerben K. Maar ook ten
aanzien van de moeder, Agnes B., is het, menselijk en mensenrechtelijk gezien, onverdedigbaar dat zij
niet vanaf het begin van haar zwangerschap is ondersteund en gescreend op ernstige noden of tekorten.
Uit het vonnis van de Rechtbank valt op te maken dat zij niet of volstrekt onvoldoende in staat was
zichzelf, haar foetus en haar baby te beschermen, de signalen van haar baby op te vangen en te duiden,
en haar dochters, de halfzusjes van baby Dayton, serieus te nemen.
De vader is veroordeeld, maar hoelang gaat de maatschappij, gaan wij, nog vrijuit? Hoe lang duurt het
nog voordat het besef doordringt niet in de laatste plaats bij instellingen en organisaties op het
gebied van kinderrechten en het voorkómen van kindermishandeling dat de kern van kinderrechten,
en de essentie van de preventie van kindermishandeling, is: de regeling van de toegang tot ouderlijk
gezag, als spil van de zorg voor voorbereid ouderschap.
Hoe lang duurt het nog voordat we het ontlopen van de verantwoordelijkheid daarvoor als kindistisch
zullen aanmerken, en de nagedachtenis van Korczak onwaardig.
17
Lijst van aangehaalde literatuur
Cappon, Theo, ‘Janusz Korczak in Nederland,’ in: Janusz Korczak Stichting (red.), De ongehoorde rechten van
het kind, Janusz Korczak Stichting, Amsterdam 1997, pp. 39-48
Dwyer, James G., Moral Status and Human Life: The Case for Children’s Superiority, Cambridge University
Press, Cambridge (etc.) 2011
Kooijman, Klaas, Niets doen is geen optie! Verder met de aanpak van kindermishandeling, Nederlands
Jeugdinstituut, Utrecht 2011 (<www.nji.nl>)
Korczak, Janusz, De lente en het kind (1921), in: Janusz Korczak (red. René Görtzen), Het recht van het kind
op respect, SWP, Amsterdam 2007, pp. 94-115
Narvaez, Darcia, Is prejudice against children universal? Are you a childist? Test yourself (Psychology
Today, Moral Landscapes, 22 april 2012), online: <www.psychologytoday.com/blog/moral-
landscapes/201204/are-you-childist-test-yourself>
Raad van Europa, Recommendation (2006)19 of the Committee of Ministers to member states on policy to
support positive parenting, online: <https://wcd.coe.int/ViewDoc.jsp?id=1073507&Site=CM>
Rechtbank Groningen 22 mei 2012, beschikking Rechtbank en commentaren hoofdredactie, Het Kind Eerst
2012, nr. 4, pp. 4-21
Vopat, Mark C., Parent Licensing and the Protection of Children, in: Samantha Brennan and Robert Noggle
(eds.), Taking Responsibility for Children, Wilfrid Laurier University Press, Waterloo, Ontario, Canada 2007,
pp. 73-96
Waaldijk, Kees, Janusz Korczak, pionier van de rechten van het kind,’ in: Janusz Korczak Stichting (red.), De
ongehoorde rechten van het kind, Janusz Korczak Stichting, Amsterdam 1997, pp. 84-97
Waaldijk, Kees, ‘Janusz Korczak (1878-1942): Pedagoog en weeshuisopvoeder tussen de kinderen,’ in: Tom
Kroon & Bas Levering (red.), Grote pedagogen in klein bestek, SWP, Amsterdam 2008, pp. 147-151
Westman, Jack C., Licensing Parents: Can We Prevent Child Abuse and Neglect? Perseus Publishing,
Cambridge, Massachusetts 1994
Westman, Jack C., with Victoria Costello, The Complete Idiot’s Guide to Child & Adolescent Psychology, Alpha
Books, New York 2011
Willems, Jan CM (1992), Van parentiarchie naar Vadertje Staat, Nemesis 1992, nr. 3, pp. 8-23 (online:
<www.tijdschriftnemesis.nl/jaargang1992.html>, Nemesis 8 (1992) nummer 3 mei/juni)
Willems, Jan CM (1998), Wie zal de Opvoeders Opvoeden? Kindermishandeling en het Recht van het Kind op
Persoonswording (dissertatie Universiteit Maastricht 1998), T.M.C. Asser Press, Den Haag 1999
Willems, Jan CM (2000a), Kindervolkenrecht en Trias pedagogica, in: J.R.M. Gerris (red.), Preventie van
binnenuit, Van Gorcum, Assen 2000, pp. 15-30
Willems, Jan CM (2000b), Het belang van het kind, de rechten van het kind, hechting en verwerking: Vier
katalysatoren in de humanitaire ontwikkeling naar preventieve opvoedingsfacilitering en uitbanning van
transisme, in: M. Bouverne-De Bie, R. Roose (red.), Opvoedingsondersteuning en jeugdzorg, Academia
Press, Gent 2000, pp. 5-41
Willems, Jan CM (2000c), ‘Kindermishandeling en mensenrechten,NJB (Nederlands Juristenblad) 2000, pp.
1237-1240 (<www.njb.nl>, Artikelen/Archief, 2000, NJB afl. 2000/25)
Willems, Jan CM (2003), A world fit for children: van liefdadigheid naar gedeelde verantwoordelijkheid; Oratie
VU 24 april 2003, SWP, Amsterdam 2003
Willems, Jan CM (2011), Prikpil of prenatale aanpak: pleidooi voor een minimumstandaard, FJRTijdschrift
voor Familie- en Jeugdrecht 2011, pp. 161-163 (afl. 6, juni 2011)
Willems, Jan CM (2012), Principles and promises in the Convention on the Rights of the Child and the
Convention on the Rights of Persons with Disabilities, in: Lisa Waddington, Gerard Quinn, Eilionoir Flynn
(eds.), European Yearbook of Disability Law Volume 3, Intersentia, Cambridge (etc.) 2012, pp. 59-100
Winter, Micha de, Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding: Vanachter de voordeur naar democratie en
verbinding, SWP, Amsterdam 2011
Young-Bruehl, Elisabeth, Childism: Confronting Prejudice Against Children, Yale University Press, New Haven
and London 2012.
18
Over de auteur
Jan CM Willems (1952) werkt aan de Universiteit Maastricht aan de ontwikkeling van het door hem
geïnitieerde onderzoeksgebied Children’s Rights and Human Development. Daarnaast verzorgt hij
Engelstalig juridisch onderwijs in de rechten van de mens aan de Universiteit Maastricht en
interdisciplinair onderwijs in de rechten van het kind aan het University College Maastricht. Vanaf het
eerste uur (1981) was hij betrokken bij de ontwikkeling van probleemgestuurd onderwijs aan de
nieuwe rechtenfaculteit van de UM (destijds nog Rijksuniversiteit Limburg genaamd), waar hij
pionierde met vernieuwend onderwijs op het gebied van volkenrecht en ‘rechtvaardige oorlog’ en
recht en rassendiscriminatie. Hij is verbonden aan de Capaciteitsgroep Internationaal en Europees
Recht en het Maastrichts Centrum voor de Rechten van de Mens.
In 1998 promoveerde hij op het mensenrechtelijk-psychologisch-pedagogisch standaardwerk Wie zal
de opvoeders opvoeden? In 1999 stond hij aan de wieg van de Stichting RAAK (Reflectie- en
Actiegroep Aanpak Kindermishandeling) waarvan hij bestuurslid was tot 2009. Tussen 2002 en 2009
bekleedde hij aan de Vrije Universiteit in Amsterdam de eerste kinderrechtenleerstoel in Nederland,
als bijzonder hoogleraar in de Rechten van het Kind in het perspectief van de Internationale
Mensenrechten vanwege de Stichting Defence for Children International-Nederland.
Hij was lid van de door de minister voor Jeugd en Gezin ingestelde Stuurgroep Aanpak
Kindermishandeling (2008-2010; Eindrapport januari 2011), en adviseerde en adviseert diverse
organisaties op het gebied van kindermishandeling en kinderrechten, vanaf medio 2012 onder andere
als bestuurslid van de Stichting NoKidding-Stop kindermishandeling!
Willems is auteur en redacteur van tal van artikelen en boeken over de rechten en de ontwikkeling van
kinderen en de structurele preventie van kindermishandeling.
Over deze bijdrage
Deze bijdrage is de aangevulde versie van een hoofdstuk in Helma Brouwers en Theo Cappon (red.),
Het verlangen naar een betere wereld, Jaarboek 2012, Janusz Korczak Stichting, Amsterdam 2012
(<www.korczak.nl>).
Het Jaarboek 2012 zal op 6 oktober 2012 ten doop gehouden worden tijdens de Korczak Jubileumdag
in het Kinderrechtenhuis in Leiden (<www.kinderrechtenhuis.nl>). Er worden dan drie jubilea
herdacht (in de woorden van de redactie): “Precies honderd jaar geleden, in 1912, werd Dom Sierot
(Het huis der wezen) geopend in de Krochmalnastraat in Warschau. Korczak startte hier met 50
kinderen. Zelf woonde hij in het zolderkamertje. Het weeshuis kreeg al gauw de naam ‘Republiek der
kinderen’; er was een kinderparlement, een kinderrechtbank en een krant die door kinderen werd
gemaakt. Kinderen werden er volstrekt serieus genomen. [Dertig jaar later, nu] zeventig jaar geleden,
op 5 of 6 augustus 1942: alle bewoners van het weeshuis (200 kinderen en hun opvoeders) worden via
de Umslagplatz naar Treblinka gedeporteerd. Korczak gaat vrijwillig mee. Niemand is teruggekeerd
In 1982, nu alweer dertig jaar geleden, werd de Korczak Stichting Nederland opgericht.”
© Jan CM Willems, 26 augustus 2012 (in totaal 9.140 woorden)
Chapter
Full-text available
Article
Read an interview with Elisabeth Young-Bruehl on the Yale Press Log. In this groundbreaking volume on the human rights of children, acclaimed analyst, political theorist, and biographer Elisabeth Young-Bruehl argues that prejudice exists against children as a group and that it is comparable to racism, sexism, and homophobia. This prejudice-"childism"-legitimates and rationalizes a broad continuum of acts that are not "in the best interests of children," including the often violent extreme of child abuse and neglect. According to Young-Bruehl, reform is possible only if we acknowledge this prejudice in its basic forms and address the motives and cultural forces that drive it, rather than dwell on the various categories of abuse and punishment. "There will always be individuals and societies that turn on their children," writes Young-Bruehl, "breaking the natural order Aristotle described two and a half millennia ago in his Nichomachean Ethics." In Childism, Young-Bruehl focuses especially on the ways in which Americans have departed from the child-supportive trends of the Great Society and of the United Nations Convention on the Rights of the Child. Many years in the making, Childism draws upon a wide range of sources, from the literary and philosophical to the legal and psychoanalytic. Woven into this extraordinary volume are case studies that illuminate the profound importance of listening to the victims who have so much to tell us about the visible and invisible ways in which childism is expressed.
Article
This book develops a comprehensive theory of moral status, responding to the disparate partial accounts offered by animal rights proponents, environmental theorists, Kantians, and care ethicists and drawing from a naturalistic account of human moral psychology. It generates a multi-variable, sliding-scale rubric of moral status. It then applies the theory and rubric to do a rough comparison of the moral status of adults and children. It concludes, contrary to the historically prevailing view, that children occupy a higher moral status and so should receive greater consideration than adults in our moral and political deliberations. Finally, the book suggests some applications to current legal and policy debates.
De lente en het kind (1921),' in: Janusz Korczak (red. René Görtzen), Het recht van het kind op respect, SWP
  • Janusz Korczak
Korczak, Janusz, 'De lente en het kind (1921),' in: Janusz Korczak (red. René Görtzen), Het recht van het kind op respect, SWP, Amsterdam 2007, pp. 94-115
Niets doen is geen optie! Verder met de aanpak van kindermishandeling
  • Klaas Kooijman
Kooijman, Klaas, Niets doen is geen optie! Verder met de aanpak van kindermishandeling, Nederlands Jeugdinstituut, Utrecht 2011 (<www.nji.nl>)
Licensing Parents: Can We Prevent Child Abuse and Neglect?
  • Jack C Westman
Westman, Jack C., Licensing Parents: Can We Prevent Child Abuse and Neglect? Perseus Publishing, Cambridge, Massachusetts 1994
Wie zal de Opvoeders Opvoeden? Kindermishandeling en het Recht van het Kind op Persoonswording (dissertatie Universiteit Maastricht
  • Jan Cm Willems
Willems, Jan CM (1998), Wie zal de Opvoeders Opvoeden? Kindermishandeling en het Recht van het Kind op Persoonswording (dissertatie Universiteit Maastricht 1998), T.M.C. Asser Press, Den Haag 1999
Kindervolkenrecht en Trias pedagogica
  • Willems
Willems, Jan CM (2000a), 'Kindervolkenrecht en Trias pedagogica,' in: J.R.M. Gerris (red.), Preventie van binnenuit, Van Gorcum, Assen 2000, pp. 15-30
The Complete Idiot's Guide to Child & Adolescent Psychology, Alpha Books
  • Jack C Westman
  • Victoria Costello
Westman, Jack C., with Victoria Costello, The Complete Idiot's Guide to Child & Adolescent Psychology, Alpha Books, New York 2011