ArticlePDF Available

Bedrijfssectoren versus beroepsgroepen

Authors:
  • Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute & University of Groningen

Abstract

De gebruikelijke indeling van economische activiteit over de primaire, secundaire, tertiaire en kwartaire sector komt steeds minder overeen met de in die sectoren uitgeoefende beroepen.
ttatistiek
Bedrijfssectoren versus
beroepsgroepen
De
gebruikelijke
indeling
van
economische
activiteit
over
deprimaire,
secundaire,
tertiaire
en
kwartaire
sector
komt
steeds
minder
overeen
met de in die
sectoren
uitgeoefende
beroepen.
Veranderingen
in de
economische
structuur
van een
samenleving
ko-
men tot
uiting
in het
type economi-
sche activiteiten
van de
werkzame
be-
roepsbevolking.
De
verschuiving
van
een
industriele
naar een post-industri-
ele
samenleving
zal
leiden
tot
meer
tertiaire
en
kwartaire activiteiten.
In-
zicht
in de
mate waarin veranderin-
gen
optreden
is
echter
mede
afhanke-
lijk
van de
wijze
waarop
de
activi-
teiten
van de
werkzame
beroepsbe-
volking
worden ingedeeld.
Een
tradi-
tioneel
veel
gebruikte
indeling
van
economische
activiteiten
is de
inde-
ling
in
vier bedrijfssectoren:
de
pri-
maire,
secundaire, tertiaire
en
kwar-
taire
sector.
De
kwartaire sector
om-
vat dan de
besturende, verzorgende
en
culturele
bovenbouw
van de
samenleving.
Deze activiteiten
nemen
sterk
in
om-
vang
toe
naarmate
met het
voort-
schrijden
van de
economische
ont-
wikkeling
de
samenleving complexer
wordt
.
Deze indeling
is
gebaseerd
op het
geproduceerde eindprodukt.
Zo
kunnen
alle
activiteiten
in de
pri-
maire
sector
als
primair
worden aan-
geduid,
omdat
zij
alle
zijn
gericht
op
de
voortbrenging
van
agrarische
pro-
dukten,
bosbouwprodukten
en
vis.
Het
ligt
echter meer voor
de
hand
om
activiteiten
in te
delen
op
basis
van
de
inhoud
van de
werkzaamhe-
den. Administratieve activiteiten
in
de
primaire sector,
bij
voorbeeld,
worden
dan
niet gerekend
tot de
pri-
maire
maar
tot de
tertiaire
activitei-
ten.
En
zoals
bekend,
is een
belang-
rijk
deel
van de
activiteiten
in de
secundaire sector niet secundair
van
aard.
Wanneer
het
gaat
om de
relatie-
ve
omvang
van de
primaire, secundai-
re,
tertiaire
en
kwartaire activiteiten
in
een
economic
lijkt
het
daarom
be-
ter
om te
werken
met een
indeling
naar
beroepsgroepen
dan met een in-
deling
naar bedrijfssectoren.
De
tweeledige
vraag
die in dit
artikel
aan
de
orde komt
is
welke
verschui-
vingen
zich
in het
recente verleden
op de
Nederlandse arbeidsmarkt
heb-
ben
voorgedaan
in het
activiteiten-
volume
(dat
is de
verdeling
van de
werkzame beroepsbevolking
waarbij
alle
leden
zijn
gewogen
met het
aan-
tal
door
hen
gewerkte uren)
en in
hoeverre
verschillen tussen
een
clas-
sificatie
van
economische activiteiten
op
basis bedrijfssectoren
en op
basis
van
beroepsgroepen
een
rol
spelen.
Sectoren
en
beroepsgroepen
Op
basis
van de
Standaardbedrijfsin-
deling
(SBI)
van het
Centraal Bureau
voor
de
Statistiek (CBS) kunnen vier
bedrijfssectoren
worden onderschei-
den:
primaire sector: landbouw
en
vis-
serij;
secundaire sector: delfstoffenwin-
ning,
Industrie,
openbare nutsbe-
drijven,
bouwnijverheid
en
instal-
latiebedrijven;
tertiaire sector: handel, hotel-
en
restaurantwezen,
reparatiebedrij-
ven,
transport-,
opslag-
en
commu-
nicatiebedrijven,
dienstverlenende
bedrijven
niet elders genoemd
(zo-
als
schoonmaakbedrijven, wasse-
rijen,
kappersbedrijven
en
foto-
ateliers),
huiselijke diensten
in
particuliere
huishoudingen;
kwartaire
sector:
bank-
en
verze-
keringswezen, zakelijke dienstver-
lening, overige dienstverlening
(zoals overheid,
onderwijs,
medi-
sche
diensten, maatschappelijk
werk,
cultuur,
researchinstellin-
gen en
wetenschappelijke instel-
lingen) minus dienstverlenende
bedrijven
elders
genoemd
en
hui-
selijke
diensten
in
particuliere
huishoudingen.
Naar
analogic
van de
indeling
in be-
drijfssectoren
kunnen vier
beroeps-
groepen
worden
onderscheiden.
Hierbij
wordt afgezien
van het
feit,
dat een
beroepsbeoefenaar
in
zijn
hoofdberoep meerdere
soorten
van
activiteiten
kan
verrichten. Denk
bij
voorbeeld
aan de
zelfstandige
land-
bouwer,
die
zelf
zijn
bedrijfsadmini-
stratie
verricht.
Volgens
de
hier
gege-
ven
procedure
die
uitgaat
van het
beroep
van de
betrokkene worden
al
zijn
activiteiten
als
primair aange-
merkt.
Op
basis
van de
Beroepen-
classificatie
van het CBS
kunnen
de
volgende vier
beroepsgroepen
wor-
den
afgeleid (beroepsmilitairen
en
dienstplichtige militairen vallen bui-
ten
deze
indeling;
zij
zijn
uit de
kwantitatieve
analyse weggelaten):
primaire
beroepen:
agrarische
be-
roepen, vissers
en
dergelijke;
secundaire
beroepen:
ambachts-,
industrie-
en
transportberoepen
(minus reparateurs
en
vervoers-
functies);
tertiaire
beroepen:
administratie-
ve
functies,
commerciele
functies,
reparateurs,
vervoersfuncties
en
dienstverlenende functies (minus
verzorgende
functies
en
brand-
weer-, politiepersoneel, bewakers
en
dergelijke);
kwartaire
beroepen:
wetenschap-
pelijke
en
andere vakspecialisten,
waaronder
ook
alle medische
functies
en
onderwijsfuncties,
kun-
stenaars, beleidvoerende
en
hoge-
re
leidinggevende
functies,
verzor-
gende
functies
en
brandweer-,
politiepersoneel, bewakers
en
der-
gelijke.
In
de
uitwerking
van de
kwantitatie-
ve
resultaten
wordt
de
indeling naar
beroepsgroep
gecombineerd
met de
indeling naar bedrijfssector. Hier-
door
wordt
het
mogelijk
de
vier soor-
ten van
activiteiten
te
lokaliseren
bin-
nen de
vier bedrijfssectoren.
Bovendien
kan
worden nagegaan
in
hoeverre
een
indeling
van
activitei-
ten
naar bedrijfssectoren
een
goede
benadering geeft
van de
relatieve
omvang
van de
primaire, secundai-
re,
tertiaire
en
kwartaire
activiteiten
in
de
Nederlandse economie.
Doordat
de
gemiddelde arbeidsduur
tussen
de
door
de
combinatie
van
bedrijfssectoren
en
beroepsgroepen
gevormde compartimenten
van de
werkzame beroepsbevolking
ver-
schilt,
wordt
een
beter
inzicht
in de
verdeling
van de
activiteiten over
deze
compartimenten verkregen
door alle beroepsbeoefenaren
te we-
1. Zie J.
Gottmann,
Megalopolis,
MIT
Press,
Cambridge,
Mass.,
1961;
en J.
Gott-
mann,
Urban
centrality
and the
interwea-
ving
of
quaternary
activities,
Ekistics,
1970.
ESB
18-11-1992
gen met het
aantal
door
hen per
week
gewerkte
uren.
De
gebruikte
data
zijn
ontleend
aan
de in
1973
en
1985
door
het CBS
uit-
gevoerde
arbeidskrachtentellingen
.
De
respondenten
oefenden
gewoon-
lijk
een
beroep
uit en
deden
dat ook
in
de
verslagweek.
Voor
de
respon-
denten
waren
gegevens
betreffende
geslacht,
bedrijfssector,
beroeps-
groep
en
wekelijkse
arbeidsduur
be-
kend.
De
gegevens
omtrent
bedrijfs-
sector
en
beroepsgroep
hebben
betrekking
op de in het
hoofdbe-
roep
uitgeoefende
werkzaamheden.
De
gehanteerde
wekelijkse
arbeids-
duur
is het
normale
aantal
in het
hoofdberoep
gewerkte
uren
per
week.
In
alle
tabellen
die
hierna
ge-
presenteerd
worden,
is een
door
het
CBS
geconstrueerde
wegingsfactor
gebruikt.
Hiermee
wordt
voorkomen
dat
de
verdeling
van de
responden-
ten
naar
woongebied,
leeftijd
en ge-
slacht
wordt
vertekend
door
non-
response
.
Resultaten
Tabel
1
geeft
de
verdeling
weer
van
het
activiteitenvolume
over
bedrijfs-
sectoren
en
beroepsgroepen
voor
mannen
en
vrouwen
te
zamen
.
Pri-
maire
activiteiten
vinden
in
1985
praktisch
volledig
(94%)
plaats
in de
primaire
sector,
terwijl
binnen
de
pri-
maire
sector
nauwelijks
andere
dan
primaire
activiteiten
worden
verricht
(95%).
Vergeleken
met
1973
is er
wei-
nig
veranderd.
De
percentages
wa-
ren
toen
respectievelijk
96 en 97.
Het
activiteitenvolume
in de
primai-
re
sector
geeft
dan ook nog
steeds
een
goede
benadering
van het
volu-
me
van de
primaire
activiteiten
in de
Nederlandse
economie.
Het
activiteitenvolume
in de
secun-
daire
sector
(30,3%)
overschat
het
volume
van de
secundaire
activitei-
ten
(23,5%),
en
wel
met
29%5.
Dit is
een
gevolg
van het
feit
dat
enerzijds
37%
van het
activiteitenvolume
in de
secundaire
sector
bestaat
uit
tertiaire
en
kwartaire
activiteiten
en dat an-
derzijds
20% van het
volume
van de
secundaire
activiteiten
plaatsvindt
in
de
tertiaire
en de
kwartaire
sector.
In
1973
bedroegen
deze
twee
laatstge-
noemde
percentages
nog
respectie-
velijk
32 en 14.
De
onderschatting
die het
activiteiten-
volume
in de
tertiaire
sector
geeft
van het
volume
van
tertiaire
activitei-
ten
is in de
periode
1973-1985
geste-
gen van 23%
naar
34%.
Deze
stijging
van
de
onderschatting
is een
gevolg
van
vooral
het
afgenomen
aandeel
van
kwartaire
activiteiten
in de
tertiai-
re
sector
(van
24% in
1973
naar
8% in
1985),
gepaard
aan een
min
of
meer
gelijkblijvend
aandeel
van de
secun-
daire
en
kwartaire
sector
in de
tertiai-
re
activiteiten
(in
1973
52% en in
1985
47%).
In
1973
was 50% van de
kwartaire
ac-
tiviteiten
gelocaliseerd
in de
secun-
daire
en de
tertiaire
sector.
In
1985
was dit
echter
teruggelopen
naar
27%.
Het
aandeel
van de
secundaire
en
tertiaire
activiteiten
in de
kwartai-
re
sector
nam
in
deze
periode
slechts
Tabel
la.
De
verdeling
van bet
activiteitenvolume
over
bedrijfssectoren
en be-
roepsgroepen
in
Nederland,
mannen
en
vrouwen,
1985
Beroepsgroepen
primair
secundair
tertiair
kwartair
totaala
Bedrijfssectoren
primair
6,7 0,1 0,2 0,1 7,0
secundair
0,2
18,8
6,0 5,2
30,3
tertiair
0,1 3,4
22,0
2,3
27,7
kwartair
0,2 1,2
14,0
19,7
35,0
totaala
7,1
23,5
42,1
27,2
100
Tabel
Ib.
Idem,
1973
primair
secundair
tertiair
kwartair
totaal3
8,4
0,2
0,0
0,2
8,8
0,0
26,6
3,4
1,1
31,3
0,1
5,7
16,3
11,7
33,8
0,1
6,9
6,1
13,1
26,1
8,7
39,4
25,9
26,2
100
a.
Verschillen
door
afronding.
af
van 49%
naar
43%.
Een
gevolg
hier-
van is dat het
activiteitenvolume
in
de
kwartaire
sector
het
volume
van
kwartaire
activiteiten
in
1985
met
29%
overschat.
Uit
label
1
blijkt
dat het
totale
activi-
teitenvolume
in
Nederland
in
1985
niet
voor
63%,
zoals
de
verdeling
van
het
activiteitenvolume
over
de
bedrijfssectoren
suggereert,
maar
voor
69%
bestaat
uit
tertiaire
en
kwartaire
activiteiten
(in
1973
52%
versus
60%).
Het
aandeel
van de
kwartaire
activiteiten
is
echter
nau-
welijks
gestegen
(van
26% in
1973
tot
27% in
1985).
De
onderschatting
van
de
tertiaire
en
kwartaire
activitei-
ten te
zamen
is
hiermee
licht
afgeno-
men van 13%
naar
10%.
In
het
verschil
van de
verdeling
van
bedrijfssectoren
en
beroepsgroepen
in
1973
en
1985
komt
de
verande-
ring
tot
uiting
die
zich
momenteel
in
de
economische
structuur
afspeelt.
Binnen
de
industrie
is
sprake
van
een
toenemende
'flexibilisering'
als
gevolg
van
flexibele
automatisering,
'just-in-time'-produktie
en
onderlin-
ge
toelevering
en
uitbesteding.
Het
produktieproces
wordt
steeds
vaker
computergestuurd
met op de
maat
van
de
markt
gesneden
produktie-
pakketten.
Eindprodukten
en
halffa-
brikaten
worden
niet
meer
op
voor-
raad
gemaakt,
maar
op
bestelling.
Dit
leidt
tot een
toenemende
ver-
vlechting
van
toeleverings-
en
uitbe-
stedingsbedrijven
en tot
toenemen-
de
goederenstromen,
waardoor
het
belang
van de
transport-
en
distribu-
tiesector
toeneemt.
Nieuwe
technie-
ken op het
gebied
van
telecommuni-
2.
Uiteraard
hadden
wij
graag
een
recen-
ter
data-bestand
gebruikt,
i.e.
de
Enquete
Beroepsbevolking.
Dit
bestand
stond
ons
niet
ter
beschikking
en is
bovendien
niet
goed
vergelijkbaar
met de
Arbeidskrach-
tentelling.
3.
De
gehanteerde
gegevens
voor
1973
vormen
een
steekproef
van een op
twee
uit
het
door
het
Steinmetzarchief
van het
CBS
verkregen
databestand.
Voor
1985
betreft
het een
steekproef
van een op
vier
uit het
oorspronkelijke
databestand
van
het
CBS.
Voor
een
uitvoerige
beschrij-
ving
en
methodologische
verantwoor-
ding
van de
arbeidskrachtentellingen
zij
verwezen
naar
A.
Corpeleijn,
Arbeids-
krachtentelling
1973,
Sociale
Maandstatis-
tiek,
1975,
biz.
185-201;
en
CBS,
Arbeids-
krachtentelling
1985,
Staatsuitgeverij,
Den
Haag,
1987.
4.
Zie
voor
resultaten
met
betrekking
tot
1973
ook
JJ.
Siegers
en
M.H.
Stijnen-
bosch,
De
spreiding
van het
activiteitenvolume
over
bedrijfssectoren
en
beroepsgroepen
in
Nederland
in
1973,
ESB,
13
September
1978,
biz.
928-931.
5.
100%
x
(30,3-23,5)
/
23,5
Bedrijfssectoren
catie
en
informatie-tele-
matica
maken
een
ver-
dergaande
stroomlijning
van
het
logistieke
proces
mogelijk.
Het
strakke
on-
derscheid
tussen
kan-
toorruimte
en
produktie-
ruimte
neemt
af,
zoals
op de
moderne
bedrijfs-
terreinen
al
goed
zicht-
baar
is.
Tevens
neemt
het
aandeel
van de
indi-
recte
produktie-arbeid
toe.
De
geconstateerde
toeneming
van
niet-
secundaire
activiteiten
in
de
secundaire
sector
vormt
daarvan
de
weer-
slag.
De
veranderingen
in de
economische
structuur
hebben
ook
geleid
tot
grote
organisatorische
veranderingen
in het be-
drijfsleven.
De
grote
cen-
traal
geleide
conglomera-
ties
hebben
plaatsgemaakt
voor
plat-
tere,
op een of
twee
produkten
ge-
richte
bedrijven.
Terugtrekking
op
kernactiviteiten
en
afstoting
van
niet
direct
benodigde
bedrijfsonderdelen
zijn
gemeengoed
geworden.
Daar-
naast
ontstaan
gespecialiseerde
be-
drijfjes
met
hooggekwalificeerde
ar-
beid
die het
proces
begeleiden.
De
stijging
tussen
1973
en
1985
van de
tertiaire
en
kwartaire
sector
past
in
dit
beeld,
evenals
de
daling
van de
kwartaire
activiteiten
in de
secundai-
re
en
tertiaire
sector.
Een
beschouwing
van de
mannelijke
en
vrouwelijke
werkende
beroeps-
bevolking
afzonderlijk
(tabel
2)
leert
dat
zich
voor
elk
hetzelfde
proces
voordoet
als
voor
mannen
en
vrou-
wen te
zamen.
Toch
zijn
er
enige
ver-
schillen.
Bij de
mannen
weerspiegel-
de de
tertiaire
sector
in
1973
nog
vrij
goed
het
volume
van
alle
tertiaire
ac-
tiviteiten
(een
onderschatting
van
5%),
maar
in
1985
valt
de
tertiaire
sector
al 25%
kleiner
uit dan het vo-
lume
van de
tertiaire
activiteiten.
Uit-
gaande
van de
sectorcijfers
werd
in
1973
het
volume
van de
kwartaire
ac-
tiviteiten
nog met 22%
onderschat,
terwijl
in
1985
juist
sprake
is van een
overschatting
van
10%.
Dit
wordt
vooral
veroorzaakt
doordat
in
1973
nog 58% van de
kwartaire
activitei-
ten
in de
secundaire
en de
tertiaire
sector
plaatsvond,
tegen
nog
slechts
36%
in
1985.
Bij
de
vrouwen
is de
dominantie
van
de
tertiaire
activiteiten
afgenomen,
terwijl
het
belang
van de
kwartaire
activiteiten
is
toegenomen.
Opval-
Tabel
2a.
De
verdettng
van bet
activiteitenvolume
over
bedrij/ssectoren
en
beroepsgroepen
in
Nederland,
mannen,
1985
(en
1973)
Beroepsgroepen
primair
secundair
tertiair
kwartair
totaal3
primair
secundair
tertiair
kwartair
totaal3
8,0
(10,0)
0,3
(0,2)
0,1
(0,1)
0,2
(0,2)
8,6
(10,6)
0,1
(0,1)
23,8
(30,9)
4,3
(4,0)
1,5
(1,3)
29,7
(36,3)
0,1
(0,1)
5,6
(4,6)
19,8
(13,7)
10,4
(8,2)
36,0
(26,5)
0,1
(0,1)
6,7
(8,3)
2,7
(7,3)
16,3
(10,9)
25,8
(26,7)
8,3
(10,4)
36,4
(44,0)
26,9
(25,1)
28,3
(20,7)
100
(100)
Tabel
2b.
Idem,
vrouwen
primair
secundair
tertiair
kwartair
totaal3
2,9
(1,3)
0,0
(0,0)
0,0
(0,0)
0,0
(0,1)
3,0
(1,4)
0,0
(0,0)
4,5
(8,9)
0,9
(1,0)
0,4
(0,3)
5,9
(10,2)
0,2
(0,2)
7,2
(10,5)
28,1
(27,1)
24,2
(26,6)
59,7
(64,5)
0,0
(0,0)
0,9
(0,9)
1,0
(1,0)
29,4
(22,0)
31,3
(23,9)
3,2
(1,6)
12,6(20,2)
30,0
(29,1)
54,1
(49,0)
100
(100)
a.
Verschillen
door
afronding.
lend
is de
daling
van het
aantal
vrou-
wen in de
secundaire
beroepen
(10%
in
1973
tegen
6% in
1985).
Het
zijn
vooral
de
secundaire
beroepen
in
de
secundaire
sector
(de
produk-
tie-activiteiten)
die dit
verlies
veroor-
zaken.
Hierdoor
ontstaat
een
beeld
waarin
vrouwen
verhoudingsgewijs
steeds
minder
gaan
werken
in de be-
drijfstakken
met
typische
produktie-
bedrijven,
zoals
de
Industrie
en de
bouw,
ondanks
alle
campagnes
die
juist
worden
gevoerd
om
vrouwen
te
stimuleren
voor
traditionele
'man-
nenberoepen'
te
kiezen.
Hierbij
moet
overigens
worden
opgemerkt
dat
zich
bij
mannen
hetzelfde
proces
voordoet.
Er
lijkt
dus
geen
sprake
te
zijn
van
verdringing
van
vrouwen
door
mannen.
In
de
periode
1973-1985
was er,
blij-
kens
tabel
1,
sprake
van een
achter-
uitgang
van het
activiteitenvolume
in
de
landbouw
van 2
procentpun-
ten
en in de
industrie
van 9
procent-
punten,
terwijl
in de
tertiaire
sector
en de
kwartaire
sector
sprake
was
van een
stijging
met
respectievelijk
2
procentpunten
en 9
procentpunten.
Hieruit
blijkt
een
toenemende
'tertia-
risering'
en
bovendien
een
sterke
groei
in de
non-profitsector.
Tevens
verschuift
de
relatie
profit-
versus
non-profitsector
ten
gunste
van de
non-profitsector.
De
tertiarisering
blijkt
ook uit de
ontwikkeling
van de
werkgelegenheid
.
Zowel
in de pe-
riode
1973-1979
als na
1979
groeide
de
werkgelegenheid
in de
diensten-
sector.
Deze
groei
is
voor
ongeveer
de
helft
het
gevolg
van de
toegeno-
men
vraag
naar
commerciele
en
kwartaire
diensten,
samenhangend
met
deregulering,
technologische
en
organisatorische
innovaties
en
meer
uitbesteding
van
diensten
door
be-
drijven
en
overheid.
De
andere
helft
houdt
verband
met de
ontwikkeling
van
de
arbeidsproduktiviteit:
er is
nieuwe
werkgelegenheid
ontstaan
omdat
de
arbeidsproduktiviteit
in de
dienstensector
minder
is
toegeno-
men
dan in de
andere
sectoren.
De
primaire
en de
secundaire
sector
ver-
liezen
in
Nederland
snel
aan in-
vloed,
ondanks
recente
oproepen
om de
positie
van de
Nederlandse
in-
dustrie
te
versterken.
Nederland
is,
en
blijft
kennelijk,
bij
uitstek
een
dienstenland,
vooral
gericht
op
trans-
port,
telecommunicatie,
financiele
diensten
en
dergelijke.
Dit
wordt
mede
geillustreerd
door
de
ontwik-
kelingen
binnen
de
secundaire
sec-
tor:
de
secundaire
beroepen
in de se-
cundaire
sector
dalen
met 8
procent-
punten.
In
Nederland
vindt
een
toe-
neming
plaats
van
niet-direct
pro-
duktieve
activiteiten.
Dit
proces
is
bij
mannen
en
vrouwen
hetzelfde.
6. Zie T.
Elfring,
Service
sector
employ-
ment
in
advanced
economies,
Aldershot,
Avebury,
1988;
en T.
Elfring,
W.
van der
Aa
en
R.C.
Kloosterman,
Werk
in de
dien-
stensector,
ESB,
20
maart
1991,
biz.
296-
300;
zij
analyseerden
de
ontwikkeling
van
de
werkgelegenheid
in
termen
van
het
aantal
arbeidsplaatsen.
ESB
18-11-1992
1127
Conclusie
Wanneer
de
verdeling
van het
activiteitenvolume
over
primaire,
se-
cundaire,
tertiaire
en
kwartaire
activi-
teiten
wordt
onderzocht,
dan
ver-
dient
een
analyse
van de
verdeling
over
beroepsgroepen
de
voorkeur
boven
een
analyse
van de
verdeling
over
bedrijfssectoren.
Indien
bij een
analyse
van de
gegevens
van de ar-
beidskrachtentellingen
1973
en
1985
alleen
de
verdeling
van het
totale
activiteitenvolume
over
bedrijfssecto-
ren in
beschouwing
zou
worden
ge-
nomen,
dan
resulteert
voor
de
man-
nen
en de
vrouwen
te
zamen
een
overschatting
van het
volume
van de
secundaire
activiteiten
en een
onder-
schatting
van dat van de
tertiaire
acti-
viteiten.
In de
periode
1973-1985
is
bovendien
deze
onderschatting
van
de
tertiaire
activiteiten
aanzienlijk
toegenomen.
De
kwartaire
activitei-
ten
worden
in
1985
overschat.
Zo-
wel
voor
1973
als
1985
geldt
dat de
tertiaire
en
kwartaire
activiteiten
te
zamen
aanzienlijk
worden
onder-
schat,
zodat
de
Nederlandse
samen-
leving
verder
op weg is in de
rich-
ting
van een
post-industriele
samen-
leving
dan de
cijfers
op
basis
van be-
drijfssectoren
suggereren.
De
ver-
wachting
is dat dit
proces
zich
nog
zal
voortzetten.
De
veranderingen
in
de
economische
structuur
(flexibele
automatisering,
just-in-time-produk-
tie,
toenemende
verwevenheid
van
bedrijven,
terugtrekken
op
kernacti-
viteiten,
telematica
e.a.)
hebben
zich
immers
tot nog toe
voornamelijk
in
de
grotere
bedrijven
en
organisaties
voorgedaan,
en nog
niet
zo
sterk
in
het
midden-
en
kleinbedrijf.
Een
toe-
neming
van
niet-directe
produktieve
activiteiten
ligt
derhalve
in de
lijn
van
de
verwachting.
P.
Ekamper
J.J.
Siegers
M.H.
Stijnenbosch
De
auteurs
zijn
verbonden
aan
respectie-
velijk
het
Nederlands
Interdisciplinair
De-
mografisch
Instituut
(NIDI)
te Den
Haag,
het
Economisch
Instituut/Centrum
voor
Interdisciplinair
Onderzoek
van
Arbeids-
markt-
en
Verdelingsvraagstukken
(CIAV)
te
Utrecht,
en de
Stichting
voor
Ruimte-
lijk
Onderzoek
en
Marketing
(STOGO)
te
Utrecht.
De
auteurs
danken
J.A.
den
Her-
tog en
C.K.F.
Nieuwenburg
voor
hun
com-
mentaar
op een
eerdere
versie
van dit ar-
tikel.
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.