ArticlePDF Available

De ADP-IV: Een vragenlijst voor een therapeutisch georiënteerde diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen

Authors:

Abstract

Sinds de introductie van de persoonlijkheidsstoornissen als aparte as (As ii) in de dsm staan deze stoornissen sterk in de belangstelling. Dit blijkt onder andere uit de grote belangstelling voor symposia en workshops over de diagnostiek en de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Vanuit diverse therapeutische scholen is er eveneens een duidelijke interesse gegroeid voor deze problematiek. Die tendens is ook merkbaar binnen richtingen waarin traditioneel met enige aversie op de concepten persoonlijkheid en persoonlijkheidsstoornissen werd gereageerd, zoals de gedragstherapeutische of systeemgeoriënteerde benadering. Het begrip persoonlijkheids- of As-ii-stoornis heeft zich ontwikkeld van een negatief en bijzonder ongewenst etiket tot een diagnostische uitspraak die meer en meer begrepen wordt als het (eind)resultaat van interacties tussen de persoon zelf, zijn of haar ontwikkelingsgeschiedenis en omgevings- en biologische factoren. Deze benadering wordt binnen de cognitief-gedragstherapeutische denkkaders op treffende wijze geïllustreerd door de benadering van Jeffrey Young1.
ARTIKELEN
De ADP-IV: een vragenlijst voor een therapeutisch georie
¨
nteerde
diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen
C.K.W. Schotte
D. De Doncker
Abstract Sinds de introductie van de persoonlijkheids-
stoornissen als aparte as (As
II)indeDSM staan deze
stoornissen sterk in de belangstelling. Dit blijkt onder
andere uit de grote belangstelling voor symposia en works-
hops over de diagnostiek en de behandeling van persoon-
lijkheidsstoornissen. Vanuit diverse therapeutische scholen
is er eveneens een duidelijke interesse gegroeid voor deze
problematiek. Die tendens is ook merkbaar binnen rich-
tingen waarin traditioneel met enige aversie op de concep-
ten persoonlijkheid en persoonlijkheidsstoornissen werd
gereageerd, zoals de gedragstherapeutische of systeemge-
orie
¨
nteerde benadering. Het begrip persoonlijkheids- of
As-
II-stoornis heeft zich ontwikkeld van een negatief en
bijzonder ongewenst etiket tot een diagnostische uitspraak
die meer en meer begrepen wordt als het (eind)resultaat
van interacties tussen de persoon zelf, zijn of haar ontwik-
kelingsgeschiedenis en omgevings- en biologische factoren.
Deze benadering wordt binnen de cognitief-gedragsthera-
peutische denkkaders op treffende wijze geı
¨
llustreerd door
de benadering van Jeffrey Young
1
.
In de literatuur worden dus duidelijke verbanden gelegd
tussen het diagnostisch kader van de
DSM-IV en de the-
rapeutische planning en intervenie
¨
ring. In de klinische
praktijk wordt de diagnostische evaluatie van de per-
soonlijkheidsstoornissen echter in essentie als een op
zichzelf staande vorm van psychiatrische descriptieve
diagnostiek beschouwd, waarbij de link naar het psy-
chotherapeutische werken nie t altijd duidelijk is. Inder-
daad lijkt in de meeste settings grotendeels los van
de
DSM-classificatie sprake van een therapeutische
diagnostiek die eigen is aan het gehanteerde theoretisch
denkmodel: biologisch, systeem geor ie
¨
nteerd, psycho-
dynamisch, gedragstherapeutisch. Binnen het cognitief-
gedragstherapeutisch denkkader hanteert men bijvoor-
beeld de holistische of algemene probleemtheorie en
de betekenis- en functieanalyses als diagnostische
methoden waarop de behandelingsstrategiee
¨
n worden
gebaseerd. Er is vaak slechts weinig integratie tussen
dergelijke psychotherapeutische diagnostiek en de
bevindingen van de instrumenten die zijn ontwikkeld
voor de
DSM-classificatie van de persoonlijkheidsstoor-
nissen. Hedendaagse opvattingen beklemtonen echter
dat therapeutische validiteit een essentieel element is
van (beschrijvende) psychodiagnostiek. Een centrale
doelstelling van de diagnostische evaluatie is immers
om de clie
¨
nt zo te begrijpen dat uit de structurering
van diens probleem relevante aanwijzingen voor de the-
rapie voortvloeien. Met andere woorden: de inspannin-
gen en kosten van de diagnosticus (en de clie
¨
nt) om tot
een betrouwbare en valide As-
II-diagnose te komen die-
nen eveneens uit te monden in informatie die kan bij-
dragen tot een betere psychotherapeutische aanpak.
Dit artikel streeft er naar om de diagnostiek van per-
soonlijkheidspathologie binnen het
DSM-IV kader uit de
statische context van de
DSM-codes te halen en voor
behandelaar en clie
¨
nt tot leven te brengen. Uit de klas-
sieke beschri jvende psychodiagnostiek moeten gegevens
voortvloeien die behulpzaam zijn bij de indicatiestelling,
de planning van de behandelingsstrategie en de evaluatie
van prognose en resultaat van behan delingen. Ee
´
n
manier om naar een grotere therapeutische relevantie te
streven is het gebruik van een door ons ontwikkelde
vragenlijst, de
ADP-IV.
2
Psychopraxis (2000) 02:124–130
DOI 10.1007/BF03071865
13
De ADP-IV vragenlijst
De
ADP-IV werd in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen
specifiek ontwikkeld voor het meten van
DSM-IV persoon-
lijkheidspathologie.
3
Om die reden wordt bij de instructies
benadrukt dat de
ADP-IV tot doel heeft persoonlijkheids-
trekken te meten die bronnen kunnen zijn van stress,
problemen en conflicten en die een aangepast of gelukkig
functioneren kunnen belemmeren. De 94 testitems beogen
een getrouwe representatie te zijn van de
DSM-IV-criteria
voor de twaalf persoonlijkheidsstoornissen.
Het oorspronkelijke aan de
ADP-IV-vragenlijst is dat bij
elk item een beoordeling plaatsvindt van zowel de mate
waarin het criterium kenmerkend wordt geacht (de zoge-
noemde Trait-vraag) als van het leed of de last tengevolge
van de aanwezigheid van het criterium (de Distress-vraag).
Eerst dient de onderzochte persoon bij de Trait-vraag op
een 7-puntenschaal aan te geven in welke mate hij/zij de
uitspraak op zichzelf van toepassing vindt. Als de persoon-
lijkheidstrek als kenmerkend wordt beoordeeld, dient de
clie
¨
nt vervolgens antwoord te geven op de Distress-vraag,
die op een 3-puntenschaal nagaat of de desbetreffende
eigenschap hem/haar of anderen reeds leed of last heeft
berokkend (zie figuur 1). Deze Distress-vraag meet dus de
distress of disfunctionaliteit als gevolg van de aanwezig-
heid van een
DSM-IV persoonlijkheidstrek. Dit testdesign
sluit nauw aan bij de
DSM-IV-conceptualisatie van persoon-
lijkheidsstoornissen en laat zowel een dimensionele als een
categoriale diagnostische evaluatie toe.
Dimensionele schalen worden verkregen door optel-
ling van de Trait-scores van de items in de verschillende
schalen. In eerste instantie worden analoog met de As-
II-diagnoses uit de DSM -IV de klassieke dimensionele
scores berekend voor de twaalf afzonderlijke schalen
van persoonlijkheidsstoornissen, voor de drie
DSM-IV-
clusters en tot slot voor een totale score. Voor al deze
schalen zijn normen beschikbaar die aangeven hoe
iemand zich met betrekking tot een bepaalde stoornis
of
DSM-IV-cluster situeert binnen een gestratificeerde
steekproef uit de Vlaamse bevolking (n = 659). Deze
normen reflecteren de mate waarin de gemeten patronen
van persoonlijkheidstrekken zich verhouden tot hetgeen
men kan verwachten binnen de Vlaamse cultuur. Naast
deze klassieke dimensionele schalen z ijn er binnen de
ADP-IV met behulp van factoranalytische technieken
alternatieve schalen ontwikkeld die inhoudelijk een
figuur 1 Design van de ADP-IV vragenlijst: itempresentatie
T>4&D>1: criterium scoort pathologisch als de score op Trait-vraag>4 en op de Distress-vraag>1T>5&D>1: criterium scoort patholo-
gisch als de score op Trait-vraag>5 en op de Distress-vraag>1T>4&D>1: criterium scoort pathologisch als de score op Trait-vraag>4en
op de Distress-vraag>2
Psychopraxis (2000) 02:124–130 125
13
aantal psychologisch relevante dimensies representeren.
Kader 1 illustreert de dimensionele schalen van de
ADP-
IV en geeft tevens een inhoudelijke beschrijving van de
alternatieve
ADP-IV-schalen.
Een categoriale diagnostische evaluatie wordt verkre-
gen door de Trait- en de Distress-scores te combineren.
Hiervoor kunnen verschillende scoringsalgoritmes wor-
den toegepast. Bij een eerste algoritme wordt een item
beschouwd als zijnde pathologisch beantwoord, en
wordt daardoor geacht de aanwezigheid van het corres-
ponderende
DSM-IV-criterium aan te geven, als tegelijker-
tijd een Trait-score van 5 (eerder eens), 6 (eens) of 7
(helemaal eens) e
´
n een Distress-score van 2 (enigszins)
of 3 (zeer zeker) behaald worden. Dit algoritme wordt
symbolisch voorgesteld door de formule T>4&D>1
(Trait-score groter dan 4 en Distress-score groter dan 1).
Binnen de categoriale diagnostiek zijn twee meetni-
veaus te onderscheiden: het item/criterium en het klas-
sieke niveau van de As-
II-diagnose. Op het eerste
meetniveau worden al le diagnostische uitspraken ver-
zameld die de persoon als typerend en stresserend
beschouwt. Zoals verderop blijkt kan een herordening
van deze items informatie opleveren voor een meer the-
rapeutisch georie
¨
nteerde diagnostiek. Het tweede meet-
niveau dat van de diagnostische categorie wordt
verkregen door het hanteren van de diagnostische drem-
pels, die in de
DSM-IV vervat zijn. Zo is bijvoorbeeld de
aanwezigheid van minimaal vier criteria nodig om tot de
diagnostische uitspraak van s chizoı
¨
de persoonlijkheids-
stoornis te komen. Binnen de traditionele psychiatri-
sche diagnostiek wordt dit categoriaal meetniveau als
het belangrijkste beschouwd en w ordt het uitgedrukt in
de numerieke As-
II-code. Een dergelijke uitspraak is
echter behoorlijk reductionistisch, vrij onbetrouwbaar
4
en bovenal weinig of niet relevant of constructief voor
de clie
¨
nt.
Voor de categoriale diagnostiek kunnen dus verschil-
lende scoringsalgoritmes gehanteerd worden. Binnen de
klinische praktijk en voor researchdoeleinden wordt het
T>4&D>1 scoringsalgoritme het meest gehanteerd. In
de steekproef uit de Vlaamse bevolking (n=659) resul-
teert dit algoritme in een prevalentie van As-
II-diagno-
ses van 20,6 procent. Dit wijst erop dat dit algoritme
waarschijnlijk iets te gevoelig is en beter bij screenings-
doeleinden aangewend kan worden. Anderzijds wordt
zelfs met dit scoringsalgoritme het voor vragenlijsten
kenmerkende euvel van de sterke tendens tot overdiag-
nose vermeden: slechts 8,5 procent van de mensen uit
deze steekproef krijgt volgens de
ADP-IV meer dan e
´
e
´
n
As-
II-diagnose. Lopende onderzoeksprojecten waarin
de
ADP-IV-diagnostiek vergeleken wordt met de resulta-
ten van semi-gestructureerde interviews zullen meer
duidelijkheid verschaffen over de validiteit en bruik-
baarheid van de verschillende scoringsalgoritmes.
Los hierva n bieden de scoringsalgoritmes in de
ADP-IV
de clinicus wel de mogelijkheid om vermeende onder- of
overrapportage op te vangen door de scoringsdrempels
te manipuleren. Bij het vermoeden van onderrapportage
bijvoorbeeld door een sterke discrepantie tussen gedrag,
historiek en testresultaten kan een minder strikt sco-
ringsalgoritme worden gehanteerd door bijvoorbeeld het
Trait-aspect te benadrukken en de Distress-drempel te
verlagen. Een dergelijke manipulatie laat toe om op het
itemniveau toch nog criteria en betekenisgehelen met een
mogelijke therapeutische relevantie te ontdekken. Bij
overrapportage ten gevolge van de antwoordattitude
van het subject of bij profielen met vrij hoge en weinig
differentie
¨
rende scores vanwege ernstige pathologie lijkt
het redelijk te veronderstellen dat de meer centrale en
essentie
¨
le criteria gerepresenteerd worden door items
met een hoog Trait- aspect en een hoge distress. Een
nadere beschouwing van deze items kan een indruk
geven van de meer centrale, sturende en als meest dis-
functioneel ervaren persoonlijkheidstrekken.
Enige bedenkingen
Bij het gebruik van de
ADP-IV-vragenlijst willen we echter
enkele kanttekeningen plaatsen. De vragenlijstitems en
de zelfbeoordeling aan de hand van de getrapte scoring
zijn voor veel patie
¨
nten niet gemakkelijk. Vaak is een
duidelijke instructie en motivering door de diagnosticus
Kader 1 Dimensionele <ndtype="e">adp-IV schalen: scores van
mevrouw Janssens en normering
Klassieke dimensionele
As-
II-schalen Ruwe score Normering ruwe score *
PAR Paranoı
¨
d 20 Gemiddeld
SZ Schizoı
¨
d 11 Gemiddeld
ST Schizotypaal 16 Gemiddeld
AS Antisociaal 18 Hoog
BDLBorderline 51 Zeer Hoog
HIS Theatraal 28 Hoog
NAR Narcistisch 38 Zeer hoog
AV Vermijdend 12 Gemiddeld
DEP Afhankelijk 31 Hoog
OC Obsessief-Compulsief 27 Gemiddeld
NOS-DE Depressief 21 Gemiddeld
NOS-PAPassief-Agressief 20 Hoog
Cluster A 47 Gemiddeld
Cluster B 135 Hoog
Cluster C 70 Gemiddeld
Totaalscore 252 Hoog
126 Psychopraxis (2000) 02:124–130
13
gewenst. De ADP-IV-testresultaten berusten op een zelf-
beoordelingsmethode die de subjectieve mening van de
onderzochte persoon weergeeft. We pleiten dan ook voor
een diagnostische strategie waarin voor de uiteindelijke
As-
II-diagnose de ADP-IV-gegeve ns geı
¨
ntegreerd worden
met andere bronnen van informatie.
De vragenlijst bevat geen schalen die de invloed van
antwoordattitudes reflecteren en is daardoor vrij gevoe-
lig voor manipulaties door het onderzochte subject. Uit
de responsen van clie
¨
nten en clinici blijkt dan ook dat
de
ADP-IV het best lijkt te werken in klinische en thera-
peutisch georie
¨
nteerde settings. Anderzijds blijkt het
onderzoek naar de psychometrische eigenschappen de
validiteit en betrouwbaarheid van de
ADP-IV te onder-
steunen. In vergelijking met bestaande vragenlijsten
5
voor As-II-diagnostiek worden tot nu toe vrij gunstige
indices van betrouwbaarheid en validiteit verkregen.
Kader 2 geeft daarvan een overzicht. In vergelijking
met de ( semi-gestructureerde) interviewmethode laat
de
ADP-IV toe om op een snelle en efficie
¨
nte w ijze alle
As-
II-criteria van de DSM-IV te bevragen. Momenteel
wordt een scoringsprogramma ontwikkeld dat toelaat
een rapport te verkrijgen zoals geı
¨
llustreerd in kader 1
en kader 3. De
ADP-IV -vragenlijst zelf evenals een
geautomatiseerde scoring van de klassieke dimensionele
schalen en van de categoriale metingen volgens het
T>4&D>1 scoringsalgoritme zijn verkrijgbaar bij de
auteurs.
Kader 3 Items/criteria die door mevrouw Janssens als
typerend en gepaard gaande met lijden beoordeeld
worden (T>4&D>1 scoringsalgoritme) De item s
zijn geordend in de vier onderstaande inhouds-
domeinen. Gecursiveerde items werden als zeer
typerend en met een duidelijke lijdensdruk tot
gevolg beoordeeld (T>5&D=3) en verwijzen
daarom mogelijk naar meer centrale en basale
persoonlijkheidskenmerken
ZELFGEVOEL, ZELFBEELD
Een instabiele identiteitsbeleving uit zich onder
meer in een onzeker en onstabiel zelfbeeld en zelf-
gevoel (
BDL3*). De zelfbeoordeling is negati ef en
kenmerkt zich door een kritische, afkeurende en
minachtende houding ten opzichte van de eigen
persoon (
DE3). Deze persoon beschrijft chronische
gevoelens van leegte (
BDL7). De angst om niet in
staat te zijn om voo r zichzelf te zorgen maakt dat
voor deze persoon ‘alleen zijn’ gelijkgesteld wordt
met gevoelens van ongemak en hulpeloosheid
Alternatieve
dimensionele
factorschalen: Schaalbeschrijving
Ruwe
score
Normering
ruwe score*
1.
SAV Sociale angst en vermijding: Vermijdende en afhankelijke items. Sociaal angstig; een
negatief, afhankelijk zelfbeeld in interpersoonlijke situaties.
23 Gemiddeld
2.
PP Psychopathie: DSM-IV Antisociale gedragsitems aangevuld met items i.v.m. gebrek
aan empathie, impulsiviteit, irriteerbaarheid, automutilatie, uitbuiting van anderen,
wantrouwen en excentriek of vreemd gedrag.
38 Zeer hoog
3.
WAN Wantrouwen: Paranoı
¨
de items: diepgaand wantrouwen en achterdocht; basisgevoel
onrechtvaardig behandeld te zijn.
12 Gemiddeld
4.
VIJ Interpersoonlijke vijandigheid: Arrogantie in gedrag en attitudes, intense gevoelens
van woede, zich snel aangevallen voelen in interpersoonlijke situaties, moeilijk
kunnen samenwerken, controleverlies of achterdocht wanneer onder ernstige stress.
20 Hoog
5.
NAZ Negatief affect en zelfbeeld:Representeert de negativistische houding, stemming en
zelfbeeld eigen aan de Depressieve persoonlijkheidsstoornis tezamen met emotionele
instabiliteit, suı
¨
cidaal gedrag en een gevoel van ‘leegte’.
35 Hoog
6.
NARC Narcisme: Het gevoel uniek te zijn en bijzondere rechten te hebben, waar aan
voldaan moet worden. Negativistische, neerbuigende en kritische houding naar
anderen doch ook sterke gevoelens van afgunst en wrok. Nood om in het centrum
van de aandacht te staan.
23 Hoog
7.
SCP Schizotypale cognities en percepties: Ongewone, bizarre perceptuele waarnemingen,
overtuigingen, gedragingen, spraak en uiterlijke verschijning. Betrekkingsideee
¨
n.
09 Gemiddeld
8.
IBA Instabiliteit en behoefte aan affectie: Instabiliteit in relaties, emoties, zelfbeeld en
gedrag enerzijds en een extreme behoefte aan bewondering, aandacht en
geruststelling van anderen anderzijds. Aandacht wordt vaak verkregen via het
uiterlijk of via verleidend gedrag.
54 Zeer hoog
10.
OS Opstandigheid en schuldgevoelens: Verwijst naar een interpersoonlijke attitude
waarbij men alterneert tussen uitdagend en opstandig gedrag enerzijds en
schuldgevoelens en zich onderworpen gedragen anderzijds. Intense gevoelsbeleving.
23 Zeer hoog
* Interpretatie aan de hand van een normering gebaseerd op een gestratificeerde steekproef van 329 vrouwen uit de Vlaamse bevolking.
Psychopraxis (2000) 02:124–130 127
13
(DEP6). Typerend is de neiging om zich schuldig of
berouwvol te voelen (
DE7).
BEELD EN ATTITUDES TEN OPZICH TE VAN
ANDEREN
Ee
´
n van de basale assumpties in de mensvisie
van deze persoon wordt gevormd door de overtui-
ging dat de anderen er op uit zijn om haar uit te
buiten, te kwetsen of te bedriegen (
PAR1). Wat
anderen van haar denken laat deze persoon eerder
koud: er is een onverschilligheid ten opzichte van lof
of kritiek van anderen (
SZ6). De ze persoo n st e lt
weinig of geen gevoelens schuld of wroeging te erva-
ren wanneer zij iets misdaan heeft (
AS7).Eenarro-
gante, hooghartige houding kan blijken uit de
uitspraak dat het inferieur geklungel en gesukkel
van anderen veel van haar geduld vergt (
NAR9).
Deze persoon klaagt over het niet begrepen en niet
gewaardeerd worden door de anderen (
PA 2). De
typerende houding ten opzichte van anderen wisselt
tussen openlijke vijandigheid en berouwvolle belof-
ten over bete rs cha p (
PA7).
Deze persoon is gepreoccupeerd met de angst om
in de steek gelaten te worden en heeft er alles voor
over opdat dit niet zou gebeuren (
BDL1). Deze per-
soon beschrijft zichzelf als (te) gemakkelijk beı
¨
nvloed-
baar (
HIS7). Typerend is het steeds weer in beslag
genomen worden door preoccupaties met de vrees om
verlaten te worden en er alleen voor te staan (
DEP8).
GEDRAG, HANTERINGSMECHANISMEN
Kenmerkend lijkt een impulsiviteit, die disfunc-
tioneel is en zich op diverse gebieden uit (
BDL4).
Deze persoon beschrijft herhaaldelijke suı
¨
cidale
dreigingen of gedragingen en herhaaldelijk auto-
mutilatief gedrag. (
BDL5). Deze persoon voelt zich
Kader 2 Betrouwbaarheid en validiteit van de ADP-IV: enkele psychometrische gegevens
Betrouwbaarheid: interne consistentie dimensionele schalen (n=1124):
- klassieke
DSM-IV As-II-schalen: mediane alfa:
.78
range:
.64-.88
- alternatieve factoranalytische schalen: mediane alfa:
.76
range:
.51-.90
Betrouwbaarheid: test-hertest correlaties na 1 maand tijdsinterval (n=80)
- klassieke
DSM-IV As-II-schalen: mediane r:
.85
range:
.76-.90
- alternatieve factoranalytische schalen: mediane r:
.84
range:
.72-.89
Betrouwbaarheid: stabiliteit: test-hertest correlaties na 6 maand tijdsinterval (n=80)
- klassieke
DSM-IV As-II-schalen: mediane r:
.82
range:
.67-.88
- alternatieve factoranalytische schalen: mediane r:
.79
range:
.64-.89
Betrouwbaarheid: categoriale diagnostiek As-
II-diagnose: kappa-waarden (n=80)
- na 1 maand tijdsinterval: Kappa: .67
- na 6 maand tijdsinterval: Kappa: .67
Begripsvaliditeit:
- relevante onderliggende factorstructuur op item- en schaalniveau (n=659)
- goede convergente validiteit met overeenstemmende As-
II-schalen van de wispi-vragenlijst
6
met een
gemiddelde correlatie van .61 (n=659)
- beperkte tendens tot overdiagnose: zelfs met het meest liberale T>4&D>1 scoringsalgoritme bekomt
slechts 8.5% van de subjecten meer dan e
´
e
´
n As-
II-diagnose (n=659)
- differentie
¨
le validiteit: de vergelijking tussen een psychiatrische populatie met een hoge prevalentie van As-
II-diagnoses (n=487) met de Vlaamse steekproef (n=659) levert voor alle metingen zowel op dimensioneel
als op categoriaal niveau beduidende en significante verschillen
- goede convergente validiteit ten opzichte van klinische
DSM-IV classificatie: de aanwezigheid van een
klinische As-
II-diagnose stemt overeen met significant hogere dimensionele scores en met een hoger aantal
criteria per stoornis op de overeenstemmende schalen (n=487)
Onderzoekspopulaties:
n= 659: gestratificeerde steekproef uit de Vlaamse populatie
n= 487: steekproef van Vlaamse, opgenomen psychiatrische patie
¨
nten
n= 1124: gemengde Vlaamse en psychiatrische steekproef
n= 80: gestratificeerde steekproef uit de Vlaamse populatie
128 Psychopraxis (2000) 02:124–130
13
ongemakkelijk of niet gewaardeerd wanneer zij
niet het middelpunt van de belangstelling is en
doet al het mogelijke om aandacht t e krijgen
(
HIS1). Het zelfbeeld van deze persoon kenmerkt
zich onder meer door een grandioos gevoel van
belangrijkheid en superioriteit (
NAR1). Om zich
van de steun en zorg van anderen te verzekeren
gaat deze persoon vrijwillig onaangename of verne-
derende dingen doen (
DEP5). Kenmerkend is een
overmatige toewijding aan taken, werk en verplich-
tingen zodat geen tijd overblijft voor ontspannende
of sociale activiteiten (
OC3).
STEMMING, EMOTIES
De instabiele en wisselvallige stemming is indica-
tief voor de aanwezigheid van affectlabiliteit (
BDL6).
* Opmerking: Tussen haakjes wordt het overeen-
komstige
DSM-IV criterium vermeld; bijv. BDL1 is een
ADP-IV-item dat verw ijst naar het eerste diagnosti-
sche criterium van de borderline persoonlijkheids-
stoornis en waarbij
PAR: Paranoı
¨
d; SZ: Schizoı
¨
d; AS:
Antisociaal;
BDL: Borderline; NAR: Narcistisch; DEP:
Afhankelijk;
OC: Obsessief-Compulsief; DE: Depres-
sief;
PA: Passief-Agressief.
Casus ter illustratie van het gebruik van de
ADP-IV methode
Mevrouw Janssens is 43 jaar, gehuwd en heeft 3 kinderen.
Ze is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis na een
auto-intoxicatie (de vierde suı
¨
cidepoging in het afgelopen
jaar). Er blijkt sinds het laatste jaar eveneens sprake van
een ernstige alcoholafhankelijkheid en van misbruik van
kalmerende middelen. De problemen lijken zich ontwikkeld
te hebben nadat ze haar werk een commercie
¨
le functie in
een communicatiebedrijf opgaf om voor de opgroeiende
kinderen te zorgen en haar echtgenoot de mogelijkheid te
bieden zijn beroepscarrie
`
re uit te bouwen. Eenmaal thuis
blijkt ze snel te verkommeren: ze vo elt zich alleen, onnodig,
niet geliefd. Ze krijgt het gevoel niet meer te bestaan en
begint te drinken om te ontsnappen aan diepe gevoelens van
ongelukkig zijn. Haar familie verafschuwt en kritiseert
haar drankgebruik en neemt afstand. Er zijn kortdurende
opnames na de autointoxicaties.
In het kader van de diagnostiek wordt gebruik
gemaakt van de
ADP-IV. Kader 1 presenteert de scores
en normeringen van de dimensionele schalen. Bij de
klassieke dimensionele schalen vallen de hoge scores
binnen de stoornissen van Cluster B op, met zeer hoge
scores op de borderline e n narcistische schalen. De hoge
totaalscore reflecteert de ernstige impact van een per-
soonlijkheidsproblematiek op de meeste levensdomei-
nen en gebieden van menselijk functioneren. De
alternatieve, factoranalytische schalen reflecteren:
1. impulsiviteit (schalen
PP en IBA);
2. opstandige, vijandige, manipulerende en neerbuigende
interpersoonlijke attitudes (schalen
PP, VIJ, NARC, OS);
3. een instabiel en negatief zelfbeeld en zelfgevoel (schalen
NAZ, IBA);
4. een extreme behoefte aan aandacht (schaal
IBA);
5. een instabiel gevoelsleven dat door negatieve affecten
overheerst wordt (schalen
NAZ, IBA).
Bij de categoriale diagnostiek worden met het
T>4&D>1 scoringsalgoritme aanwijzingen verkregen
voor een borderline persoonlijkheidsproblematiek (dit
is de enige As-
II diagnostische categorie waaraan
mevrouw Janssens volgens de
ADP-IV beantwoordt).
Deze diagnose stemt overeen met de klinische
DSM-IV-
diagnose in eerdere psychiatrische verslagen.
Zoals reeds gesteld verwachten we van de categoriale
diagnostiek op het item/criteriumniveau informatie die
voor de therapie bruikbaar is. Kader 3 geeft de items
weer die mevrouw Janssens op de
ADP-IV aangeduid heeft
als kenmerkend en met het nodige leed gepaard gaande.
Deze items werden herordend in vier inhoudsdomeinen:
1. zelfbeeld en zelfgevoel;
2. beeld van en attitudes ten opzichte van de anderen;
3. gedrag en hanteringsgedrag;
4. stemming en emoties.
Het is evident dat de keuze van dergelijke inhouds-
domeinen en de classificatie van de items in deze vier
elkaar niet uitsluitende gebieden behoorlijk arbitrair is.
Het i s echter de bedoeling om de items op een idiosyn-
cratisch betekenisvolle wijze te herordenen, d.w.z. spe-
cifiek voor elke clie
¨
nt gestuurd en begrepen aan de hand
van het levensverhaal. De herordening van de items
roept bij mevrouw Janssens het beeld op van een per-
soon die een diepgeworteld, negatief, onzeker en insta-
biel zelfgevoel en zelfbeeld heeft, dat te begrijpen valt
aan de hand van haar traumatische jeugd en ontwikke-
lingsgeschiedenis. Zij heeft geleerd dat dit basaal nega-
tief zelfgevoel enigszins gecompenseerd kan worden
door via perfectionistische, narcistische en theatrale
mechanismen externe bronnen van aandacht, goedkeu-
ring en affectie aan te boren. Zij is voor haar eigen-
waardegevoel echter bijzonder afhankelijk geworden
van deze externe bronnen. Wanneer zij in een levensfase
terechtkomt waarin deze bronnen e
´
e
´
n voor e
´
e
´
n opdro-
gen, zodat haar compensatiemechanismen niet meer
functioneren, wordt het negatieve zelfgevoel met volle
kracht geactiveerd en lijdt ze onder een haast existen-
tie
¨
le pijn. Alcohol en pillen onderdrukken deze pijn,
maar ontsporen en ondermijnen haar positie verder
en belemmeren het vinden van een levenszingeving.
Opnames in psychiatrische instellingen tasten haar
eigenwaardegevoel nog verder aan, totdat suı
¨
cide op
Psychopraxis (2000) 02:124–130 129
13
bepaalde crisismomenten nog de enige hulpkreet of het
enig aanvaardbare alternatief lijkt. Binnen de
DSM-IV-
classificatie kan de diagnose van een borderline per-
soonlijkheidsstoornis weerhouden worden. Deze te
summiere etiketachtige informatie wordt voor mevrouw
Janssens op een therapeutisch constructievere wijze
uitgebreid en vertaald in termen van een probleemorde-
ning. Daarbij wordt het ‘borderline’ onstabiele, nega-
tieve en onzekere zelfgevoel en functioneren centraal
gesteldenwordendetheatrale (aandachteisende),
obsessieve-compulsieve (zich op taken en werk storten)
en narcistische (de eerste of de leidster zijn) kenmerken
als compenserende hanteringsmechanismen geduid. Dit
is een ordening en visie die geı
¨
nspireerd is op de cogni-
tief-gedragsmatige modellen over persoonlijkheids-
stoornissen en in het bijzonder op het model van
Jeffrey Young.
1
De boodschappen die in de herordening
vervat zijn drukken enerzijds een begrip uit en beklem-
tonen anderzijds de noodzaak van een ‘heropvoeding’
of therapie waarbij geleerd wordt om op meer liefde- en
respectvolle wijze met zichzelf en anderen om te gaan.
Besluit
Dit artikel illustreert hoe de inspanningen om te komen
tot een betrouwbare en valide As-
II-diagnose ook kunnen
leiden tot testbevindingen die richtinggevend kunnen zijn
voor de therapie. Binnen de geschetste aanpak wordt de
therapeutisch meest bruikbare informatie verkregen door
een herordening van de positief gescoorde
DSM-IV-criteria
in idiosyncratisch betekenisvolle inhoudsdomeinen. Dit
informatieniveau resulteert in een probleemordening die
zich eerder op een metaniveau van abstractie situeert (het
niveau van de holistische theorie in de cognitief-gedrags-
matige therapie) dan op het niveau van het gedrag of van
de klacht. Het is vanzelfsprekend dat een dergelijke pro-
bleemsamenhang mede tot stand komt op grond van en
getoetst dient te worden aan de ontwikkelingsgeschiede-
nis van de clie
¨
nt. Waarschijnlijk is het meest zinvolle
element in deze benadering dat de feedback van de pro-
bleemherordeningen de clie
¨
nt niet alleen meer inzicht
geeft in de eigen persoon en het eigen functioneren maar
eveneens kan uitmonden in therapeutische doelstellingen
en in de formulering van mogelijkheden tot verandering.
Noten
Zie PsychoPraxis 2000 nr 1 en 2; Schacht R & Peeters R (2000)
Schemagerichte therapie voor moeilijke mensen. Een nieuwe
uitdaging voor de cognitieve gedragstherapie. Leuven-Apel-
doorn: Garant
Schotte C & De Doncker D (1994)
ADP-IV Vragenlijst. Universitair
Ziekenhuis Antwerpen
Schotte & De Doncker, zie noot 2; De Doncker ea (1997) Assess-
ment van de
DSM-IV persoonlijkheidsstoornissen: ontwikkeling
en voorlopige resultaten van de
ADP-IV zelfbeoordelingsvra-
genlijst. Tijdschrift klinische psychologie 27: 171-186; Schotte
ea (1998) Self-report assessment of the
DSM-IV personality dis-
orders. Measurement of trait and distress characteristics: The
ADP-IV. Psychological medicine 28: 1179-1188
Perry JC (1992) Problems and considerations in the valid assess-
ment of personality disorders. American journal of psychiatry
149: 1645-1653
Zie onder meer: Perry (1992), zie noot 4; Zimmerman M (1994)
Diagnosing personality disorders. A review of issues and
research methods. Archives of general psychiatry 51: 225-245
Klein MH ea (1993) The Wisconsin Personality Disorders Inven-
tory: development, reliability and validity. Journal of persona-
lity disorders 7: 285-303
130 Psychopraxis (2000) 02:124–130
13
... Wat de interne consistentie betreft, behaalt de schaal 'vertrouwen (a = 0.79) een goede score (Verschueren & Marcoen, 1993). Persoonlijkheidsstoornissen werden gemeten aan de hand van de ADP-IV (Assessment van de DSM-IV Stoornissen in de persoonlijkheid, Schotte & De Doncker, 1994; Schotte, De Doncker, Vankerckhoven, et al., 1998; Schotte & De Doncker, 2000). De ADP-IV zelfbeoordelings-vragenlijst bevat 94 items en elk item wordt gescoord op een zevenpuntenschaal. ...
... Dat wil zeggen dat de items die bij elk van de tien stoornissen werden ondergebracht, voldoende samenhang vertonen met het achterliggende concept. De lage indices van interne consistentie bij de schizoïde en bij de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis treft men ook aan in andere studies waarbij zowel gebruik wordt gemaakt van zelfbeoordelingsvragenlijsten als van interviewmethoden (De Doncker, Schotte, Vertommen, et al., 1997; Schotte, De Doncker et al., 1998; Schotte & De Doncker, 2000). Test-hertest onderzoek na één maand tijdsinterval leverde een correlatie op van r = .85 ...
... Wat validiteit betreft, vonden de onderzoekers een goede convergerende validiteit met overeenstemmende as-II-schalen van 'The Wisconsin Personality Disorders Inventory' (Klein, Benjamin, Rosenfeld, et al., 1993), met een gemiddelde correlatie van r = .61 (Schotte & De Doncker, 2000 ). De onderzoekers vinden echter dat verder psychometrisch onderzoek noodzakelijk is. ...
Article
Full-text available
In deze bijdrage werd de invloed van interpersoonlijke factoren op pedoseksualiteit onderzocht. De variabe- len ouderlijke sensitiviteit, veilige romantische volwassen hechting, vertrouwen en persoonlijkheids- stoornissen, werden in een hypothetisch model ingebracht en getoetst bij een groep pedoseksuelen. Op grond van fitindices vonden we dat het hypothetisch padanalytisch model overeenstemde met de geobser- veerde waarden. De variabelen ouderlijke sensitiviteit, interpersoonlijke factoren en persoonlijkheids- stoornissen verklaarden ongeveer 20% van de variantie in de afhankelijke variabele pedoseksualiteit. Deze bevindingen nodigen uit het onderzoek verder te zetten naar de invloed van interpersoonlijke factoren op intra- en extrafamiliaal pedoseksueel gedrag en preferentieel en situationeel pedoseksueel gedrag.
... The inclusion of amount of distress mitigates the risk of overdiagnosing Axis-II disorders based upon trait items alone; the ADP-IV leads to the same number of diagnoses as when using the Structured Clinical Interview for DSM-IV Axis-II Disorders (Schotte, de Doncker, & Courjaret, 2007). The ADP-IV has proven to be a valid and reliable measure for screening for personality disorders: the internal validity of the categorical scales ranges from ␣ ϭ .64 to .88 (Schotte & de Doncker, 2000). ...
Article
Objective: Previous studies have shown that feedback-informed treatment can improve outcomes of psychological treatments. This randomized controlled effectiveness trial evaluated the effect of progress feedback on treatment duration, symptom reduction, and dropout in individual cognitive behavioral therapies (CBTs). A control condition where CBT was combined with low-intensive monitoring of progress was compared to an experimental condition where CBT was combined with a high-intensive form of feedback. Method: Data of 368 outpatients (57.9% female, mean age 41.4 years, SD = 12.2) in secondary care were analyzed using multilevel analyses. Treatment duration was assessed with the number of sessions clients received. Symptom reduction was measured with the Symptom Checklist Revised. Possible moderators of the effect of intensive progress feedback on outcome were explored. Results: Clients achieved the same amount of symptom reduction in significantly fewer sessions in the high-intensive feedback condition. Additionally, dropout was significantly lower in the high-intensive feedback condition. Post hoc analyses assessing clients’ diagnoses as a possible moderator showed that clients with personality disorders (mainly Cluster C) achieved more symptom reduction in fewer sessions when high-intensity feedback was provided. Also, a high degree of implementation within the experimental condition was associated with fewer treatment sessions. Conclusion: In sum, the use of high-intensive client feedback reduced treatment duration and reduced dropout of CBT. Thus, feedback-informed CBTs seem to be a promising adaptation of conventional CBT. (PsycInfo Database Record (c) 2020 APA, all rights reserved) Impact Statement What is the public health significance of this article?—This study suggests that frequently providing progress feedback can reduce treatment duration of individual cognitive behavioral therapies. (PsycInfo Database Record (c) 2020 APA, all rights reserved)
... For the purpose of the present study, the 10 PDs included in the DSM-IV and DSM-5 PD sections were used, that is, paranoid, schizoid, schizotypal, histrionic, borderline, narcissistic, antisocial, avoidant, dependent, and obsessive-compulsive PD. The psychometric properties of the Dutch version of the ADP-IV were satisfactory (Schotte & De Doncker, 2000). In the present study, internal consistency coefficients were all above .70, ...
Article
The present study investigated multivariate associations between attachment styles and personality disorders (PDs)—and the mediating role of trust—in a sample of child molesters (n = 84) and a matched control group from the general community (n = 80). Among child molesters, canonical correlation analysis revealed that two variates resembling avoidant and anxious attachment dimensions were associated with PD traits. Attachment avoidance was related to schizoid, schizotypal, and avoidant PDs, with a marginal contribution of antisocial PD. Attachment anxiety was related to borderline and histrionic PDs, with a marginal contribution of obsessive-compulsive PD. Paranoid and dependent PDs contributed to both variates. In the control group, a more general association between attachment insecurity and PDs emerged. Finally, mistrust significantly explained the associations between attachment and PDs in both samples. Future studies should examine whether treatment for PDs in child molesters could benefit from a focus on attachment and trust.
... The instrument has demonstrated an adequate convergent and divergent validity with clinical diagnoses and other personality questionnaires. The tendency to overdiagnose, which is common in self-report instruments for personality disorders, was found to be limited with this instrument (Schotte & De Doncker, 2000). ...
Article
Full-text available
Objective: Feedback from clients on their view of progress and the therapeutic relationship can improve effectiveness and efficiency of psychological treatments in general. However, what the added value is of client feedback specifically within cognitive-behavioural therapy (CBT), is not known. Therefore, the extent to which the outcome of CBT can be improved is investigated by providing feedback from clients to therapists using the Outcome Rating Scale (ORS) and Session Rating Scale (SRS). Method: Outpatients (n = 1006) of a Dutch mental health organization either participated in the "treatment as usual" (TAU) condition, or in Feedback condition of the study. Clients were invited to fill in the ORS and SRS and in the Feedback condition therapists were asked to frequently discuss client feedback. Results: Outcome on the SCL-90 was only improved specifically with mood disorders in the Feedback condition. Also, in the Feedback condition, in terms of process, the total number of required treatment sessions was on average two sessions fewer. Conclusion: Frequently asking feedback from clients using the ORS/SRS does not necessarily result in a better treatment outcome in CBT. However, for an equal treatment outcome significantly fewer sessions are needed within the Feedback condition, thus improving efficiency of CBT.
... In the categorical evaluation, the trait and distress scores are combined in scoring algorithms (T>4 & D>1 and T>5 & D>2). The first algorithm (T>4 & D>1) is most frequently used in clinical practice and for research purposes (Schotte & De Doncker, 2000) and was also used in this study: an item is considered to be pathological and represents a DSM-IV criterion if a trait score of 5, 6 or 7 and a distress score of 2 or 3 are simultaneously obtained. In this respect, we followed a similar diagnostic rule as for example, Trull and colleagues (2010), who reanalyzed the two waves of the NESARC data and diagnosed PD only if all symptoms (and not merely just one) that were linked to a certain diagnosis were associated with distress or impairment. ...
... Personality disorders were measured by the Assessment of DSM-IV Personality Disorders (ADP-IV; Schotte & De Doncker, 2000; Schotte, De Doncker, Vankerckhoven, Vertommen, & Cosyns, 1998). The ADP-IV is a self-report inventory that consists of 94 items and is scored on a 7-point scale. ...
Article
Background: Recently, the etiology of sexual dysfunctions in women has been approached from different angles. In clinical practice and in previous studies, it has been observed that women with sexual problems experience anxiety problems and express more rigid and perfectionistic personality traits than women without these problems. Aim: To investigate whether personality disorder characteristics according to the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th Edition, Text Revision (DSM-IV-TR) and psychological symptoms are associated with sexual problems in women. Methods: 188 women 18 to 25 years old participated in this cross-sectional study. Questionnaires measuring sexual functioning (Female Sexual Function Index), personality disorder characteristics (Assessment of DSM-IV-TR Personality Disorders Questionnaire), and psychological symptoms (Brief Symptom Inventory and Center for Epidemiological Studies Depression Scale) were used. Outcome: The main outcome measure used was sexual functioning assessed by self-report. Results: Results, using analysis of variance, indicated that women with sexual problems report significantly more cluster A (specifically schizoid) and C (specifically avoidant and obsessive-compulsive) personality disorder characteristics than women without sexual problems. Furthermore, using multiple regression analyses, higher cluster A (specifically schizoid) and lower cluster B (specifically borderline and antisocial) personality disorder characteristics indicated lower levels of sexual functioning. Psychological symptoms partly mediated the effect of cluster A personality disorder characteristics on sexual functioning. Clinical implications: The results of this study indicate that clinical practice should extend its scope by focusing more on improving adaptive personality characteristics, such as extraversion and individualism seen in cluster B personality characteristics, and decreasing the perfectionistic, introvert, and self-doubting characteristics seen in cluster C personality characteristics. Strengths and limitations: Because of the correlational design and use of self-report measures, causal relations cannot be established between personality disorder characteristics and sexual functioning. Conclusion: Overall, the results indicate that personality disorder characteristics can play an important associative role in the development and maintenance of sexual functioning problems in women. Grauvogl A, Pelzer B, Radder V, van Lankveld J. Associations Between Personality Disorder Characteristics, Psychological Symptoms, and Sexual Functioning in Young Women. J Sex Med 2017;XX:XXX-XXX.
Article
Full-text available
Background: Borderline personality disorder (BPD) represents a highly prevalent, severe and difficult-to-treat mental health problem. Objective: This paper considers methods, instruments and strategies for assessing BPD as described within the frame of the DSM-IV classification. Conclusions: Following the general diagnostic approach introduced by Van Praag in biological psychiatry, a two-tier diagnostic strategy for the descriptive diagnostic assessment of BPD is recommended. Axis one results in a DSM-IV Axis II categorical diagnosis, whereas axis two refers to a symptomatological, dimensional or functional approach, in which the psychological dysfunctions of the nosological syndrome are depicted. Moreover, in a clinical context a basic aim of the diagnostic evaluation is to obtain therapeutically valid information that leads to a constructive conceptual framework, to a case formulation in which therapeutic interventions are understood, selected and implemented. This framework should be based on a biopsychosocial theoretical model and its application in the clinical context involves feedback to the patient, in which the descriptive evaluation is integrated with etiological; and pathogenic elements using an idiographic approach. This therapeutically orientated diagnostic strategy is illustrated by the use of the ADP-IV (Assessment of DSM-IV personality disorders) questionnaire within a cognitive behavioral orientation.
Article
Some important authors in the field of sexual delinquency stress the importance of inadequate attachment in the aetiology of sexual abusive behaviour. This contribution reports on parental sensitivity, trust, intimacy and adult romantic attachment in a group of sexual offenders (exhibitionists, child molesters and child rapists) and a matched normal control group. Based on the analyses, it appears that parental sensitivity, trust, intimacy and adult romantic attachment significantly differentiate between sexual delinquents and the control group. There is no significant relationship between the different categories of sexual offenders, except for the variable adult romantic attachment. Furthermore, it was found that parental sensitivity, trust and the adult romantic attachment style contribute independently to the explanation of sexual delinquent behaviour. The results tend to be important for the prevention and the treatment of sexual delinquent behaviour.
Article
The Wisconsin Personality Disorders Inventory (WISPI) is a self-report questionnaire derived from an interpersonal perspective on the DSM-III-R personality disorders. Internal consistency for 11 personality disorder scales was very high in a sample of 1230 normals and patients. Two-week test-retest reliability in 80 patients and nonpatients was also high. Interscale correlations were higher than desirable but were reduced by corrections for response bias. A clinician sort of WISPI items to DSM-III criteria and independent coding of items for interpersonal content indicated good validity vis-a-vis both frames of reference. Patients scored higher than nonpatients on most scales, and patients with current clinical diagnoses of any personality disorder scored higher than those with no Axis II disorders. Other indicators of concurrent validity were high to moderate correlations with Personality Disorders Questionnaire, MMPI Personality Disorder Scales, and Millon Clinical Multiaxial Inventory self-reports: and with clinician ratings on a dimensional personality assessment form in a subsample of 146 outpatients.
Article
This article reviews evidence for the reliability and diagnostic concordance of structured-interview and self-report questionnaire methods for the diagnosis of personality disorders. The findings of nine studies that compared two or more axis II diagnostic instruments administered to the same groups of subjects are summarized. Across the eight studies with sufficient data, a summary of the overall diagnostic agreement between any two instruments yielded a low reliability (median kappa = 0.25) for making individual personality disorder diagnoses. Diagnostic concordance was lower between self-report questionnaire and interview methods than between interview methods. Comparing dimensional scores of different methods did not appreciably improve the level of agreement. The author concludes that current methods for making personality disorder diagnoses have high reliability but yield diagnoses that are not significantly comparable across methods beyond chance, which is not scientifically acceptable. Sources for the disagreement include variance due to different raters, interview occasions, data sources (self-report versus observer report), information bases obtained, and instrument sensitivity to state effects (e.g., mood). Serious problems in assessment validity may also arise from the yes/no format, which, despite probes for confirmatory examples, may fail to distinguish adequately between sporadic occurrences and longstanding patterns. Efforts should be made to improve and demonstrate the validity of axis II diagnostic methods. One route to increasing validity is to improve the clinical interview, because personality patterns are best revealed by the recurring patterns one finds when taking a systematic history.
Article
Many questions face researchers conducting personality disorder research. Which measure should be used? When should patients be evaluated--at initial presentation when they are still symptomatic, or after symptom resolution? Can a patient accurately describe his or her personality, or must an informant be contacted? What do you do when personality traits change during an individual's lifetime? I discuss these and other issues of personality disorder assessment in the DSM-III/DSM-III-R era, and examine the empiric literature bearing on these questions. First, I review studies of diagnostic reliability and stability, because studies of the above questions can only be interpreted in the context of the limitations imposed by modest reliability.
De Doncker ea Assessment van de dsm-iv persoonlijkheidsstoornissen: ontwikkeling en voorlopige resultaten van de adp-iv zelfbeoordelingsvragenlijst Self-report assessment of the dsm-iv personality disorders Measurement of trait and distress characteristics: The adp-iv
  • Schotte
  • De
instabiele en wisselvallige stemming is indicatief voor de aanwezigheid van affectlabiliteit (BDL6)
  • Emoties De
STEMMING, EMOTIES De instabiele en wisselvallige stemming is indicatief voor de aanwezigheid van affectlabiliteit (BDL6).
Schemagerichte therapie voor moeilijke mensen. Een nieuwe uitdaging voor de cognitieve gedragstherapie
  • R Schacht
  • R Peeters
Diagnosing personality disorders. A review of issues and research methods
  • Zie Onder