ArticlePDF Available

"Wat hebbie er nog aan dan?" Meer leren uit de praktijk van het vmbo.

Authors:

Abstract

In het VMBO is er altijd veel aan de hand. Niet vreemd voor een onderwijssector waarbinnen meer dan de helft van de 12-16 jarigen in Nederland zich dag in dag uit met elkaar en de leraren voorbereiden op de toekomst. Veel scholen zij op zoek naar de juiste balans tussen het motiveren van leerlingen met 'echte' praktische opdrachten en het bijbrengen van kennis. Tussen 2005 en 2010 heb ik veel van mijn tijd doorgebracht tussen de leraren en leerlingen op technische vmbo's. In het proefschrift dat daarop volgde was niet voldoende ruimte voor alle indrukken die ik daar heb opgedaan. Hieronder beschrijf ik die geweldige indruk, die de leerlingen en de leraren van het vmbo op mij gemaakt hebben.
'Wat hebbie er nog aan dan?'
Meer leren uit de praktijk in het VMBO
In het VMBO is er altijd veel aan de hand. Niet vreemd voor de onderwijssector waarbinnen meer dan de
helft van de 12-16 jarigen in Nederland dag in dag uit met elkaar en de leraren zich voorbereiden op de
toekomst. Veel scholen zijn op zoek naar de juiste balans tussen het motiveren van leerlingen met 'echte'
praktische opdrachten en het bijbrengen van kennis. Tussen 2005 en 2010 heb ik veel van mijn tijd
doorgebracht tussen de leraren en leerlingen op technische VMBO's. In het proefschrift* dat daaruit volgde
was niet voldoende ruimte voor alle indrukken die ik daar heb opgedaan. Hieronder beschrijf ik die
geweldige indruk, die de leerlingen en leraren van het VMBO op mij gemaakt hebben.
Belangrijkste vraag die ik met mijn onderzoek probeerde te beantwoorden was: hoe leerlingen in de
afdelingen techniek uit praktische opdrachten meer leerden dan alleen vaardigheden? Kort gezegd gaat het
erom de leerlingen duidelijk te maken wat ze eraan zouden hebben om de stelling van Pythagoras te leren
gebruiken voor het meteen goed afzagen van een stuk staal. Dat ze zich dus niet zoals Sander afvragen: “Wat
hebbie daar nou nog aan dan?” Sander moet zelf kunnen zien dat de wiskunde bijvoorbeeld modellen en
denkstrategieën biedt die praktisch van nut kunnen zijn. Over de onderzoeksresultaten later meer.
In de vijf jaar die mijn onderzoek duurde heb ik veel scholen bezocht. Sommige perioden was ik meer tijd
in het praktijklokaal dan in mijn kamer op de Vrije Universiteit. Tegen de 200 VMBO-ers en ben ik
tegengekomen en rond de 30 leraren. Door de observaties, interviews en alle gesprekken in de wandelgangen
heb ik de indruk gekregen dat het VMBO inderdaad de innovatiefste onderwijssector is, zoals VMBO-lector
Jos van de Waals aangeeft met de titel van zijn oratie (Van der Waals, 2009). Hij stelt dat er daar de
afgelopen jaren een stille revolutie gaande was. De scholen hebben ruimte gekregen en ook genomen. De
regelgeving heeft goede inititiatieven gevolgd, zoals bijvoorbeeld flexibele examinering. Wat ik gezien heb is
hoe de leraren en leerlingen daarmee omgingen. Hoe zij die ruimte namen. Zoals ik het nu zie zijn zij zeer
praktische, creatieve, denkende doeners.
Sander vormde samen met Ryan en Achmed het eerste groepje dat een tandemdriewieler ontwierp en
bouwde. Sander dacht niet dat hij nog iets had aan de oplossing van een natuurkundig probleem dat zich
voordeed tijdens het bouwen. Ryan dacht van wel. Hun discussie ging over hoe ze samen met een
wiskundeleraar een oplossingen hadden gevonden voor het overbrengingsprobleem. Dat was een terugkerend
probleem voor de leerlingen tijdens het ontwerpen en bouwen van de tandemdriewieler. De meeste gewone
driewielers trappen direct op het voorwiel. Zodra er een tweede persoon ook moet trappen, moet er een
andere oplossing bedacht worden. De VMBO-ers zijn daar erg creatief in gebleken. In de case study hebben
Rob en Sietse het opgelost door de tweede persoon te laten trappen zoals dat op een gewone fiets gaat: door
een crank en een ketting naar de achteras (zie de bouwtekening). Daarmee kwamen zij als eerste voor het
probleem van overbrenging te staan. Hoe moeten de tandwielen zich tot elkaar verhouden? Ze riepen de hulp
van de wiskundeleraar in, die hen hielp de verhouding uit te rekenen. De ratio (!) voorwiel-tandwiel bleek
bijna één en dus hoefde er niets aangepast te worden in de bouwtekening.
In de videobeelden die daarvan zijn kun je zien dat er eerst in het praktijklokaal, later aan het bureau van
de wiskundeleraar, veel gedacht moest worden om een praktisch probleem op te lossen. Dat denken ziet er
alleen wat anders uit dan met de kin op de hand steunen en wazig voorruit staren. Denken gebeurt al doende.
Door bijvoorbeeld iets vast te pakken, rond te draaien, op te meten. Ryan zag ik bijvoorbeeld op de grond
streepjes trekken om de afstand die een wiel aflegt in één omwenteling te meten. Terwijl hij dat deed, zag hij
in dat dat niet de oplossing was voor het overbrengingsprobleem dat hij samen met Sander probeerde op te
losssen.
Ook de leraren op de VMBO's die ik heb gezien waren zeer praktisch, creatief en oplossingsgericht. Ik
heb ze ook daarom de ruimte gegeven zelf de precieze invulling te laten bepalen van de interventies. Ik
legde uit wat de bedoeling was, zij werkten dat uit in lessen en begeleiding. Om de leerlingen een beter beeld
te geven van de problemen bij het bouwen van een tandemdriewieler is er op verschillende scholen gekozen
om te werken met schaalmodellen. Op de ene school waren dat draadmodellen gemaakt van koperdraad, op
de andere school een constructie van technisch lego. Het idee erachter was dat van driedimensionaal denken
(de werkelijkheid) via tweedimensionaal (een tekening), weer naar driedimensionaal (de driewieler), erg
lastig is. Of, zoals een leraar het zei: “Als je ze in een ruimte zonder stoel zet en vraagt een stoel te tekenen,
dan kunnen ze dat niet.”
Ik denk dat de uitspraak van de leraar hierboven maar deels waar is. Het is waar dat leerlingen in 3 en 4
VMBO niet een stoel tekenen volgens de technische eisen van een bouwtekening, of vanuit een consequent
perspectief. Maar dat is nu juist de kans. Door ze tekenen te leren creëer je aanknopings punten met wis- en
natuurkunde. Het gaat er dan wel om dat een goede tekening een functie heeft voor de leerlingen. Ze moeten
eigenlijk niet zonder kunnen. In het onderzoek vroeg ik de leerlingen daarom om een prototype inclusief een
bouwtekening. Algemener zou je kunnen zeggen dat het ontwerp- en bouwproces dus op het echte proces
van productontwikkeling zou moeten lijken. Daar hebben tekeningen altijd meerdere rollen: ze helpen het
denkproces over het ontwerp, ze communiceren over het ontwerp en ze presenteren het uiteindelijke
ontwerp. Als leerlingen gewezen worden op die rollen van de tekeningen in het proces, dan kunnen ze
aansluitend ook leren over het wis- en natuurkundige daaraan. Een leerling van een school in het oosten van
het land legde bij zijn presentatie voor medeleerlingen uit waarom hij 3D-CAD software1 had gebruikt. Zijn
uitleg: “... je kunt dan beter zien hoe het eruit gaat zien.” Precies dus de reden waarom op andere scholen
schaalmodellen werden ingezet. Maar ook het bewijs dat VMBO-ers zelf op zoek gaan naar stategieën om
efficient te werken. Bovendien bewijs dat ze, zonder een echt voorbeeld, wel een tandemdriewieler kunnen
tekenen. Daarvoor hebben de leerlingen hulp en ruimte nodig. Daar moet de leraar de balans in vinden.
Op de school in het oosten was er klaarblijkelijk genoeg ruimte voor de leerling om te experimenteren
met 3D-software, andere studenten gebruikten nog 2D. Tegelijk was er hulp genoeg om dat nog te oefenen
en missers te maken. In dezelfde presentatie bekende de leerling: “Ons ontwerp was iets te ingewikkeld. We
1 Computer Aided Design software.
hebben eigenlijk alleen het frame afgekregen zoals gepland.” De groep is aan het einde geholpen om de
driewieler wel af te krijgen door concessies te doen aan hun ontwerp. Op een school in het zuiden hadden
leerlingen vooraf een uitgebreide discussie over het helemaal eigen ontwerp dat ze zouden kiezen met het
oog op de haalbaarheid: “... het is niet moeilijk om te doen. Het is geen heel bouwpakket dat weer uit elkaar
en in elkaar [moet].” (Dat wel zou moeten als ze bestaande fietsen zouden nemen.) Hun discussie gaat verder
over hoe, als ze twee driewielers bouwen die ook los kunnen, het stuur van de achterste werkt als deze
gekoppeld wordt aan de voorste (zie foto). Hun leraar volgt het einde van de discussie van een afstandje,
maar zegt verder niets. Wat deze leraar wel doet, is aan de hele klas uitleggen hoe je de overbrenging kunt
uitrekenen, zoals gezegd een probleem dat bijna altijd naar voren kwam. Hij koppelde op het bord daarvoor
wiskunde, natuurkunde en techniek aan elkaar op basis van de ontwerpen van de leerlingen. Uitgaande van
de vraag hoe groot de tandwielen moesten zijn, rekende hij voor hoe je de omtrek van een cirkel uitrekent,
hoe overbrenging van het ene naar het andere tandwiel werkt en hoe dat te berekenen is en dat dat ook terig
te zien is bij draai- en freesbanken in het prakijklokaal. Hij maakte de theorie dus expliciet in de praktijk op
een manier waarbij voor de leerlingen de functie ervan voor hun duidelijk werd. De leerlingen kregen ruimte
voor hun eigen ontwerp en hulp bij de koppeling theorie-praktijk.
Uit de kennistesten die ik heb afgenomen heb gedurende mijn onderzoek, bleek dat er weinig tot geen
verschil zat in de scores zat tussen scholen. Het maakte niet uit of een school de leerlingen hielp zoals
hierboven beschreven, of dat het proces minder ruimte gaf aan de leerlingen. Wel bleken de tekeningen van
de scholen met meer ruimte over het algemeen beter van kwaliteit en bleven ze langer aanwezig in het
bouwproces van de leerlingen.
Samengevat zou je kunnen zeggen dat de 'open' steun die de leerlingen kregen van de leraren, de
expliciete verbinding naar theorie en het simuleren van het proces van productontwikkeling, tezamen een
manier is om meer te leren dan alleen maar lassen. In het onderzoek proberen we dat te vangen onder de
naam guided co-construction, begeleid herontdekken (zie kader?). Het is een onderwijpedagogisch concept
dat de dichotomie tussen zit-en-luister-onderwijs en laat-maar-waaien-onderwijs, of tussen oud en nieuw
leren, kan overbruggen. De stille revolutie is dat leraren en leerlingen dat op verschillende VMBO's gewoon
aan het proberen zijn. Zij creatief omgaan met de ruimte zie ze krijgen van overheid en management en, voor
leerlingen, met de ruimte binnen eindexameneisen en rapportcijfers. Ik heb gezien dat het soms heel goed
lukt, maar dat er soms ook meer hulp nodig is. Het liefst hulp die ook tegelijk ruimte geeft.
* Het proefschrift waarin het onderzoek beschreven staat heet: “Co-constructing models as tools in
vocational practice. Learning in a knowledge-richt environment” (ISBN 978-90-484-1585-4).
Daarnaast is er een Nederlandstalig boek uitgegeven: “De hersens kraken in de praktijk van het VMBO”
(ISBN 978-90-484-1586-1) dat de basis is voor een documentaire over de ervaringen van de onderzoeker in
het VMBO. Voor meer informatie zie www.mvanmartijn.eu
Kader
Begeleide co-constructie
Vaak wordt het leren van theoretische kennis vanuit de praktijk DEcontextualiseren genoemd.
Men bedoelt dan te zeggen dat de specifieke context van bijvoorbeeld het probleem
weggenomen wordt en dat dan zo de oplossing ervan algemener of generaliseerbaarder is. Een
voorbeeld is de overbrenging van de tandemdriewielers. In de opdracht voor de leerlingen is het
een specifiek probleem: hoe zorgen we dat beide kinderen op de fiets kunnen trappen? Als een
leraar vervolgens uitlegt hoe overbrenging in het algemeen werkt, is de specifieke context van
het probleem verdwenen. Toch is het beter om te spreken van REcontextualiseren dan van
DEcontextualiseren. Een context is niet en kan niet weg zijn. Elk probleem heeft een context,
maar verandert. Van een praktische bouwcontext krijgt het overbrengingsprobleem bijvoorbeeld
een natuurkundige, of wiskundige context. Wat je dus zou willen is dat vanuit de praktische
context de leraren leerlingen helpen hun kennis te recontextualiseren naar een meer theoretische
context. Zo wordt hun kennis flexibeler.
In mijn onderzoek heb ik dat proces, hoe leraren leerlingen begeleiden bij het
recontextualiseren, guided co-construction genoemd. Guided, omdat de leerlingen dat niet
alleen en niet zonder hulp doen: leraren geven aanwijzingen en uitleg, stellen vragen en doen
soms voor. CO-construction omdat de leerlingen in groepjes samenwerken en door die
samenwerking ook van elkaar leren. In lelijk Nederlands: begeleide co-constructie. Het is een
soort derde weg tussen geheel zelfontdekkend leren en docent gestuurde directe instructie.
Zie verder:
Van Oers, B. (1998). The fallacy of decontextualisation. Mind, Culture and activity, 5(2), 135-
142.
Van Oers, B. (2007). Voorbij het nieuwe leren. Pedagogiek, 27(2), 11-119.
Tekening:
Bouwtekening van tandemdriewieler met overbrenging achter. Gemaakt door de leraar
Foto
Twee driewielers samen als tandem
ResearchGate has not been able to resolve any citations for this publication.
ResearchGate has not been able to resolve any references for this publication.