ArticlePDF Available

Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden

Authors:

Abstract

This study analysed whether, amongst health care providers in a nursing homes setting, there is a relationship between, on the hand, work demands, autonomy, lack of social support and emotional labor; and on the other hand, symptoms of burnout. It also analysed whether the concept of emotional labor was an additional factor that helped explain variance in burnout over and above the concepts found in the Demand-Control-Support model. The study was based on 130 health care providers (response rate of 75%). Participants filled in a questionnaire that measured the Demand-Control-Support concepts of autonomy, lack of social support and work demands, as well as four dimensions of emotional labor. It assessed burnout in three dimensions, namely emotional exhaustion, depersonalisation and personal accomplishment. The results showed a relationship between work demands, social support, several aspects of emotional labor and burnout, whereas no relationship was found between autonomy and burnout. The various concepts, taken together, explained 28 to 30% of the variance in burnout. Emotional labor appeared to be a distinct additional factor in relation to burnout, supplementing the elements found in the Demand-Control-Support model. These results confirm the findings from previous studies in other professions. They demonstrate that, in professions involving a lot of contact with patients, emotional labor may represent a potentially important factor related to health.
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
137
Emotieregulatie en burnout bij
ziekenverzorgenden
Lilian Lechner, Thea Steinvoorte en Gérard Näring*
In dit onderzoek werd nagegaan of er een verband bestaat tussen ener-
zijds werkeisen, autonomie, gebrek aan sociale steun en emotieregulatie
en anderzijds verschijnselen van burnout bij ziekenverzorgenden. Daarnaast
werd onderzocht of de dimensies van emotieregulatie (emotional labor)
meerwaarde hebben in het verklaren van variantie van dimensies van
burnout ten opzichte van de concepten van het Demand-Control-Support-
model. Het onderzoek vond plaats onder 130 ziekenverzorgenden (respons
75%). De verzorgenden vulden een schriftelijke vragenlijst in waarin de
Demand-Control-Support-concepten autonomie, gebrek aan sociale steun
en werkeisen en vier dimensies van emotieregulatie werden gemeten.
Burnout werd gemeten in drie dimensies, te weten emotionele uitputting,
depersonalisatie en persoonlijke bekwaamheid. De resultaten toonden een
samenhang tussen werkeisen, sociale steun, meerdere emotieregulatie-
aspecten en burnout, terwijl er tussen autonomie en burnout geen samen-
hang gevonden werd. De verschillende concepten konden gezamenlijk 28
tot 30% van de variantie in burnout verklaren. Ook bleek dat emotieregula-
tie een duidelijke toegevoegde waarde had in de samenhang met burnout,
in aanvulling op de elementen van het Demand-Control-Support-model.
De resultaten bevestigen hiermee gedeeltelijk de uitkomsten uit eerder
onderzoek bij andere beroepsgroepen en laten zien dat zeker bij beroepen
waarbij er veel contact plaatsvindt met patiënten, emotieregulatie een
potentieel belangrijke, aan gezondheid gerelateerde factor kan vormen.
Trefwoorden: autonomie, taakeisen, sociale steun, emotieregulatie,
burnout
* Lilian Lechner en Thea Steinvoorte zijn verbonden aan de Open Universiteit Nederland,
Faculteit Psychologie.
Correspondentieadres: Prof. dr. Lilian Lechner, Open Universiteit Nederland, Faculteit
Psychologie, Postbus 2960, 6401 DL Heerlen, e-mail lilian.lechner@ou.nl.
Gérard Näring is zowel verbonden aan de Open Universiteit Nederland, Faculteit
Psychologie als aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Behavioral Science Institute.
GenO2008-2.indd 137 03-06-2008 09:10:31
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
138
1 Inleiding
Ziekenverzorgenden komen tijdens hun werk onder steeds grotere druk te staan door
de toenemende zorgvraag ten gevolge van het groeiend aantal ouderen dat verzorging
behoeft. Bovendien is er een toename van bewoners met gedragsproblemen, zijn er
bezuinigingen in de zorg en ook nog een negatieve beeldvorming van de verzorging
in verpleeghuizen in de media. Door deze veranderingen ontstaat er mogelijk een
verhoogd risico op overbelasting en gezondheidsklachten. Inzicht in de factoren die
de gezondheid van ziekenverzorgenden beïnvloeden, is dan ook van groot belang. De
huidige studie onderzoekt of de manier van omgaan met emoties een bijdrage levert
aan het verklaren van burnout bij verzorgenden.
Het onderzoek naar factoren die samenhangen met gezondheidsaspecten van mensen
werkzaam in de gezondheidszorg is in recente jaren verder ontwikkeld. Gezond-
heidsklachten werden traditioneel vooral verklaard met het gevestigde Demand-
Control-Support-model (Johnson & Hall, 1988), dat ervan uitgaat dat gezondheids-
klachten door het werk veroorzaakt worden door de invloed van de werkkenmerken
taakeisen, autonomie, en ervaren sociale steun. Dit model gaat uit van een interactie
tussen taakeisen (Demand), autonomie (Control) en sociale steun (Support). Op
grond van dit model worden de meeste gezondheidsklachten verwacht bij een com-
binatie van hoge werkeisen, weinig autonomie en weinig sociale steun: de iso-strain-
situatie. Verschillende studies bij verzorgenden en verpleegkundigen vonden inder-
daad dat het aantal psychosomatische klachten deels voorspeld kan worden door hoge
werkeisen, lage sociale steun, rolconflict en lage autonomie (Van der Doef & Maes,
1998; Gelsema, 2007; De Lange, Kompier, De Jonge, Taris & Houtman; 2002;
Kerkstra, Van Bilsen, Otten, De Gruijter & De Weide, 1999; Tummers, Van Merode
& Landeweerd, 2002).
Recente studies laten echter zien dat naast deze traditionele factoren ook het hante-
ren van emoties kan samenhangen met gezondheidsklachten zoals burnout (Briët,
Näring, Brouwers & Van Droffelaar, 2005; De Jonge, Peeters & Le Blanc, 2006;
Gelsema, 2007; Näring, Briët & Brouwers, 2006). Zo richtten De Jonge, Dormann
en Van Veghel (2004) zich aan de hand van het Demand Induced Strain Compensation-
model onder meer op emotionele taakeisen, zoals het moeten omgaan met dood,
ziekte en ander menselijk lijden. Naast deze emotionele belasting is er ook een ander
emotioneel aspect dat de gezondheid van werknemers kan beïnvloeden. Zeker bij
uitvoerende werknemers in de gezondheidszorg, die in hun dagelijkse werk veel in
contact komen met patiënten, vormt het tonen en reguleren van emoties een belang-
rijk aspect van hun dagelijks werk. In hun werk wordt immers van hen verwacht dat
ze te allen tijde empathisch zijn ten aanzien van patiënten, dat ze meevoelen met
problemen en gedragsuitingen en dat ze openstaan voor alle wensen en emoties van
patiënten, ook als die wellicht niet altijd even redelijk zijn. Het werken met patiënten
in de zorg is emotioneel veeleisend en vergroot het risico op het ontstaan van klach-
ten van burnout; een toestand die zich kenmerkt door emotionele uitputting, deper-
sonalisatie en gebrek aan persoonlijke bekwaamheid (Maslach, Schaufeli & Leiter,
2001; Maslach, 1993; Schaufeli & Van Dierendonck, 2000). Uit onderzoek van
Mettendaf (2002) en Ybema en Smulders (2002) in verpleeghuizen blijkt dat, naast
emotionele belasting, het moeten verbergen van emoties de kans op burnout ver-
groot.
GenO2008-2.indd 138 03-06-2008 09:10:31
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
139
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Hochschild (1983) introduceerde het ‘emotional labor concept’, dat staat voor emo-
tieregulatie of het reguleren van emoties in het werk. Met behulp van verschillende
studies (Brotheridge & Grandey, 2002; Brotheridge & Lee, 2003; Kruml & Geddes,
2002) naar relaties tussen het werken in de zorg en gezondheidsklachten bij verzor-
genden en verpleegkundigen, werd het emotional labor concept verder ontwikkeld
(Briët, Näring, Brouwers & Van Droffelaar, 2005). Binnen emotieregulatie zijn vier
dimensies te onderscheiden:
1 Emotionele Consonantie: het afwezig zijn van bewuste emotieregulatie, een situ-
atie waarin eigen gevoelens in overeenstemming zijn met verwachtingen van
het werk.
2 Emoties voorwenden (Surface Acting): het reguleren van emoties waarbij een ver-
zorgende het uiterlijke gedrag, de emotionele expressie wil controleren.
3 Emoties verbergen (Surface Acting Hiding) is een vorm van emotieregulatie waar-
bij negatieve emoties niet worden getoond.
4 Emoties oproepen (Deep Acting) is een vorm van emotieregulatie, waarbij emoties
ook intern worden opgeroepen om te voldoen aan de verwachtingen van bui-
tenaf.
Uit voorgaand onderzoek onder leraren is gebleken dat emotieregulatie een belang-
rijke unieke relatie heeft met burnout, die additioneel is aan het traditionele DCS-
model (Näring, Briët & Brouwers, 2006). De dimensies emoties voorwenden en
emotionele consonantie bleken sterk gerelateerd aan verschillende dimensies van
burnout. De huidige studie is opgezet om te zien of deze relaties repliceerbaar zijn
bij een andere beroepsgroep, namelijk de ziekenverzorgenden.
Doel van de huidige studie is te onderzoeken of bij verzorgenden emotieregulatie een
toegevoegde waarde heeft in het verklaren van de verschillende dimensies van burnout
in aanvulling op het veelgebruikte Demand-Control-Support-model van Johnson en
Hall (1988). Ten eerste wordt onderzocht in hoeverre de concepten autonomie, soci-
ale steun, werkeisen en emotieregulatie gerelateerd zijn aan de verschillende dimen-
sies van burnout bij verzorgenden in een verpleeghuis. Een tweede onderzoeksvraag
is of de dimensies van emotieregulatie een relevante additionele waarde hebben in
het verklaren van de variantie in burnout, bovenop de centrale concepten van het
Demand-Control-Support-model. Een verbeterd inzicht in de factoren die samen-
hangen met de verschillende dimensies van burnout kan bijdragen aan het ontwik-
kelen van effectieve maatregelen om de gezondheid van ziekenverzorgenden te opti-
maliseren en ziekteverzuim te voorkomen en terug te dringen.
2 Methode
2.1 Onderzoeksgroep en procedure
Er is een cross-sectioneel survey-onderzoek verricht bij alle afdelingen van een
Nederlands verpleeghuis. De onderzoekspopulatie bestond uit alle gediplomeerde
ziekenverzorgenden met een vast dienstverband (N = 175), werkzaam in zowel dag-,
avond- als nachtdienst en met een parttime of een fulltime aanstelling. Werknemers
GenO2008-2.indd 139 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
140
die ziek thuis waren, zijn niet benaderd. De vragenlijsten werden op alle afdelingen
verspreid met een informatiebrief voor de verzorgenden. Er zijn 130 vragenlijsten
volledig geretourneerd door 126 vrouwen en 4 mannen (respons 75%). De meeste
respondenten waren jonger dan 40 jaar (72%), waarbij ongeveer de helft (54%) een
aanstelling had van minder dan 25 uur, terwijl 46% een aanstellingsomvang had van
26 uur of meer. Van de respondenten had 63% een standaard ziekenverzorgende
functie, terwijl 37% een aanstelling had als eerstverantwoordelijke ziekenverzorger
(ziekenverzorgende met meer verantwoordelijkheid en coördinerende taken).
2.2 Meetinstrumenten
De vragenlijst bestond uit een aantal vragen naar persoonlijke kenmerken van de
ziekenverzorgenden. Informatie werd verzameld over geslacht, leeftijd (in 4 catego-
rieën: 20-30 jaar; 31-40 jaar; 41-50 jaar; 50 jaar en ouder), omvang van het dienstver-
band (in 3 categorieën: tot 12 uur; 23-25 uur; 26 uur of meer) en functie (standaard
ziekenverzorgende of eerstverantwoordelijke verzorgende). Daarnaast werden in de
vragenlijst via schalen de concepten werkeisen, autonomie, gebrek aan sociale steun,
emotieregulatie en burnout gemeten. Tabel 1 presenteert de belangrijkste kenmerken
van de verschillende schalen uit het huidige onderzoek, zoals het aantal items per
schaal met het bereik, de gemiddelde score per schaal met de standaarddeviatie en de
spreiding van de schalen.
Het begrip burnout (Maslach, 1993) is gemeten met de Nederlandse versie van de
Maslach Burnout Inventory (MBI), de Utrechtse BurnOut Schaal (UBOS) (Schaufeli
& Van Dierendonck, 2000; 2001). De vragenlijst bestaat uit twintig items op zeven-
puntsschalen (met antwoordopties nooit (0) tot altijd (6)). De vragenlijst meet de
dimensies emotionele uitputting (8 items; Cronbach’s α = .74), depersonalisatie
(5 items; α = .69) en verminderde persoonlijke bekwaamheid (7 items; α = .65). Vragen
zijn bijvoorbeeld: ‘Ik voel me mentaal uitgeput door het werk’ (emotionele uitputting)
en ‘Ik heb het gevoel dat ik sommige bewoners te onpersoonlijk behandel’ (deperso-
nalisatie) en ‘Ik heb het gevoel dat ik in mijn baan veel waardevolle dingen bereik’
(persoonlijke bekwaamheid).
Het begrip werkeisen is gemeten met behulp van de Vragenlijst Organisatie-Stress-
Doetinchem (VOS-D) (Bergers, Marcelissen & De Wolf, 1986; α = .70). De negen
items inventariseren met behulp van vijfpuntsschalen de aanwezigheid van verschil-
lende potentiële werkstressoren zoals tempo, moeilijkheidsgraad en hoeveelheid werk.
Een voorbeeldvraag: ‘Hoe hoog ligt het tempo dat van je wordt verlangd?’ (met ant-
woordopties zeer laag (1) tot zeer hoog (5)).
Het begrip autonomie in het werk is gemeten met de Maastrichtse Autonomielijst
(MAL) (De Jonge, Landeweerd & Van Breukelen, 1994; α = .80). De 10 items meten
met behulp van vijfpuntsschalen de mogelijkheid (vrijheid) die de werknemer feite-
lijk heeft ten aanzien van het bepalen van verschillende werkaspecten. Een voorbeeld-
vraag: ‘In welke mate biedt het werk de mogelijkheid zelf een manier van werken te
kiezen?’ (met antwoordopties zeer weinig (1) tot zeer veel (5)).
Het begrip (gebrek aan) sociale steun is gemeten met vijf items op vierpuntsschalen
die zijn afgeleid van de Vragenlijst Organisatie-Stress-Doetinchem (VOS-D)
(Bergers et al., 1986; α = .83). De vragen gaan over de werkrelatie met collega’s en
GenO2008-2.indd 140 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
141
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Tabel 1 Beschrijving van de variabelen en correlaties tussen de variabelen (N = 130)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 Aantal items
(bereik)
M (SD) Spreiding
1 autonomie 10 (10-50) 26.54 (4.84) 13-38
2 (gebrek aan) sociale steun –.15 5 (5-20) 8.36 (1.70) 5-13
3 werkeisen –.33** .22* 9 (9-45) 27.06 (4.00) 18-36
4 emoties voorwenden (VW) –.08 .17* .13 5 (5-25) 7.70 (2.25) 5-15
5 emoties verbergen (VB) .00 –.15 .00 .29** 3 (3-15) 7.10 (2.21) 3-15
6 emoties oproepen (OP) –.04 –.09 .08 .37** .17* 4 (4-20) 7.66 (2.78) 4-17
7 emotionele consonantie (CO) .08 –.21* –.04 –.18* .21* .04 3 (3-15) 9.64 (1.42) 6-15
8 emotionele uitputting (EU) –.15 .35** .36** .18* –.05 .09 –.27** 8 (0-48) 11.32 (4.94) 1-27
9 depersonalisatie (D) –.07 .35** .02 .44** .04 .12 –.24** .25** 5 (0-30) 4.70 (2.90) 0-12
10 persoonlijke bekwaamheid (PB) .18* –.31** –.24** –.23** .04 –.18* .38** –.32* –.42** 7 (0-42) 26.30 (2.85) 19-33
* p < .05; ** p < .01; *** p <.001 (eenzijdig getoetst)
GenO2008-2.indd 141 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
142
leidinggevende(n). Een voorbeeldvraag: ‘Hoe is de verstandhouding met je leiding-
gevende/collega’s?’ (met antwoordopties zeer goed (1) tot slecht (4)).
Het begrip emotieregulatie is gemeten met Dutch Questionnaire on Emotional
Labor (D-QEL) (Briët et al., 2005). Deze vragenlijst van het ‘emotional labor’-con-
cept is gebaseerd op zowel Brotheridge et al. (2002) en Kruml et al. (2000). De vra-
genlijst bestaat uit twintig items op vijfpuntsschalen met antwoordopties nooit (1) tot
altijd (5). De vragenlijst operationaliseert daarmee vier dimensies voor het hanteren
van emoties:
1 Emotionele consonantie (CO, 3 items, α = .16) is een indicator voor het afwezig
zijn van bewuste emotieregulatie, een situatie waarin een evenwicht bestaat
tussen eigen gevoelens en verwachtingen van het werk. Voorbeeldvraag:In de
omgang met patiënten voel ik me als een vis in het water’.
2 Emoties voorwenden (VW, 5 items, α = .54) is het reguleren van emoties waarbij
de ziekenverzorgende zijn/haar uiterlijke gedrag, de emotionele expressie wil
controleren. Een voorbeeldvraag: ‘Ik speel toneel tijdens mijn werk’.
3 Emoties verbergen (VB, 3 items, α = .50) is een vorm van emotieregulatie waarbij
negatieve emoties niet worden getoond. Een voorbeeldvraag: ‘Ik laat mijn afkeer
voor iets wat iemand heeft gedaan niet zien’.
4 Emoties oproepen (OP, 4 items, α = .72) is een actievere vorm van emotieregula-
tie, waarbij emoties worden opgeroepen en gecontroleerd om te voldoen aan de
verwachtingen van buitenaf. Een voorbeeldvraag: ‘Ik probeer de emoties die ik
moet vertonen, echt te voelen’.
De betrouwbaarheden van de verschillende concepten in het huidige onderzoek zijn
voldoende tot hoog voor alle schalen, behalve voor een deel van de schalen van het
concept emotieregulatie. Näring en collega’s (2007) vonden in onderzoek naar emo-
tieregulatie bij wiskundeleraren en verpleegkundigen een hoge betrouwbaarheid voor
de schalen Emoties voorwenden, Emoties verbergen en Emoties oproepen (Cronbach’s
α. 83). Bernts (2005) vond in haar onderzoek bij verpleegkundigen voor de verschil-
lende emotieregulatie-schalen op Emotionele consonantie na, een betrouwbaarheid van
≥.60. In het huidige onderzoek had de schaal Emoties oproepen een betrouwbaarheid
van .72. Omdat de schaal Emotionele consonance in de huidige studie een zeer lage
betrouwbaarheid had van .16, en omdat deze alpha niet kon worden verhoogd door
het weglaten van een van de drie items, werd besloten om het concept Emotionele
consonance met slechts één item te operationaliseren, en wel het item ‘In de omgang
met patiënten voel ik me als een vis in het water’, omdat dit item het meest omvattend
weergeeft dat de expressie in overeenstemming is met de ervaren emotie. Ondanks
dat de betrouwbaarheid van de schalen Emoties voorwenden (.54) en Emoties verbergen
(.50) laag was, zijn deze in het onderzoek meegenomen omdat deze aspecten essen-
tieel voor het onderzoek waren, en omdat het weglaten van één of meer items uit de
schaal niet leidde tot een hogere betrouwbaarheid.
2.3 Data-analyse
Om de relaties tussen enerzijds de concepten werkeisen, autonomie, (gebrek aan)
sociale steun en emotieregulatie, en anderzijds verschijnselen van burnout bij zieken-
verzorgenden te toetsen, zijn de correlaties (tabel 1) berekend en werden regressie-
GenO2008-2.indd 142 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
143
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
analyses uitgevoerd met de drie deelaspecten van burnout als afhankelijke variabelen
(tabel 2). Om te onderzoeken in hoeverre de onafhankelijke concepten van emotie-
regulatie een additionele bijdrage konden leveren aan de verklaring van de variantie
van burnout, in aanvulling op de variabelen werkeisen, autonomie en (gebrek aan)
sociale steun, werd gebruikgemaakt van hiërarchische regressie-analyse in drie deel-
stappen (methode enter) (tabel 2). In een eerste stap werden achtergrondvariabelen
in de regressies geïncludeerd, gevolgd door de variabelen werkeisen, autonomie en
(gebrek aan) sociale steun in stap 2 van de regressies. In de derde stap van de regres-
sies werden de concepten van emotieregulatie in het model geïncludeerd.
Tabel 2 Hiërarchische regressieanalyses van de verklarende variabelen van burnout
(N = 130)
Dimensies van burnout
Emotionele uitputting Depersonalisatie Persoonlijke
bekwaamheid
Bèta F
change
R2
change
Bèta F
change
R2
change
Bèta F
change
R2
change
Stap 1 4.65** 0.10 0.85 0.02 1.22 0.03
Geslacht –0.01 –0.01 0.01
Leeftijd –0.09 –0.03 0.04
Functie 0.15 0.07 0.02
Stap 2 8.52*** 0.16 5.72** 0.12 5.78** 0.12
Autonomie –0.02 –0.03 0.07
Gebrek
sociale
steun
0.25** 0.28** –0.21**
Werkeisen 0.22* –0.14 –0.14
Stap 3 1.80 0.04 6.71*** 0.16 5.27*** 0.13
Emoties
voorwen-
den (VW)
0.03 0.37*** –0.04
Emoties
verbergen
(VB)
–0.01 –0.01 –0.01
Emoties
oproepen
(OP)
0.09 0.02 –0.18*
Emotionele
consonan-
tie (CO)
–0.19* –0.11 0.32***
*** p < .001; ** p < .01; * p < .05
Noot: In de tabel zijn de bèta’s gepresenteerd van het eindmodel, uit de analyse van de derde
stap van de regressies.
GenO2008-2.indd 143 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
144
3 Resultaten
3.1 Relaties tussen DCS, emotieregulatie en burnout
De correlaties tussen de centrale concepten van het onderzoek worden in tabel 1
weergegeven. Autonomie bleek met geen van de burnoutdimensies samen te hangen.
Hogere werkeisen waren gerelateerd aan meer emotionele uitputting, terwijl er een
negatief verband was met de persoonlijke bekwaamheid van verzorgenden. Naarmate
verzorgenden meer gebrek aan sociale steun rapporteerden, rapporteerden ze ook
meer emotionele uitputting en depersonalisatie, en minder ervaren persoonlijke
bekwaamheid.
Bij de aspecten van emotieregulatie bleek emoties verbergen met geen van de burn-
outdimensies samen te hangen, terwijl emoties oproepen met alleen de dimensie
persoonlijke bekwaamheid een negatief verband had. Emoties voorwenden hing
positief samen met de burnoutdimensies emotionele uitputting en depersonalisatie
terwijl emoties voorwenden weer negatief samenhing met persoonlijke bekwaamheid.
Emotionele consonantie tot slot hing positief samen met de persoonlijke bekwaam-
heid die verzorgenden rapporteerden, terwijl er een negatieve samenhang werd
gevonden met emotionele uitputting en depersonalisatie.
3.2 Verklaring van burnout door emotieregulatie en DCS
De hiërarchische regressieanalyses om de verschillende dimensies van burnout te kun-
nen verklaren werden in drie stappen uitgevoerd, zoals in tabel 2 staat weergegeven.
In de eerste stap werden achtergrondvariabelen in het regressiemodel gevoegd. Uit de
analyses bleek dat leeftijd (β = –.18; p < .05) en functie (β = .20; p < .05) gezamenlijk
10% van de variantie in emotionele uitputting konden verklaren; ouderen voelden
minder emotionele uitputting terwijl verzorgenden met een extra verantwoordelijk-
heid (eerstverantwoordelijke verzorger) meer emotionele uitputting ervoeren. Bij de
vervolgstappen bleken leeftijd en functie echter geen significante bijdrage meer te
hebben in de verklaring van emotionele uitputting. Voor de overige twee dimensies
van burnout hadden leeftijd, geslacht en soort functie geen verklarende waarde.
In de tweede stap van de regressies werden de variabelen autonomie, gebrek aan
sociale steun en werkeisen toegevoegd. Uit de resultaten bleek dat gebrek aan sociale
steun een belangrijke variabele was die aan alle drie de dimensies van burnout is
gerelateerd. Er was een positieve samenhang met emotionele uitputting (β = .28;
p < .01) en depersonalisatie (β = .35; p < .001) en een negatieve relatie met persoonlijke
bekwaamheid (β = –.25; p < .01). Zoals op basis van de correlatiematrix kon worden
verwacht had autonomie geen verklarende waarde voor de burnoutdimensies, terwijl
de ervaren werkeisen alleen met de dimensie emotionele uitputting (β = .23; p < .05)
een significante relatie had. Additionele verklaarde variantie na deze tweede stap
varieerde van 12% bij depersonalisatie en persoonlijke bekwaamheid tot 16% bij emo-
tionele uitputting.
In de derde stap werden de emotieregulatiedimensies toegevoegd aan de drie regres-
siemodellen (zie tabel 2). Voor emotionele uitputting bleek de variabele emotionele
consonantie een significante bijdrage te leveren aan de verklaarde variantie; hoe meer
consonantie verzorgenden aangeven, hoe minder emotionele uitputting ze rapporte-
ren. Voor de burnoutdimensie depersonalisatie had emoties voorwenden een belang-
GenO2008-2.indd 144 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
145
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
rijke aanvullende relatie met burnout; verpleegkundigen die vaker emoties voorwen-
den, rapporteren ook vaker symptomen van depersonalisatie. Bij de dimensie
persoonlijke bekwaamheid bleken tot slot twee aanvullende concepten belangrijk in
het verklaren van de variantie; emoties oproepen hing negatief samen met persoon-
lijke bekwaamheid terwijl emotionele consonantie positief gerelateerd was aan per-
soonlijke bekwaamheid. Door toevoeging van de emotieregulatieconcepten steeg de
verklaarde variantie met 4% voor emotionele uitputting, met 13% voor persoonlijke
bekwaamheid en met 16% voor depersonalisatie, resulterend in een totaal verklaarde
variantie van 28% voor persoonlijke bekwaamheid en 30% voor depersonalisatie en
emotionele uitputting.
4 Conclusie en discussie
In deze studie werd onderzocht in hoeverre de concepten autonomie, sociale steun,
werkeisen en emotieregulatie gerelateerd waren aan de verschillende dimensies van
burnout bij verzorgenden in een verpleeghuis. Verder werd nagegaan of emotieregu-
latie een relevante additionele waarde had in het verklaren van de variantie in burnout,
ten opzichte van de centrale concepten van het Demand-Control-Support-model.
Op basis van de resultaten kunnen we concluderen dat er voor verzorgenden een
samenhang bestaat tussen werkeisen, sociale steun, emotieregulatie en burnout.
Binnen emotieregulatie bleken zowel emoties voorwenden, emoties oproepen en
emotionele consonantie duidelijk samen te hangen met de burnoutdimensies. Deze
studie bevestigt daarmee resultaten uit voorgaand onderzoek onder leraren waaruit
bleek dat emotieregulatie een belangrijke unieke relatie heeft met burnout, die addi-
tioneel is aan het traditionele DCS-model (Näring et al., 2006). De dimensies emo-
ties voorwenden en emotionele consonantie waren ook in deze eerdere studie sterk
gerelateerd aan verschillende dimensies van burnout. De huidige studie repliceert
deze resultaten en laat zien dat emotieregulatie een relevant additioneel perspectief
vormt dat relevant kan zijn in het begrijpen en verklaren van burnout. Zowel het
DCS-model als emotieregulatie laten een duidelijke unieke relatie zien met burnout.
De studie toont daarmee aan dat ook voor verzorgenden emotieregulatie naast
werkeisen en sociale steun een belangrijk aspect is van hun gezond functioneren, een
bevinding die bij verzorgenden in Nederland nog niet eerder was vastgesteld.
De resultaten bevestigen hiermee deels de uitkomsten uit eerder onderzoek die ook
de relevantie van emotieregulatie konden aantonen (Bernts, 2005; Brotheridge et al.,
2002; De Jonge et al., 2006; Kerkstra et al., 1999; Näring et al., 2006; Tummers et al.,
2002; Van Yperen & Baving, 1999). De Jonge en collega’s (2004) toonden met het
Demand Induced Strain Compensation-model al aan dat emotionele taakeisen gere-
lateerd zijn aan gezondheidsklachten. Zij richtten zich daarbij vooral op emotionele
belasting, zoals het moeten omgaan met dood, ziekte en ander menselijk lijden (De
Jonge et al., 2004; De Jonge, Le Blanc, Peeters & Noordam, 2008). Emotieregulatie
kan als meer servicegericht worden gezien en richt zich op de emoties die van men-
sen verwacht worden in het kader van hun functie, ook als ze die emoties zelf wellicht
niet altijd ook zo ervaren. Juist in onderzoek bij verplegenden en verzorgenden lijkt
GenO2008-2.indd 145 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
146
het zinvol om in toekomstig onderzoek het relatieve belang van beide emotionele
aspecten te onderzoeken.
4.1 Emotieregulatie en de verschillende dimensies van burnout
Het hanteren van emoties heeft zowel in het huidige onderzoek als ook in eerder
onderzoek (Briët et al., 2005; Brotheridge & Grandy, 2002; Kruml & Geddes, 2002;
Näring et al., 2006) een relatie met burnout. Wel waren er verschillen tussen de vier
aspecten van emotieregulatie en hun relaties met de verschillende dimensies van
burnout. Emoties oproepen bleek alleen gerelateerd te zijn aan persoonlijke bekwaam-
heid. Emotionele consonantie vertoonde in de regressie-analyses de sterkste samen-
hang met persoonlijke bekwaamheid, maar was ook gerelateerd aan emotionele uit-
putting. Emoties voorwenden bleek het sterkst gerelateerd aan depersonalisatie,
terwijl emoties voorwenden bij de andere dimensies van burnout in de regressie geen
rol speelde. Näring en collega’s (2006) vonden in voorgaand onderzoek bij leraren
ook dat emoties voorwenden vooral bij depersonalisatie belangrijk was, terwijl emo-
tionele consonantie vooral aan persoonlijke bekwaamheid was gerelateerd. Het voor-
wenden van emoties lijkt logischerwijs vooral gerelateerd te zijn aan depersonalisatie,
een dimensie van burnout die zich kenmerkt door een afgenomen betrokkenheid bij
collega’s, werkzaamheden en cliënten, resulterend in onder meer een afstandelijke en
cynische houding ten opzichte van werk. Er lijkt hier mogelijk sprake van wederzijdse
beïnvloeding; het regelmatig voorwenden van emoties die men niet echt voelt, kan
het gevoel van afstandelijkheid vergroten, terwijl gevoelens van afstandelijkheid en
lage betrokkenheid weer kunnen resulteren in het nog meer voorwenden van emoties
die men niet echt ervaart.
De factoren emoties voorwenden, emoties oproepen en emoties verbergen meten
volgens Briët en collega’s (2005) een actieve inspanning om te kunnen omgaan met
de ervaring of het uitdrukken van emoties, waardoor deze mogelijk bijdragen aan
stress en spanning. Emotionele consonantie, dat de afwezigheid van een inspanning
meet, kan juist een positieve bijdrage aan de gezondheid leveren. Deze afwezigheid
van inspanning vormt een verklaring daarvoor dat juist emotionele consonantie sterk
negatief gerelateerd was aan emotionele uitputting, aangezien emotionele uitputting
eerder het resultaat is van te veel (emotionele) inspanning. Deze afwezigheid van
inspanning verklaart mogelijk ook waarom juist emotionele consonantie het sterkst
gerelateerd was aan persoonlijke bekwaamheid, aangezien beide concepten een dui-
delijke positieve bijdrage aan gezondheid representeren. Daarnaast is het concept
emotionele consonantie in de huidige studie geoperationaliseerd met het item In de
omgang met patiënten voel ik me als een vis in het water’, een item dat ook inhou-
delijk overlap lijkt te hebben met het concept persoonlijke bekwaamheid.
4.2 Beperkingen van het huidige onderzoek
De schalen van emoties voorwenden, emoties verbergen en emotionele consonantie,
vertoonden in tegenstelling tot eerder onderzoek bij wiskundeleraren (Briët et al.,
2005) en verpleegkundigen in een ziekenhuisomgeving (Bernts, 2005), in het huidige
onderzoek een erg lage betrouwbaarheid, waardoor het concept emotieregulatie en
daarbij met name de dimensie emotionele consonantie niet volledig bruikbaar was.
Ook emoties voorwenden en emoties verbergen vertoonden een lage betrouwbaar-
GenO2008-2.indd 146 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
147
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
heid. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de invloed van het type werknemer
kunnen zijn. Verzorgenden (niveau 3) hebben een lager opleidingsniveau dan ver-
pleegkundigen (niveau 4-5) en leraren, waardoor de vragen mogelijk te complex
waren. Dat bleek ook uit de reacties van de verzorgenden, zij typeerden met name de
vragen van de emotieregulatieschaal vaker als moeilijk te begrijpen en moeilijk te
interpreteren. Ondanks dat emotieregulatie niet optimaal geoperationaliseerd is in
de huidige studie laten de resultaten wel duidelijk de meerwaarde zien van emotie-
regulatie als additionele factor aan het DCS-model voor het verklaren van gezond-
heidsaspecten.
Vanwege het cross-sectioneel design van het survey-onderzoek konden geen oorzaak-
gevolgrelaties aangetoond worden. We kunnen daardoor niet stellen dat de onder-
zochte factoren de burnoutsymptomen hebben veroorzaakt, wel weten we dat er
sprake is van een duidelijke samenhang. De onderzoeksgroep was tot slot relatief
klein en de resultaten waren afkomstig uit slechts één verpleeghuis. Dit maakt het
moeilijk om de resultaten te generaliseren naar een grotere setting.
4.3 Aanbevelingen
Voor vervolgonderzoek lijkt het zinvol een aangepaste versie van de Dutch
Questionnaire on Emotional labor (D-QEL) te ontwikkelen voor ziekenverzorgen-
den en meer in het algemeen voor mensen met een lagere opleiding, om zo alle
aspecten van emotieregulatie zo volledig mogelijk te kunnen meten. Op basis van de
huidige studie weten we dat emotieregulatie een belangrijke relatie heeft met burnout
van ziekenverzorgenden. Een verder inzicht in deze relatie door sterkere meetinstru-
menten kan mogelijk zinvolle aangrijpingspunten leveren die het ontstaan van burn-
out kunnen helpen voorkomen.
Daarnaast zou dit vervolgonderzoek moeten plaatsvinden in een longitudinale set-
ting, waardoor ook expliciet de causale relaties bestudeerd kunnen worden tussen
werkfactoren, persoonlijke factoren en het ontstaan van burnout. Deze verbeterde
resultaten zouden moeten leiden tot een verbeterd inzicht in hoe het hanteren van
emoties de klachten van burnout precies beïnvloedt. Met dit inzicht kan wellicht een
interventie ontwikkeld worden om ziekenverzorgenden beter om te leren gaan met
de eigen emoties.
Het huidige onderzoek laat zien dat emotieregulatie gerelateerd is aan burnout en er
moet dan ook gezocht worden naar opties om verzorgenden te leren omgaan met
hun (verwachte) emoties in verschillende werksituaties. Kerkstra en collega’s (1999)
geven bijvoorbeeld aan dat 50% van de verzorgenden in verpleeghuizen veel moeite
heeft met bewoners met gedragsproblemen zoals agressie naar het personeel; het
roept veel negatieve emoties op waar verzorgenden moeilijk mee om kunnen gaan.
Intervisiebijeenkomsten van collega’s, waarbij zowel negatieve ervaringen met patiën-
ten en de daarmee gepaard gaande emoties alsook mogelijke oplossingen in het
omgaan met problemen worden gedeeld, vormen mogelijk een geschikte methode
om emotieregulatie verder bespreekbaar te maken. Dit soort bijeenkomsten kunnen
naast het versterken van de ervaren sociale steun – immers ook een belangrijke aan
burnout gerelateerde factor – tevens een instrument vormen om van elkaar te leren
hoe de ervaren en de verwachte emoties, en de eventuele verschillen daartussen, het
beste kunnen worden gehanteerd.
GenO2008-2.indd 147 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
148
Literatuur
Bergers, G.P.A., Marcelissen, F.H.G. & Wolff, C.J. de (1986). Vragenlijst organisatiestress-
Doetinchem: Handleiding (No. 36). Nijmegen: University of Nijmegen.
Bernts, F. (2005). De invloed van emotieregulatie, thuissituatie en life-events op burnout.
Ongepubliceerde doctoraalscriptie. Heerlen: Open Universiteit Nederland.
Briët, M., Näring, G.W.B., Brouwers, A. & Droffelaar, A. van (2005). Emotional labor:
ontwikkeling en validering van de Dutch Questionnaire on Emotional Labor (D-Qel).
Gedrag en Gezondheid, 33, 318-330.
Brotheridge, C.M. & Grandey, A.A. (2002). Emotional Labor and Burnout: Comparing
Two perspectives of ‘People Work’. Journal of Vocational Behaviour, 60, 17-39.
Brotheridge, C. & Lee, R.T. (2003). Development and validation of the emotional labor
scale. Journal of Occupational and Organizational Psychology, 76, 365-379.
Doef, M. van der & Maes, S. (1998). The Job Demand-Control-Support model and
Physical health outcomes: a review of the strain and buffer hypotheses. Psychology and
Health, 13, 909-936.
Gelsema, T.I. (2007). Job Stress in the Nursing Profession. Academisch proefschrift. Leiden:
Universiteit van Leiden.
Hochschild, A.R. (1983). The managed heart: The commercialization of human feeling.
Berkeley: University of California Press.
Johnson, J.V. & Hall, E.M. (1988). Job strain, work place social support, and cardiovascular
disease: A cross-sectional study of a random sample of the Swedish working
population. American Journal of Public Health, 78, 1336-1342.
Jonge, J. de, Dormann, C. & Veghel, N. van (2004). Taakeisen, Hulpbronnen en Psychische
gezondheid: Het Demand-Induced Strain Compensation (DISC)-Model. Gedrag &
Organisatie, 17, 59-79.
Jonge, J. de, Landeweerd, J.A. & Breukelen, G.J.P. van (1994). De Maastrichtse
Autonomielijst: achtergrond, constructie en validering. Gedrag & Organisatie, 7, 27-41.
Jonge, J. de, Le Blanc, P.M., Peeters, M.C.W. & Noordam, H. (2008). Emotional job
demands and the role of matching job resources: A cross-sectional survey study among
health care workers. International Journal of Nursing Studies, doi:10.1016/j.
ijnurstu.2007.11.002.
Jonge, J. de, Peeters, M.C.W. & Le Blanc, P. (2006). Emotionele arbeid en positieve
werkuitkomsten: de rol van specifieke hulpbronnen in het werk. Gedrag & Organisatie,
19, 345-367.
Kerkstra, A., Bilsen, P.M.A. van, Otten, D.D., Gruijter, I.M. de & Weide, M.G. (1999).
Omgaan met dementerende bewoners door verzorgenden in het verpleeghuis. Utrecht:
Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL).
Kruml, S.M. & Geddes, D. (2002). Exploring the Dimensions of Emotional Labor. The
Heart of Hochschilds work. Management Communication Quartely, 14, 8-49.
Lange, A. de, Kompier, J., Jonge, J. de, Taris, T. & Houtman, L. (2002). Hoogwaardig
longitudinaal vragenlijstonderzoek en het Demand-Control-Support Model. Gedrag &
Organisatie, 5, 254-272.
Maslach, C. (1993). Burnout: A multidimensional perspective. In W.B. Schaufeli,
C. Maslach & T. Marek (Eds.). Professional burnout: Recent developments in theory and
research. Washington, DC: Taylor & Francis.
Maslach, C., Schaufeli, W.B. & Leiter, M.P. (2001). Job Burnout. Annual Review Psychology,
52, 397-422.
Mettendaf, A. (2002). Werk in beeld, brancherapport 2002; Medewerkersraadpleging CAO
arbeid en gezondheid verpleeg- en verzorgingshuizen. Utrecht: Prismant.
Näring, G., Briët, M. & Brouwers, A. (2006). Beyond demand-control: Emotional labour
and symptoms of burnout in teachers. Work and Stress, 20, 303-315.
Näring, G., Briët, M. & Brouwers, A. (2007). Validation of the Dutch questionnaire on
emotional labor (D-QEL) in nurses and teachers. In P. Richter, J.M. Peiro & W.B.
Schaufeli (Eds.). Psychosocial resources in human services work (pp. 135-145). München:
Hampp Publishers.
GenO2008-2.indd 148 03-06-2008 09:10:32
Guest (guest)
IP: 77.162.198.157
Emotieregulatie en burnout bij ziekenverzorgenden
149
Gedrag & Organisatie 2008-21, nr. 2
Nauta, M., Hensen, M., Zoelen-Nederlof, M. van & Schaufeli, W. (1996) Burnout bij
verpleegkundigen. Tijdschrift voor verpleegkundigen, 23, 696-699.
Schaufeli, W. & Van Dierendonck, D. (2000). Handleiding van de Utrechtse Burnout Schaal
(UBOS). Lisse: Swets Test Publishers.
Schaufeli, W.B. & Dierendonck, D. van (2001). Utrechtse Burnout Schaal;
Psychodiagnostisch gereedschap. De psycholoog, 1, 9-11.
Ybema, J.F. & Smulders, P. (2002). Emotionele belasting en de noodzaak tot het verbergen
van emoties op het werk. Gedrag & Organisatie, 3, 129-146.
Yperen, N.W. van & Baving, H.H. (1999). Burnoutklachten op het werk: De relatie met
werklast, regelruimte en sociale steun. Gedrag en Gezondheid, 27, 174-187.
Tummers, G.E.R., Merode, G.G. van & Landeweerd, J.A. (2002). Organisatie werk en
werk-reacties in de verpleging en verzorging. Tilburg: Organisatie voor Strategisch
Arbeidsmarktonderzoek (OSA).
Emotional labor and burnout among health care providers
L. Lechner, T. Steinvoorte & G. Näring, Gedrag & Organisatie, volume 21, June
2008, nr. 2, pp. 137-149
This study analysed whether, amongst health care providers in a nursing homes
setting, there is a relationship between, on the hand, work demands, autonomy,
lack of social support and emotional labor; and on the other hand, symptoms
of burnout. It also analysed whether the concept of emotional labor was an
additional factor that helped explain variance in burnout over and above the
concepts found in the Demand-Control-Support model. The study was based
on 130 health care providers (response rate of 75%). Participants filled in a
questionnaire that measured the Demand-Control-Support concepts of autonomy,
lack of social support and work demands, as well as four dimensions of emotional
labor. It assessed burnout in three dimensions, namely emotional exhaustion,
depersonalisation and personal accomplishment. The results showed a relationship
between work demands, social support, several aspects of emotional labor and
burnout, whereas no relationship was found between autonomy and burnout. The
various concepts, taken together, explained 28 to 30% of the variance in burnout.
Emotional labor appeared to be a distinct additional factor in relation to burnout,
supplementing the elements found in the Demand-Control-Support model. These
results confirm the findings from previous studies in other professions. They
demonstrate that, in professions involving a lot of contact with patients, emotional
labor may represent a potentially important factor related to health.
Key words: autonomy, task demands, social support, emotional labor,
burnout
GenO2008-2.indd 149 03-06-2008 09:10:32
... This dissonance is seen as an inevitable concomitant of emotional labor (Briët, Näring, Brouwers, & van Droffelaar, 2005). Emotional labor is studied in various professions in experienced workers and novices to gather knowledge about how employees learn to apply emotional labor in such a way that it will not affect their health (Lechner, Steinvoorte, & Näring, 2008). ...
... Health educators especially pay attention to controlled or controllable processes. Even where certain behaviours are carried out more or less automatically, health educators will often try to make this behaviour become more explicitly motivated and intentional (Van Osch, Lechner, et al., 2008;Van Osch, et al., 2010;Van Osch, Reubsaet, Lechner, Candel, et al., 2008;. This is usually based on the implicit assumption that intentional behaviour brings about the most sustainable behaviour change, and that interventions to promote healthy behaviour are more ethically responsible when they stimulate autonomous choices. ...
Article
Research programme, review of the institute and SWOT, and reviewers' comments
... ocial support from supervisors. An example of a typical item is 'How often do conflicts arise between your superior(s)/ co-workers?' The higher the score, the greater the lack of support the respondents report. Several studies in different professions demonstrate that social support can buffer the negative effects of work stress (Berg et al., 2006;Lechner et. al., 2008). As with the Workload scale, we expect the direction to be negative. The authors report an alpha of 0.83 for the lack of support from supervisor scale and an alpha of 0.75 for the lack of support scale from colleagues. Somatization. Contain items related to vague physical complaints. Here, a typical example is 'My stomach upsets me a lo ...
Purpose – Since policemen have a highly demanding job, they have a high risk of developing mental health problems, which may have a negative influence on their private life. The purpose of this paper is to present a new questionnaire for measuring the functioning of rescue workers in life tasks outside of work. Design/methodology/approach – The internal consistency, factor structure and concurrent validity of this life tasks test (LTT) were examined in a group of 108 policemen. Findings – The test measures perceived effectiveness in the following five domains: social life, maintaining mental health, household and finance, giving meaning and maintaining positivity. Cronbach’s α was acceptable for two scales (W0.60) and good for the other three (W0.70). The hypothesized five-factor structure of the LTT was corroborated in a confirmatory factor analysis. Concurrent validity was examined by correlating the scores on the LTT with two established questionnaires, one for personality characteristics and one for work characteristics and work stress. All LTT scales, with the exception of social life, showed significant correlations with social support, workload and personality. Research limitations/implications – This provides support for the concurrent validity of the questionnaire. Practical uses and future research are discussed. Practical implications – The items are close to everyday clinical practice. It adds valuable information to the commonly used questionnaires on mental health complaints. The test may also provide insight on which life tasks domains are functioning well and which are in need of attention to improve the effectiveness. Social implications – In both preventive and curative mental health support, it is important to enhance the effectiveness in life tasks, because it works as a buffer for the adversity of rescue work. Moreover, it gives rescue workers mastery of their personal life, makes self-management stronger, as well as it gives feelings of confidence and positive energy. Originality/value – This is the first questionnaire to be designed and implemented for rescue workers.
... One measures the lack of social support from colleagues and the other the lack of social support from the leader. The scales measuring lack of social support from colleagues and supervisors of the VOS-D were used in studies with different professions: Houkes et al. (2001) used in their study managers and teachers; Berg et al. (2006) nurses and health care professionals; and Lechner et al. (2008) also used nurses and health care assistants. All these studies demonstrated the role of social support as a buffer. ...
Article
This study investigated mental health- and work-related problems of 67 rescue workers (police officers and medical emergency drivers) caused by the accumulation of critical incidents during their career. Using Hobfoll’s theory of conservation of resources, this is one of the first studies in The Netherlands that tries to shed some light at the number of critical incidents experienced by rescue workers. The moderation effect of social support from colleagues and supervisors was also studied. Although no effects were found for the health questionnaires, a significant effect was found for the number of critical incidents on the experience of workload. No significant moderation effects of social support were found. Implications for police practice, such as using assessment tools for critical incidents and further research are discussed.
Full-text available
Chapter
It has been almost twenty years since the term "burnout" first appeared in the psychological literature. The phenomenon that was portrayed in those early articles had not been entirely unknown, but had been rarely acknowledged or even openly discussed. In some occupations, it was almost a taboo topic, because it was considered tantamount to admitting that at times professionals can (and do) act "unprofessionally." The reaction of many people was to deny that such a phenomenon existed, or, if it did exist, to attribute it to a very small (but clearly mentally disturbed) minority. This response made it difficult, at first, for any work on burnout to be taken seriously. However, after the initial articles were published, there was a major shift in opinion. Professionals in the human services gave substantial support to both the validity of the phenomenon and its significance as an occupational hazard. Once burnout was acknowledged as a legitimate issue, it began to attract the attention of various researchers. Our knowledge and understanding of burnout have grown dramatically since that shaky beginning. Burnout is now recognized as an important social problem. There has been much discussion and debate about the phenomenon, its causes and consequences. As these ideas about burnout have proliferated, so have the number of empirical research studies to test these ideas. We can now begin to speak of a "body of work" about burnout, much of which is reviewed and cited within the current volume. This work is now viewed as a legitimate and worthy enterprise that has the potential to yield both scholarly gains and practical solutions. What I would like to do in this chapter is give a personal perspective on the concept of burnout. Having been one of the early "pioneers" in this field, I have the advantage of a long-term viewpoint that covers the twenty years from the birth of burnout to its present proliferation. Furthermore, because my research was among the earliest, it has had an impact on the development of the field. In particular, my definition of burnout, and my measure to assess it (Maslach Burnout Inventory; MBI) have been adopted by many researchers and have thus influenced subsequent theorizing and research. My work has also been the point of departure for various critiques. Thus, for better or for worse, my perspective on burnout has played a part in framing the field, and so it seemed appropriate to articulate that viewpoint within this volume. In presenting this perspective, however, I do not intend to simply give a summary statement of ideas that I have discussed elsewhere. Rather, I want to provide a retrospective review and analysis of why those ideas developed in the ways that they did. Looking back on my work, with the hindsight of twenty years, I can see more clearly how my research path was shaped by both choice and chance. The shape of that path has had some impact on what questions have been asked about burnout (and what have not), as well as on the manner in which 2 answers have been sought. A better understanding of the characteristics of that path will, I think, provide some insights into our current state of knowledge and debate about burnout. In some sense, this retrospective review marks a return to my research roots. The reexamination of my initial thinking about burnout, and an analysis of how that has developed and changed over the years, has led me to renew my focus on the core concept of social relationships. I find it appropriately symbolic that this return to my research roots occurred within the context of a return to my ancestral roots. The 1990 burnout conference that inspired this rethinking took place in southern Poland, from which each of my paternal grandparents, Michael Maslach and Anna Pszczolkowska, emigrated to the United States in the early 1900s. Thus, my travel to Krakow had great significance for me, at both personal and professional levels.
Full-text available
Article
This study empirically identifies the dimensions and initiates the development of a measure of emotional labor. Phase 1 of this project generated items for an exploratory questionnaire to which a broad sample of service workers responded (N = 358). Analysis revealed two dimensions of emotional labor: emotive effort, a construct never before identified in the emotional labor literature; and emotive dissonance, an acknowledged dimension that is further validated by this study. Several viable antecedent constructs of emotional labor also were identified and incorporated into an emerging model of emotional labor. In Phase 2, revised scales were administered to a second sample of service workers (N = 427) for reliability and validity purposes. Structural equation modeling also was used to establish relationships among emotional labor’s dimensions and various antecedent variables, facilitating development of a model of emotional labor.
Full-text available
Article
Teaching is a profession that involves a high level of emotional labour. This includes such behaviours as surface acting (displaying an emotion that is not actually felt), deep acting (the activity undertaken to actually feel a required emotion), and suppression of emotion. In many professions, this emotional labour is thought to be related to high levels of burnout. The aim of our study was to show that emotional labour has a unique relationship with burnout that is separate from its relationship with the variables of the Demand Control Support (DCS) model. Emotional labour was studied, together with the variables of the Karasek Job Demand Control Support model, in a random sample of 365 mathematics teachers in the Netherlands. We used the Dutch Questionnaire on Emotional Labor (D-QEL) that measures: (1) surface acting, (2) deep acting, (3) suppression, and (4) emotional consonance. In line with other studies, job characteristics were found to be specifically related to emotional exhaustion. Surface acting was significantly related to depersonalization, and emotional consonance (the absence of emotional labour) was related to personal accomplishment. We conclude that whereas the DCS model has been valuable for understanding emotional exhaustion, emotional labour provides an additional perspective for understanding work stress.
Full-text available
Article
Examined emotional demand and the need for hiding of emotions at work in 4,334 Dutch workers. Emotional demand was high in occupations relating to health care, education and arts. The need for hiding emotions was especially high among policemen, security personnel and firemen. Further it was found that, in line with the hypotheses, emotional demand and the need for hiding emotions at work were related to higher emotional exhaustion and lower job satisfaction. Social support from the supervisor and colleagues partially reduced these negative effects. It is concluded that this 'buffer effect' of social support arises in particular in cases where there is a need for hiding emotions. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)
Full-text available
Article
This paper describes the validation of the Dutch Questionnaire on Emotional Labor (D-QEL) in a sample of 365 teachers and in a sample of 334 nurses. The D-QEL is a 13 item self-report questionnaire that measures surface acting, deep acting, suppression and emotional consonance. Confirmatory factor analysis provided support for the existence of four separate subscales. Evidence was also provided for convergent, discriminant and criterion validity
Article
This review of the Job Demand-Control (JDC) model and the expanded Job Demand-Control-Support (JDCS) model and employees' physical health, focuses on the two prevalent views on these models. According to their view on the models researchers study different hypotheses: (a) the (iso)strain hypothesis, stating that the highest level of ill health is expected when the job is characterized by high demand and low control (and low social sup port), ot (b) the buffer hypothesis, predicting that control (and social support) can buffer the potential negative effects of high demands on physical health. It is argued that these hypotheses reflect theoretical distinct models, and that the practical implications associated with these models differ.
Article
Het aantal dementerenden in verpleeghuizen neemt toe. Steeds meer mensen bereiken een steeds hogere leeftijd, terwijl een geneeskundige behandeling van het dementiesyndroom niet in zicht is. De verzorging van deze bewoners wordt vooral door verzorgenden gedaan. Toch is er merkwaardigerwijze nog weinig bekend over de wijze waarop verzorgenden met dementerenden omgaan en welke problemen zij daarbij ervaren. Uit buitenlands onderzoek was al wel naar voren gekomen dat de zorg voor dementerende ouderen gevoelens van machteloosheid, nutteloosheid en onzekerheid kan oproepen, met als gevolg een lage arbeidstevredenheid en burn-out verschijnselen. Op initiatief van twee stafmedewerkers van Verpleeghuis De Amstelhof in Amsterdam is een verkennend onderzoek gedaan naar de bejegening van dementerende verpleeghuisbewoners door verzorgenden en de problemen hierbij. Het onderzoek werd gefinancierd door de Directie Ouderenbeleid van het Ministerie van VWS en uitgevoerd door het Nivel. Naar schatting lijdt 6,5 % van de Nederlanders aan dementieverschijnselen, lopend van 0,4 % voor de groep van 55- 59 jaar tot 40 % van de mensen die ouder zijn dan 90 jaar (1994). Naar verwachting zal dementie in 2015 40 % vaker voorkomen. Een kwart van deze patiënten wordt vijf jaar na het manifest worden van de ziekte opgenomen in een verpleeghuis. Van hen woont 83 % hier tot aan het eind van zijn leven. Daarom moet het leefklimaat in het verpleeghuis zo gunstig en prettig mogelijk zijn voor de bewoners. Daarom is onderzoek naar de bejegening door de zorgverleners van groot belang. Twee soorten problemen In de omgang met dementerende bewoners onderscheidt men twee categorieën problemen: problemen met specifieke gedragingen, zoals agressief, aanstootgevend of depressief gedrag, en meer algemene problemen met het omgaan met deze bewoners, zoals omgangsproblemen tijdens de ochtendzorg, gebrek aan tijd, gevoelens van machteloosheid en problemen door gebrek aan waardering door bewoners. Verzorgenden vinden vooral het hanteren van een specifieke gedragingen erg moeilijk. Velen van hen geven aan dat zij moeite hebben met agressief gedrag, zeker als het fysiek is, en het dreigen ermee. Ook aanstootgevend gedrag (bijvoorbeeld naaktlopen, smeren met ontlasting, urineren op willekeurige plaatsen), depressief gedrag (zoals het uiten van doodswensen) en angstig gedrag is voor velen erg moeilijk om mee om te gaan. Veel minder moeite heeft men met de omgang met dementerenden in het algemeen, behalve dat men het gevoel heeft voortdurend te weinig tijd te hebben voor extra zorg (bijvoorbeeld aandacht geven en activiteiten ondernemen). Eenderde van de verzorgenden ervaart gevoelens van onmacht in de zorg voor demente bewoners. Communicatie De verbale communicatie van verzorgenden met demente bewoners is voor een groot deel instrumenteel en gericht op het structureren van het zorgcontact. In het algemeen gaan verzorgenden goed na of de bewoner hen begrepen heeft, en controleren zij steeds of zij de bewoner goed hebben begrepen. Zij geven gewoonlijk ook duidelijk aan wat de volgende stap is in de zorgverlening. Er wordt veel informatie uitgewisseld over de zorg, het leven in het verpleeghuis en alledaagse zaken. De verzorgenden kijken de bewoners tijdens de verzorging relatief weinig aan, slechts in 14 % van de tijd. Dit staat tegenover de observatie in de thuiszorg en verzorgingshuizen, waar verzorgenden de bewoners tijdens de verzorging gedurende 40 % van de tijd aankijken. Bewoners van een verpleeghuis worden veel vaker instrumenteel aan geraakt dan bewoners van verzorgingshuizen (40 % tegenover 20 % van de tijd). Beide waarnemingen zijn te verklaren uit de gegevenheid dat bewoners van verpleeghuizen hulpbehoevender zijn en daardoor intensievere hulp nodig hebben. Affectieve aanrakingen kwamen gedurende 5 % van de tijd voor; dat is tweemaal zo vaak als in de thuiszorg en in het verzorgingshuis. Wanneer verzorgenden het gevoel hebben gewaardeerd te worden door de bewoners, communiceren zij op een meer positieve wijze met de bewoners. Omgangsregels De meeste verzorgenden hebben duidelijke ideeën hoe met dementerenden moet worden omgegaan. Voor de omgang met demente bewoners zijn ook omgangs- regels opgesteld. Deze zijn afgeleid van de bestaande begeleidingsmethodieken. Verreweg de meeste verzorgenden geven aan zich aan deze regels te houden. Het blijkt dat hoe meer de verzorgenden zich aan deze omgangsregels houden - met uitzondering van de regels die tot doel hebben de bewoner te stimuleren contact met de werkelijkheid te houden -, des te minder zij problemen hebben met de omgang met bewoners en hun familie, met gevoelens van machteloosheid en onzekerheid, met stervensbegeleiding en met het gebrek aan waardering van bewoners. Belangrijk voor de bewoners is ook, dat de verzorgenden gewoon een praatje komt maken. Dit aspect van verzorging zou in de opleiding meer aandacht moeten krijgen. Tijdgebrek Opvallend is dat er geen duidelijke relatie is tussen de ervaren problemen met specifieke gedragingen van de dementerende bewoners in de verzorging en de arbeidsvoldoening, gevoelens van opgebrand zijn en ervaren gezondheid van verzorgenden. Het ervaren gebrek aan tijd heeft daarentegen een sterke invloed op de tevredenheid met de werklast, de tevredenheid met de kwaliteit van zorg en de totale arbeidstevredenheid. Wanneer verzorgenden problemen hebben met het vinden van evenwicht tussen emotionele betrokkenheid en professionele afstand, problemen ervaren in de omgang met bewoners en familie, problemen met het gevoel te hebben niet gewaardeerd te worden door de bewoners en problemen hebben in het geven van stervensbegeleiding, raken zij vaker emotioneel uitgeput en voelen zij zich minder bekwaam (burn-out). Verzorgenden die tevreden zijn met hun werk wisselen meer informatie uit met bewoners, stimuleren dezen vaker om een eigen mening te hebben, testen hun kennis minder vaak en raken hen vaker affectief aan dan verzorgenden die minder tevreden zijn. Naarmate de verzorgenden meer tevreden zijn over met hun werk in het algemeen en de kwaliteit van zorg die zij verlenen, worden zij door de bewoners positiever beoordeeld. Investeren in de toekomst Door de toenemende vergrijzing zal het tekort aan verzorgenden voorlopig alleen maar toenemen. Daarom is het niet alleen belangrijk dat er nieuwe verzorgenden komen, maar ook dat degenen die als verzorgende werken plezier in hun werk houden en niet opgebrand raken. De onderzoekers stellen dan ook dat het noodzakelijk is in de verzorgenden te investeren, hun bij- en nascholing te geven en werkbegeleiding en multidisciplinair overleg te bieden voor een effectieve omgang met deze groep bewoners. Het mes snijdt hierbij aan twee kanten: de arbeidsvreugde van de verzorgenden wordt groter, en de kwaliteit van de geboden zorg wordt beter.