Article

Prevention, recognition and management of neonatal HSV infections

Stollery Children's Hospital & University of Alberta, 3-556 ECHA 11405-87 Avenue, Edmonton, T6G 1C9, AB, Canada.
Expert Review of Anti-infective Therapy (Impact Factor: 3.46). 06/2012; 10(6):675-85. DOI: 10.1586/eri.12.55
Source: PubMed

ABSTRACT

Neonatal HSV is most commonly transmitted at the time of delivery with the risk being dramatically higher if the mother has first-episode genital HSV and does not have an elective Cesarean section. Maternal HSV type-specific serology can be used to differentiate first-episode from recurrent infection in this setting, allowing for use of empiric acyclovir for the highest risk infants. There is a need for new strategies as current methods of prevention of transmission of HSV to neonates have limited effectiveness, as they do not account for the fact that the majority of transmission occurs from asymptomatic women. After transmission has occurred, early recognition of neonatal HSV improves the prognosis. Diagnosis needs to be considered in all infants who develop vesicles, unexplained seizures, or possible sepsis in the first 5 weeks of life.

3 Followers
 · 
46 Reads
  • Source
    [Show abstract] [Hide abstract]
    ABSTRACT: Voor herpesvirussen zoals het bovien herpesvirus 1 (BoHV-1) en 4 (BoHV-4) bij runderen en het humaan herpes simplex virus 1 (HSV-1) en 2 (HSV-2) bij mensen dient de mucosa van het ademhalings-stelsel (respiratoir) en/of het voortplantings-stelsel (genitaal) vaak als voorkeursplaats voor vermeerdering. Vervolgens proberen deze virussen diepere weefsels binnen te dringen, ondanks de aanwezigheid van enkele selectieve gastheerbarrières zoals de basaalmembraan (BM) onder epithelia. Om succesvol te zijn in hun invasie moeten pathogenen dus beschikken over een aantal mechanismen om deze barrières te omzeilen. Inzichten in de mucosale invasiemechanismen gebruikt door virussen zijn echter zeer beperkt en het verwerven hiervan vormt dan ook het doel van deze thesis. In een eerste luik werden in vitro mucosa modellen, bestaande uit enerzijds respiratoire mucosale explanten van het rund en anderzijds uit genitale mucosale explanten van het rund en de mens, op punt gezet. Alle ontwikkelde weefsel modellen konden voor minstens 96 uur na opzet in vitro worden aangehouden met nagenoeg geen negatieve effecten op weefselviabiliteit en -morfologie. In een tweede luik werd de kinetiek van virusspreiding nagegaan voor zowel BoHV-1 en BoHV-4 als HSV-1 en HSV-2 in de ontwikkelde modellen voor respectievelijk het rund en de mens. BoHV-1 blijkt zich op een plaquegewijze manier te verspreiden in het respiratoire en genitale epitheel gevolgd door een snelle doorbraak van de BM vanaf 24 uur post-inoculatie (pi). BoHV-4 daarentegen blijkt enkel in staat genitale mucosa te infecteren. In tegenstelling tot BoHV-1, werden er geen BoHV-4 epitheliale plaques geobserveerd op 24 uur pi, deze werden pas vanaf 48 uur pi duidelijk, en meer nog, BoHV-4 epitheliale plaques penetreerden op geen enkel tijdstip de BM. Wel werden er zeldzame individuele geïnfecteerde monocyt/macrofaag cellen (CD172a+) gezien, dit zowel in het epitheel als in de lamina propria. Ook voor HSV-1 en HSV-2 werd een plaquegewijze spreiding geobserveerd in zowel endocervix als ectocervix. Vanaf 48h pi werd gezien dat een aantal plaques doorheen de BM penetreerden, zij het subtiel. Tot slot werd de rol van het virale glycoproteïnen gE/gI complex in de stromale invasie van BoHV-1 onderzocht. Het effect op replicatiekarakteristieken, zoals invasie doorheen de BM, werd zo nagegaan van enerzijds het volledig uitschakelen van de genen coderend voor gE/gI in het virus zelf en van anderzijds het inhiberen van hun functie door het toevoegen van monoklonale antistoffen die specifiek binden aan gE/gI. Daarnaast werd de lokalisatie onderzocht van zowel wildtype viruspartikels als dat van gE/gI gedeleteerde viruspartikels in basale epitheliale cellen. Virussen die gedeleteerd werden voor gE/gI bleken erg gehinderd te zijn in virale replicatie en spreiding, zowel lateraal als in de diepte. Het toedienen van monoklonale antistoffen, specifiek gericht tegen gE/gI resulteerde enkel in een sterk gereduceerde plaquediepte zonder effect op plaquebreedte of virale replicatie. Wild-type virions bevonden zich eerder basaal en soms lateraal in basale epitheliale cellen, daar waar gE/gI gedeleteerde virions zich eerder op niet-basale zijden bevinden en vaak ook verspreid doorheen de ganse cel. Deze data suggereren een belangrijke rol van het gE/gI complex in BoHV-1 stromale invasie.
    Full-text · Thesis · Jan 2013
  • Source
    [Show abstract] [Hide abstract]
    ABSTRACT: A late preterm neonate born by cesarean section with intact membranes presented at 9 days of life with shock and liver failure. Surface cultures were negative but whole blood polymerase chain reaction was positive for herpes simplex virus type 2, underscoring the value of this test in early diagnosis of perinatally acquired disseminated herpes simplex virus infection without skin lesions.
    Preview · Article · Oct 2013 · AJP Reports
  • Source
    [Show abstract] [Hide abstract]
    ABSTRACT: Herpes simplex virus type 1 (HSV-1), a member of the herpesviridae, causes a variety of human viral diseases globally. Although a series of antiviral drugs are available for the treatment of infection and suppression of dissemination, HSV-1 remains highly prevalent worldwide. Therefore, the development of novel antiviral agents with different mechanisms of action is a matter of extreme urgency. During the proliferation of HSV-1, capsid assembly is essential for viral growth, and it is highly conserved in all HSV-1 strains. In this study, small interfering RNAs (siRNAs) against the HSV-1 capsid protein were screened to explore the influence of silencing capsid expression on the replication of HSV-1. We designed and chemically synthesized siRNAs for the capsid gene and assessed their inhibitory effects on the expression of target mRNA and the total intracellular viral genome loads by quantitative real-time PCR, as well as on the replication of HSV-1 via plaque reduction assays and electron microscopy. Our results showed that siRNA was an effective approach to inhibit the expression of capsid protein encoding genes including UL18, UL19, UL26, UL26.5, UL35 and UL38 in vitro. Interference of capsid proteins VP23 (UL18) and VP5 (UL19) individually or jointly greatly affected the replication of clinically isolated acyclovir-resistant HSV-1 as well as HSV-1/F and HSV-2/333. Plaque numbers and intracellular virions were significantly reduced by simultaneous knockdown of UL18 and UL19. The total intracellular viral genome loads were also significantly decreased in the UL18 and UL19 knockdown groups compared with the viral control. In conclusion, interfering with UL18 and UL19 gene expression could inhibit HSV-1 replication efficiently in vitro. Our research offers new targets for an RNA interference-based therapeutic strategy against HSV-1.
    Full-text · Article · May 2014 · PLoS ONE
Show more

We use cookies to give you the best possible experience on ResearchGate. Read our cookies policy to learn more.