ArticlePDF Available

Abstract

Een studie naar het gedrag en welbevinden van kinderen met een moeder in de gevangenis * Menno Ezinga & Sanne Hissel Er is nog weinig bekend over kinderen van wie de moeders in detentie zitten. Vooral in Nederland is er nauwelijks empirisch onderzoek gedaan naar waar deze kinderen verblijven en hoe het met hen gaat. We hebben data verzameld van vier vrouwen-gevangenissen in Nederland. De gedetineerde moeders zijn benaderd en, wanneer ze hiervoor toestemming gaven, zijn ook de kinderen en hun verzorgers benaderd. We hebben moeders en verzorgers gevraagd vragenlijsten in te vullen en bij alle res-pondenten interviews afgenomen ten aanzien van gedragsproblematiek en welbe-vinden van de kinderen. De verzorgingssituatie bleek zeer divers. In het algemeen bleken de kinderen te kampen met zowel internaliserende als externaliserende gedragsproblematiek en specifieke problemen gerelateerd aan de detentie van hun moeder. Daarnaast is er een verminderd welbevinden. Het blijkt ook dat er vaak al sprake was van een verstoorde gezinsstructuur, verwaarlozing en aanverwante risicofactoren. In de discussie wordt ingegaan op de resultaten en worden aanbeve-lingen gedaan voor toekomstig onderzoek.
Kinderen van gedetineerde moeders
Een studie naar het gedrag en welbevinden van kinderen met een
moeder in de gevangenis
*
Menno Ezinga & Sanne Hissel
Er is nog weinig bekend over kinderen van wie de moeders in detentie zitten. Vooral
in Nederland is er nauwelijks empirisch onderzoek gedaan naar waar deze kinderen
verblijven en hoe het met hen gaat. We hebben data verzameld van vier vrouwen-
gevangenissen in Nederland. De gedetineerde moeders zijn benaderd en, wanneer
ze hiervoor toestemming gaven, zijn ook de kinderen en hun verzorgers benaderd.
We hebben moeders en verzorgers gevraagd vragenlijsten in te vullen en bij alle res-
pondenten interviews afgenomen ten aanzien van gedragsproblematiek en welbe-
vinden van de kinderen. De verzorgingssituatie bleek zeer divers. In het algemeen
bleken de kinderen te kampen met zowel internaliserende als externaliserende
gedragsproblematiek en specifieke problemen gerelateerd aan de detentie van hun
moeder. Daarnaast is er een verminderd welbevinden. Het blijkt ook dat er vaak al
sprake was van een verstoorde gezinsstructuur, verwaarlozing en aanverwante
risicofactoren. In de discussie wordt ingegaan op de resultaten en worden aanbeve-
lingen gedaan voor toekomstig onderzoek.
De afgelopen tien jaar verdubbelde het aantal gedetineerde vrouwen in Neder-
land, van ongeveer vierhonderd naar achthonderd vrouwen in 2007. Naar schat-
ting is 70 procent van deze vrouwen moeder van ten minste één minderjarig kind
(Slotboom e.a., 2008). Dat betekent dat het aantal kinderen met een moeder in
detentie de afgelopen jaren waarschijnlijk ook fors is toegenomen.
Vooral internationaal onderzoek naar kinderen van gedetineerde ouders laat zien
dat deze kinderen worden blootgesteld aan de nodige risicofactoren. Naast ver-
driet en gemis (Murray & Farrington, 2008; Myers e.a., 1999) spelen omgevings-
invloeden een rol, zoals stigmatisering en pesten (Boswell & Wedge, 2002; Mur-
ray, 2005; Murray & Farrington, 2008). Tevens heeft detentie haar weerslag op
het gezin en de ouderschapsrol van zowel de in detentie verdwijnende ouder als
de achterblijvende verzorger (Murray & Farrington, 2008). Als moeders gedeti-
neerd raken, komt er nog een risico bovenop: moeders zijn namelijk vaak (nog) de
enige verzorger van de kinderen (Bloom, 1993; Fishman, 1983; Murray & Far-
rington, 2008; Myers e.a., 1999; Schafer & Dellinger, 1999). Detentie van de moe-
der betekent in dat geval een nog aanzienlijker verandering in het gezin. Voor-
*
De auteurs danken het WODC en DJI voor hun financiële ondersteuning. Daarnaast willen de
auteurs alle collega’s en studenten bedanken die hebben meegeholpen aan dit onderzoek. Ten
slotte bedanken de auteurs de anonieme reviewers en betrokken redactieleden voor hun
constructieve feedback bij dit artikel.
36 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
noemde risicofactoren kunnen leiden tot externaliserende gedragsproblematiek,
zoals delinquentie en agressie, en internaliserende problematiek, zoals angstge-
voelens en depressieve klachten (zie onder andere Murray & Farrington, 2005).
Ook kunnen deze risicofactoren leiden tot verminderd welbevinden.
De wetenschappelijke kennis over de gevolgen van ouderlijke detentie voor de
kinderen is beperkt: onderzoek is veelal kleinschalig en richt zich vooral op deten-
tie van de vader (zie ook Dallaire, 2007; Holwerda, 1997; Murray e.a., 2009).
Onderzoek naar het welbevinden van kinderen van gedetineerde moeders is
vooral verricht vanuit het perspectief van de moeder; de perspectieven van de ver-
zorgers worden niet vaak meegenomen, laat staan die van de kinderen zelf (Myers
e.a., 1999; Poehlmann, 2005).
Een wezenlijke kwestie is of verminderd welbevinden of andere negatieve uitkom-
sten ook het effect zijn van de moederlijke detentie. Bekend is dat met ouderlijke
detentie diverse risicofactoren zijn geassocieerd: zo hebben kinderen van gedeti-
neerde ouders meer instabiliteit in de gezinssituatie (Phillips e.a., 2006), vaker
verslaafde ouders, en zijn zij meer blootgesteld aan armoede, verwaarlozing en
mishandeling (Phillips e.a., 2002) en in het algemeen aan meer risicofactoren
(Murray & Farrington, 2005). Stanton (1980) onderzocht op quasi-experimentele
wijze kinderen van gedetineerde moeders, die zij vergeleek met kinderen van
moeders met ‘probation’. Er werden zowel verzorgers als leraren bevraagd. Ech-
ter, ook bij deze studie was de steekproef klein. Tevens waren de twee groepen
niet vergelijkbaar op belangrijke achtergrondvariabelen en bleken bovendien
diverse ‘probation’-moeders eerder gedetineerd geweest. Hoewel kinderen van
gedetineerde moeders dus een verhoogd risico op diverse negatieve uitkomsten
lijken te hebben (zie Murray e.a., 2009), is nog allerminst duidelijk of dat aan de
detentie kan worden toegeschreven.
Algemeen wordt dus vermoed dat detentie van de moeder schadelijke effecten
voor de kinderen heeft. Zowel internationaal als in Nederland is er echter te wei-
nig en te beperkt onderzoek verricht om dat vermoeden te staven (Dirkzwager
e.a., 2009). Voor Nederland zijn twee studies het meest relevant voor ons onder-
zoek. Wolleswinkel (1997) voerde een meer juridisch-normatief onderzoek uit
naar de juridische aspecten van ouderschap in detentie. Braam e.a. (2007)
beschreven de beleving van de gedetineerde moeder van het contact met haar
kind(eren).
In dit onderzoek beschrijven wij, voor zover wij weten voor het eerst in Neder-
land, de ervaringen van kinderen met de detentie van hun moeder. Het onder-
zoek is een belangrijke aanvulling op de nationale en internationale kennis, in die
zin dat het perspectief van het kind nadrukkelijk centraal wordt gesteld. Dit arti-
kel is een bewerking van een rapport dat in 2009 verscheen (Ezinga e.a., 2009),
waarin we een aantal nadere analyses op het materiaal uitvoeren. In het hierna-
volgende brengen we, ten eerste, in kaart door wie de kinderen worden verzorgd
en in hoeverre er in het gezin, door de detentie van de moeder, wijzigingen in het
verzorgingsarrangement hebben plaatsgevonden. Ten tweede onderzoeken we of
er bij de kinderen sprake is van gedragsproblematiek van zowel internaliserende
(bijvoorbeeld angstklachten) als externaliserende aard (bijvoorbeeld agressief
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
37
Menno Ezinga & Sanne Hissel
gedrag). Ten derde brengen we het welbevinden van deze kinderen, hun ervaring
van de detentie van de moeder en het verloop van contacten met de moeders in
detentie in kaart. Dit doen we vanuit de visie van het kind, aangevuld met de visie
van moeders en verzorgers.
Literatuuronderzoek
In de bespreking van de literatuur beschrijven wij wat bekend is over de drie
onderwerpen die centraal staan in dit artikel: de verzorgingssituatie, de gedrags-
problematiek en het welbevinden in relatie tot de detentie van de moeder.
Verzorgingssysteem
Mumola (2000) liet zien dat in de Verenigde Staten de grootouders veelal de
eerstaangewezenen zijn om de zorg voor de kinderen van gedetineerde moeders
over te nemen (ongeveer 50 procent van de moeders). Poehlmann (2005) vond
dat, eveneens voor de Verenigde Staten, 68 procent van de kinderen bij grootou-
ders verbleef. Als mogelijke verklaring voor dit hoge percentage grootouders
wordt wel genoemd het relatief hoge percentage Afro-Amerikaanse gedetineer-
den. Bij Afro-Amerikaanse families zou het betrekken van grootmoeder bij de
opvoeding van het kind meer vanzelfsprekend zijn (Cecil e.a., 2008).
Een kwart (Poehlmann, 2005) tot een derde (Mumola, 2000) van de kinderen ver-
blijft in de Verenigde Staten bij de vader. Ongeveer 10 procent (Poehlmann,
2005) tot maximaal een derde van de kinderen, afhankelijk van of het een staats-
gevangenis of een federale gevangenis betreft, wordt in de Verenigde Staten
ondergebracht bij andere familieleden; de overige kinderen komen terecht bij
kennissen (10 procent) en in pleegzorg of vergelijkbare formele instituten (7 pro-
cent) (Mumola, 2000). In Nederland bestaat geen registratiesysteem waarin
wordt bijgehouden of gedetineerden kinderen hebben. Er is dan ook geen over-
zicht van het aantal kinderen met een gedetineerde ouder of van hun verblijf-
plaats.
Mumola (2000) liet verder zien dat ongeveer twee derde van de moeders bij hun
kinderen woonde vóór aanvang van de detentie en dat een derde van de moeders
bij aanvang van detentie al niet meer voor haar kinderen zorgde.
Risicofactoren bij kinderen van gedetineerde moeders
Als ouders gedetineerd worden, zijn hun gezinnen vaak al vóór de detentie bloot-
gesteld aan risicofactoren (Murray & Farrington, 2005): het betreft verwaarlozing
en mishandeling, maar ook een antisociale omgeving, werkeloosheid en armoede.
Ook is vaak sprake van een problematische opvoedingsstijl (Dodd & Hunter,
1992; Singleton e.a., 1998).
Detentie brengt vaak additionele risicofactoren met zich mee. Dat kan gaan om
trauma door de arrestatie, door de scheiding van de ouder en door het besef dat
de ouder delinquent is (Arditti e.a., 2003; Murray & Farrington, 2008). Ook het
gemis van de ouder en verdriet (Braam e.a., 2007) spelen een rol, evenals ervaren
stigma en sociale uitsluiting (Codd, 1998; Myers e.a., 1999). Ook kan er bij de kin-
38
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
deren sprake zijn van schaamte- en schuldgevoelens over de detentie (Van Nijnat-
ten, 1998). Indien moeder gedetineerd raakt, betekent dit in veel gevallen dat de
primaire kostwinner en verzorger wegvalt. Tevens speelt bij (jonge) kinderen van
gedetineerde moeders het risico dat door de afwezigheid er geen goede hechtings-
relatie kan worden ontwikkeld (Poehlmann, 2005).
Problematiek en verminderd welbevinden bij kinderen van gedetineerde moeders
De risicofactoren voor en tijdens de detentie waaraan kinderen van gedetineerde
ouders worden blootgesteld, kunnen leiden tot probleemgedrag en verminderd
welbevinden, dat wil zeggen hoe het kind het leven ervaart op diverse domeinen
(gezondheid, vriendjes, gezin, school). Een verlaagd welbevinden op (een van) de
diverse domeinen kan zich uiten in problematiek op externaliserend gebied, waar-
bij antisociaal gedrag, delinquentie, drugsgebruik en schooluitval het meest wor-
den genoemd (Murray & Farrington, 2008). Onderzoek van Myers e.a. (1999) en
Johnston (1995) liet zien dat 10 tot 30 procent van de minderjarige kinderen met
een gedetineerde ouder aangehouden is door de politie voor delinquentie. Ook
worden internaliserende problemen genoemd, zoals depressieve klachten, angst
en affectieve problematiek. Verscheidene studies noemen ook posttraumatische
stress, middelenmisbruik, slaapproblemen en verminderde concentratie bij kinde-
ren van gedetineerde ouders (Johnston, 1995; Murray, 2005; Murray & Farring-
ton, 2008).
Relatie tussen welbevinden en contact tussen kind en gedetineerde moeder
Een belangrijke factor in het verminderd welbevinden en probleemgedrag van
kinderen is het gebrek aan of de wijze van contact tussen moeder en kind. Murray
en Farrington (2008) geven aan dat gedetineerde moeders minder goed contact
kunnen houden met hun kinderen, omdat er maar weinig instellingen voor vrou-
wen zijn en de reisafstand groot is. Sommige onderzoekers pleiten ervoor dat con-
tact tussen ouder en kind moet worden bevorderd (Kazura, 2001; Snyder-Joy &
Carlo, 1998): frequent contact zou een beschermende factor kunnen zijn.
Ondanks de emotionele beladenheid van een bezoek aan hun moeder voor de kin-
deren wordt bezoek doorgaans als prettig ervaren door het kind (Braam e.a.,
2007).
Daarentegen zijn er ook bevindingen dat meer contact tussen moeder en kind ten
tijde van moeders detentie juist angstverhogend kan werken (Poehlmann, 2005).
Die angst zou worden opgewekt door bijvoorbeeld vreemde (harde) geluiden uit
de detentie-instelling, barrières tussen de moeder en het kind, en het beeld dat de
gevangenis geeft voor een kind.
Methode
Onderzoeksgroep
De vier penitentiaire inrichtingen (PI’s) voor vrouwen in Nederland (Zwolle,
Breda, Ter Peel en Nieuwersluis) zijn benaderd voor het onderzoek. De afdelingen
BBI en ZBBI (Beperkte, en Zeer Beperkte Beveiligde Inrichting) zijn buiten het
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
39
Menno Ezinga & Sanne Hissel
onderzoek gelaten vanwege de niet-structurele of niet-aaneensluitende periode
van scheiding tussen moeder en kind. Ook de Bijzondere Zorg Afdeling is niet
meegenomen in het onderzoek, vanwege de kwetsbaarheid en psychische proble-
matiek van de verblijvende vrouwen. Ten slotte hebben we geen vrouwen onder-
zocht die in het huis van bewaring zaten, vanwege de vaak korte of onbekende
verblijfsduur.
Alle veroordeelde moeders op de reguliere afdelingen in de vier inrichtingen zijn
uitgenodigd via de Penitentiaire Inrichtingswerkers voor een introductiebijeen-
komst waar uitleg werd gegeven over het onderzoek. Aan de moeders die aanga-
ven deel te willen nemen, is gevraagd een informed consent te tekenen. Hiermee
gaven ze aan te weten dat ze vrijwillig deelnemen en op ieder moment met deel-
name mogen stoppen. Ook gaven ze door middel van het informed consent toe-
stemming dat we de informatie, mits geanonimiseerd, mochten gebruiken voor
het onderzoek. Bij de moeders zijn semigestructureerde interviews afgenomen en
vragenlijsten voorgelegd over het kind. Indien moeders schriftelijk toestemming
gaven, zijn de verzorgers van de kinderen benaderd voor een interview en afname
van vragenlijsten. Ook aan de verzorgers is eerst gevraagd een informed consent
te tekenen. Indien daaropvolgend verzorgers schriftelijk toestemming gaven en
ook de kinderen zelf akkoord waren, zijn interviews gehouden met de kinderen.
Kinderen ouder dan 12 jaar dienden hiertoe ook eerst zelf een informed consent
te tekenen. Voorwaarde voor deelname aan het onderzoek was dat kinderen op de
hoogte waren dat hun moeder in de gevangenis zat, dat ze onder de 18 jaar waren,
en dat ze in Nederland verbleven. Moeders, kinderen en verzorgers ontvingen een
kleine vergoeding.
In totaal zijn 56 gedetineerde moeders voorgelicht over ons onderzoek. Uiteinde-
lijk zijn 37 van deze vrouwen bij het onderzoek betrokken. Non-respons was aan
diverse factoren te wijten: zo wist soms het kind niet dat moeder gedetineerd is,
bleek het kind (toch) al te oud, of wilde moeder uiteindelijk toch niet meedoen.
De 37 vrouwen die besloten wél mee te doen, hadden in totaal 93 kinderen tussen
de 0 en 18 jaar. Over 89 van deze kinderen is enige informatie verzameld, over
drie kinderen is geen informatie bekend omdat moeder geen enkel contact heeft
met het kind, en over één kind zijn geen gegevens omdat moeder om onbekende
reden het kind volledig buiten het onderzoek wil houden. Van de 89 kinderen
wonen er 21 in het buitenland en die zijn daarom niet meegenomen in het onder-
zoek. De resterende 68 kinderen zijn woonachtig in Nederland en vormen de
onderzoeksgroep voor het huidige onderzoek.
De 68 kinderen zijn kind van in totaal 30 verschillende moeders. Deze moeders
hebben voornamelijk gewelds- en drugsdelicten gepleegd (bij beide typen delicten
11 moeders). De overige moeders hebben vermogensdelicten gepleegd (3),
iemand gedwongen tot prostitutie (1) of wilden niet vertellen waarvoor ze waren
veroordeeld (4).
Voor 55 van deze 68 kinderen (81 procent) heeft moeder toestemming gegeven
om het kind te benaderen. Van de overige 13 kinderen gaven moeders voor tien
kinderen als reden dat ze te kwetsbaar waren op dit moment of dat er te veel pro-
blematiek was. Drie kinderen konden niet worden benaderd omdat alsnog bleek
40
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
dat ze niet wisten dat moeder gedetineerd was. De meeste moeders hebben wel
zelf informatie gegeven over het kind in de vorm van een interview en vragenlijs-
ten. Niet alle kinderen konden worden benaderd, ook al hadden we toestemming
van moeder.
Van de 55 kinderen zijn er uiteindelijk 31 (56 procent) geïnterviewd en geobser-
veerd. Van de overige 24 kinderen kregen we voor 18 kinderen geen akkoord van
jeugd- of pleegzorg of van de verzorger(s), zeven van deze verzorgers waren wel
bereid om zelf een interview te geven of vragenlijsten in te vullen. Bij zes kinde-
ren hebben we, ten slotte, geen contact kunnen leggen, bijvoorbeeld omdat de
telefoon niet werd beantwoord, het kind niet op kwam dagen bij een afspraak, of
omdat de verzorger bij een hernieuwde belafspraak alsnog het contact verbrak.
Van de 31 kinderen die uiteindelijk zelf hebben meegedaan aan het onderzoek,
zijn er 22 geïnterviewd en negen geobserveerd. Van de laatsten waren er zes te
jong om mee te spreken, twee te kwetsbaar volgens de verzorger, en er was bij een
kind sprake van dermate ernstige gedragsproblematiek dat een gesprek niet
mogelijk was. De 31 kinderen hebben een gemiddelde leeftijd van negen jaar: de
jongste was een half jaar oud ten tijde van het onderzoek en de oudste 18 jaar.
Het betrof 15 meisjes en 16 jongens.
Voor de verzorgers en de kinderen verschilde de locatie van de interviews van de
eigen kamer van het kind, de huiskamer van het gezin waar het kind verbleef, de
spreekkamer van de instantie waar het kind was ondergebracht, tot soms ook bui-
tenshuis op het speelplein. Te allen tijde hebben we bij de interviews gezorgd dat
we respondenten in vertrouwen konden spreken.
Meetinstrumenten en analyse
Voor dit onderzoek hebben we een gedragsvragenlijst en een semigestructureerd
interview gebruikt. Ook hebben we geobserveerd. De interviews en het invullen
van de vragenlijsten bij zowel moeder, verzorger als kind duurde in het algemeen
niet langer dan anderhalf uur. Bij alle afspraken waren altijd twee onderzoekers
aanwezig.
Om gedragsproblematiek vast te stellen hebben we de gevalideerde Child Behav-
iour Checklist (CBCL) van Achenbach en Rescorla (2001) voorgelegd aan de moe-
ders en de verzorgers. Deze vragenlijst meet aan de hand van een groot aantal
items internaliserende en externaliserende gedragsproblematiek van het kind.
Ook kunnen de kinderen worden vergeleken met normgroepen van dezelfde leef-
tijdsklasse. De norm is dat 7 procent van de populatie een problematische score
behaalt op internaliserende, externaliserende en totaalscores. Dit probleemgebied
is onder te verdelen in een grensscore (tot 93
e
percentiel) en een klinische score
(tot 98
e
percentiel; zeer problematisch). Wanneer het percentage voor de groep
kinderen hoger is dan 7 procent, dan betekent dit dus dat de groep in ongunstige
zin afwijkt van de norm.
Tijdens de semigestructureerde interviews is het welzijn van het kind in relatie
tot de detentie van moeder bevraagd: de onderwerpen die aan de orde kwamen,
waren het functioneren in de sociale omgeving en op school, het contact met de
moeder, gevoelens omtrent de situatie gecreëerd door de detentie, eventuele pro-
blematiek in de huidige opvoeding en thuissituatie en hun visie op de toekomst.
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
41
Menno Ezinga & Sanne Hissel
De observatie hield in dat de onderzoekers specifiek keken naar hoe het kind zich
gedroeg bij binnenkomst, ten tijde van het bezoek en bij vertrek. Ook werden
door middel van een observatielijst bestaande uit vooraf vastgestelde items de
leefomgeving, de uiterlijke verzorging van het kind, de interactie tussen het kind
en de aanwezige gezinsleden en de affectie van de verzorger voor het kind geïn-
ventariseerd.
Analysemethode
De verkregen gegevens van de gedragsvragenlijsten zijn gescoord aan de hand van
het scoringsprotocol (Achenbach & Rescorla, 2001). Vanwege de kleine groep
toetsen we de resultaten niet op significantie, maar rapporteren we absolute aan-
tallen. De semigestructureerde interviews zijn (op enkele uitzonderingen in PI
Zwolle na) opgenomen. De interviews met de kinderen zijn verbatim uitgeschre-
ven en geïnterpreteerd. De interviews met de moeders en verzorgers zijn afge-
speeld en gescoord op basis van de categoriseringen bij het kind, aangevuld met
punten die door moeders en verzorgers specifiek genoemd werden; een deel is ter
controle van de betrouwbaarheid van deze methode ook verbatim uitgeschreven
en geïnterpreteerd.
Resultaten
Verzorgingssituatie
Zoals aangegeven, hebben we voor 68 kinderen informatie over de verzorgingssi-
tuatie. De grootste groep, ongeveer een derde (25 kinderen), verblijft bij officiële
pleegzorg. Ongeveer een vijfde (14 kinderen) verblijft bij de vader. Soms woont
vader weer in bij zijn moeder (de grootmoeder) of een ander familielid. Ook dan is
de verzorgingssituatie geclassificeerd als woonachtig bij de vader. Negen kinderen
(13 procent) wonen bij grootouders. Wederom een vijfde (14 kinderen) verblijft
bij overige familie of het informele netwerk van vrienden en kennissen. Zes kin-
deren (9 procent) verblijven in een instelling op civiele of strafrechtelijke titel.
Veertig procent van de kinderen was al voordat de detentie van de moeder in
beeld kwam op een andere verblijfplaats, en dus weg bij de moeder. In vrijwel alle
gevallen was deze uithuisplaatsing het gevolg van een interventie via Jeugdzorg;
twee moeders hadden het kind zelf eerder bij familie ondergebracht. Voor de
detentie verzorgde moeder dus in 60 procent van de gevallen het kind zelf. Dat
betekent niet dat 60 procent van de kinderen een stabiele leefsituatie had voor
moeders arrestatie: hoewel niet alle kinderen dit precies kunnen aangeven, is dui-
delijk dat kinderen soms al veelvuldig verhuisden voor de detentie van moeder.
Ook maakten veel kinderen regelmatig wisselingen van gezinssamenstelling mee
(nieuwe partners van de ouder, andere (half- of stief)broers en zussen).
Al met al concluderen we dat bij twee vijfde van de door ons onderzochte kinde-
ren de detentie van moeder niet betekende dat het gezin uiteenviel: dat was vaak
al eerder gebeurd. Voor drie vijfde van de kinderen betekende de detentie wel een
verandering in de gezinssituatie. Slechts een vijfde bleef in dezelfde leefsituatie,
42
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
nu alleen bij vader, achter, al bleek het niet altijd mogelijk helder te krijgen of de
vader ook voor de detentie al voor de kinderen zorgde.
Gedragsproblematiek
In totaal is voor vijftig kinderen door de moeder of verzorger een gedragsvragen-
lijst (CBCL) ingevuld. De moeders deden dit voor 47 kinderen, de verzorgers
(vader, pleegouder/gezin, mentor) voor in totaal 22 kinderen.
Uit de rapportages van moeders en verzorgers blijkt dat er veel gedragsproblema-
tiek is bij de kinderen. Op de CBCL rapporteren moeders en verzorgers voor 32
procent respectievelijk 55 procent een grens- of klinische score op de totaalschaal
van gedragsproblematiek. Verzorgers nemen dus aanzienlijk meer problematiek
waar bij de kinderen.
Uit de rapportages blijkt tevens dat zowel moeders (47 procent) als verzorgers (50
procent) veel internaliserende problematiek zien bij de kinderen. Vooral affec-
tieve problematiek wordt genoemd. Ook blijkt uit de rapportages dat de verzor-
gers meer externaliserend probleemgedrag (36 procent) zien dan de moeders (26
procent). Gegeven het feit dat de moeders de kinderen veel minder zien dan de
verzorgers, is het niet verwonderlijk dat zij juist het externaliserende gedrag min-
der goed kunnen waarnemen. Mogelijk worden zij ook niet van alle probleemge-
drag op de hoogte gebracht. Al met al zijn de percentages voor gedragsproblema-
tiek dus beduidend hoger dan het normpercentage van 7 procent over de popula-
tie.
Over de kinderen die vóór de detentie al niet meer bij moeder woonden, wordt
door de verzorgers meer problematiek gerapporteerd dan over kinderen die pas
door de detentie van moeder gescheiden werden, zowel voor wat betreft internali-
serende (60 procent versus 42 procent) als externaliserende problematiek (40
procent versus 25 procent).
Uit de gedragsvragenlijsten komt overigens naar voren dat zowel moeders als ver-
zorgers iets meer internaliserende problematiek zien bij de meisjes (50 procent
respectievelijk 56 procent) dan bij de jongens (43 procent respectievelijk 46 pro-
cent). Voor externaliserende problematiek is het beeld iets wisselend – hier rap-
porteren de moeders iets minder problematiek bij hun dochters (21 procent) dan
de verzorgers (33 procent). Voor jongens nemen moeders en verzorgers echter
weer vrijwel gelijke percentages aan problematiek waar (ongeveer 30 procent).
Het lijkt er dus op dat moeders vooral het externaliserend probleemgedrag van
hun dochters iets minder signaleren.
Het welbevinden van de kinderen
Door de detentie van moeder kunnen kinderen problemen ervaren op verschil-
lende levensdomeinen, zoals school, vriendjes en de thuissituatie. Voor het wel of
niet ervaren van problemen op levensdomeinen gebruiken we de ‘paraplu’-term
welbevinden. De diverse levensdomeinen zijn, als onderdelen van welbevinden,
naast het contact tussen moeder en kind, aan bod gekomen in de interviews met
kinderen, moeders en verzorgers.
Een van de belangrijkste onderwerpen in de gesprekken was de verandering in
contact wanneer moeder gedetineerd raakt. Van de 68 kinderen zijn er volgens de
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
43
Menno Ezinga & Sanne Hissel
moeders 42 (62 procent) wel eens bij moeder op bezoek geweest. De frequentie
van bezoek loopt flink uiteen, van eenmaal langs geweest zijn in een aantal maan-
den tot bijna wekelijks. Voor vier kinderen kon niet uit het gesprek worden opge-
maakt of ze bij moeder op bezoek waren geweest. 22 kinderen (32 procent) zijn
gedurende de detentieperiode (nog) niet bij moeder op bezoek geweest. Soms
komt dit omdat er in het geheel geen contact meer is met moeder, bijvoorbeeld
omdat de kinderen slachtoffer zijn van het delict of al (lang) voor de detentie uit
huis waren geplaatst. Soms echter zijn het logistieke complicaties: de gevangenis
ligt te ver weg of er is geen vervoer mogelijk. Maar ook het detentieregime zorgt
voor moeilijkheden bij het hebben en behouden van contact met de moeder. Een
jongen gaf aan nog niet op bezoek te zijn geweest omdat de reguliere bezoekuren
tijdens schooltijd plaatsvonden. Naast moeilijkheden in het onderhouden van
fysiek contact is het ook lastig de moeder te bellen, omdat ze juist op de momen-
ten dat het thuis kan, of dat het meest prettig is, op cel zit.
Casus A
1
Jongetje, 5 jaar, wordt verzorgd door vader. Moeder is voor langere tijd gede-
tineerd. Vader en kind zijn inwonend bij de nieuwe vriendin van de vader.
Kind gaat naar school. Vader is werkloos en blowt regelmatig. Kind ziet er
verzorgd uit, al is de armoede tekenend tijdens bezoek. Kind reageert nor-
maal en leeftijdconform, is open en spreekt goed. Kind mist moeder heel erg.
Wil graag zo veel mogelijk op bezoek. Onduidelijk blijft hoe vaak bezoek
plaatsvindt. Op school is met begrip en medeleven gereageerd op de detentie
van moeder. Kinderen uit de klas hebben een mooie tekening gemaakt, die
het kind ons laat zien. Vader is zorgzaam en liefhebbend.
Bijna alle kinderen geven aan verdriet te hebben om hun moeders detentie; zij
willen ook bijna allemaal dat hun moeder niet meer in de gevangenis zit. Verdriet
kan zich uiten in nachtmerries, zorgen om de moeder, gevoelens van eenzaam-
heid en soms ook sombere gedachten. Vooral jonge kinderen lijken sterk onder de
indruk van, en soms geïntimideerd door de gevangenis en het regime, aangezien
zij met regelmaat tot in detail vertellen hoe een bezoekprocedure verloopt. Van
moeders hoorden wij dat de regels omtrent het overhandigen van bijvoorbeeld
een tekening en het hebben van fysiek contact tijdens reguliere bezoekuren als
erg strikt door het kind worden ervaren.
Heel soms zien we dat kinderen niet hun eigen gevoelens aan moeder willen
tonen, om te voorkomen dat moeder bezorgd is of verdriet heeft. Ook worden er
frustraties geuit over moeders delict: ze is ‘stom’, ‘dom geweest’ en men verwijt
haar het criminele gedrag (‘Hoe kon ze dat nou doen?’). Een enkeling geeft aan
dat het eigenlijk wel goed voor moeder is dat zij vastzit (‘kan ze haar fouten over-
denken’). Ook wijzen vooral de oudere kinderen er wel eens op dat de detentie
van moeder ook voor rust heeft gezorgd. Deze oudere kinderen kunnen genuan-
ceerder onder woorden brengen hoe zij de detentie van hun moeder ervaren. Zij
1
De drie korte casus in dit artikel geven een goede illustratie van de situaties die wij zijn tegenge-
komen. Om vertrouwelijkheid te garanderen zijn ze onherkenbaar en onherleidbaar gemaakt.
44 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
hebben vaak een realistischer beeld van de situatie, zien de fout van hun moeder
in, maar blijven doorgaans loyaal. Sommigen vinden dat hun moeder veel fout
heeft gedaan in haar leven, waar zij zelf als kind door beschadigd zijn. En met
name oudere kinderen melden ons nadrukkelijk dat ze sinds de detentie van moe-
der hun best moeten doen om controle over hun leven te houden, en dat ze zor-
gen hebben over geld, huisvesting en school doordat ze op zichzelf aangewezen
zijn. Met deze jong opgelegde onafhankelijke status wordt, ondanks het gemis
van moeder, vaak adequaat omgegaan. Deze oudere kinderen lijken meer zelfred-
zaam en veerkrachtig dan de leeftijd normaal zou vragen en zien de (tijdelijke)
afwezigheid van moeder ook als een kans om grip op de voorheen gecompliceerde
situatie te krijgen.
Casus B
Jongen, 16 jaar. Moeder is meerdere malen gedetineerd geweest gedurende
zijn jeugd. Vader is niet bekend. Hij heeft twee (veel jongere) halfzusjes van
een andere partner van moeder, die hij eens per jaar met Kerstmis opzoekt.
De jongen is al twee jaar uit huis (sinds de voorlaatste detentie van moeder)
en heeft nu met behulp van instanties een leer-werktraject en begeleiding bij
wonen gekregen. Hij woont naar tevredenheid in een zelfstandig-wonenhuis.
Hij heeft zijn uitgavenpatroon op orde. Hij ziet er goed verzorgd uit en maakt
een vlakke, enigszins afstandelijke, zakelijke indruk als hij over zijn moeder
spreekt. Hij gaat met enige regelmaat op bezoek bij haar. Hij wil als hij zijn
opleiding heeft afgerond een horecagelegenheid starten. Hij heeft sinds een
half jaar een vriendin.
Vaak is aan de detentie een geschiedenis voorafgegaan van ruzies, geweld, mis-
bruik, verwaarlozing, vele verhuizingen, scheidingen of drugsgebruik van ouders.
Zeven van de 22 kinderen die wij interviewden, meldden zelf getuige te zijn
geweest van het delict van moeder. Daarnaast was een kind mededader van het
delict en een kind was slachtoffer. Volgens de moeders was een derde van de kin-
deren (22 van de 68 kinderen) getuige van het delict of van de arrestatie.
Alle kinderen gingen naar school. Wel geeft één kind aan een tijdje niet naar
school te zijn geweest. Zes kinderen geven aan van school te zijn gewisseld, maar
waarschijnlijk is dit aantal hoger gezien het grote aantal verhuizingen dat werd
gerapporteerd. Met een enkeling gaat het niet goed op school. Deze kinderen ver-
tellen dat ze te veel aan hun hoofd hebben en zich daardoor niet kunnen concen-
treren. Veelal heeft een sleutelfiguur, zoals een mentor, kennis van de thuissitua-
tie en van de detentie van moeder, meestal door de verzorger gemeld. Een enkele
keer blijkt niemand op school te weten dat moeder door detentie afwezig is.
Vooral de oudere kinderen willen liever niet dat de detentie van de moeder alge-
meen bekend wordt. Niet ieder kind geeft een reden, sommigen geven aan geen
stof te willen doen opwaaien.
De kinderen hebben, ongeacht de verzorgingssituatie waar zij zich in bevinden,
bijna allemaal een vriendennetwerk. Een enkeling is meer op zichzelf. Vaak is ook
een (kleine) selectie van vrienden op de hoogte van moeders detentie. Meestal
wordt daar met medeleven op gereageerd. Twee kinderen gaven aan te worden
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
45
Menno Ezinga & Sanne Hissel
gepest. Directe vriendjes en vriendinnetjes krijgen de situatie van moeder van het
kind zelf te horen. Terwijl er vooral bij de oudere kinderen angst bestaat voor stig-
matisering door leeftijdgenoten, zien we bij jonge kinderen eigenlijk weinig angst
hiervoor.
Casus C
Meisje, 12 jaar. Woont bij tante. Ernstige gedragsproblematiek in de vorm
van ADHD, krijgt daarvoor medicatie. Zit op speciale school voor kinderen
met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Tante geeft in het gesprek aan nauwe-
lijks controle te hebben over het gedrag van het meisje. In het verleden heeft
het meisje de auto beschadigd, ook slaat zij met de deuren en schreeuwt zij bij
het minste of geringste. Het meisje heeft grote moeite met contacten in de
buurt en vecht veel. Het contact met moeder is vrijwel nihil vanwege de grote
reisafstand. Moeder heeft wel voor haar gezorgd totdat ze gedetineerd raakte.
Contact met het meisje tijdens het bezoek was niet mogelijk, aangezien de
gedragsproblematiek in de vorm van angst, achterdocht, maar ook rebels en
kinderlijk gedrag dit onmogelijk maakte. De thuissituatie was eenvoudig en
verzorgd.
De moeders schetsen vaak een positiever beeld van de situatie vóór de detentie en
laten daarbij bepaalde kwesties, zoals dat de kinderen al lang het huis uit waren,
achterwege. Enkele moeders durven kritisch te zijn over de eigen moederrol voor
de detentie.
De kinderen zelf vinden de verandering in de verzorging op twee manieren lastig.
Ten eerste vindt er vaak een feitelijke verandering van omgeving plaats voor het
kind. De kinderen moeten soms ook tijdens moeders detentie nog meerdere
keren verhuizen. Ten tweede is de verandering in de thuissituatie sterk gerela-
teerd aan een verandering in opvoedingsstijl. Enkele kinderen geven aan zich
ongelukkig te voelen, en als het ware een gast te zijn bij het (pleeg)gezin. Eén jon-
gen geeft aan op eieren te moeten lopen om geen berisping te krijgen. De verzor-
gers geven veelal aan er het beste van te willen maken, al hebben veel verzorgers
moeite met de opvoeding gezien de gedragsproblematiek van het kind. Een groot
deel van de verzorgers meent dat de situatie nu gunstiger is voor het kind dan de
situatie ervoor. Zij kiezen vaak bewust een specifieke opvoedingsstijl, die in hun
ogen het beste zou zijn voor het kind. Ruim een derde van de moeders weet niets
over de (nieuwe)opvoedingssituatie van haar kind(eren), bijvoorbeeld omdat het
contact al lang verbroken is. Soms wordt een kind bewust weggehouden van de
moeder vanwege eerdere problematische situaties of, bij één kind, omdat het
slachtoffer was van het delict. Bij eveneens een derde is moeder positief over de
huidige opvoeding van het kind. De andere moeders zijn ofwel negatief ofwel wis-
selend in hun waardering.
46
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
Discussie
Ons beschrijvende en exploratieve onderzoek heeft een aantal conclusies opgele-
verd. Allereerst heeft het laten zien dat de detentie van de moeder lang niet altijd
een wijziging van de opvoedingssituatie betekende: regelmatig werden kinderen
al voor de detentie door anderen dan de moeder verzorgd. Veel kinderen hadden
zowel voor als tijdens de detentie een (zeer) instabiele verzorgingssituatie.
Ten tweede is er bij de kinderen sprake van forse gedragsproblematiek. Meer dan
de helft heeft een grens- of klinische score op de CBCL. Hoewel zowel moeders als
verzorgers voor ongeveer van de helft van de kinderen internaliserende proble-
men rapporteren, zien we dat de moeders beduidend minder externaliserende
problemen waarnemen, of althans rapporteren. Dat is niet verwonderlijk: moe-
ders kunnen dit soort gedrag vanuit detentie nu eenmaal veel minder zelf waarne-
men, en sommige kinderen vertelden ons dat ze hun problemen bewust van moe-
der weghouden om haar daar niet mee te belasten. Mogelijk dat moeders ook
ondergerapporteerd hebben omdat zij het moeilijk vinden in hun relatief machte-
loze positie de problemen onder ogen te zien. Dit laat ook zien dat de gedeti-
neerde moeder als (enige) informant over het welbevinden van haar kinderen een
minder geschikte bron is.
Bijna alle kinderen vertelden ons dat ze verdriet hadden van de detentie van hun
moeder. Bij de jongere kinderen zagen we duidelijk het verdriet van de scheiding
en het gescheiden zijn van de moeder, willen de kinderen hun moeder liefst veel
zien en liefst ook weer zo snel mogelijk bij moeder terug. Bij de oudere kinderen
wordt de ervaring meerdimensioneler. Nog steeds is er verdriet, maar we zien bij
sommigen ook woede om de eigen beschadigde jeugd door hun moeders gedrag.
Bij een enkeling zien we dat moeder als ‘zorger’ heeft afgedaan: men trekt zijn
eigen plan en neemt het leven ter hand. Bij de kinderen in de tussenleeftijd zien
we hoe sommigen zich ook zorgen maken om moeder: men houdt narigheid van
haar weg omdat men zelf wel ziet dat moeder toch niet veel uit kan richten en
zich alleen maar zorgen kan maken. Het feit dat moeder in de gevangenis zit,
wordt meestal slechts in beperkte kring bekendgemaakt. Hoewel er wel angst is
om gepest of buitengesloten te worden, zien we dat eigenlijk nauwelijks gebeuren.
Veel leeftijd- en klasgenoten gaan steunend om met de kinderen van gedetineerde
moeders. Sommige kinderen noemen expliciet dat zij blij zijn met de rust die
moeders detentie geeft, bij andere is er ook enige ambivalentie ten aanzien van de
strakkere regels die nu in het nieuwe gezin gelden.
Hoewel niet ieder kind daar gebruik van zal willen of kunnen maken, en contact
ook niet voor ieder kind wenselijk is, blijkt het onderhouden van contact moeilijk.
Vooral de jongere kinderen ervaren de gevangenis zelf als zeer indrukwekkend.
Veel kinderen en moeders noemen dat bellen lastig is en te weinig kan; ook de
reisafstand is in veel gevallen een probleem.
Onze bevindingen weken op een paar punten af van buitenlands onderzoek. Wij
observeerden geen (grote) armoede, hetgeen mogelijk niet verwonderlijk is gezien
het relatief goede sociale vangnet in Nederland. Ook vonden we relatief veel kin-
deren in officiële pleegzorg. Ook dat heeft mogelijk verband met de organisatie en
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
47
Menno Ezinga & Sanne Hissel
de reikwijdte van pleegzorg in Nederland, en het feit dat in veel Amerikaanse stu-
dies Afro-Amerikaanse moeders zijn oververtegenwoordigd, voor wie zorg door
grootouders voor de kinderen relatief gebruikelijk is. De kinderen in Nederland
werden juist minder vaak door grootouders opgevangen.
Onze bevindingen stemden echter in grote lijnen overeen met die uit buitenlands
onderzoek. De gedragsproblemen, concentratieproblemen, problemen met het
onderhouden van contact, en de reisafstand zijn ook voor het buitenland gevon-
den. Wij vonden ook veel gezinsproblemen voorafgaand aan de detentie van moe-
der: 40 procent van de kinderen werd voor de detentie al niet meer door moeder
verzorgd. De detentie van moeder betekent dus lang niet in alle gevallen het uit-
eenvallen van het gezin. Hoewel de angst voor stigmatisering er in Nederland ook
is, lijkt die voor deze Nederlandse kinderen in de praktijk juist minder dan uit bui-
tenlands onderzoek naar voren komt.
Een eerste vraag is in hoeverre onze resultaten gelden voor de kinderen van alle
gedetineerde moeders c.q. de representativiteit van de door ons onderzochte
groep. Aan de ene kant hebben wij vrijwel zeker kinderen gemist met wie het
slechter dan gemiddeld ging: een aantal verzorgers meende dat het te belastend
en/of onrustig zou zijn voor het kind als er een onderzoeker over de vloer kwam.
Het is ook niet ondenkbaar dat een aantal moeders met kinderen voor wie geen
behoorlijke verzorging geregeld was, zich niet heeft gemeld voor het onderzoek:
in de groep moeders die we spraken, is het vertrouwen in instanties zoals Jeugd-
zorg bijzonder gering tot niet aanwezig – mogelijk hebben moeders met kinderen
in dergelijke ongeregelde situaties het zekere voor het onzekere genomen door
zich niet kenbaar te maken. Het is ook denkbaar dat een aantal moeders niet
gemeld heeft bij de penitentiaire inrichting dat zij kinderen hebben, in dat geval
werden zij niet eens opgeroepen. Ook hebben wij geen moeders gesproken met
ernstige psychische problematiek of moeders die om andere redenen op bijzon-
dere zorgafdelingen geplaatst waren. Als men aanneemt dat kinderen in dit soort
situaties er slechter aan toe zijn, dan hebben wij een relatief lichte groep onder-
zocht. Aan de andere kant bleken wij relatief weinig moeders met kortere straffen
in de onderzoeksgroep te hebben, en waren moeders met een (zeer) beperkt
regime uitgesloten. Dat betekent dat, als we aannemen dat kinderen van deze
moeders er juist relatief beter aan toe zijn, wij ook aan de lichtere kant van het
problemenspectrum minder kinderen hebben gezien. Ook hebben wij kinderen
gemist die er niet van op de hoogte waren dat hun afwezige moeder gedetineerd
is. De non-responsanalyse die wij konden doen, een vergelijking tussen de CBCL-
scores door moeders die wel en geen toestemming voor benadering hadden gege-
ven, liet geen noemenswaardige verschillen zien.
De methode die wij gekozen hebben, impliceerde zeer veel werk: het was bepaald
niet eenvoudig en ook zeer tijdrovend om in contact te komen met de verzorgers
en de kinderen. Een deel van de populatie kinderen wordt afgeschermd door
diverse instanties en verzorgers, waar in iedere ‘schil’ opnieuw toestemming
gevraagd moest worden, en respondenten konden afvallen. Voor een ander deel is
de populatie ondergebracht in onduidelijke en wisselende arrangementen, waarbij
de verzorgers soms, zo was onze indruk, redelijk ongeregelde levens leidden. Het
48
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
kostte soms letterlijk weken van bellen, brieven schrijven, bellen, bezoeken, weer
een ander nummer bellen en weer bezoeken, om een kind te spreken te krijgen.
De populatie blijkt daarmee extreem moeilijk benaderbaar. Onze resultaten laten
echter zien dat het van het grootste belang is om niet (alleen) op de beoordeling
van de moeder af te gaan. Zij is om allerlei redenen slechter geïnformeerd dan de
dagelijkse verzorgers en de kinderen zelf. De kinderen, zeker diegenen die zo oud
waren dat zij hun gevoelens onder woorden konden brengen, bleken goed en
genuanceerd zelf te kunnen en willen aangeven wat zij hadden meegemaakt en
hoe dat hun leven heeft beïnvloed.
De grote vraag is natuurlijk, in hoeverre de problemen van de groep kinderen die
wij hier onderzoeken, het gevolg zijn van de detentie van de moeder. De resultaten
maken aannemelijk dat dit voor een substantieel deel niet zo is. Wij zagen aller-
eerst dat een groot deel van de kinderen al voor de detentie van de moeder een
veelheid van life events had meegemaakt en blootgesteld was geweest aan een
groot aantal risicofactoren. Ook zagen wij dat de kinderen die al voor de detentie
niet meer bij hun moeder woonden, hoger scoren op internaliserende en externa-
liserende gedragsproblematiek. Ook dit maakt aannemelijk dat de verhoogde
niveaus van gedragsproblematiek ten minste ten dele toe te schrijven zijn aan
risicofactoren die met de detentie of criminaliteit van de moeder samenhangen.
Een andere vraag is, in welk verzorgingsarrangement kinderen van gedetineerde
moeders het best gedijen. Het gaat daarbij niet zozeer om de vraag of dat nu een
pleeggezin of een leefvorm bij de grootouders is, maar om de vraag in hoeverre
moeder en de nieuwe dagelijks verzorgers elkaar ondersteunen of juist ondermij-
nen. Ook is het de vraag in hoeverre instanties als Jeugdzorg of de nieuwe Centra
voor Jeugd en Gezin een rol kunnen spelen in gezinnen waar detentie van een
moeder zich aandient, of al veel eerder. Onderzoek naar dat soort kwesties is van
nature bijzonder lastig.
Parallel aan de persoonlijke situatie van de moeders en hun kinderen is het ook
van belang het regime waarin de gedetineerde moeder zich bevindt, als voorwerp
van onderzoek te beschouwen. Zijn ruimere bezoektijden een mogelijk compense-
rende factor voor het verdriet om de afwezigheid van de moeder? Rapporteren
kinderen als hun moeder elektronische detentie ondergaat minder problemen?
Dergelijke vragen kunnen vooral in internationaal vergelijkend onderzoek goed
onder de loep genomen worden.
Vervolgonderzoek is dus noodzakelijk. In de eerste plaats om uit te vinden in hoe-
verre kinderen door detentie van hun moeder (verder) beschadigd worden. Derge-
lijk onderzoek zou idealiter met controlegroepen dienen plaats te vinden, maar
dat wordt veelal als ethisch onwenselijk en praktisch onmogelijk beoordeeld – al
heeft onderzoek in het buitenland laten zien dat er in sommige situaties wel dege-
lijk mogelijkheden zijn (Killias e.a., 2000). Een tweede optie zou zijn om met
quasi-experimentele controlegroepen te werken. Het onderzoek van Stanton
(1980) liet echter zien dat er het gevaar is dat de verschillen tussen de groepen te
groot blijven. Een derde optie is om het welbevinden en gedrag van de kinderen te
volgen van voor tot na de detentie van de moeder. Dit betekent echter dat
extreem grote populatiesteekproeven gevolgd moeten worden, hetgeen geen een-
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
49
Menno Ezinga & Sanne Hissel
voudige opgave is, of klinische groepen, hetgeen weer zijn eigen nadelen heeft. In
de nabije toekomst willen wij de groep kinderen van gedetineerde moeders verge-
lijken met een groep kinderen van niet-gedetineerde delinquente moeders. Ook
willen wij de opvoedende rol van de moeder in relatie tot die van de nieuwe ver-
zorgers onder de loep nemen.
Ten slotte roept dit onderzoek de beleidsvraag op, of mogelijk voor gedetineerde
moeders met kinderen speciale voorzieningen in het leven geroepen dienen te
worden om de collaterale gevolgen van de detentie voor hun kinderen te minima-
liseren. Zonder die vraag te beantwoorden merken wij op dat naast het werk van
vrijwilligersorganisaties en activiteiten in de PI’s sommige verzorgers en kinderen
verrassend inventieve oplossingen hebben gevonden om met de beperkingen van
de detentie om te gaan. Zo gebruikten een moeder en dochter een extern ant-
woordapparaat waarop het meisje op ieder moment van de dag berichten kan ach-
terlaten, en dus ook als de moeder op cel zit en onbereikbaar is. Op deze manier
kan de dochter haar zorgen, verdriet of juist leuke nieuwtjes altijd voor haar
gevoel bij haar moeder achterlaten. Mogelijk kan dergelijk ‘laaghangend beleids-
fruit’ op relatief eenvoudige wijze een deel van het leed bij een deel van de kinde-
ren verzachten.
Dergelijke kleine verbeteringen zullen echter, hoe wenselijk ook, slechts een
kleine pleister op de wonde zijn.
Literatuur
Achenbach, T.M. & Rescorla, L.A. (2001). Manual for ASEBA school-age forms & profiles. Bur-
lington, VT: University of Vermont, Research Center for Children, Youth & Families.
Arditti, J.A., Lambert-Shute, J. & Joest, K. (2003). Saturday morning at the jail. Impli-
cations of incarceration for families and children. Family Relations, 52, 195-204.
Bloom, B. (1993). Incarcerated mothers and their children: Maintaining family ties. In:
American Correctional Association (ed.). Female offenders. Meeting needs of a neglected
population. Baltimore: United Book Press, 60-68.
Boswell, G. & Wedge, P. (2002). Imprisoned fathers and their children. London: Jessica
Kingsley.
Braam, H., Mak, J. & Tan, S. (2007). Moeders in detentie en de omgang met hun kinderen.
Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Cecil, D.K., McHale, J. Strozier, A. & Pietsch, J. (2008). Female inmates, family caregivers,
and young children’s adjustment. A research agenda and implications for corrections
programming. Journal of Criminal Justice, 36, 513-521.
Codd, H. (1998). Prisoners’ families. The ‘forgotten victims’. Probation Journal, 45(3),
148-154.
Dallaire, D.H. (2007). Children with incarcerated mothers. Developmental outcomes, spe-
cial challenges and recommendations. Journal of Applied Developmental Psychology,28,
15-24.
Dirkzwager, A., Nieuwbeerta, P. & Fiselier, J. (2009). Onbedoelde gevolgen van vrijheids-
straffen. Een literatuurstudie. Tijdschrift voor Criminologie, 51(1), 21-41.
Dodd, T. & Hunter, P. (1992). The National Prison Survey 1991. A report to the Home Office
of a study of prisoners in England and Wales carried out by the Social Survey Division of
OPCS. London: HMSO.
50
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
Kinderen van gedetineerde moeders
Ezinga, M., Hissel, S., Bijleveld, C. & Slotboom, A. (2009). Kinderen van gedetineerde moe-
ders. Amsterdam: Vrije Universiteit.
Fishman, S.H. (1983). Impact of incarceration on children of offenders. Journal of Children
in Contemporary Society, 15, 89-99.
Holwerda, G. (1997). Hoeveel nachtjes slapen nog? Evaluatieverslag van het project ‘Ouders,
kinderen en detentie’. 1 juli 1995 tot 1 januari 1997. Den Bosch: Reclassering Nederland.
Johnston, D. (1995). Effects of parental incarceration. In: K. Gabel & D. Johnston (eds).
Children of incarcerated parents. New York: Lexington Books, 59-88.
Kazura, K. (2001). Family programming for incarcerated parents. A needs assessment
among inmates. Journal of Offender Rehabilitation, 32, 67-83.
Killias, M., Aebi, M.F. & Ribeaud, D. (2000). Does community service rehabilitate better
than short-term imprisonment? Results of a controlled experiment. Howard Journal of
Criminal Law, 39, 40-57.
Mumola, C.J. (2000). Incarcerated parents and their children. Bureau of Justice Statistics.
Murray, J. (2005). The effects of imprisonment on families and children of prisoners. In:
A. Liebling & M. Shadd (eds). The effects of imprisonment. Portland, OR: Willan Publish-
ing.
Murray, J. & Farrington, D.P. (2005). Parental imprisonment. Effects on boys’ antisocial
behaviour and delinquency through the life-course. Journal of Child Psychology and Psy-
chiatry, 46, 1269-1278.
Murray, J. & Farrington, D.P. (2008). Parental imprisonment. Long-lasting effects on boys’
internalizing problems through the life-course. Development and Psychopathology,
20(1), 273-290.
Murray, J., Farrington, D.P., Sekol, I. & Olsen, R.F. (2009). Effects of parental imprisonment
on child antisocial behaviour and mental health. A systematic review. The Campbell
Collaboration.
Myers, B.J., Smarsh, T.M., Amlund-Hagen, K. & Kennon, S. (1999). Children of incarcera-
ted mothers. Journal of Child and Family Studies, 8(1), 11-25.
Phillips, S.D., Burns, B.J., Wagner, H.R., Kramer, T.L. & Robbins, J.R. (2002). Parental
incarceration among youth receiving mental health services. Journal of Child and
Family Studies, 11(4), 385-399.
Phillips, S.D., Erkanli, A., Keeler, G.P., Costello, E.J. & Angold, A. (2006). Disentangling the
risks. Parent criminal justice involvement and children’s exposure to family risks.
Criminology and Public Policy, 5(4), 677-702.
Poehlmann, J. (2005). Incarcerated mother’s contact with children, perceived family
relationships, and depressive symptoms. Journal of Family Psychology, 19(3), 350-357.
Schafer, N.E. & Dellinger, A.B. (1999). Jailed parents. An assessment. Women & Criminal
Justice, 10(4), 73-91.
Singleton, N., Meltzer, H., Gatward, R., Coid, J. & Deasy, D. (1998). Psychiatric morbidity
among prisoners. London: Stationery Office.
Slotboom, A.M., Bijleveld, C., Day, S. & Giezen, A. van (2008). Gedetineerde vrouwen in
Nederland. Amsterdam: Vrije Universiteit.
Snyder-Joy, Z.K. & Carlo, T.A. (1998). Parenting through prison walls. Incarcerated
mothers and children’s visitation programs. In: S.L. Miller (ed.). Crime control and
women. Feminist implication of criminal justice policy. Thousand Oaks, CA: Sage Publica-
tions, 130-150.
Stanton, A.M. (1980). When mothers go to jail. Lexington, MA: Lexington Books.
Van Nijnatten, C. (1998). Detention and development. Perspectives of children of prisoners.
Mönchengladbach: Forum Verlag Godesberg.
Wolleswinkel, R. (1997). Gevangen in moederschap. Gouda: Quint.
Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 1
51
... As Hagan and Dinovitzer (1999, p. 123) stated: 'there obviously are cases involving the imprisonment of negligent, violent, and abusive parents where the imprisonment of the parents benefits the children by removing serious risks of current and future harm.' In these cases, children's social capital might increase rather than decrease following a parent's imprisonment (Ezinga, Hissel, Slotboom & Bijleveld, 2009;Jaffee et al., 2003). This highlights the importance of obtaining knowledge regarding the family environment prior to parental imprisonment (Murray & Murray, 2010). ...
... Furthermore, the moment that parents get incarcerated might be the first time that social support organisations have contact with families. Parental imprisonment is rarely the only problem in a family; such families often have to cope with various difficulties, including unemployment, financial, and housing problems (Ezinga et al., 2009;Murray, 2005). These can go unnoticed for a long time, but parents being sent to prison could trigger the start of social service support. ...
... When a parent is imprisoned this might be an opportunity to restore contact with and supervision over children. The imprisonment may function as a turning point in the sense that relationships between prisoners and their children may be resumed since the imprisoned parent's life becomes more regular (Ezinga et al., 2009). Although incarcerated parents are greatly restricted in their contact with their children, prison allows time to reflect on their relationships and can increase motivation to focus attention on their children when parents are released (Ezinga et al., 2009). ...
Thesis
Full-text available
In this dissertation, I have investigated mechanisms that might explain why children with criminal parents have a higher risk of committing crime. Several explanations for this intergenerational transmission have been contrasted, such as social learning (imitation of behaviour), official bias against certain families, and transmission of risk factors. I have investigated this in England as well as in the Netherlands. Some of the questions answered in my dissertation are: does it matter when the parents committed crime in the child's life? Do more persistent offenders transmit crime more than sporadic offenders? Do violent offenders specifically transmit violent behaviour or general crime to their children? Might the police and courts be biased against certain families? Might continuity of a criminogenic environment explain why parents as well as children show criminal behaviour? Does parental imprisonment pose an extra risk? I find some support for social learning and strong support for the transmission of a criminogenic environment and official bias. It does not matter at what point in the offspring's youth parents commit crime; the risk of transmission is similar at different ages. Contrary to predictions, persistent offenders do not necessarily have more criminally active children than sporadic offenders, but violent offenders do specifically transmit violent offending. Official agencies appear to target offenders' children more and thereby these children have a higher risk of being convicted, regardless of their level of offending. Subsequently, these children appear to increase their offending after being convicted. Growing up in an environment with many risk factors for crime seems to be an important explanation for why children of criminals have a higher risk to commit crime. Finally, parental imprisonment increases offspring offending in England, but not in the Netherlands. This could possibly be explained by the fact that, comparatively, Dutch prisons and penal policy were much more humane and liberal in the period during which our subjects experienced parental imprisonment (1946-81). This dissertation is the first study to specifically investigate these mechanisms of intergenerational continuity. The study is scientifically relevant because of its breadth, integration of conviction data as well as data on self-reported offending and environmental risk factors, its comparative design and the long periods over which transmission is investigated. Furthermore, the dissertation has important policy implications. It demonstrates how penal policy designed to reduce criminal behaviour might actually increase this behaviour in the next generation. This is especially important since Western countries such as the United Kingdom and the Netherlands show an increasing trend towards more punitive policies.
... Kinderen van gedetineerden voelen zich vaak verdrietig en boos. Daarnaast hebben zij ook vaker last van stigmatisering en pesterijen door hun omgeving zoals op school en in de buurt (Ezinga & Hissel, 2010). Vanwege schaamte durven kinderen niet altijd te vertellen aan anderen dat hun vader in de gevangenis zit. ...
Chapter
Full-text available
Detentie heeft niet alleen een invloed op het leven van gedetineerden, maar ook op het leven van hun gezinsleden. Het onderhouden van een positieve relatie kan bijdragen aan een succesvolle re-integratie en het welzijn van kinderen van gedetineerden. Het is voor vaders in detentie echter niet makkelijk om de band met gezinsleden te onderhouden. De Family Approach in Wales en de Gezinsbenadering in Nederland spelen hierop in, met als hoogste doel om de problematiek onder kinderen van gedetineerden te verlichten en hardnekkige patronen van intergenerationele doorgave van crimineel gedrag te doorbreken. De eerste resultaten uit wetenschappelijk onderzoek zijn veelbelovend. Er worden nu belangrijke eerste stappen gezet, waarbij een cruciale rol weggelegd is voor de professionals van nu en van de toekomst.
... In addition, after a parent is incarcerated, social support organizations may have contact with families for the first time. As mentioned above, families who experience parental incarceration often have to cope with various problems such as unemployment and both financial and housing problems (Ezinga & Hissel, 2010;Ezinga, Hissel, Slotboom, & Bijleveld, 2009;Murray, 2005). This might go unnoticed for some time, but parental incarceration could initiate social service intervention and support, which could improve children's social and emotional development and reduce social strain. ...
Chapter
Full-text available
This chapter provides an overview of theories and empirical studies on the relationship between incarceration and reoffending and on the impact of parental incarceration on the criminal behavior of children. How does incarceration impact on offending behavior when an individual leaves the prison? Rigorous scientific evidence is lacking, but the available empirical evidence suggests that incarceration has a null or criminogenic effect on reoffending. How are children of those incarcerated affected by their parents’ prison sentence? Although several theoretical mechanisms have been voiced, such as social, economic and psychological strain, intergenerational transmission, and stigmatization, research into these mechanisms is scarce. The available research points to parental incarceration being a risk factor with effects partly caused by caretaker stress and weakened family bonds. http://www.oxfordhandbooks.com/view/10.1093/oxfordhb/9780199324675.001.0001/oxfordhb-9780199324675-e-10
Article
The arrest of a mother may have far reaching consequences for her child(ren). This article discusses the question whether in Dutch criminal proceedings these potential effects are sufficiently taken into account before, during and after the mother’s arrest. In order to answer this question, the potential negative effects the arrest may have on the children involved will be discussed. Next, attention will be paid to the international and European legal frameworks and their relevance for arresting mothers. The right of the child to be informed about the arrest, and European case law concerning the arrest of parents in the presence of their children, will be discussed. Finally, a critical analysis will be given of how the arrest of mothers is dealt with according to Dutch law and practice. Practical experiences will be drawn from fieldwork conducted in two Dutch detention centres.
Article
De auteurs signaleren een vergeten groep vrouwen en hun kinderen. Dit betreft de groep moeders die in buitenlandse detentie verblijven en specifieke problematiek met zich meebrengen. Hun arrestatie en detentie vallen buiten het zicht van de reguliere regelgeving en procedures en buiten het bereik van diverse instanties.
Chapter
Full-text available
Researchers have only begun to explore the far-reaching effects of imprisonment beyond prison walls. Unintended consequences highlighted so far include: the social disorganisation of communities (Clear et al 2001); reduced job opportunities for ex-prisoners (Holzer et al 2004); diversion of funds away from schools and universities (Hagan and Dinovitzer 1999); and psychological and financial burdens on families. Families are an important influence on many aspects of prisoners’ lives. Family and parenting variables are key predictors of criminal behaviour through the life-course (Farrington 2002; Loeber and Stouthamer-Loeber 1986). Loss of outside relationships is considered the most painful aspect of confinement for prisoners (Flanagan 1980; Richards 1978). Family contact is associated with lower rates of selfharm while inside prison (Harvey, this volume; Liebling 1992). Families are one of the most important factors affecting prisoners’ rehabilitation after release (Social Exclusion Unit 2002). Unfortunately, prisoners’ families have been little studied in their own right. The effects of imprisonment on families and children of prisoners are almost entirely neglected in academic research, prison statistics, public policy and media coverage. However, we can infer from prisoners’ backgrounds that their families are a highly vulnerable group. Limited research to date suggests that imprisonment can have devastating consequences for partners and children. As such, issues of legitimacy
Article
Full-text available
The Bureau of Justice Statistics estimates that approximately 1 in every 50 youth in the U.S. had a parent in State or Federal prison in 1999. Studies of children of incarcerated parents suggest that these youth are at risk for experiencing emotional and behavioral problems. Using a sample of 258 adolescents receiving routine mental health services, this study explored: (1) differences in demographic characteristics, lifetime exposure to risk factors, recent stressful life experiences, and clinical profiles of adolescents with and without a history of parental incarceration; and (2) the effect of parental incarceration relative to other risk factors on levels of emotional and behavioral problems and treatment outcomes. Nearly half (43%) of the youth studied had experienced the incarceration of one or both parents. Youth who experienced parental incarceration had been exposed to significantly more risk factors during their lifetimes including parental substance abuse, extreme poverty, and abuse or neglect. They were more likely than other treated youth to present with attention-deficit/hyperactivity and conduct disorders and less likely to have major depression. Findings provide preliminary evidence that parental incarceration may have a discrete negative effect on certain outcomes of treatment.
Article
1. Setting the Scene. 2. Characteristics and Perceptions of Prisoner Fathers. 3. The Effects of Father Imprisonment upon Children. 4. Provision for Father/Child Contact. 5. Families' Experiences Father/Child Contact. 6. Formal and Informal Support Systems. 7. Strategies for Change. References. Index.
Article
Parental imprisonment can cause many problems for the family left behind, including difficulty organising childcare, loss of family income, trouble maintaining contact with the imprisoned parent, stigma, and home, school and neighbourhood moves. Children and parents can be distressed by the separation. Children may respond by acting out or becoming withdrawn, anxious or depressed. We conducted an exhaustive search for studies that examined children's antisocial behaviour and mental health after parental imprisonment. This Campbell Systematic Review found 16 studies with appropriate evidence. These studies all showed that children of prisoners are more likely than other children to show antisocial and mental health problems. However, it was unclear whether parental imprisonment actually caused these problems. They might have been caused by other disadvantages in children's lives that existed before parental imprisonment occurred. More research is required to determine whether or not parental imprisonment causes an increase in child antisocial behaviour and mental health problems. Executive summary/Abstract BACKGROUND The number of children with parents in prison is increasing in many countries worldwide. Theory and qualitative research suggest that parental imprisonment might contribute to child antisocial behaviour and mental health problems, because of the trauma of separation, strained child‐care arrangements during parental imprisonment, loss of family income, other stressful life events such as moving home and school, and the stigma of parental imprisonment. OBJECTIVES The first aim of this review is to assess evidence on parental imprisonment as a predictor of child antisocial behaviour (including criminal behaviour) and poor mental health. The second aim is to assess evidence on the possible causal effects of parental imprisonment on these outcomes. A third aim is to investigate whether characteristics of children, parents, prisons, and wider social and penal settings might moderate the effects of parental imprisonment on children. SEARCH STRATEGY We searched for studies of children of prisoners by contacting experts in the field, examining the bibliographies of prior reviews, and searching electronic databases of references for the years 1960 to 2008. We searched to identify both published and unpublished literature. The searches were international in scope. Over 10,500 references were screened, 319 full text reports were retrieved, and 165 reports of studies of children of prisoners were identified. SELECTION CRITERIA Studies that compared children of prisoners with children whose parents were not imprisoned on antisocial or mental health outcomes were first identified as studies that might be eligible for the review. Studies were included in the review if the comparison group of children was either selected to represent the general population of children (to estimate the strength of prediction of child outcomes following parental imprisonment) or to be similar to children of prisoners on confounding variables (to estimate the causal effects of parental imprisonment on children). Sixteen studies were eligible for the review. DATA COLLECTION AND ANALYSIS The results of 16 studies are described in a narrative review and in a meta‐analysis. Weighted mean effect sizes are reported for the associations between parental imprisonment and child outcomes. Moderator analyses were used to investigate possible explanations for variations in the study results. MAIN RESULTS Children of prisoners have about twice the risk of antisocial behaviour and poor mental health outcomes compared to children without imprisoned parents. All except one of the studies suggested that parental imprisonment might cause an increase in these outcomes for children (i.e., had positive effect sizes even after controlling for covariates). However, these tests of causal effects might be systematically biased because studies often did not control for prior child behaviour, parental criminality, and other important confounds associated with parental imprisonment. There were not enough studies to conduct more than exploratory analyses of moderators of the relationship between parental imprisonment and child outcomes. REVIEWERS’ CONCLUSIONS We conclude that children of prisoners are at greater risk of undesirable outcomes than their peers. However, it is not known whether parental imprisonment causes an increase in risk for children or whether other disadvantage in children's lives accounts for this association. There is increasing research interest in the possible effects of parental imprisonment on children. It is important to conduct new research that can estimate the causal effects of parental imprisonment on children more accurately, and investigate mediators and moderators of its effects.
Article
The current exploratory study was undertaken to investigate the needs, as perceived by the offender, of families with incarcerated individuals. The aim of the research was to determine inmates' family and parenting issues and concerns, and to assess their interest in formal and informal family services. Respondents were 136 inmates (99 male, 37 female) who ranged in age from 18 to 49. Inmates requested information about child rearing, better visitation for their children, and help with issues of trust and communication. The results demonstrate that male and female inmates have differing concerns. However, both incarcerated mothers and fathers seem to value their parental identity and family commitments.
Article
Hundreds of thousands of children experience emotional turmoil each year as the result of the incarceration of a parent. In addition to coping with feelings of grief, anger and rejection, they must deal with the stigma associated with having a relative in prison. Although this article concentrates on the impact of incarceration on both the children of male and female inmates, it also describes the problems encountered by other family members within the family unit. Despite a newfound interest in research and information on children of offenders, there is still a tremendous need for positive and innovative programs that address the problems of this special population.