Adjectieven voor taalkundigen

Article (PDF Available) · January 2001with 129 Reads
Cite this publication
133
1 Algemeen
Het belangwekkende NWO-project A Modern Grammar of Dutch (hierna MGD) dat onder
leiding van Henk van Riemsdijk wordt uitgevoerd aan de Katholieke Universiteit Brabant
beoogt alle kennis die er is over de syntaxis van het Nederlands op een overzichtelijke
manier bij elkaar te zetten in een Engelstalige grammatica, om deze kennis toegankelijk
te maken voor de professionele taalkundige, ten behoeve van onderzoek en taalkundige
toepassingen (zie Broekhuis en Van Riemsdijk 1998 voor een uitgebreide beschrijving van
de doelen van dit project). Adjectives and adjective phrases is een van de eerste, indrukwek-
kende, resultaten van dit project, een bijna 500 pagina’s tellend manuscript geschreven
door Hans Broekhuis dat thans verschenen is als Modern Grammar of Dutch Occasional Papers
2. Dit manuscript moet gezien worden als een tussenrapportage die mede aan de open-
baarheid wordt prijsgegeven om de taalkundige gemeenschap in de gelegenheid te stellen
suggesties te doen voor verdere verbetering.
1
Het zal duidelijk zijn dat het schrijven van een dergelijke grammatica een monniken-
werk is dat een zekere onbaatzuchtigheid vergt. De taalkundige krijgt hier tal van inte-
ressante verschijnselen op een presenteerblaadje aangereikt en kan meteen met het
bedenken van een mooie analyse beginnen; veel ondankbaar maar tegelijk zeer noodza-
kelijk werk is al gedaan. Het heeft dan ook iets ongepasts een dergelijk werk aan kritiek
SJEF BARBIERS*
Abstract
Adjectives and Adjective Phrases (A&AP) is the first, preliminary, result of the larger pro-
ject A Modern Grammar of Dutch. The goal of this project is to provide a grammar of
Dutch for the professional linguist that incorporates the results of modern theoretical syn-
tactic research in such a way that it is accessible for linguists of all frameworks and disci-
plines. This article evaluates A&AP in the light of the above goal. It contains a description
of the many things that the theoretical perspective of A&AP adds to the knowledge found
in traditional grammars such as the Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). In addi-
tion, it discusses some problems related to the theoretical perspective and makes a num-
ber of suggestions to solve these problems.
Adjectieven voor taalkundigen
H. Broekhuis, Adjectives and Adjective Phrases.
Modern Grammar of Dutch Occasional Papers 2.
* Meertens Instituut, Postbus 94262, 1090 GG Amsterdam. E-mail: sjef.barbiers@meertens.knaw.nl.
1 In de laatste alinea van het naschrift bij deze bespreking wordt aangegeven hoe A&AP besteld kan worden.
Nederlandse Taalkunde, jaargang 6, 2001-2
134
te onderwerpen. Toch voldoe ik graag aan het verzoek van de redactie van NT om Adjec-
tives and adjective phrases (hierna A&AP) te bespreken, in de hoop dat deze bespreking bij-
draagt aan het welslagen en de voortzetting van het MGD-project.
Bij de evaluatie van A&AP kunnen we nagaan of A&AP voldoet aan de doelen en maat-
staven die vooraf gesteld zijn.Vinden we in A&AP naast de traditioneel grammaticale ken-
nis die al in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (Haeseryn et al. 1997; hierna ANS)
staat, inderdaad de kennis die het resultaat is van vijftig jaar modern, vooral generatief
syntactisch onderzoek? Is de grammatica toegankelijk en bruikbaar voor alle taalkundi-
gen, niet alleen voor taalkundigen met een generatieve achtergrond? Is de grammatica
helder en overzichtelijk?
Een werk als A&AP geeft ook aanleiding tot een evaluatie van de resultaten van het
moderne syntactische onderzoek zelf. In hoeverre heeft het moderne syntactische onder-
zoek nieuwe inzichten opgeleverd in de systematische eigenschappen van taal in het alge-
meen en het Nederlands in het bijzonder?
Alleen al een vergelijking van de omvang van A&AP met wat er in de ANS over adjec-
tieven staat maakt duidelijk dat A&AP een enorme hoeveelheid kennis en gegevens toe-
voegt aan die in de ANS: de ANS heeft in totaal 65 pagina’s over adjectieven en adjectief-
groepen, A&AP heeft er 497. Het verschil zit hem onder andere in de hoeveelheid
ongrammaticale zinnen, waar A&AP er veel meer van heeft dan de ANS. Dit is niet ver-
rassend in het licht van de verschillende doelstellingen en doelgroepen van de twee gram-
matica’s. De ANS richt zich op gebruikers die het Nederlands tenminste in redelijke mate
beheersen en wil hun een praktisch hulpmiddel verschaffen voor het beoordelen van de
aanvaardbaarheid van hedendaags taalgebruik. De ANS bouwt voort op een heleboel
vooronderstelde (deels onbewuste) kennis van het Nederlands en laat daarom veel
ongrammaticale zinnen achterwege.
MGD daarentegen is bedoeld voor taalkundigen, ook taalkundigen die het Nederlands
niet beheersen. Voor taalkundig onderzoek is wat niet kan in een bepaalde taal minstens zo
belangrijk als wat wel kan, en daarom gaat A&AP terecht op tal van plaatsen uitvoerig in op
zinnen en constructies die in het Nederlands niet mogelijk zijn. A&AP kan dit op een zin-
volle manier doen omdat de theorie aanleiding geeft tot specifieke empirische vragen, omdat
de theorie diagnostische hulpmiddelen verschaft voor de beantwoording van deze vragen,
en omdat het alleen met behulp van een theorie mogelijk is een keuze te maken uit het in
principe oneindige aantal ongrammaticale zinnen dat zou kunnen worden besproken.
Net als in de ANS is in MGD, althans in het eerste deel van het project, gekozen voor
een thematische ordening op basis van de syntactische categorieën adjectief, nomen, ver-
bum en prepositie. Deze keuze heeft twee duidelijke nadelen: ze zal gaan leiden tot onno-
dige redundantie en ontneemt het zicht op het systeem dat ten grondslag ligt aan bepaal-
de syntactische verschijnselen. Zo worden in hoofdstuk 6 adjectieven besproken in hun
gebruik als predicatieve complementen (ook wel bekend als resultatieve bepalingen). Een
voorbeeld is gegeven in (1a):
(1) a Jan loopt zijn schoenen [
A
kapot]
b Jan gooit zijn schoenen [
PP
op de tafel]
c De commissie maakte Jan [
N
voorzitter]
SJEF BARBIERS
135
A
djectieven voor taalkundigen
Zo’n bespreking zal ook moeten plaats vinden bij de beschrijving van prepositionele
predicatieve complementen (1b) en nog eens bij de beschrijving van nominale predicatie-
ve complementen (1c). Liever had ik dit alles bij elkaar gezien in een hoofdstuk over pre-
dicatieve complementen. Dat zou het mogelijk maken de eigenschappen van prepositio-
nele, adjectivale en nominale predicatieve complementen met elkaar te vergelijken en
inzicht te krijgen in de systematische eigenschappen van predicatieve complementatie
enerzijds en categoriegebonden verschillen anderzijds. Anders gezegd, MGD zou theore-
tisch interessanter zijn zonder direct theoriespecifiek te worden als gekozen zou worden
voor ordening op basis van syntactische constructies in plaats van syntactische catego-
rieÎn. Ik moet hier direct aan toevoegen dat de CD-ROM die van MGD zal worden
gemaakt een deel van deze bezwaren ondervangt.
De bijdrage van comparatief onderzoek, toch essentieel in de moderne syntaxis, is voor-
zover ik kan zien in A&AP heel gering. Overigens kun je je afvragen of sommige ver-
schijnselen waarvan we weten dat ze in veel talen vrijwel hetzelfde zijn niet eerder in een
project als SynCom in plaats van in MGD thuishoren.
2
Zo voegt de beschrijving in hoofd-
stuk 8 van adverbiaal gebruikte adjectieven in het Nederlands eigenlijk nauwelijks iets toe
aan wat we weten over zulke adjectieven in bijvoorbeeld het Engels (Jackendoff 1972) of
het Italiaans (Cinque 1999).
Evaluatie van de moderne syntaxis zelf op basis van A&AP is niet zo eenvoudig. Omdat
verwijzingen vooralsnog ontbreken is het niet goed mogelijk vast te stellen welke gedeel-
ten traditionele kennis bevatten, welke gedeelten een weergave zijn van modern taal-
kundig onderzoek, en welke gedeelten het resultaat zijn van onderzoek in het kader van
het MGD-project zelf. Als we de moderne syntaxis evalueren in de vorm van de vraag Wat
begrijpen we nu van adjectieven?, dan lijkt het antwoord op grond van A&AP dat de moder-
ne taalkunde weliswaar een schat aan nieuwe gegevens en ook diagnostische hulpmid-
delen heeft opgeleverd, maar dat er nog teleurstellend en uitdagend veel is wat we niet
begrijpen, waaronder zeer elementaire observaties.
A&AP lijkt me heel toegankelijk voor taalkundigen van allerlei scholen en subdiscipli-
nes, hoewel dit wellicht beter beoordeeld kan worden door iemand die niet in het gene-
ratief syntactische kader werkt. Broekhuis is er op de meeste plaatsen uitstekend in
geslaagd zijn grammatica theorieneutraal te houden door het vermijden van theoriespe-
cifieke termen, assumpties en analyses. Daardoor is A&AP in de eerste plaats een geor-
dende dataverzameling, waarbij moet worden opgemerkt dat het voor een dataverzame-
ling verrassend leesbaar geschreven is.
2 A&AP en ANS
A&AP (meer in het algemeen, MGD) is een theoretische syntaxis van het Nederlands zon-
der theorie. De resultaten van modern theoretisch syntactisch onderzoek worden gepre-
senteerd, maar omwille van de toegankelijkheid veelal zonder de bijbehorende theorieën.
De rest van dit artikel gaat over de voor- en nadelen die de (verborgen) theorie met zich
2 SynCom is een wereldwijd project dat beoogt een groot aantal state-of-the art case studies bijeen te brengen om
zo de resultaten van modern syntactisch onderzoek electronisch (d.w.z als CD-ROM of Web site) toegankelijk te
maken. Een projectbeschrijving is te vinden op: http://www-uilots.let.uu.nl/syncom/.
136
SJEF BARBIERS
meebrengt. In deze paragraaf zal per hoofdstuk worden nagegaan welke informatie A&AP,
meestal dankzij de theorie, toevoegt aan de reeds in de ANS aanwezige informatie over de
syntaxis van adjectieven. In paragraaf 3 worden aan de hand van voorbeelden enkele pro-
blemen besproken die samenhangen met de theoretische invalshoek.
2.1 Distributie, verbuiging en semantische classificatie
Hoofdstuk 1 geeft naast een overzicht van de syntactische distributie en verbuiging van
adjectieven in de eerste plaats een semantische classificatie. We vinden hier in feite dezelf-
de onderwerpskeuze als in hoofdstuk 6 van de ANS, en de ordening van de verschillende
onderwerpen is niet essentieel anders. De semantische classificatie van adjectieven in
A&AP verschilt enigszins van die in de ANS. A&AP maakt voor deze classificatie gebruik
van de verzamelingenleer, waaraan veel van de vooruitgang in de moderne semantiek te
danken is.
3
Een goede toepassing van de verzamelingenleer treffen we aan bij de bespre-
king van antonymie en de licentiëring van negatief-polaire elementen. Waarom Het is
moeilijk om er ook maar IETS over te zeggen goed is en Het is makkelijk om er ook maar IETS over
te zeggen fout kan, zoals bekend, elegant worden uitgelegd in verzamelingstheoretische ter-
men. Aardig in dit hoofdstuk is ook de verhelderende schematische weergave van scalai-
re eigenschappen van adjectieven. In sommige gevallen worden er enigszins willekeurig
aandoende beslissingen genomen over de vraag of een adjectief al of niet een absoluut
begin- of eindpunt heeft. Zo wordt gezegd dat het adjectief ziek (A&AP:23) een schaal
geeft met een beginpunt maar niet met een eindpunt. Hoe dit kan worden vastgesteld is
onduidelijk, en het lijkt me dat als ziek al links begrensd is, dat die begrenzing dan vaag is.
2.2 Complementatie
Hoofdstuk 2 gaat over complementen van adjectieven. Waar de ANS slechts tweeëneen-
halve pagina besteedt aan een korte opsomming van mogelijke complementen van adjec-
tieven en daarmee is uitgepraat over dit onderwerp, besteedt A&AP maar liefst 28 pagi-
na’s aan dit onderwerp. Nauwkeurig wordt beschreven dat er adjectieven zijn die ver-
plicht een PP-complement nemen (bv. rouwig om), adjectieven die optioneel een PP-com-
plement nemen ( bv. boos (op)), en adjectieven waarvan de betekenis verandert bij afwe-
zigheid van het PP-complement (bv. gewoon (aan)). Vervolgens wordt beschreven op welke
lineaire plaatsen een PP-complement ten opzichte van het selecterende adjectief kan
staan, met welke structurele posities deze lineaire plaatsen corresponderen, welke van
deze posities basisposities zijn en welke afgeleide posities.
2.3 Modificatie
A&AP besteedt in hoofdstuk 3 bijna 80 pagina’s aan het onderwerp modificatie van adjec-
tieven, waar de ANS het met 8 pagina’s afkan. Hier zijn wat zaken die A&AP toevoegt aan
wat de ANS al wist: (i) het belang van de notie schaal bij de analyse van adjectivale modi-
ficatie; (ii) de klasse der graadaanduidende of versterkende voorbepalingen bij scalaire
3 In de ANS wordt ook wel gebruik gemaakt van verzamelingenleer, bijvoorbeeld in hoofdstuk 14.4 over deter-
mineerders, maar niet bij de beschrijving van adjectieven.
137
A
djectieven voor taalkundigen
adjectieven valt zinvol op te delen in amplifiers (voorbeeld: heel goed), downtoners (vb. vrij
aardig) en neutral intensifiers (vb. redelijk tevreden); (iii) een uitvoerige bespreking van de
syntaxis van interrogatief hoe (vb. Hoe hard is die nieuwe computer nodig?) en de exclamatie-
ve wat-constructie (vb. Wat loop jij raar!) en (iv) een uitvoerige bespreking van omsluiten-
de bepalingen met zo (vb. De vergadering was zo saai dat ik ervan in slaap viel.).
In drie paragrafen (3.1.4.3 - 3.1.4.5) wordt uitgebreid aandacht besteed aan modificatie
van een adjectief met de intensiverende elementen te, voldoende en genoeg. Deze paragra-
fen behandelen ieder één element en hebben hetzelfde stramien. Telkens wordt eerst
beschreven dat bij aanwezigheid van een van deze elementen ook de aanwezigheid van
een voor-PP of infinitiefzin mogelijk wordt, die een norm uitdrukt (groot genoeg voor de disco,
te leuk om weg te laten). Ten tweede wordt gekeken of intensiverende element, adjectief en
voor-PP/infinitiefzin één constituent vormen. In de derde plaats wordt beargumenteerd
dat niet het adjectief maar het intensiverende element de voor-PP of infinitiefzin selecteert.
Als vierde onderdeel van het stramien wordt nagegaan hoe de betreffende constructie zich
gedraagt in omgevingen waarin het zogenaamde head final filter actief is. Dit filter zegt dat
bij een attributief gebruikt adjectief complementen en modificeerders van dat adjectief
eraan vooraf moeten gaan, zonder daar overigens een verklaring voor te geven (voor-
beeld: een <voor die baan> veel te intelligente <*voor die baan> student). Ten vijfde wordt geke-
ken of de voor-PP scrambling kan ondergaan en tenslotte wordt beschreven dat de aan-
wezigheid van de intensiveerders te, voldoende en genoeg de aanwezigheid van andere
modificeerders kan blokkeren.
Een algemeen probleem in dit hoofdstuk, en ook wel in sommige andere hoofdstukken,
vormen de grammaticaliteitsoordelen. In nogal wat gevallen is een gegeven zin volgens
A&AP ongrammaticaal en volgens mij grammaticaal, en omgekeerd, en het kostte mij
geen enkele moeite moedertaalsprekers te vinden die mijn oordelen delen. Ik zal de lezer
mijn lijstje van verschillen in oordelen besparen, maar aangezien de oordelen in een refe-
rence grammar toch een redelijke mate van representativiteit moeten hebben lijkt het me
geen overbodige luxe de zinnen nog eens aan een aantal sprekers voor te leggen. Ook zou
ik willen aanraden de al te subtiele vijfpuntsbeoordelingsschaal van ongrammaticaal naar
grammaticaal te reduceren, bijvoorbeeld tot ongrammaticaal, grammaticaal en verdeelde
oordelen.
2.4 Stellende, vergrotende en overtreffende trap
Hoofdstuk 4 behandelt de trappen van vergelijking: de stellende, vergrotende en over-
treffende trap. We treffen er bijna alles aan wat in de ANS besproken wordt en nog veel
meer. Net als in hiervoor besproken hoofdstukken wordt hier en daar een poging gedaan
de semantiek van een constructie in een expliciete logische formule weer te geven. Echt
veel voegen dergelijke formules in A&AP echter niet toe; ze spelen verder nauwelijks een
rol in de gepresenteerde semantische en syntactische beschrijvingen.
Een belangrijker verschil met de ANS is de uitvoerige beschrijving van de distributie van
de als/dan/van-woordgroepen die op een adjectief in de stellende, vergrotende of over-
treffende trap kunnen volgen.
4
Zoals in andere hoofdstukken gebeurt dit met behulp van
4 De interne structuur van dergelijke woordgroepen komt in een ander, nog te schrijven deel van MGD aan de
orde.
138
SJEF BARBIERS
constituenttesten en operaties zoals extrapositie. Ook de plaats van deze woordgroepen
ten opzichte van een door het adjectief geselecteerd PP-complement komt aan de orde.
Interessant is paragraaf 4.3, waar de overeenkomsten en verschillen tussen vergelijking
en modificatie aan de orde komen, bijvoorbeeld de overeenkomsten en verschillen tussen
duidelijker (vergelijking) en erg duidelijk (modificatie). Deze paragraaf is een goed voor-
beeld van wat theoretisch syntactisch onderzoek kan toevoegen aan traditioneel onder-
zoek. Betoogd wordt dat modificatie en vergelijking syntactisch hetzelfde zijn. Dit gebeurt
met behulp van de positie van PP-complementen bij pseudo-participia en sommige dever-
bale adjectieven, zoals ingenomen en afhankelijk.
Eerder in A&AP (in paragraaf 2.3.1.3) wordt vastgesteld dat de basispositie van het PP-
complement van een gewoon adjectief rechts van dat adjectief is, zoals in (2a), hoewel
zo’n PP (met een ietwat andere intonatie) ook links van het adjectief kan voorkomen, als
in (2b).
(2) a dat Jan niet [
A
boos] [PP over die opmerking] is
b dat Jan niet [
PP
over DIE opmerking] [
A
boos] is
De test voor het vaststellen van de basispositie van PP is verplaatsing van een R-prono-
men: als er, daar of hier uit de PP kan worden gehaald wordt dat opgevat als evidentie voor
de aanname dat de PP in zijn basispositie staat.
5
De voorbeelden (3a) en (3b) laten zien
dat daar wel uit de PP daarover kan worden gehaald als die rechts van boos staat, maar niet
als die links van boos staat. Als deze test wordt toegepast op pseudo-participia (en sommi-
ge deverbale adjectieven) dan blijkt dat de basispositie van een PP-complement zowel
links als rechts van het pseudo-participium kan zijn (3c,d).
(3) a dat Jan daar niet [
A
boos] [
PP
daar over] is
b *dat Jan daar niet [
PP
daar over] [
A
boos] is
c dat Jan daar niet [
A
ingenomen] [
PP
daar mee] is
d dat Jan daar niet [
PP
daar mee] [
A
ingenomen] is
Als de PP aan het pseudo-participium voorafgaat moet een modificeerder als erg voor de
PP staan; tussen PP en het adjectief levert ongrammaticaliteit op (4a). Bij de omschreven
comparatief en superlatief moeten de elementen meer en meest eveneens voor de PP staan
(4b,c). Het ligt dan voor de hand deze elementen dezelfde syntactische positie en status
toe te kennen als de modificeerder erg. Een extra argument hiervoor, dat A&AP vergeet te
vermelden, is dat deze elementen en erg in complementaire distributie zijn.
(4) a dat Jan daar niet <erg> [
PP
daar mee] <*erg> ingenomen is
b dat Jan daar niet <meer> [
PP
daar mee] <*meer> ingenomen is
c dat Jan daar niet <het meest> [
PP
daar mee] <*het meest> ingenomen is
Nu blijkt dat het PP-complement van de synthetische comparatief en superlatief van pseu-
do-participia (en sommige deverbale adjectieven) zijn basispositie alleen maar rechts daar-
van kan hebben (5b,c; A&AP:192).
5 In de voorbeelden geeft een doorgehaalde constituent de basispositie van die constituent aan, vóór verplaatsing.
139
A
djectieven voor taalkundigen
(5) a dat Jan daar niet <
P
P
daar voor> geschikt <
P
P
daar voor> is
b dat Jan daar niet <*
PP
daar voor> geschikter <
PP
daar voor> is
c dat Jan daar niet <*
PP
daar voor> het geschiktst <
PP
daar voor> is
Deze observaties volgen mooi uit de aanname dat synthetische comparatieven en super-
latieven dezelfde syntactische positie hebben als de elementen meer en meest en de modi-
ficeerder erg, namelijk voor de meest linkse PP.
A&AP gaat nog een stap verder door te stellen dat de basispositie van het comparatief-
en superlatiefmorfeem dezelfde is als die van meer, meest en erg (6a-c) en dat het adjectief
vanuit een lagere positie naar die positie toe verplaatst (6d; A&AP:192):
(6) a meer / meest <
PP
voor die baan> [
A
geschikt] <
PP
voor die baan>
b erg <
PP
voor die baan> [
A
geschikt] <
PP
voor die baan>
c -er / -st <
PP
voor die baan> [
A
geschikt] <
PP
voor die baan>
d geschikt-er /-st <
PP
voor die baan> [
A
geschikt] <
PP
voor die baan>
Hoewel dit een theoretisch elegante analyse is omdat de basisposities van adjectief en PP’s
constant worden gehouden en de onmogelijkheid van een preadjectivale PP automatisch
volgt, kan deze analyse voor zover ik kan nagaan niet worden onderscheiden van een
analyse waarin adjectief en comparatief-/superlatiefmorfeem in hun geheel direct in de
positie voor de linker PP worden gegenereerd. Waar op andere plaatsen in A&AP een
grote theoretische terughoudenheid wordt betracht (soms zelfs te groot; zie paragraaf 3),
is hier de beschrijving theoretisch niet terughoudend genoeg, tenzij er argumenten gege-
ven kunnen worden die aantonen dat het adjectief inderdaad uit een lagere positie afkom-
stig is.
2.5 Attributief gebruikte adjectieven
Hoofdstuk 5 behandelt achtereenvolgens de verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden,
de positie van attributieve adjectieven ten opzichte van andere prenominale elementen,
atrributief gebruikte complexe adjectivale woordgroepen, ellipsis van nomina, en de
onderlinge volgorde van attributieve adjectieven. Het deel over adjectivale flexie verschilt
nauwelijks van wat we in de ANS aantreffen. Een klein verschil met mogelijk grote gevol-
gen en daarom het bespreken waard, is dat waar de ANS eenvoudigweg beschrijvend
spreekt van de onverbogen vorm, A&AP (p. 205) de min of meer impliciete claim doet dat
er bij de onverbogen vorm een nul-morfeem aanwezig is:
(7) Flexie van attributief gebruikte adjectieven
a [+neutrum][+indefiniet][+enkelvoud] ==> adjectief + Ø
b anders: adjectief + -e
Het verschijnsel van nomen-ellipsis dat verderop in dit hoofdstuk besproken wordt geeft
echter aanleiding tot de gedachte dat er in geval (7a) juist geen nulmorfeem aanwezig is.
Voor veel sprekers van het Nederlands is N-ellipsis namelijk onmogelijk als het adjectief
onverbogen is, vergelijk Over films gesproken, ik heb een mooie gezien met *Over boeken gespro-
140
SJEF BARBIERS
ken, ik heb een mooi gelezen. Op verschillende plaatsen in de literatuur (bv. Barbiers 1990,
Kester 1996) is betoogd dat het verbuigingssuffix aanwezig moet zijn om de formele ken-
merken van het ontbrekende nomen locaal terugvindbaar te maken.
Als er bij de onverbogen vorm inderdaad een nulmorfeem aanwezig zou zijn, dan zou
dat nulmorfeem bij uitstek in staat moeten zijn tot formele identificatie van het ontbre-
kende nomen: het nulmorfeem zou gegeven (7a) immers een unieke kenmerkspecificatie
hebben, in tegenstelling tot de sjwa in (7b) die zeven verschillende kenmerkspecificaties
kan vertegenwoordigen. Het lijkt er dus op dat afwezigheid van sjwa correspondeert met
afwezigheid van een verbuigingsmorfeem. De intrigerende vraag waarom afwezigheid
van het verbuigingsmorfeem de lege N niet uniek kan identificeren moet voor zover ik
weet nog altijd beantwoord worden.
Paragraaf 5.2 gaat over de positie van attributieve adjectieven binnen DP. Hier vinden
we elementaire observaties zoals dat een attributief adjectief niet vooraf kan gaan aan een
lidwoord of aanwijzend voornaamwoord, en normaliter ook niet kan volgen op het
nomen. De vraag naar het waarom van deze elementaire volgorderestricties blijft onaan-
geroerd, waarschijnlijk omdat deze vraag tot voor kort in de literatuur nauwelijks is
gesteld (maar zie Barbiers 1991). De vooruitgang die geboekt is dankzij modern taalkun-
dig onderzoek is kennelijk nogal ongelijk verdeeld over de verschillende empirische
domeinen. Terwijl we inmiddels behoorlijk geavanceerde theorieën hebben over zulke
complexe verschijnselen als anaforische afhankelijkheden of lange vraagwoordverplaat-
sing, is er betrekkelijk weinig gewerkt aan een theorie die iets zegt over ogenschijnlijk
simpele kwesties als de positie van een adjectief in een DP.
Paragraaf 5.4 behandelt uitvoerig N-ellipsis en grenst het af van andere, erop lijkende
verschijnselen zoals zelfstandig gebruik van adjectieven. N-ellipsis krijgt in de ANS in
totaal ongeveer één bladzijde en wordt zonder enige argumentatie geanalyseerd als zelf-
standig gebruik van adjectieven, een goed voorbeeld van het feit dat ook beschrijvende
taalkunde gebruik maakt van een theorie.
2.6 Predicatief gebruikte adjectieven
De eerste twee paragrafen van hoofdstuk 6 gaan over adjectieven in de functie van wat
traditioneel het naamwoordelijk gezegde heet. Op dit terrein is de laatste decennia veel
onderzoek gedaan en vooruitgang geboekt (zie bijvoorbeeld Stowell 1981 en Hoekstra
1988) en dat is goed te merken. Alle gevallen van predicatief gebruikte adjectivale com-
plementen worden in deze paragrafen naast elkaar gezet en waar nodig met behulp van
in de moderne syntaxis ontwikkelde testen van elkaar onderscheiden. Hier wordt duide-
lijk waarom de noties koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde inmiddels achter-
haald zijn. Wat traditioneel de koppelwerkwoordconstructie heet is maar één geval van
het veel algemenere verschijnsel van predicatieve complementatie, het verschijnsel dat
een werkwoord in plaats van een zelfstandignaamwoordsgroep een zogenaamde small
clause als complement neemt, een predicaat dat zelf een subject heeft. Predicatieve com-
plementatie is niet beperkt tot koppelwerkwoorden maar is ook mogelijk met transitieve
en intransitieve werkwoorden.
De paragrafen 3 en 4 van dit hoofdstuk gaan over predicatieve supplementen zoals boos
in Jan heeft de brief boos verscheurd. Dit zijn adjectivale predicaten die eerder adjuncten dan
141
A
djectieven voor taalkundigen
complementen zijn; zo zijn ze bijvoorbeeld weglaatbaar zonder dat de betekenis van het
werkwoord verandert, in tegenstelling tot predicatieve complementen. Interessant zijn de
subparagrafen waarin aangetoond wordt dat deze predicatieve supplementen op twee
posities kunnen staan, vooraan en achteraan in het middenveld. De syntactische en
semantische eigenschappen variëren met deze posities (zie 7a,b), en dat werpt weer een
interessant licht op scrambling.
Wat ontbreekt in dit hoofdstuk is een beschrijving van de mogelijkheden om predica-
tieve supplementen te extraponeren. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat geëx-
traponeerde predicatieve supplementen komma-intonatie vergen tussen werkwoord en
supplement, en dat de verplichte aanwezigheid van komma-intonatie vaak wordt opge-
vat als een teken dat het hier om twee aparte zinnen gaat of om een afterthought. Ten
onrechte, want het is duidelijk dat een geëxtraponeerd supplement alleen maar de inter-
pretatie kan hebben die een supplement links in het middenveld heeft, zoals (8c) laat zien.
(8) a Jan zegt dat hij dronken de disco niet binnenkwam
I. ‘Jan zegt dat hij de disco niet binnenkwam als hij dronken was’
b Jan zegt dat hij de disco niet dronken binnenkwam
II. ‘Jan zegt dat hij niet dronken was toen hij de disco binnenkwam’
c Jan zegt dat hij de disco niet binnenkwam, dronken
I. ‘Jan zegt dat hij de disco niet binnenkwam als hij dronken was’
II. *‘Jan zegt dat hij niet dronken was toen hij de disco binnenkwam’
Dit past binnen de generalisatie geformuleerd in De Haan (1976), namelijk dat adverbia
die in het linkerdeel van het middenveld kunnen of moeten staan (laten we zeggen links
van negatie) wel geëxtraponeerd kunnen worden, terwijl adverbia die alleen maar in het
rechterdeel kunnen staan niet geëxtraponeerd kunnen worden.
In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk vinden we nog een aantal interessante onder-
werpen, waaronder een generatieve klassieker: de easy-to-please -constructie. Wie op zoek
is naar onderzoeksonderwerpen vindt genoeg van zijn gading in deze paragraaf en eigen-
lijk in het hele hoofdstuk.
2.7 De partitieve genitiefconstructie
Dit is een voortreffelijk hoofdstuk, deels gebaseerd op Broekhuis en Strang (1996), over
woordgroepen zoals iets leuks. Een vrijwel uitputtende en zeer overzichtelijke beschrijving
vinden we hier van de elementen die in de positie van iets mogen staan, elementen die in
de positie van leuks mogen staan, en van andere syntactische constituenten die in deze
constructie kunnen voorkomen. Dit levert tal van intrigerende data en onderzoekspro-
blemen op die de handen van de onderzoeker doen jeuken om aan de slag te gaan. Toch
wreekt zich in dit hoofdstuk de keuze om A&AP te ordenen op basis van de klassieke syn-
tactische categorieën. Als syntactische constructies als uitgangspunt waren genomen, dan
zou dit hoofdstuk in het boek over partitieve constructies behandeld zijn en dan was deze
constructie vergeleken met andere partitieve constructies. Dit had tot meer inzicht geleid
in de systematische eigenschappen van partitieve constructies in het algemeen en de par-
titieve genitief in het bijzonder.
142
SJEF BARBIERS
2.8 Hoofdstuk 8, 9 en 10
Over de laatste drie hoofdstukken heb ik weinig te zeggen. Uit hoofdstuk 8 blijkt dat
adverbiaal gebruikte adjectieven in het Nederlands zich vrijwel geheel gedragen als hun
equivalenten in andere talen. Hoofdstuk 9 gaat uitgebreid in op adjectivaal gebruikte deel-
woorden (vb. drinkende in drinkende dieren) en modale infinitieven (vb. te bekijken in nog te
bekijken foto’s). Hoofdstuk 10 bevat een aantal interessante restverschijnselen die nog nau-
welijks onderzocht zijn, zoals vaste adjectief-werkwoord-verbindingen (vb. gek doen, bleek
zien), postadjectivale modificatie (vb. groot van gestalte, rood van opwinding) en de in-het-A-
constructie (vb. in het algemeen, in het wit).
3 A&AP en de theorie
Zoals uit het bovenstaande blijkt levert de theoretische invalshoek een grote hoeveelheid
nieuwe gegevens op en vaak ook een beter inzicht in de systematiek achter die gegevens.
Toch blijft er met betrekking tot de rol die de theorie in A&AP speelt wel het één en ander
te wensen over.
3.1 Wegcijferen van de theorie
Hoewel A&AP in hoofdstuk 2 met betrekking tot de complementen van adjectieven een
nuttige inventaris toevoegt aan het materiaal in de ANS, ontstijgt dit hoofdstuk door het
te veel wegcijferen van de theorie onvoldoende het niveau van de opsomming en blijft de
complementatie van adjectieven een geïsoleerd, niet aan andere syntactische categorieën
gerelateerd probleem. Dit is een gemiste kans. Met iets meer theorie zouden interessante
onderzoeksvragen geformuleerd kunnen worden, wat belangrijk is omdat MGD uitdruk-
kelijk ook bedoeld is als basis voor nader onderzoek. Zo komt niet aan de orde de funda-
mentele vraag waarom adjectieven (en nomina) op enkele uitzonderingen na geen nomi-
naal complement (DP) kunnen nemen, maar preposities en verba wel. Deze vraag is in de
generatieve taalkunde wel degelijk gesteld; een gangbare verklaring is dat adjectieven en
nomina anders dan preposities en verba geen naamval kunnen toekennen en dat DP’s
altijd naamval moeten krijgen.
Van belang is hier nu even niet of deze verklaring juist is. Zelfs indien onjuist biedt ze
de mogelijkheid generalisaties en vraagstellingen op een overzichtelijke, interessante en
samenhangende wijze weer te geven. Eén generalisatie is dat adjectieven en nomina wel
met een zinscomplement (CP) maar niet met een DP-complement kunnen verschijnen,
terwijl preposities wel met een DP-complement maar gewoonlijk niet met een CP-com-
plement kunnen voorkomen. Dit volgt direct uit de aanname dat DP’s naamval moeten
krijgen terwijl CP’s juist geen naamval mogen krijgen, zoals voorgesteld in Stowell (1981).
Dit roept weer de vraag op hoe het dan zit met complementen van werkwoorden. Bij
werkwoorden komen immers zowel DP- als CP-complementen voor, zodat een op naam-
val gebaseerde verklaring hier niet onmiddellijk soelaas biedt. Vervolgens kan geprobeerd
worden een verband te leggen tussen naamvalstoekenning en de verschillende syntacti-
sche posities van DP- en CP-complementen van verba.
6
Een klein beetje niet al te inge-
6 Zie Stowell (1981) en Zwart (1993) voor een op naamval gebaseerde verklaring en Barbiers (2000) voor een ver-
klaring gebaseerd op de wisselwerking tussen syntactische structuur en semantische interpretatie.
143
wikkelde theorie zou hier zoveel extra’s opleveren dat van de niet-generatieve taalkundi-
ge lezer wel een offer gevraagd kan worden.
3.2 Verouderde theorie
Bij het schrijven van een theoretische syntaxis van het Nederlands moet voor elke behan-
delde constructie een keuze gemaakt worden uit de beschikbare analyses. Het maken van
zo’n keuze is vaak nogal lastig. Maatstaven zoals ‘analyse X verantwoordt meer feiten dan
analyse Y’ zijn niet op een eenvoudige manier toe te passen, en de keuze voor een bepaal-
de analyse is niet alleen afhankelijk van empirische adequaatheid, maar ook van ontwik-
kelingen in de theorie als geheel. Meestal wordt in A&AP een bevredigende keuze
gemaakt, maar soms niet.
Een verouderde theorie wordt gebruikt bij het voorstellen van PP-extrapositie als PP-
over-V, dat wil zeggen rechtswaartse verplaatsing van PP over V heen, als in (9b)
(A&AP:70):
7
(9) a Jan is altijd [
AP
trots [
PP
op die prestatie]] [
V
geweest]
b Jan is altijd [
AP
trots [
PP
op die prestatie]
i
][
V
geweest] [
PP
op die prestatie]
i
In de theoretische discussie die momenteel gaande is over PP-extrapositie speelt de optie
dat PP-extrapositie het resultaat zou kunnen zijn van rechtswaartse verplaatsing eigenlijk
nauwelijks meer een rol, en dat heeft een aantal goede redenen. In de literatuur vinden
we tal van eigenschappen van PP-extrapositie die linkswaartse verplaatsingen niet hebben
(zie bijvoorbeeld Rochemont and Culicover 1990). Meer in het algemeen leidt de aanna-
me dat rechtswaartse verplaatsing mogelijk is tot grote problemen (zie Kayne 1994). Bij-
voorbeeld: (i) Waarom is linkswaartse verplaatsing zowel mogelijk met PP’s als met DP’s,
maar rechtswaartse verplaatsing alleen met PP’s? (ii) Waarom is linkswaartse verplaatsing
in principe onbegrensd maar rechtswaartse verplaatsing niet? (iii) Waarom is extrapositie
uit een eiland soms mogelijk waar linkswaartse verplaatsing onmogelijk is? De verschijn-
selen die met PP-over-V kunnen worden beschreven kunnen ook beschreven worden met
behulp van VP-Intrapositie (Barbiers 1995) of asyndetische coördinatie (Koster 1995).
Vasthouden aan PP-over-V wekt ten onrechte de indruk dat deze analyse nog altijd supe-
rieur is aan modernere analyses.
3.3 Impliciete theoretische assumpties
Het impliciet laten van theoretische aannames en redeneringen leidt er in A&AP soms
toe dat de beschrijving van een verschijnsel onbegrijpelijk wordt en dat de theorie onno-
dig een machteloze indruk maakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de in hoofdstuk 2 gegeven
analyse van de wisselwerking tussen extrapositie, scrambling en vooropplaatsing van PP-
complementen bij adjectieven. Over vooropplaatsing wordt gezegd (A&AP:71) dat een
adjectief niet vooropgeplaatst kan worden als zijn PP-complement in de basispositie blijft
7 De horizontale lijn duidt de basispositie van de vooropgeplaatste AP aan.
A
djectieven voor taalkundigen
144
SJEF BARBIERS
staan (10b), maar wel als de PP eerst gescrambled (10c) of geëxtraponeerd is (10d)
(A&AP: 71, 74).
(10) a Ed is nooit [
AP
[
A
trots [
PP
op Jan]] geweest (A en PP in basispositie)
b ?? Trots is Ed nooit [
PP
op Jan] geweest (PP basispositie, A voorop)
c ? Trots is Ed [
PP
op Jan] nooit geweest (PP gescrambled, A voorop)
d Trots is Ed nooit geweest [
PP
op Jan] (PP-extrapositie, A voorop)
Laten we even aannemen dat de feiten zijn zoals weergegeven in (10) (zie verderop voor
een andere kijk op de zaak). A&AP stelt dat in (10c) en (10d) het adjectief [trots] slechts
schijnbaar in zijn eentje vooropstaat. In werkelijkheid staat er een hele constituent AP
voorop en in die AP zit nog het spoor van de PP die in (10c) naar links gescrambled is en
in (9d) naar rechts geëxtraponeerd. Met andere woorden: (10c) is afgeleid van (11a), en
(10d) is afgeleid van (11b):
(11) a Ed is [
PP
op Jan]i nooit [
PP
[
P
trots t
i
]] geweest
(10) c[
AP
[
A
trots t
i
]] is Ed [
PP
op Jan]
i
nooit _____ geweest
(11) b Ed is nooit [
AP
[
A
trots t
i
]] geweest [
PP
op Jan]
i
(10) d[
AP
[
A
trots t
i
]] is Ed nooit _____ geweest [
PP
op Jan]i
Door de gebruikelijke theoretische aannames en redenering impliciet te laten, blijven
twee dingen in deze analyse raadselachtig: (i) Waarom moet de PP gescrambled of geëx-
traponeerd worden om vooropplaatsing van alleen het adjectief mogelijk te maken?, en
(ii) Waarom is het nodig om aan te nemen dat scrambling en extrapositie verplaatsings-
operaties zijn die een spoor achterlaten?
Het antwoord op deze vragen is eenvoudig te geven door één aanname expliciet te
maken: een woordgroep, zoals de AP [trots op Jan], kan vooropgeplaatst worden, maar
de kern van een woordgroep, zoals het adjectief [trots], niet. Dit verklaart het contrast tus-
sen (12) en (10b). In (12) is de hele AP vooropgeplaatst, in (10b) is alleen de kern voor-
opgeplaatst.
(12) [
AP
Trots op Jan] is Ed nooit [
AP
trots op Jan] geweest
(10) b ?? [
A
Trots]
i
is Ed nooit [
AP
trots
i
[
PP
op Jan]] geweest
De complexe verplaatsingsanalyse van (10c) en (10d) verklaart dan waarom in die zinnen
[trots] wel in zijn eentje voorop kan staan maar in (10b) niet. In (10c,d) is niet de kern
van AP vooropgeplaatst, maar de hele woordgroep AP die bestaat uit de adjectivale kern
[trots] en het spoor van PP.
Is zonder expliciete weergave van deze aanname de analyse al niet goed te begrijpen,
als tot slot ook nog de feiten in (13) worden gepresenteerd (A&AP:80), dan komt de hele
analyse op losse schroeven te staan.
145
A
djectieven voor taalkundigen
(13) a [Trots]
j
is Jan er
i
niet t
j
[
P
P
op t
i
]
b * [
AP
Trots [
PP
op t
i
]]
j
is Jan er
i
niet t
j
c Jan is er niet [erg mee ingenomen]
d * [Erg mee ingenomen]
i
is Jan er niet t
i
e * Jan is er niet mee erg ingenomen
f [Erg ingenomen]
i
is Jan er niet mee t
i
Volgens A&AP zou zin (13a) ongrammaticaal moeten zijn, want de achtergebleven PP is
niet gescrambled of geëxtraponeerd; (13a) zou daarom een geval van vooropplaatsing van
de kern van een woordgroep moeten zijn. Daarentegen zou (13b) juist grammaticaal moe-
ten zijn, want PP gaat met A mee naar voren. De volgorde in (13c) is goed en zou daar-
om de basis moeten kunnen zijn voor verplaatsing van de constituent tussen vierkante
haken, maar dat leidt tot ongrammaticaliteit, zoals (13d) laat zien. De volgorde in (13e) is
ongrammaticaal en zou daarom niet de basisvolgorde moeten kunnen zijn voor verplaat-
sing van de constituent [erg ingenomen]. De resulterende volgorde, (13f) is echter wel
degelijk grammaticaal. De lezer lijkt op grond van deze feiten slechts één oordeel te res-
ten: de theoretische taalkunde kan feiten als die in (10) en (13) nog niet adequaat ver-
antwoorden. En dat wordt in A&AP min of meer erkend.
Staan we er echt zo slecht voor? Neen. Allereerst had er duidelijker op gewezen moe-
ten worden dat de (on)grammaticaliteit van zin (10b) Trots is Ed nooit op Jan geweest sterk
afhangt van intonatie. Het probleem met deze zin lijkt te zijn dat vooropplaatsing van
alleen het adjectief focus op het adjectief afdwingt, waardoor het adjectief de status van
contrastieve informatie krijgt en de rest van de zin in presuppositie is. De rest van de zin
moet dan juist geen focusaccent krijgen. De PP staat binnen de VP echter in de ongemar-
keerde positie voor zinsfocus en wordt daardoor bij voorkeur opgevat als nieuwe infor-
matie. Een manier om de PP toch onderdeel van de presuppositie te maken is door hem
in een daarmee corresponderende syntactische positie te zetten door middel van scram-
bling of extrapositie, zoals in (10c,d). Het is echter ook mogelijk PP binnen de VP te laten
staan en toch in presuppositie te krijgen door de zin een gemarkeerde intonatie te geven,
bijvoorbeeld door alles na trots te deaccentueren, of door een extra focus op nooit te leg-
gen. Met zo’n gemarkeerde intonatie is de zin voor veel moedertaalsprekers inclusief mij-
zelf volkomen acceptabel.
Als zin (10b) wel grammaticaal is, dan is het vooropplaatsen van alleen het adjectief
kennelijk toch mogelijk zonder dat het PP-complement eerst uit de AP verplaatst wordt.
De grammaticaliteit van (13a) is dan ook geen probleem meer: door R-pronominalisatie
en verplaatsing van het R-pronomen staat het informatieve deel van de PP (namelijk het
R-pronomen) in (13a) in presuppositie, zoals vereist is.
De ongrammaticaliteit van (13b) en (13d) is een instantie van een probleem dat niet
speciaal iets te maken heeft met de aanwezigheid van een adjectief. Het is in het algemeen
onmogelijk om een gestrande prepositie over zijn R-antecedent heen te verplaatsen (Den
Besten 1999): *[
VP
[
PP
Aan t
i
] denken]
j
zal Jan er
i
niet t
j
en *[
PP
Aan t
i
]
j
zal Jan er
i
niet t
j
den-
ken. Waarom dit met PP’s onmogelijk is terwijl VP’s met een DP-spoor erin wel over het
antecedent van het DP-spoor heen kunnen verplaatsen ([
VP
t
i
gelezen]
j
heeft hij [
VP
het boek
i
]
gisteren niet t
j
is een belangrijke vraag, maar niet één die in het kader van een betoog over
adjectivale complementatie per se moet worden opgelost.
SJEF BARBIERS
146
De verwachting dat (13f) ongrammaticaal zou moeten zijn omdat de structuur waarvan
deze is afgeleid zelf al ongrammaticaal is, berust op de impliciete aanname dat grammati-
cale structuren alleen maar afgeleid kunnen worden van andere grammaticale structuren.
Of deze aanname juist is, is een open vraag, maar ze staat wel op gespannen voet met de
in de generatieve syntaxis gangbare aanname dat structuren veelal pas grammaticaal wor-
den na verplaatsing. Zo kan het direct object in een passieve zin niet in zijn basispositie
blijven staan omdat het daar geen naamval kan ontvangen (*Was eaten the cake). Passieve
zinnen zijn volgens de gebruikelijke analyse dus afgeleid van “ongrammaticale” basis-
structuren.
Zin (13f) hoeft overigens helemaal niet afgeleid te worden van de ongrammaticale zin
(13e). Het kan ook op de volgende wijze:
(14) Uitgangsvolgorde: _________ is Jan er niet mee ingenomen
Vooropplaatsing van VP: [
V
P
ingenomen] is Jan er niet mee _________
Adjunctie van erg aan VP: [
V
P
erg [
V
P
ingenomen]] is Jan er niet mee _____
De laatste stap, adjunctie aan een reeds verplaatste constituent, is onafhankelijk gemoti-
veerd. In Lebeaux (1983) en Chomsky (1995) wordt overtuigend beargumenteerd dat de
afwezigheid van verplichte reconstructie (van een relatiefzin) het gevolg moet zijn van
aanhechting van die relatiefzin aan een DP nadat die DP verplaatst is.
De situatie blijkt dus heel wat minder hopeloos voor de theoretische taalkunde als de
gemarkeerdheid van (10b) op de juiste waarde wordt geschat. Zin (13a) is dan niet langer
een probleem. Zin (13f) is ook geen probleem meer onder de zojuist gepresenteerde ana-
lyse, en (13b) en (13d) zijn onderdeel van een veel algemener, nog niet goed onderzocht
probleem.
De enige prijs die hier, voor zover ik kan nagaan, betaald moet worden, is dat moet wor-
den toegelaten dat een adjectief, dat wil zeggen de kern van een woordgroep, vooropge-
plaatst kan worden, hetgeen in strijd is met de aanname dat alleen woordgroepen in zijn
geheel voorop kunnen staan. Deze laatste aanname is onderwerp van discussie geweest
(cf. Hoeksema 1991 versus Bennis 1991), en die discussie laat zien dat de evidentie voor
de stelling dat alleen woordgroepen voorop kunnen nogal dun is. Bovendien volgt de
onmogelijkheid van vooropplaatsing van een hoofd in veel gevallen uit andere principes.
Het lijkt me dan ook redelijk deze prijs te betalen voor een tamelijk overzichtelijke en een-
voudige analyse van de distributie van PP-complementen van adjectieven. Daarmee ver-
valt tevens de noodzaak om aan te nemen dat PP-extrapositie en PP-scrambling gevallen
van verplaatsing van PP zijn, een prettige bijkomstigheid want de verplaatsingsanalyse
van PP-scrambling en PP-extrapositie is hoogst controversieel.
Het voorbeeld in deze paragraaf dient als illustratie van de wenselijkheid om in A&AP
(en MGD) theoretische assumpties en redeneringen vaker expliciet weer te geven. Dit is
meestal best mogelijk zonder de introductie van een heel theoretisch apparaat. Het komt
de begrijpelijkheid van de beschreven analyse ten goede, vergroot het inzicht in het taal-
systeem en geeft een getrouwer beeld van wat de theorie vermag.
4 Conclusie
A&AP is een flinke stap vooruit in de richting van het voor alle taalkundigen toegankelijk
maken van beschikbare syntactische kennis. Het biedt veel materiaal dat niet in traditio-
neel werk zoals de ANS te vinden is. De zelfgekozen beperking van een theorieneutrale
beschrijving leidt op sommige plaatsen tot problemen met de inhoud en de presentatie.
De gesignaleerde tekortkomingen nemen niet weg dat we hier te maken hebben met een
belangrijk werk dat uitermate geschikt is als basis voor verder syntactisch onderzoek maar
ook voor toepassingen. A&AP zal echter pas goed tot zijn recht komen wanneer het is
ingebed in het grotere geheel van de Modern Grammar of Dutch.
Bibliografie
Algemene Nederlandse Spraakkunst. W. Haeseryn e.a. (1997). Groningen: Martinus Nijhoff
Uitgevers.
ANS: zie Haeseryn e.a. (1997).
Barbiers, S. (1990). Telwoorden, adjectieven en lege NP’s. Doctoraalscriptie, Universiteit
Leiden.
Barbiers, S. (1991). Adjectives as auxiliaries of the noun phrase. In: R. Bok-Bennema en
R. van Hout (red.), Linguistics in the Netherlands 9. Amsterdam: John Benjamins, 13-
24
Barbiers, S. (1995). The Syntax of Interpretation. (= HIL Dissertations,14). Den Haag: HAG
Publications. Diss. Universiteit Leiden.
Barbiers, S. (2000). The right periphery in SOV-languages: English and Dutch. In: P. Sve-
nonius (red.), The derivation of VO and OV. Amsterdam: John Benjamins, 181-218.
Bennis, H. (1991). Theoretische aspekten van partikelvooropplaatsing II. TABU 21, 89-
95.
Besten, H. den (1999). Remnant XP-movement. Lezing tijdens de LOT/ZAS Workshop
Remnant Movement, F-movement and their implications for the T-model. Pots-
dam, 24-25 juli 1999.
Broekhuis H. en H. van Riemsdijk (1998). Een grammatica voor taalkundigen: A
Modern Grammar of Dutch. Nederlandse Taalkunde 3, 282-290.
Broekhuis, H. en A. Strang (1996). De partitieve genitiefconstructie. Nederlandse Taal-
kunde 1, 221-238.
Cinque, G. (1999). Adverbs and Functional Heads. New York, Oxford: Oxford University
Press.
Chomsky, N. (1995). The Minimalist Program. Cambridge, Mass.: The MIT Press.
Haan, G. de (1976). Regelordening en domeinformuleringen op transformaties. In: G.
Koefoed en A. Evers (red.), Lijnen van taaltheoretisch onderzoek, Een bundel oorspron-
kelijke artikelen aangeboden aan prof. dr. H. Schultink. Groningen: H.D. Tjeenk Willink.
Hoeksema, J. (1991). Theoretische aspekten van partikelvooropplaatsing. TABU 21, 18-
26.
Hoekstra, T. (1988). Small Clause Results. Lingua 74, 101-139.
147
A
djectieven voor taalkundigen
148
Jackendoff, R. (1972). Semantic Interpretation in Generative Grammar. Cambridge, Mass.:
The MIT Press.
Kayne, R. (1994). The Antisymmetry of Syntax. Cambridge, Mass.: The MIT Press.
Kester, E.-P. (1996). The Nature of Adjectival Inflection. Dissertatie OTS, Universiteit
Utrecht.
Koster, J. (1995). Extraposition as Coordination. Lezing gehouden op de Vrije Universiteit
Amsterdam, juni 1995.
Lebeaux, D. (1983). A distributional difference between reciprocals and reflexives. Lin-
guistic Inquiry 14, 723-730.
Rochemont, M. en P. Culicover (1990). English focus constructions and the theory of gram-
mar. Cambridge: Cambridge University Press.
Stowell, T. (1981). Origins of Phrase Structure. Dissertatie MIT.
Zwart, J-W (1993). Dutch Syntax: A minimalist Approach. Dissertatie, Rijksuniversiteit Gro-
ningen.
SJEF BARBIERS