ArticlePDF Available
76
Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
Inleiding
De diagnose MCDD wordt steeds
vaker gebruikt binnen de klini-
sche setting. Ondanks de groeiende
populariteit van de diagnose weten
veel behandelaars nog weinig van de
diagnose af. Doordat weinig diagnosti-
ci weten welke kinderen deze diagnose
zouden moeten krijgen en omdat
MCDD in een aantal settings niet
erkend wordt, worden deze kinderen
vaak ingedeeld in de restcategorie van
de Pervasieve Ontwikkelingsstoornissen:
Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet
Anderszins Omschreven (PDD-NOS,
Jansen, Gispen-de Wied, Van der Gaag,
& Van Engeland, 2003). Zo blijkt dat
8% van de kinderen met PDD-NOS
ook een diagnose MCDD zou kunnen
krijgen (Sturn, Fernell & Gillberg,
2004).
Door de uiteenlopende symptomen
van de kinderen binnen de PDD-NOS
categorie en het gebrek aan diagnosti-
sche criteria wordt het onderzoek naar
deze groep patiënten bemoeilijkt
(Buitelaar & Van der Gaag, 1998;
Jansen et al., 2003). Daarom rijst de
vraag onder welke diagnostische cate-
gorie kinderen met MCDD het beste
ingedeeld zouden kunnen worden.
Sommige auteurs noemen de stoornis
Childhood Borderline Syndrome, vanwege
overeenkomsten in symptomatologie
met de Borderline persoonlijkheidsstoor-
nis in volwassenheid (Lofgren,
Bemporad, King, Lindem, &
O’Driscoll, 1991; Vela, Gottlieb, &
Gottlieb, 1983). Anderen zien overeen-
komsten met Schizofrenie, Attention
Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD),
een Gedragstoornis of Autisme
(Cohen, Paul, & Volkmar, 1986;
Lincoln, Bloom, Katz, & Boksenbaum,
1998; Towbin, Dykens, Pearson, &
Cohen, 1993). Daarnaast zijn verschil-
Drs. B.E. Boyer, psycholoog, Universiteit
van Amsterdam.
Dr. H.M. Geurts, Universitair docent
klinische neuropsychologie & psycholoog bij
autisme expertise team GGZ Buitenamstel.
Correspondentieadres:
Hilde M. Geurts, PhD Klinische Neuropsychologie
Programmagroep Psychonomie, Universiteit van
Amsterdam,
Roetersstraat 15, 1018 WB Amsterdam,
Nederland.
Telefoon: + 31 20 5256843
Fax: +31 20 6391656
E-mail: h.m.geurts@uva.nl
>
Bianca E. Boyer en Hilde M. Geurts
De diagnose Multiple Complex Developmental Disorder (MCDD) wordt steeds vaker gebruikt binnen de klinische
setting. Toch weten diagnostici en behandelaars vaak nog weinig van de stoornis. In dit artikel zal meer duidelijkheid
gegeven worden over de achtergrond van MCDD en zal bekeken worden waar MCDD in de toekomst het beste op zijn
plaats is. Er zal een klinische beschrijving gegeven worden van de stoornis en onderzoek naar hersenactiviteit, familie,
follow-up en behandeling zal worden besproken. Op basis van deze dimensies lijkt steun gevonden te worden voor
MCDD als aparte stoornis. Bovendien lijkt MCDD het beste op zijn plaats in de DSM-V onder ‘Psychotische Stoornissen
in de Kinderleeftijd’. Daarnaast worden beperkingen in de literatuur besproken en wordt advies gegeven voor toekom-
stig onderzoek.
Summary Even though the term Multiple Complex Developmental Disorder (MCDD) is used more than ever within
the clinical setting, clinicians know little about the disorder. This article will shed light on the history of MCDD and
will discuss it’s future directions. The literature will be studied on the following dimensions: clinical description of
MCDD, laboratory studies, family studies, follow-up studies and treatment response. The results on these dimensions
seem to support MCDD as a distinct disorder. MCDD seems to fit best in a new category in DSM-V called ‘Psychotic
Disorders for Children’. Llimitations of available research will be identified and present future directions for research.
>
Enige overwegingen bij MCDD
77
nummer 2 • augustus 2007
lende auteurs van mening dat MCDD
als aparte stoornis geclassificeerd zou
moeten worden, niet gerelateerd aan
PDD-NOS of andere verwante stoor-
nissen (Ad-dab’bagh & Greenfield,
2001; Buitelaar & Van der Gaag, 1998;
Kemner, Van der Gaag, Verbaten, & Van
Engeland, 1999; Towbin et al., 1993).
Voor deze groep kinderen is het van
belang dat onderzocht wordt waaron-
der zij het beste geclassificeerd kunnen
worden. Psychiatrische stoornissen die
geclassificeerd zijn op basis van onder-
zoek, maken het mogelijk een voor-
spelling te doen over het verloop en de
gevolgen van de stoornis. Bovendien is
het mogelijk op basis van onderzoek
een planning voor directe en lange ter-
mijn behandeling te maken, en verge-
makkelijkt het de communicatie tussen
behandelaars (Feighner, Robins, Guze,
Woodruff, Winokur, & Munoz, 1972).
Om deze redenen zijn de vragen die in
dit artikel beantwoord zullen worden:
Is er evidentie voor MCDD als aparte
classificatie? En zo ja, waar in de toe-
komstige DSM-V (Diagnostic and Statistical
Manual of Mental Disorders, 5e editie) kan
deze groep kinderen het beste inge-
deeld worden?
Deze vragen zullen onderzocht worden
aan de hand van richtlijnen van de
American Psychiatric Association (APA) voor
het inbrengen van een nieuwe cate-
gorie in de DSM. De gebieden waar
rekening mee moet worden gehouden
bij het nemen van deze beslissing zijn:
het klinisch nut van de nieuwe clas-
sificatie, de betrouwbaarheid ervan,
de psychometrische eigenschappen
van de criteria en een aantal vali-
derende variabelen (APA, 2002). Om
bovenstaande onderzoeksvragen te
beantwoorden, zal eerst de geschiede-
nis van de criteria van MCDD bespro-
ken worden. Daarna zullen de verschil-
lende methodes voor classificatieonder-
zoek aan bod komen en zal aan de hand
van deze methodes de literatuur onder-
zocht worden. Ten slotte zal een conclu-
sie worden getrokken aan de hand van
de APA-richtlijnen.
Geschiedenis van MCDD
De stoornis die nu MCDD genoemd
wordt, heeft verschillende labels
gehad. De betrouwbaarheid van de
diagnose MCDD zou gesteund worden
als zou blijken dat kinderen met
dezelfde combinatie van symptomen
voor lange tijd in de literatuur bespro-
ken worden. Op deze wijze kunnen we
zien of er sprake is van consistentie
van de stoornis.
In de vroege literatuur wordt MCDD
beschreven als een mildere variant van
psychose of schizofrenie. In 1945
werd een groep kinderen beschreven
die zich in de ene situatie volstrekt
anders gedroeg dan in een andere
situatie: als ze alleen waren met een
volwassene waren zij rustig en intelli-
gent, maar in een groep waren zij
agressief of extreem vermijdend. Op
frustratie reageerden zij met een
woede-uitbarsting, waarbij zij sympto-
men van paniek vertoonden, een para-
noïde reactie op anderen hadden en
het contact met de realiteit voor een
moment leken te verliezen. Er werd
verondersteld dat de etiologie van de
stoornis te vinden was in de vroege
moeder-kind relatie, en een onvol-
doende ontwikkeld ego (Geleerd,
1945, aangehaald in: Bemporad,
Smith, Hanson, & Cicchetti, 1982).
In 1953 werden vergelijkbare kinderen
beschreven. Deze kinderen hadden
moeite om fantasie van werkelijkheid
te onderscheiden, hadden fantasieën
over dat zij almachtig waren en magi-
sche gedachtes. Daarnaast werd een
snelle afwisseling van symptomen
beschreven, waren zij bang voor uit-
eenlopende zaken, en stelden zij zich
aanhankelijk op binnen interpersoon-
lijke relaties. Ook werd de kinderstoor-
nis voor het eerst vergeleken met de
Borderline Persoonlijkheidsstoornis
bij volwassenen (Weil, 1953, aange-
haald in: Bemporad et al., 1982).
Doordat er lange tijd geen duidelijke
criteria voor deze groep kinderen
bestonden, hebben onderzoekers
gebruik gemaakt van de DSM-III
criteria van de Borderline Persoonlijk-
heidstoornis voor volwassen in combi-
natie met de criteria van de Pervasieve
Ontwikkelingsstoornissen (Petti & Law,
1982). In 1983 werd een eerste
poging gedaan om consensus te
bereiken over deze Childhood Borderline-
diagnose (Vela et al.,1983). Bovendien
zijn criteria opgesteld voor een Childhood
Borderline Syndroom, die betrouwbaar
differentieerden (Bemporad et al.,1982).
In 1986 werd een nieuwe diagnosti-
sche term geïntroduceerd: Multiplex
Developmental Disorder. Deze term wijst
op de uiteenlopende, en complexe
Enige overwegingen bij MCDD
78
Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
stoornissen die deze kinderen verto-
nen. Deze groep kinderen werd
onderscheiden van kinderen met een
autistische stoornis en PDD-NOS.
Bovendien waren de auteurs van
mening dat een deel van de kinderen
die voorheen de diagnose borderline
of schizofrenie hadden gekregen, kon-
den worden beschreven door deze cri-
teria (Cohen et al., 1986). Na aanpas-
sing van de criteria, ontstonden de
criteria van de stoornis die nu Multiple
Complex Developmental Disorder genoemd
wordt. Daarbij werd de nadruk gelegd
op de vroege onset van de stoornis en
de problemen van deze kinderen op
het gebied van angstregulatie, sociale
contacten en denkstoornissen (Towbin
et al., 1993).
In dit literatuuronderzoek zal uitge-
gaan worden van de criteria van
Towbin et al. (1993), aangezien dit de
meest recente en gevalideerde criteria
van MCDD zijn. De criteria van
Bemporad et al. (1982), Cohen et al.
(1986) en Vela et al. (1983) komen
voor een groot deel overeen met de
criteria van Towbin et al. (1993) (zie
bijlage 1). De onderzoeken die op deze
criteria gebaseerd zijn, zullen eveneens
gebruikt worden voor het beantwoor-
den van de onderzoeksvragen. Vanaf nu
zal alleen nog de term MCDD gebruikt
worden om de kinderen, die voldoen
aan deze criteria, aan te duiden.
Onderzoeksmethodes
Er kunnen twee methodes worden
onderscheiden om te onderzoeken of
MCDD een aparte classificatie nodig
heeft. De eerste methode is de dimen-
sionele methode. Deze methode begint
met statistische procedures om de
samenhang tussen verschillende
symptomen te bekijken. Deze groepen
symptomen kunnen worden geïdenti-
ficeerd door middel van een factorana-
lyse of clusteranalyse. Met het gebruik
van statistische procedures wordt de
betrouwbaarheid van de bevindingen
verhoogd. Bovendien zijn de gevonden
groepen, door de empirische basis,
homogeen en is het makkelijker meet-
instrumenten te ontwikkelen met
betrouwbare cut-off scores voor het
vaststellen van therapieresultaten. Het
gebruik van statistische procedures
brengt echter ook problemen met zich
mee. Afhankelijk van de gekozen statis-
tische criteria kunnen verschillende
resultaten verkregen worden. Ook
kunnen patiënten op basis van deze
methode, in slechts één categorie inge-
deeld worden. Een laatste probleem
bij het gebruik van de dimensionele
methode is dat de statistisch betekenis-
volle correlaties tussen items, klinisch
en theoretisch niet betekenisvol hoe-
ven te zijn (Cantwell & Baker, 1988).
Een tweede methode om de validiteit
van een stoornis te onderzoeken is
de categoriale benadering. Deze is
gebaseerd op de veel gebruikte Neo-
Kraepelinische benadering (Widiger &
Clark, 2000). Bij deze methode wordt
de validiteit van een psychiatrische
stoornis vastgesteld aan de hand van
vijf fases: het beschrijven van het kli-
nisch syndroom, laboratorium onder-
zoek, ontwikkelen van uitsluitende cri-
teria, follow-up onderzoek en familie
onderzoek (Feighner et al., 1972).
Deze vijf fases werden uitgebreid door
Cantwell en Baker (1988) met een
zesde fase. In deze laatste fase wordt
behandelonderzoek gedaan. In tegen-
stelling tot de dimensionele methode
gaat de categoriale benadering uit van
correlaties die klinisch en theoretisch
betekenisvol zijn, maar statistisch niet
betekenisvol hoeven te zijn.
De statistische en de categoriale
methode kunnen worden gezien als
verschillende en elkaar aanvullende
methodes (Milich, Balentine, & Lynam,
2001). In dit artikel zullen zowel de
dimensionele als de categoriale
benadering gebruikt worden om te
onderzoeken of MCDD een aparte
classificatie dient te krijgen in de
DSM-V. Eerst zal statistisch onderzoek
besproken worden, en daarna zullen
de fases van de categoriale benadering
doorgenomen worden.
Dimensionele methode
Bij onderzoek naar MCDD als een
aparte classificatie is statistisch
onderzoek van belang. Het enige
statistische onderzoek naar MCDD is
een multivariate analyse op zowel de
symptomen van MCDD, als op de
demografie van de stoornis en de
gezinssituatie van de patiënten.
Verschillende patiëntengroepen wer-
den meegenomen in het onderzoek:
kinderen met MCDD, autisme, een
gedragsstoornis of een emotionele
stoornis. Deze stoornissen hebben
criteria die overlap vertonen met de
criteria van MCDD. Als de criteria van
MCDD niet valide zijn, zullen de kin-
deren met MCDD met de cluster analy-
se in andere diagnostische groepen
worden ingedeeld. Bovendien zouden
kinderen met vergelijkbare sympto-
men maar een andere stoornis dan
MCDD, dan ingedeeld kunnen worden
in de MCDD-groep (Van der Gaag,
Buitelaar, Van den Ban, Bezemer,
Njio, & Van Engeland, 1995).
Op basis van statistisch onderzoek kan
geconcludeerd worden dat kinderen
met MCDD goed onderscheiden kun-
nen worden van kinderen met autisme,
gedrags -of emotiestoornissen. De
meest onderscheidende eigenschap
van kinderen met MCDD bleek hun
psychische angst en psychotisch den-
ken. Daarnaast zijn volgens ouders en
leraren de aandachtsschommelingen
een specifiek kenmerk van deze kinde-
ren. Wat betreft de gezinsachtergrond
en demografie verschillen kinderen
Enige overwegingen
bij MCDD
79
nummer 2 • augustus 2007
met MCDD slechts van de andere
diagnostische groepen in onset-leeftijd
(Van der Gaag et al., 1995).
Categoriale methode
Fase 1: klinische beschrijving
De klinische beschrijving kan één
klinisch kenmerk zijn, of een
combinatie van klinische kenmerken
waar van gedacht wordt dat ze met
elkaar in verband staan. Ook andere
zaken die de stoornis duidelijk kunnen
definiëren worden beschreven, zoals
de criteria, de essentiële kenmerken,
demografie, leeftijd van onset en pre-
disponerende factoren van de stoornis
(Feighner et al, 1972).
De criteria van MCDD zoals deze zijn
opgesteld door Towbin et al.(1993)
zijn te zien in Bijlage 1. De essentiële
kenmerken van MCDD kunnen worden
beschreven aan de hand van de vier
meest voorkomende symptomen: soci-
ale problemen, angst, denkstoornissen
en fluctuaties in gedrag, bewustzijn en
affect. Het eerste kenmerk van kinde-
ren met MCDD zijn de problemen in
de sociale situatie. Kinderen met
MCDD hebben moeite relaties met
leeftijdsgenoten te initiëren en te
onderhouden (Towbin et al., 1993).
Zij kunnen onaardig en dominant zijn
bij kinderen die jonger zijn dan zij,
maar bang en teruggetrokken zijn bij
kinderen van hun eigen leeftijd
(Bemporad et al., 1982). In het contact
met volwassenen gedragen kinderen
met MCDD zich vaak tegenstrijdig. Aan
de ene kant kunnen zij extreem aan-
hankelijk en jaloers zijn en hierdoor
kunnen zij dwingend gedrag vertonen.
Aan de andere kant kunnen zij opposi-
tioneel en agressief zijn, met wisselend
haat-liefde gedrag naar de ouder, leraar
of therapeut. Deze kinderen zijn incon-
sistent in de sociale situatie: zij gaan
van oppervlakkige sociabiliteit naar
vermijdingsgedrag (Bemporad et al.,
1982; Cohen et al., 1986). De sociabili-
teit van kinderen met MCDD kan
onvoorspelbaar, “vreemd”, niet leef-
tijdsadequaat, en benauwend zijn.
Bovendien zou het lijken of zij de
sociale situatie niet begrijpen
(Towbin et al., 1993).
Een tweede kenmerk van MCDD
patiënten zijn fluctuaties in affect
regulatie en denken. Regressie naar
“kinderlijk” gedrag komt bij kinderen
met MCDD vaker en sneller voor dan
verwacht wordt voor hun leeftijd
(Bemporad et al., 1982). Dit gedrag
kan uren tot weken duren, en wisselt
zich af met periodes van leeftijdsade-
quaat functioneren. Deze fluctuaties
lijken veroorzaakt te worden door de
voortdurende angst die de kinderen
beleven en blijven voortduren als stress
wordt verminderd. Bovendien zijn
deze fluctuaties in de mate van functi-
oneren verschillend over tijd binnen
de MCDD patiënt, maar ook tussen
MCDD patiënten (Towbin et al., 1993).
Een derde kenmerk van kinderen met
MCDD is de voortdurende angst die zij
beleven. De kinderen kunnen over hun
angsten vertellen en ze benoemen,
maar kunnen er moeilijk mee omgaan.
Zij hebben eigenaardige angst respon-
sen, zoals: vreemde fobieën, obsessieve
coping-mechanismen en overweldigen-
de woedereacties. Een snelle escalatie
naar paniekaanvallen en overspoeld
worden met angst komt bij deze kin-
deren vaak voor. Ook zou het soort
angst van kinderen met MCDD ver-
schillen van angsten van andere kinde-
ren. Zo zijn kinderen met MCDD
doorgaans bang voor onderwerpen
als zelfvernietiging, zelfverminking
of wereldrampen (Bemporad et al.,
1982). Er zijn kortstondige periodes
van opgetogen stemming, maar deze
duren vaak niet langer dan uren of
dagen (Towbin et al., 1993).
Een vierde kenmerk van MCDD zijn
denkstoornissen. Het is voor kinderen
met MCDD onduidelijk waar de grens
ligt tussen werkelijkheid en fantasie.
Dit zorgt voor een vertekening van de
werkelijkheid door het binnendringen
van fantasiethema’s in dagelijkse bezig-
heden. Bovendien lijken zij moeite te
hebben om hun gedachtes onder con-
trole te houden als deze veranderen
van neutrale thema’s naar angstaanja-
gende thema’s zoals ‘dood’ en ‘vermin-
king’ (Bemporad et al., 1982). De
denkstoornissen kunnen bij kinderen
met MCDD opvallen door onsamen-
hangendheid, neologismen, hallucina-
ties en wanen. In stressvolle situaties
kunnen deze symptomen ernstiger zijn
en vaker vóórkomen, maar dit kan ook
zonder aanleiding gebeuren. Als er
psychotische symptomen aanwezig
zijn worden deze vaak gekenmerkt
door sterke stemmingswisselingen
(Towbin et al., 1993).
Onderzoek naar de demografie van
MCDD is schaars. Zo is er geen onder-
zoek gedaan naar de prevalentie van
MCDD. Ondanks dat er eveneens geen
studies zijn gedaan naar de verdeling
van MCDD over sekse, lijkt de stoornis
meer vóór te komen bij jongens dan
bij meisjes. Op basis van de literatuur,
kan de verhouding jongens: meisjes
met MCDD gesteld worden op 9:1
(Bemporad et al., 1980; Jansen,
Gispen-de Wied, Van der Gaag, Ten
Hove, Willemsen-Swinkels, Harteveld,
et al., 2000; Kemner et al., 1999;
Towbin et al., 1993; Van der Gaag et
al., 1995). Dit is natuurlijk een grove
schatting.
Over de onset-leeftijd van MCDD is in
1986 een eerste uitspraak gedaan: De
problemen van deze kinderen zouden
vóór de eerste 30 maanden zichtbaar
zijn. Zo zouden deze kinderen op
jonge leeftijd prikkelbaar en ontroost-
baar zijn en eet- en slaapproblemen
laten zien. Als peuter zouden zij impul-
80
Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
sief, onvoorspelbaar en angstig zijn, en
sociale problemen krijgen (Cohen et
al., 1986). Bovendien zijn kinderen
met MCDD significant jonger dan kin-
deren met een gedragsstoornis of een
dysthyme stoornis als zij voor het eerst
met hulpverlening in aanraking komen
(Towbin et al., 1993).
De stabiliteit van de gezinsomgeving
lijkt de beste voorspeller voor de
outcome bij follow-up van kinderen met
MCDD (Lofgren et al., 1991).
Mishandeling, verwaarlozing, bizar
gedrag van ouders en inconsistente
zorg binnen de gezinnen van kinderen
met MCDD zijn gerapporteerd
(Bemporad et al., 1982; Bentivegna,
Ward, & Bentivegna, 1985).
Fase 2: laboratorium onderzoek
Laboratorium onderzoek is over het
algemeen betrouwbaarder, nauwkeuri-
ger en beter te reproduceren dan de
klinische beschrijving van een stoor-
nis. Laboratorium onderzoek kan
bestaan uit chemisch, radiologisch,
fysiologisch en anatomisch onderzoek.
Daarnaast kunnen ook psychologische
tests, waarvan de betrouwbaarheid en
reproduceerbaarheid goed zijn geble-
ken, gebruikt worden. Als de resultaten
van de onderzoeken overeenkomen
met het klinisch beeld, dragen ze bij
aan de validiteit van een classificatie
(Feigner et al., 1972).
Wat MCDD betreft heeft het labora-
toriumonderzoek zich gericht op de
aard van de problematiek, taalgebruik
en hersenactiviteit.
Onderzoek naar de aard van de pro-
blematiek van kinderen met MCDD
is vooral gedaan aan de hand van de
Child Behavior Checklist (CBCL). Uit de
antwoorden op deze vragenlijst kan
worden opgemaakt of het gedrag van
het kind volgens de ouders adequaat,
subklinisch of klinisch scoort op de
schalen: ‘Internaliserende problema-
tiek’ of ‘Externaliserende problematiek’
en ‘Totale problemen’ (Achenbach &
Edelbrock, 1992). Kinderen met
MCDD vertonen volgens hun ouders
meer internaliserende en externalise-
rende problematiek dan kinderen met
een dysthyme stoornis, een gedrags-
stoornis, ADHD en gezonde kinderen.
Ook de totale problematiek was ernsti-
ger dan bij de andere groepen, op de
ADHD groep na (Lincoln et al., 1998;
Towbin et al., 1993).
Onderzoek naar taalgebruik bij kinde-
ren met MCDD laat zien dat deze kin-
deren niet verschillen van kinderen
met autisme op het gebied van de
organisatie van spraak. Beide groepen
lieten significant meer vrije associaties
en onlogisch taalgebruik zien dan kin-
deren uit een normale controlegroep
en kinderen met ADHD of een angst-
stoornis (Van der Gaag, Caplan, van
Engeland, Loman, & Buitelaar, 2005).
Er zijn meerdere onderzoeken gedaan
naar de hersenfuncties van kinderen
met MCDD. Zo werden kinderen met
MCDD onderzocht op het gebied van
hun neuropsychologische prestaties,
ERP activiteit en hun fysiologische
reactie op stress. Kinderen met MCDD
zouden gemiddeld een lagere intelli-
gentie hebben dan kinderen met
ADHD en gezonde kinderen.
Bovendien zouden het verbale begrip,
de auditieve perceptie en de motori-
sche planning van kinderen met
MCDD significant slechter zijn dan van
kinderen met ADHD en gezonde kin-
deren (Lincoln et al.,1998). Uit onder-
zoeken naar Event Related Potential (ERP),
een vorm van EEG activiteit, bleek dat
kinderen met MCDD afwijkingen laten
zien bij de verwerking van visuele en
auditieve informatie (Kemner et al.,
1999; Lincoln et al., 1998). Daarnaast
blijken kinderen met MCDD significant
te verschillen van gezonde kinderen en
kinderen met autisme in de fysiologi-
sche reactie op psychosociale stress.
Deze fysiologische reactie op stress
lijkt vergelijkbaar te zijn met de reactie
van schizofrene patiënten. Daarnaast
blijkt dat kinderen met MCDD angsti-
ger en meer gespannen zijn in een
psychosociale stresssituatie dan gezon-
de kinderen (Jansen, Gademan, De
Jonge, Van Engeland, Kahn, & Gispen-
de Wied, 1996; Jansen et al., 2000;
Jansen et al., 2003).
Fase 3: uitsluitende criteria
Vergelijkbare symptomen kunnen bij
verschillende stoornissen vóórkomen.
Het is belangrijk dat uitsluitende crite-
ria ontwikkeld worden zodat er gren-
zen ontstaan tussen de onderzochte
stoornis en verwante stoornissen
(Feighner et al., 1972). Er zijn meer-
dere stoornissen die overeenkomsten
vertonen met MCDD (APA, 2002).
In deze derde fase zal onderzocht wor-
den welke criteria van MCDD het beste
tussen de stoornissen kunnen onder-
scheiden. Dit moet het uitsluiten van
grensgevallen mogelijk maken.
Buitelaar en Van der Gaag (1998)
onderzochten aan de hand van welke
criteria MCDD het best onderscheiden
zou kunnen worden van de andere
stoornissen. Zij bekeken in hoeverre
de criteria van MCDD bij de kinderen
van verschillende diagnostische groe-
pen vóórkwamen. Uit de resultaten
kan opgemaakt worden dat de meest
onderscheidende criteria van MCDD
betrekking hebben op affect regulatie,
angst, denkstoornissen en sociale
interactie (Buitelaar & Van der Gaag,
1998). Blijkbaar is deze combinatie
van symptomen vrij specifiek voor
kinderen met MCDD.
Fase 4: follow-up onderzoek
Het doel van follow-up onderzoek is
vaststellen of het klinisch syndroom
van de MCDD patiënten ook door een
Enige overwegingen
bij MCDD
81
nummer 2 • augustus 2007
andere stoornis verklaard kan worden.
Als de etiologie van een stoornis onbe-
kend is, wijzen verschillen in outcome
erop dat de oorspronkelijke groep niet
homogeen is. Dezelfde stoornis kan
verschillende prognoses hebben, maar
totdat meer bekend is over de ziekte-
oorzaak, zijn grote verschillen in outco-
me een bedreiging voor de validiteit van
een stoornis (Feighner et al., 1972).
De follow-up onderzoeken die gedaan
zijn bij kinderen met MCDD laten
overeenkomstige resultaten zien.
Het percentage schizofrene spectrum
stoornissen (zonder schizofrene
patiënten) lijkt tussen de 25% en 50%
te liggen. Bovendien ontwikkelt 50 tot
75 % van de kinderen met MCDD een
persoonlijkheidsstoornis in de jong
volwassenheid (Lofgren et al., 1991;
Van Engeland & Van der Gaag, 1994).
Dit percentage zou hoger kunnen
liggen, aangezien Van Engeland et al.
(1994) niet publiceerden of de patiën-
ten in hun onderzoek ook andere per-
soonlijkheidsstoornissen hadden dan
de schizofrene spectrum stoornissen.
Fase 5: familie onderzoek
De meeste psychiatrische stoornissen
lijken meer vóór te komen binnen
families dan in de gehele populatie.
Onafhankelijk van de vraag of de oor-
zaak daarvan ligt in de erfelijkheid of
omgevingsfactoren, wijst de verhoog-
de prevalentie van een stoornis binnen
een familie op een valide stoornis
(Feighner et al., 1972). Helaas is er
weinig onderzoek gedaan naar de
prevalentie van MCDD binnen families.
De ouders van kinderen met MCDD
lijken meer pathologie te vertonen
dan de ouders van kinderen met een
gedragstoornis of een dysthyme stoor-
nis (Towbin et al., 1993). Daarbij
wordt echter niets gezegd over de
soort of de ernst van de pathologie bij
de ouders.
Fase 6: behandelonderzoek
Het doel van behandelonderzoek is
niet alleen het achterhalen van de beste
methode om de symptomen van een
stoornis te laten verdwijnen of vermin-
deren, maar ook het vergelijken van de
behandelrespons en het behandelresul-
taat van kinderen met MCDD met die
van patiënten met andere stoornissen.
Als de meeste patiënten met eenzelfde
stoornis vergelijkbaar reageren op
gedragstherapie ofwel farmacotherapie
verhoogt dit de validiteit van een
stoornis.
Uit het enige onderzoek naar de
behandeling van MCDD bleek dat kin-
deren met MCDD gemiddeld twee tot
drie keer langer zijn opgenomen dan
de andere kinderen voordat zij naar
een minder gestructureerde setting
overgeplaatst kunnen worden. Towbin
et al. maken hieruit op dat kinderen
met MCDD moeilijker te behandelen
zijn dan kinderen met een gedrags –
of dysthyme stoornis. Daarbij moet
vermeld worden dat ook de spreiding
van het aantal maanden van opname
binnen de MCDD groep groot was
(Towbin et al., 1993).
Plaats MCDD in de DSM-V
Als voldoende steun gevonden
wordt voor MCDD als aparte
classificatie, is het de vraag waaronder
MCDD het beste ingedeeld kan worden
in de toekomstige DSM-V. Om te
beginnen lijkt het nodig te onderzoe-
ken welke symptomen, van kinderen
met MCDD, de diagnosticus over het
algemeen als kernsymptoom ziet.
Op basis van de eerdere diagnoses die
kinderen met MCDD hadden gekregen,
lijkt het erop dat de fluctuaties in het
bewustzijn en het agressieve gedrag
van deze kinderen zijn opgevallen bij
de diagnostici, evenals de psychoses
en de pervasieve aard van de proble-
matiek (Towbin et al., 1993). Op basis
van deze symptomen zouden kinde-
ren met MCDD moeten worden inge-
deeld onder de ‘Aandachtstekortstoorn
issen en Gedragsstoornissen’ of onder
de ‘Pervasieve Ontwikkelingsstoor-
nissen (PDD’s)’. In de DSM-IV-TR is
geen categorie binnen de stoornissen
tijdens de kinderleeftijd waarbij psy-
choses als specifiek criterium genoemd
worden.
Volgens de DSM-IV-TR wordt een
aandachtsstoornis of gedragsstoornis
echter niet gediagnosticeerd als de
aandachtssymptomen vóórkomen in
het kader van een PDD of een
Psychotische stoornis (APA, 2002).
Op basis van de beschrijving in de
DSM-IV-TR lijkt MCDD aan alle eisen
van een PDD te voldoen. Echter, vol-
gens de DSM-IV-TR is er bewijs dat
kinderen die psychotisch zijn, verschil-
len van kinderen met een PDD. Helaas
wordt er niet bij gezegd waar, in het
classificatiesysteem, psychotische
kinderen wel zouden passen. De
laatste enigszins geschikte classificatie
zou ‘Schizofrenie/Psychotische stoor-
nis’ kunnen zijn. Hoewel in de DSM-
IV-TR wordt aangegeven dat de onset
van Schizofrenie doorgaans tussen de
late tienerjaren en de dertig is, laten zij
weten dat er gevallen van 5 en 6 jaar
zijn. De essentiële kenmerken zijn
hetzelfde bij kinderen als bij volwasse-
nen. Er wordt echter bij vermeld dat
kinderen niet als schizofreen moeten
worden bestempeld zonder dat
gedacht is aan een PDD (APA, 2002).
Op basis van deze tegenstrijdigheden
kan gezegd worden dat de DSM niet
berekend is op een psychotische
stoornis in de kinderleeftijd. Daarom
lijkt het nodig in de DSM-V een cate-
goriePsychotische stoornissen in
de kinderleeftijd” te creëren. Gezien
de pervasieve aard van MCDD zou
deze categorie het beste onder de
PDD’s geplaatst kunnen worden.
82
Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
Conclusie
Ondanks het beperkte aantal
onderzoeken waarop dit onder-
zoek gebaseerd is, kan de vraag ´Is er
evidentie voor MCDD als aparte classi-
ficatie?´ beantwoord worden met: ja.
Deze conclusie kan getrokken worden
om de volgende redenen:
Ten eerste is het belangrijk dat stoor-
nissen op de juiste plaats wordt geclas-
sificeerd. Psychiatrische stoornissen
die geclassificeerd zijn op basis van
onderzoek maken het mogelijk een
voorspelling te doen over het verloop
en de gevolgen van de stoornis
(Feighner et al., 1972). Nu MCDD
inderdaad een aparte stoornis blijkt te
zijn, niet gerelateerd aan andere ont-
wikkelingsstoornissen, zal het zijn
eigen classificatie in de DSM moeten
krijgen. Door deze kinderen te blijven
indelen in een restcategorie van de
DSM, wordt het onderzoek naar en
de behandeling van deze kinderen
vertraagd.
Ten tweede blijkt dat sinds 1945 een-
zelfde groep kinderen wordt bespro-
ken in de literatuur (Bemporad et al.,
1982; Cohen et al., 1986; Towbin et
al., 1993; Vela et al., 1983). Dit steunt
de herhaalbaarheid en daarmee ook
de betrouwbaarheid van MCDD.
Ten derde blijkt dat de psychometri-
sche eigenschappen van de criteria van
MCDD voldoende zijn voor een aparte
classificatie. De combinatie van proble-
men in de affect regulatie en sociale
interactie met angst- en denkstoornis-
sen blijkt vrij specifiek te zijn voor
MCDD (Buitelaar & Van der Gaag,
1998). Het statistisch onderzoek voegt
daaraan toe dat de meest onderschei-
dende eigenschappen van MCDD de
psychische angst en het psychotisch
denken zijn (Van der Gaag et al.,
1995).
Ten slotte blijkt MCDD een valide
construct te zijn, wanneer gekeken
wordt naar een aantal validerende vari-
abelen. De kernsymptomen van MCDD
zijn fluctuaties in het gedrag en affect,
sociale problemen, angst- en denk-
stoornissen (Towbin et al., 1993). De
resultaten van laboratoriumonderzoek
zijn in overeenstemming met deze
symptomen. Zo dragen de problemen
in de auditieve en visuele informatie-
verwerking en de problemen met taal-
gebruik mogelijk bij aan de sociale
problemen of zelfs aan de denkstoor-
nissen van kinderen met MCDD
(Kemner et al., 1999; Lincoln et al.,
1998). Ook komen de resultaten uit
het onderzoek naar de fysiologische
reactie op psychosociale stress overeen
met de klinische beschrijving van de
angstregulatie en de sociale problemen
van kinderen met MCDD (Jansen et al.,
2000; Jansen et al., 2003). Een groot
deel van de kinderen met MCDD ont-
wikkelt een persoonlijkheidsstoornis
in jong volwassenheid (Lofren et al.,
1991; Van Engeland et al., 1986). Dit
steunt de homogeniteit en daarmee
de validiteit van MCDD. Wegens een
tekort aan onderzoek kan over de vali-
derende variabelen “familieonderzoek”
en “behandelonderzoek” weinig
gezegd worden.
Concluderend kan gesteld worden dat
er, op basis van de richtlijnen van de
APA, steun te vinden is voor MCDD als
aparte stoornis in de DSM. Maar waar
in de DSM kunnen kinderen met
MCDD het beste ingedeeld worden?
De DSM-IV lijkt niet berekend te zijn
op een psychotische stoornis in de
kinderleeftijd. Doordat MCDD op
jonge leeftijd waarneembaar is en
zorgt voor problemen in de sociale
situatie lijken kinderen met MCDD
op hun plaats onder de PDD’s (APA,
2002). Toch wijkt MCDD af van de
andere PDD’s door de psychotische
verschijnselen. Daarom lijkt het nodig
in de DSM-V onder de PDD’s een cate-
gorie “Psychotische stoornissen in de
kinderleeftijd” te creëren, waar MCDD
het beste op zijn plaats zal zijn.
Beperkingen en Advies
In alle beschreven domeinen is er
een chronisch tekort aan onderzoek,
hetgeen nodig is om een helder beeld
te krijgen van deze diagnose. Ook zijn
er uiteraard een aantal kanttekeningen
te plaatsen bij eerder onderzoek. Ten
eerste neigen sommige auteurs naar
een cirkelredenatie: zij selecteren kin-
deren met verschillende stoornissen
op hun symptomen, en passen een
clusteranalyse toe op de symptomen
van deze kinderen. Vervolgens trekken
zij conclusies over de verdeling van de
kinderen over de symptomen (Van der
Gaag et al., 1995). Het is door deze
cirkelredenatie moeilijk de resultaten
te interpreteren. Voor toekomstig
onderzoek wordt aangeraden kinderen
op andere eigenschappen te selecteren
dan waarop zij vervolgens van elkaar
onderscheiden worden door middel
van een clusteranalyse.
Ten tweede zijn er auteurs die presta-
ties van kinderen met MCDD en
comorbide ADHD, kinderen met
alleen ADHD en gezonde kinderen
vergelijken. Zij beweren dat het ver-
schil in prestatie tussen de MCDD/
ADHD groep en de ADHD groep laat
zien wat de prestatie zou zijn van kin-
deren met alleen MCDD (Lincoln et al.,
1998). Voor toekomstig onderzoek
wordt geadviseerd een controlegroep
met kinderen met alleen MCDD aan
het onderzoek toe te voegen.
Ten derde wordt bij het meten van
cortisolniveaus weinig rekening
gehouden met het effect van anti-psy-
chotica, hetgeen een cortisol verlagend
effect heeft (Jansen et al.1996; Jansen
et al., 2000; Jansen et al., 2003).
Ten slotte wordt onderzoekers geadvi-
seerd: gebruik literatuur en criteria die
Enige overwegingen
bij MCDD
83
nummer 2 • augustus 2007
met elkaar overeenkomen (zie Bijlage
1). De kinderen die nu de diagnose
MCDD krijgen, hebben door de jaren
heen verschillende labels gehad. Door
deze verschillende labels, maar ook
door de verschillende criteria die
daarbij horen is het onderzoek naar
deze groep kinderen bemoeilijkt.
Geadviseerd wordt gevalideerde data
te gebruiken. Hopelijk zal met behulp
van bovenstaande adviezen niet alleen
het onderzoek naar MCDD, maar ook
de behandeling ervan zich verder
kunnen ontwikkelen.
Literatuur
Achenbach, T. M., & Edelbrock, C. (1992). Manual
for the Child Behavior Checklist and Revised Child
Behavior Profile. Burlington: University of Vermont
Department of Psychiatry.
Ad-Dab’bagh, Y., & Greenfield, B. (2001). Multiple
Complex Developmental Disorder: The “Multiple and
Complex” Evolution of the “Childhood Borderline
Syndrome” Construct. Journal of the American Academy
of Child and Adolescent Psychiatry, 40(8), 954-964.
American Psychiatric Association (2002). Diagnostic
and Statistical Manual of Mental Disorders, 4e editie
Tekst Revisie.
Bemporad, J. R., Smith, H. F., Hanson, G., &
Cicchetti, D. (1982). Borderline syndromes in childhood:
criteria for diagnosis. American Journal of Psychiatry,
139, 596-602.
Bentivegna, S. W., Ward L. B., & Bentivegna N. P.
(1985). Study of a diagnostic profile of the borderline
syndrome in childhood and trends in treatment outcome.
Child Psychiatry Human Development, 15, 198-205.
Buitelaar, J. K., & Van der Gaag, R. J. (1998).
Diagnostic Rules for Children with PDD-NOS and
Multiple Complex Developmental Disorder. Journal of
Child Psychology and Psychiatry, 39(6), 911-919.
Cantwell, D. P., & Baker, L. (1988). Issues in the
Classification of Child and Adolescent Psychopathlogy.
Journal of the American Academy of Child and
Adolescent Psychiatry, 27, 521-533.
Cohen, D. J., Paul, R., & Volkmar, F. R. (1986). Issues
in the classification of pervasive developmental disorders:
toward DSM-IV. Journal of the American Academy of
Child Psychiatry, 25, 213-220.
Feighner, J. P., Robins, E., Guze, S. B., Woodruff, R.
A., Winokur, G., & Munoz, R. (1972). Diagnostic criteria
for use in psychiatric research. Archives of General
Psychiatry, 26, 57-63.
Jansen, L. M. C., Gademan, P. J., De Jonge, R. J. C.,
Van Engeland, H., Kahn, R. S., & Gispen-de Wied, C. C.
(1996). Disturbed stress response in Multiple Complex
Developmental Disorder and schizophrenia: Salivary
cortisol response to a psychological stressor as a measure.
European Neuropsychopharmacology, 6, 121.
Jansen, L. M. C., Gispen-de Wied, C. C., Van der
Gaag, R. J., Ten Hove, F., Willemsen-
Swinkels, S. W. M., Harteveld, E., & Van Engeland,
H. (2000). Unresponsiveness to psychosocial stress in a
subgroup of autistic-like children, Multiple Complex
Developmental Disorder. Psychoneuroendocrinology, 25,
753-764.
Jansen, L. M. C., Gispen-de Wied, C. C., Van der
Gaag, R. J., & Van Engeland, H. (2003). Differentiation
between Autism and Multiple Complex Developmental
Disorder in Response to Psychosocial Stress.
Neuropsychopharmacology, 28, 582-590.
Kemner, C., Van der Gaag, R. J., Verbaten, M., & Van
Engeland, H. (1999). ERP Differences among Subtypes
of Pervasive Developmental Disorders. Biological
Psychiatry, 46, 781-789.
Lincoln, A. J., Bloom, D., Katz, M., & Boksenbaum,
N. (1998). Neuropsychological and Neurophysiological
Indices of Auditory Processing Impairment in Children
With Multiple Complex Developmental Disorder. Journal
of the American Academy of Child and Adolescent
Psychiatry, 37(1), 100-112.
Lofgren, D. P., Bemporad, J., King, J., Lindem, B. S.,
& O’Driscoll, G. (1991). A Prospective Follow-Up Study
of So-Called Borderlne Children. American Journal of
Psychiatry, 148, 1541-1547.
Milich, R., Balentine, A. C., & Lynam, D. R. (2001).
ADHD Combined Type and ADHD Predominantly
Inattentive Type Are Distinct and Unrelated Disorders.
Clinical Psychology: Science and Practice, 8, 463-488.
Petti, T. A., & Law, W. (1982), Borderline psychotic
behavior in hospitalized children: Approaches to
assessment and treatment. Journal of the American
Academy of Child Psychiatry, 21, 197-202.
Sturn, H., Fernell, E., & Gillberg, C. (2004). Autism
Spectrum disorders in children with normal intellectual
levels: associated impairments and subgroups.
Developmental Medicine and Child Neurology, 46,
444-447.
Towbin, K. E., Dykens, E. M., Pearson, R. N., &
Cohen, D. J. (1993). Conceptualizing “Borderline
Syndrome of Childhood” and “Childhood Schizophrenia”
as a Developmental Disorder. Journal of the American
Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 32(4),
775-782.
Van der Gaag, R. J., Buitelaar, J. K., Van den Ban,
E., Bezemer, M., Njio, L., & Van Engeland, H. (1995).
A Controlled Multivariate Chart Review of Multiple
Complex Developmental Disorder. Journal of the
American Academy of Child and Adolescent Psychiatry,
34(8), 1096-1106.
Van der Gaag, R. J., Caplan, R., van Engeland, H.,
Loman, F., & Buitelaar, J. K. (2005). A Controlled Study
of Formal Thought Disorder in Children with Autism and
Multiple Complex Developmental Disorders. Journal of
Child and Adolescent Psychopharmacology, 15(3), 465-476.
Van Engeland, H., & Van der Gaag, R. J. (1986).
MCDD in Childhood: A Precursor of Schizophrenic
Spectrum Disorders. Journal of the American Academy of
Child and Adolescent Psychiatry, 25(2), 213-220.
Vela, R., Gottlieb, H., & Gottieb, E. (1983).
Borderline syndromes in childhood: A critical review.
The Borderline Child: Approaches to Etiology, Diagnosis,
and Treatment. Ed. K. Robson. New York: McGraw-Hill,
31-48.
Widiger, T. A., & Clark, L. A. (2000). Toward DSM-V
and the Classification of Psychopathology. Psychological
Bulletin, 126(6), 946-963.
Enige overwegingen
bij MCDD
Criteria zoals opgesteld door Towbin et al., 1993* Bemporad
et al., 1982
DSM-III
BPD en
PDD, 1982
Vela et al.,
1983
CDIB
Greenman
et al., 1986
Cohen et
al., 1986
1. Regulatie van affectieve staat en angst zijn meer gestoord dan bij kinderen met een
vergelijkbare mentale leeftijd, zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:
- - - - -
(a) Intense gegeneraliseerde angst, diffuse spanning of prikkelbaarheid X X X
(b) Ongewone angsten en fobieën, die eigenaardig zijn qua inhoud of intensiteit X X X
(c) Terugkerende paniek episodes, hevige angst of overspoeld raken met angst X X X
(d) Episodes van gedragmatige disorganisatie of regressie (met duidelijk onvolwassen,
primitief of zelfbeschadigend gedrag) die duren van minuten tot dagen
X X X X X
(e) Significante en brede emotionele variabiliteit met of zonder aanleiding
uit de omgeving
X X X
(f) Hoge frequentie van eigenaardige angstreacties, zoals aanhoudende periodes van
onbeheerst giechelen, lachen, of “dwaas” affect, dat ongepast is in de context
van de situatie
X X
2. Kwalitatieve beperkingen in het sociale gedrag (vergeleken met kinderen met een
vergelijkbare mentale leeftijd) zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:
- - - - -
(a) Sociale desinteresse, afstandelijkheid, vermijding, of teruggetrokken gedrag in
aanwezigheid van duidelijke competentie of sociale verplichting, met name bij
volwassenen. Vaak lijkt het contact vriendelijk en behulpzaam maar zeer opper-
vlakkig, met name gebaseerd op het ontvangen van materiele behoeften
XXX
(b) Er niet in slagen met leeftijdsgenoten tot relaties te komen X X X X
(c) Gestoorde hechting. Tentoonspreiden van ambivalent gedrag naar volwassenen,
met name tegenover ouders/verzorgers, zoals blijkt uit zich vastklampen, over-
controlerend, aanhankelijk gedrag, en/of agressief/oppositioneel gedrag.
Wisselend haat-liefde gedrag naar ouders, leraren of behandelaar komt vaak voor
X X X X X
(d) Ernstige problemen in het tonen van empathie of om andermans emoties juist te
lezen of te begrijpen
3. Gestoorde cognitieve verwerking (denkstoornis) zoals blijkt uit ten minste één van
de volgende:
- - - - -
(a) Denkproblemen die duidelijk ernstiger zijn dan verwacht kan worden op basis van
de mentale leeftijd, waaronder onlogische, plotselinge onderbrekingen van normale
denkprocessen en het hebben van magische gedachten en bizarre ideeën
X X X X X
(b) Verwarring tussen de werkelijkheid en fantasie X X X
(c) Verbijstering en gemakkelijke verwarring (moeite met begrijpen van sociale processen
en met het ordenen van gedachten)
X X
(d) Wanen, waaronder grootheidsfantasieën paranoïde preoccupaties,
te veel opgaan in fantasiefiguren en fantasieën over superkrachten
X X X X
4. Er is geen sprake van een autistische stoornis X
5. De symptomen zijn minstens 6 maanden aanwezig
Totaal aantal symptomen: 16 13 5 11 4 13
*De gegevens zijn overgenomen uit Towbin et al., 1993
Verklaring van de gebruikte afkortingen: Bemporad et al., 1982= de criteria van Bemporad et al. (1982) die overeenkomen met de criteria van Towbin et al.
(1993); DSM-III BDP en PDD, 1982= de DSM-III criteria van BPD en PDD die overeenkomen met de criteria van Towbin et al. (1993); Vela et al.,
1983= de criteria van Vela et al. (1983) die overeenkomen met de criteria van Towbin et al. (1993); CDIB Greenman et al., 1986= de criteria van Greenman et al.
(1986) die overeenkomen met de criteria van Towbin et al. (1993); Cohen et al., 1986= de criteria van Cohen et al. (1986) die overeenkomen met de criteria van
Towbin et al. (1993).
Bijlage 1: Vergelijking van de criteria van MCDD door de jaren heen
84
Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
Bijlage bij artikel Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
Dit artikel is verschenen in het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme. Het tijdschrift is
online te vinden op www.wetenschappelijktijdschriftautisme.nl.
Over het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme
Het Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme is een uitgave van de NVA, de Nederlandse
Vereniging voor Autisme. De website van de NVA is www.autisme.nl.
Het blad verschijnt 3 keer per jaar. Het verschijnt onder de verantwoordelijkheid van een
onafhankelijke redactie.
Contact
U kunt ons per mail bereiken op: redactie@wetenschappelijktijdschriftautisme.nl
De overige contactgegevens vindt u op onze website.
Deze pagina is aan de PDF toegevoegd in augustus 2010.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
Article
Full-text available
This is the first attempt to define and validate criteria for an early onset, chronic syndrome of disturbances in affect modulation, social relatedness, and thinking. This study formulates and tests five hypotheses that follow from conceptualizing this syndrome as a developmental disorder. The advantages of viewing this syndrome as a developmental disorder are discussed and compared with alternative formulations such as childhood schizophrenia or borderline syndrome of childhood. An inpatient cohort (26 boys, 4 girls) was ascertained using specific, defined criteria. Using standardized measures on retrospective chart reviews, these subjects were compared with two different inpatient samples: one diagnosed with dysthymic disorder, the other with conduct disorder. The criteria readily distinguished between developmentally disordered children and comparison groups. Findings also supported the hypotheses in the predicted directions; index subjects had earlier onset of symptoms, poorer social and overall adjustment, longer hospitalizations, and poorer outcomes. Findings support the validity of this developmental concept for a multiple complex developmental disorder and give preliminary, "first-cut" validity to these specified criteria.
Article
The purpose of this study was to ascertain the current diagnosis in late adolescence or early adulthood of children who had previously been diagnosed as "borderline." This was a prospective follow-up study of 19 of a group of 32 children (ages 6-10) who had been diagnosed as "borderline" during their treatment at the Massachusetts Mental Health Center approximately 10-20 years earlier. Life history information was collected, and axis I and axis II diagnoses were assigned by use of the Structured Clinical Interview for DSM-III-R and unstructured clinical interviews. The most significant finding was that, contrary to expectations, there were no axis I diagnoses of affective disorders or schizophrenia. On the other hand, axis II diagnoses were prevalent, and the overall outcome for the subjects was poor. Family stability was the only significant predictor of the relatively good outcome of five of the subjects. The childhood borderline diagnosis appears to be an antecedent of an array of adult personality disorders, but it is not associated with the adult borderline personality disorder per se, nor with axis I diagnoses.
Article
This paper discusses classification of child and adolescent psychopathology and, in particular, the DSM-III-R psychiatric classification system. The significance of certain conceptual features of the DSM-III system (such as the categorical approach to classification, the multiaxial framework, and the descriptive atheoretical view of disorders) is discussed. The DSM system is evaluated in terms of its reliability, validity, coverage, and feasibility for clinical use. Some of the specific changes made between DSM-III and DSM-III-R are considered. Finally, the future of classification of child and adolescent psychopathology is considered.
Article
Forty years after Kanner's groundbreaking work and many publications later, the outlook for children with autism has not changed markedly. Progress in understanding the etiology, let alone in developing new approaches for treatment, has been extremely slow for this and other serious, early onset disturbances. Historically, disagreements over diagnosis and syndrome definition have impeded research efforts. Indeed, in many cases it is impossible, on reading research reports of even a decade ago, to know exactly what population was being studied. DSM-III has broken new ground in its emphasis on developmental disorders viewed within a multiaxial diagnostic scheme. Increased diagnostic precision should facilitate the application of rigorous bio-behavioral research methods, which, in turn may help increasingly to define homogeneous populations. Refinements of nosology should not be mere academic exercises. Rather, they should suggest hypotheses which are amenable to empirical test. DSM-III, in addition to pointing the way out of the era of psychiatric Babel, has suggested empirical studies which have challenged its assumptions. In the field of nosology, this should be considered a major criterion of success. Changes in nomenclature, while sorely needed, should be undertaken with appropriate skepticism and conservatism and should build upon the foundation provided by DSM-III.
Recent research has demonstrated the utility and limitations of the DSM-III diagnostic scheme for the pervasive developmental disorders. Changes in the axial placement of disorders and further elaboration of the multiaxial system would permit increased specificity of individual differences within diagnostic categories. Current research suggests that the specificity of diagnostic criteria could be improved substantially and that such criteria could be made truly operational. The elaboration of such a diagnostic scheme would benefit both research and clinical service.
This study compares offenses of delinquent girls and boys committed to a Juvenile Justice Center. The results show that the male-female ratio for selected offenses is different for whites and blacks. The boys had their first court referral at a significantly younger age. The offenses most commonly committed by both sexes were running away, truancy, and incorrigibility. However, the males and black females tended to be more frequent personal offenders, while the white girls were mostly status offenders. There also was a racial difference in male-female ratios (3 to 1 and 1.3 to 1in blacks and whites, respectively), demonstrating that the frequency of delinquency among white females is approaching that of white males.
Article
There is currently a great deal of confusion regarding the diagnostic status of children with borderline disorders and a tendency to apply criteria for borderline adults to the diagnosis of these children without allowing for developmental differences. On the basis of their experience with 24 latency-age children, the authors propose diagnostic criteria in an effort to establish a uniformity in the diagnosis of these children. Major areas of psychopathology include fluctuation of functioning, nature and extent of anxiety, thought content and processes, relationships to others, and lack of control. The authors also found a high frequency of organic impairment, physical abuse, and familial disturbance.
Article
To evaluate whether children with borderline disorder (also referred to as multiple complex developmental disorder) (BD/MCDD) and comorbid attention-deficit hyperactivity disorder (ADHD) demonstrate evidence of abnormal attention and/or auditory processing impairments as indexed by both behavioral and physiological measures. Three groups of children were compared in two different experiments on behavioral rating scales (Conners Parent Rating Scale and Child Behavior Checklist), behavioral accuracy to auditory and visual target detection tasks, selected neuropsychological tests, and brain physiology (event-related potentials) collected during auditory and visual target detection tasks. The results demonstrate that children with BD/MCDD differ from children with ADHD in the (1) prevalence of internalizing and externalizing behaviors, (2) neuropsychological deficits related to auditory processing, and (3) event-related potential brain physiology associated with auditory cognitive target attention tasks. Some of the pervasive pathology described in children with BD/MCDD may be due to biological vulnerabilities, particularly problems with auditory processing. Auditory processing impairments in such children deserves special attention with respect to both understanding their behavioral symptoms and developing a comprehensive treatment plan.