Project

The sociology of social control in European metropolises

Goal: This 'second' phase of the PEMP Project delimits the scope of objects to the formulation of public policies for policing European metropolises which, in particular cases, are signalled by the formulation of medium-term ‘strategic plans’ that run concurrently with elected terms of office (for example the four year term of office for the elected Mayor of London). In these terms the comparative work undertaken for the second phase of the Project delimits the objects of analysis to ‘public’ (not commercial, involuntary or informal etc.) policing, ‘policy formulation’ (not implementation or outcomes) that is ‘strategic’ and concerned with medium-term planning and agenda-setting (not operational policing). We want to ensure that there is a compatibility between the foci of comparison in the various case studies of metropolitan policing considered in this Project and to privilege, in the first instance, a concern with the capacity of metropolitan authorities to set their own policing agendas.

In this international research project (10 EU countries) 22 metropolises are compared on and "governmental arrangements" (role of the mayor, role of the public police and plural policing) and on "governance dispositions" (agenda setting on crime and disorder and programs and interventions). The objectives are to dissiminate a first transparent overview of different practices of social control in metropolises and fill in a knowledge gap, to analyse convergent and divergent tendencies and search for explanations of these differencies. The urban regime theory (Stone, 1989)is leading.

Methods: Collaborative Learning

Date: 1 January 2013

Updates
0 new
12
Recommendations
0 new
2
Followers
0 new
55
Reads
1 new
579

Project log

Elke Devroe
added 3 research items
Toezicht vindt plaats op alle niveaus van de strafrechtelijke keten. Deze bijdrage geeft een inventaris van de vormen van toezicht op politie, en dit zowel in België als in Nederland. Deze bijdrage behelst slecht een gedeelte van een uitgebreid onderzoek naar alle vormen van toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden, in een vergelijkend perspectief tussen België en Nederland . De bijdrage is gebaseerd op empirische gegevens, in totaal werden 43 bevoorrechte getuigen bevraagd, waaronder voor België de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, Procureurs-Generaal, voorzitters van hoven van de rechtbank, onderzoeksrechter, leden van het Comité Politie, strafprocesexperten, advocaten, leden van de Algemene Inspectie, korpschefs, enz… In de loop van het onderzoeksproces werd duidelijk dat het niet alleen belangrijk is de meest belangrijke toezichtsvormen te onderscheiden en aan de hand van expertinterviews in hun praktijkwerking te bestuderen, maar ook de kerncompetenties en de voorwaarden aan dewelke dit toezicht moet voldoen. De theoretische uitgangspunten van toezicht (definiëring, modaliteiten en voorwaarden) die in een volgende paragraaf aan bod komen bieden immers een kader waaraan de praktijkwerking kan worden getoetst. Het empirisch onderzoek, gevoerd aan de hand van expertinterviews met belanghebbende personen binnen het toezicht in Nederland en in België, geeft de perceptie van de respondenten weer over de werking van het toezicht en op de verschillende instanties die hiervoor in het leven werden geroepen. De interviews met experts uit het werkveld zijn vooral bedoeld om de eigen dienst waarbinnen de respondenten hun taak van toezicht uitoefenen in de praktijk te leren kennen. De omschrijving die het wettelijk kader voorziet voor de toezichthoudende actor of dienst wordt immers op een praktijk-eigen wijze ingevuld op de werkvloer. Zo werd bijvoorbeeld bijkomende informatie verschaft over het concrete reilen en zeilen van toezicht in de praktijk, de samenwerking tussen de ketenactoren of over belangrijke beheersprocessen van invloed op de kwaliteit van het toezicht in de betreffende organisatie. Ook gaven de respondenten impressies van hun perceptie van andere toezichtdiensten dan de eigen dienst of organisaties, percepties die als voorzichtige graadmeter kunnen worden beschouwd voor effectiviteit. Deze bijdrage wordt dan ook verrijkt met citaten (anoniem), waarbij wel de functie van de ervaringsdeskundige wordt weergegeven. We schetsen de indeling van deze bijdrage. In een eerste hoofdstuk wordt een afbakening gegeven van het begrip toezicht. Het begrip toezicht verdient immers een afbakening. Verschillende toezichtvormen genereren immers verschillende interventiemogelijkheden en beïnvloeding. Vanuit rechtsstatelijk oogpunt zijn de verschillende toezichtvormen - van bijvoorbeeld een hogere hiërarchische verantwoordelijkheid of door de wetenschap - nogal verschillend. Daarom moet gevraagd worden welk toezichtbegrip relevant is in de keten en welk toezicht bijdraagt aan de juiste checks and balances in de keten. Wat wordt er onder toezicht begrepen? Aan welke voorwaarden moet toezicht voldoen om van toezicht te kunnen spreken? Een tweede hoofdstuk schetst de inventaris van het intern en extern toezicht in België en Nederland volgens de trias politica. In een derde meest belangrijke hoofdstuk tenslotte komt het toezicht op de politie aan bod. Een vierde hoofdstuk voorziet in een besluit -dat vooral gebaseerd is op rechtsvergelijkende elementen tussen de beide landen- en een aantal aanbevelingen.
In de toekomst zal de stedelijke populatie alleen maar toenemen (United Nations, 2014). In het begin van de twintigste eeuw woonde zo’n 13% van de wereldbevolking (toen 1,6 miljard) in steden. In 1950 was dat 29% en in 2005 al 49%. Dat aantal zal stijgen tot 60% in 2030. Dat betekent dat het aantal stadsbewoners is gestegen van 220 miljoen, over 730 miljoen tot ruim 4,9 miljard vandaag (Corijn, 2015). Het concept ‘glocalisering’ vertolkt het idee dat, als gevolg van een grotere mobiliteit van kapitaal, werk, goederen en diensten over de nationale grenzen heen steden de motor zijn van innovatie en verandering (Devroe et al., 2017). Dit brengt allerlei veiligheidsrisico’s met zich mee; criminaliteit (en vooral geweld) stijgen al jaren in stedelijke gebieden, met potentiële uitdagingen in de toekomst tot gevolg, vooral voor preventie en handhaving door politie. Metropolen worden ‘key nodal points’ (Castells, 1996) in een geïntegreerd netwerksysteem van sociale relaties genoemd, waarbij nationale overheden zich steeds meer oriënteren rondom de belangen van ‘powerful’ steden (Scott, 2012; Clegg, 1989; Edwards et al, 2017). Steden communiceren - meer dan nationale staten - met elkaar in een ‘world urban system’ (King, 1997). Grote maatschappelijke ontwikkelingen als vergrijzing, technologische ontwikkelingen, veranderende sociale cohesie, Europeanisering, ‘verveiliging’ (securisation), responsabilisering, neoliberalisering, plural policing, consumentalisme, privatisering en militarisering, ecologische bewustwording, migratiestromen, toenemende diversiteit en ongelijkheid, financiële crisis, maar ook de dalende criminaliteit, uiten zich het scherpste in grootsteden, waar verschillende schalen (internationaal, nationaal, regionaal en lokaal) samenvloeien in stedelijk politiek beleid. Grootsteden kunnen worden vergeleken met knooppunten waar nieuwe democratische ordeningsprincipes samenvloeien en mondiale uitdagingen tot lokaal politieke kwesties worden omgebouwd. Maatschappelijke evoluties zijn het meest zichtbaar in grootsteden en een politioneel veiligheidsbeleid zal daarop moeten afgestemd zijn. De sociaaleconomische structuur en ontwikkeling van steden wordt eerder bepaald door hun rol in de wereldeconomie dan door de dynamica van hun eigen land. In dit kader wordt ook wel melding gemaakt van ‘global cities’. Grootsteden werden toonaangevend bij de besturing van maatschappelijke ontwikkelingen die ontstonden na de installatie van de vier vrijheden in de Europese Unie (Area of Freedom, Security and Justice), namelijk grotere mobiliteit van kapitaal, arbeid, goederen en diensten tussen nationale grenzen (Guild & Carrera, 2010). Comparatief onderzoek in steden is dan ook uiterst relevant. Nationale overheden stemmen zich steeds meer af op de belangen van metropolen (Scott, 2012) en de agenda van lokale coalities. Nationale (of federale) regionale en lokale besturen kennen elk hun eigen circuits of power (Clegg, 1989), en deze machtverhoudingen zijn ‘rooted in a system of social networks’ (Foucault, 1982: 793 in Kokx & Van Kempen, 2010). Stedelijk beleid komt niet langer top down tot stand vanuit de natiestaat, maar ontwikkeld zich in netwerken. ‘Rather than seeing state power as fixed social control, local governance is about the social production of power’ (Taylor, 2007). Het onderzoek kent een grote sociaal maatschappelijke relevantie. Inzichten afgeleid uit het proces van prioritering bij de agendasetting en voorgestelde maatregelen voor veiligheidsbeleid in grootsteden hebben immers een impact op de privacy, veiligheid en vrijheid in de samenleving. Het veiligheidsbeleid heeft verder een directe invloed op het dagelijkse leven en de vrijheid van inwoners, forenzen, toeristen en bedrijven in de grootstad. Daarnaast kunnen burgers en andere partijen inzicht krijgen in hoe bepaalde onderwerpen op de politieke en bestuurlijke agenda kunnen worden geïnterpreteerd. Daarom besloot een groep wetenschappers de stedelijke agenda voor de komende jaren (meestal 2015-2020) in een aantal Europese grootsteden empirisch te bestuderen in het kader van het ‘Policing European Metropolises Project’ (PEMP) . In deze bijdrage doen wij verslag van dit grootschalig project. In een eerste paragraaf komt de theoretische achtergrond aan bod, gevolgd door de methode en tenslotte de resultaten. Een belangrijk onderdeel van de deze resultaten is de ‘diagnostische toolbox’, die door diverse steden en gemeenten wordt gebruikt om hun beleidsagenda mee op te bouwen .
In deze bijdrage worden de resultaten van het internationaal onderzoek Policing European Metropolises Project. The politics of security in city regions’ (Devroe, Edwards & Ponsaers, 2017) voorgesteld. Het theoretisch uitgangspunt daarbij werd gevormd door inzichten over de stad als ‘key nodal point’ (Castells, 1996 ), nodale knooppunten waar de gevolgen van globaliseringsprocessen het meest voelbaar zijn. Steden functioneren in een ‘world urban system’ waarbij zowel globaliseringsprocessen als nationale invloeden de stedelijke beleidsagenda inzake veiligheid beïnvloeden. De stelling van Clegg (1989) dat partijpolitieke macht de veiligheidsagendasetting in grote mate bepaalt, wordt getoetst in 22 Europese steden. Verschillen de agenda’s van elkaar (divergentie) of lopen ze gelijk (convergentie) en heeft dat inderdaad te maken met de rol, positie en partijpolitieke kleur van de burgemeester en de coalitie? Het concept ‘regime’ (Stone, 2005) werd vertaald naar de veiligheidsproblematiek en in een handzame ‘diagnostische toolbox’ gegoten, waarmee elke stad de veiligheidsmaatregelen opgesomd in het coalitieakkoord in kaart kan brengen. De resultaten in deze bijdrage geven inzicht in de diversiteit van stedelijke ‘regimes’ in Europa, geïllustreerd door concrete voorbeelden. Tevens wordt de rol en de positie van de burgemeester in Nederland en België geschetst als meest belangrijke speler in grootstedelijk veiligheidsbeleid.
Elke Devroe
added a research item
In 2013, we reported on the reform process in Belgium in Fyfe, Terpstra and Tops Centralizing Forces [1]. On March 22, 2016, Belgium was confronted with the most dramatic act of terrorism in its history. In this article, we sketch the consequences of these events on the police system and to what extent these events have transformed the community-oriented policing (COP) philosophy on which the police reform of 1998 was based.
Adam Edwards
added an update
Free access to eBook of Policing European Metropolises: the politics of security in city-regions by E. Devroe, A. Edwards and P. Ponsaers at:
Link live until 15th Septembere 2017
 
Paul Ponsaers
added 15 research items
Dit onderzoek is in opdracht van Politie & Wetenschap uitgevoerd door een team van onderzoekers uit Nederland en België. Het onderzoek in de twee Nederlandse wijken werd verricht door medewerkers van het Criminologisch Instituut van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Het Belgisch deel van het onderzoek werd uitgevoerd door de onderzoeksgroep ‘Governing & Policing Security’ (GaPS) van de opleiding Bestuurskunde, Hogeschool Gent(België) in samenwerking met de onderzoeksgroep ‘Sociale Veiligheidsanalyse’ (SVA) van de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Universiteit Gent.
De hervorming van het Belgische politiebestel ligt ver achter ons. Eén van de belangrijkste spanningsvelden ten tijde van de hervorming was zonder enige twijfel de positie van de voormalige gemeentelijke politie. Ons collectief geheugen is kort. Zo is de terughoudendheid van menig regeringslid en parlementair vergeten daar waar het precies over de gemeentelijke politie ging. Of de gemeentelijke politie moest worden opgeheven, daarvan was niet iedereen van de politieke klasse overtuigd, zeker niet die parlementairen die met een burgemeestersjerp om in het federaal halfrond mee op de stemknoppen drukten. Intussen zijn we zestien jaar later en deden zich enkele belangrijke, eerder sluipende, evoluties voor die dit vraagstuk actualiseren.
Toen de vernieuwde Belgische lokale politie van start ging op 1 januari 2001 na een diepgaande hervorming van het politiebestel werd het land ingedeeld in 196 politiezones. Op dat moment was iedereen die bij de hervorming betrokken blij met het feit dat eindelijk de kogel door de kerk was. Het terugbrengen van de 589 gemeentelijke politiekorpsen tot een bovengemeentelijke lokale schaal werd op dat moment ervaren als een belangrijke stap in het robuuster maken van de lokale politie. Intussen zijn de geesten gerijpt en wordt een stap gezet naar de vrijwillige fusering van politiezones. Dit boek wil daarbij een hulp zijn.
Paul Ponsaers
added a research item
In dit artikel gaan we nader in op de bestuurlijke agenda’s met betrekking tot ‘High Impact Crime’ (HIC) in diverse Europese metropolen, meer bepaald de agendasetting inzake HIC. De onderzoeksvraag luidt ‘welke regimes kunnen onderscheiden worden in de beleidsagenda’s in Europese metropolen ten aanzien van HIC en op welke wijze kunnen deze getypeerd worden?’ We gaan in deze bijdrage op zoek naar diversiteit in het Europees grootstedelijk beleid ten aanzien van HIC. Een redelijk stabiel en robuust beleid in een metropool noemen we een ‘regime’ . Dat betekent natuurlijk niet dat een dergelijke regime onveranderlijk zou zijn. Metropolitane regimes zijn o.i. tot op bepaalde hoogte ‘padafhankelijk’ (of historisch bepaald), en Europese metropolen verschillen onderling sterk in regime. In dit artikel hebben we het over ‘policing’ beleidsagenda’s, te onderscheiden van het beleid ten aanzien van het politieapparaat, gemeenzaam de ‘politie’ genoemd. Het begrip ‘policing’ wordt in de Angelsaksische literatuur gehanteerd om de activiteit van een complex netwerk van formele en informele publieke en private partners aan te duiden die bijdragen tot de realisatie van de politiefunctie, met name het verschaffen van veiligheid. ‘Policing’ verwijst dus naar het beleid ten aanzien van het brede netwerk aan actoren die betrokken zijn bij de realisatie van genoemde politiefunctie .
Paul Ponsaers
added 2 research items
Inleiding In 1996 publiceerde David Garland een spraakmakend artikel, getiteld 'The Limits of the Sovereign State' (Garland, 1996). Het stuk blijft tot op de dag van vandaag een belangrijk the-oretisch uitgangspunt, vooral dan met betrekking tot het domein van misdaadbestrijding, in eerste instantie in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, hoewel hijzelf sug-gereert dat zijn stelling ook elders kan gelden. Wat is die stelling dan? Volgens Garland werd in de afgelopen decennia de soevereiniteit van de staat ingrijpend aangetast, omdat diezelfde staat niet langer bij machte was verschillende domeinen van het sociaal leven, zoals ondermeer de criminaliteitsbestrijding, te controleren en te beheersen. Als gevolg daarvan ontwikkelden er zich, nog steeds volgens Garland, twee tegenstrijdige tendensen (Garland, 2001). Enerzijds trachtte de soevereine staat de verantwoordelijkheid voor de criminaliteitsbestrijding te herverdelen tussen diverse actoren in de samenleving (ten aanzien van een variëteit van actoren en diensten, private burgers, commerciële en non-profit organisaties, enz.). Dit ging gepaard met een gestage strategie om grote delen van het maatschappelijk middenveld te responsabiliseren, die betrokken werden middels allerhande convenanten en afspraken1. Anderzijds echter trachtte diezelfde soevereine staat haar monopolie inzake criminaliteitsbestrijding te herbevestigen, vooral wanneer het ging om het behoud van de controle en de coördinatie op de ermee gepaard gaande proces-sen, kortom om het claimen van wat we vandaag 'de regie' noemen. Hieruit resulteren – nog steeds aldus Garland – erg tegenstrijdige beleidsontwikkelin-gen, vertogen en praktijken inzake criminaliteitsbestrijding, die op hetzelfde moment naar voor komen op verschillende niveaus. Volgens Garland gaat het niet om een simpel proces waarbij verantwoordelijkheden en taken 'naar beneden' worden gedelegeerd, maar eerder om een nieuwe, complexe vorm van 'bestuur op afstand', een nieuwe wijze om macht uit te oefenen. De vraag die we ons hier stellen is of de analyse van Garland al dan niet opgaat voor ons land, mede onder druk van de voortschrijdende 'communautarisering'. Het is onze hypothese dat dit wel degelijk het geval is.
Maklu 8 Tussen woord en daad groeit een onoverbrugbare spagaat Paul Ponsaers 1 De gebeurtenissen in Parijs op 13 november 2015 hebben Europa grondig door elkaar geschud. Het ging dan ook om een ronduit weerzinwekkende reeks van aanslagen. De noodtoestand werd in Frankrijk afgekondigd en de Franse regering reageerde met fors militair geweld tegen IS. In de nasleep hiervan kwam ons land in toenemende mate in het vizier van internationale waarnemers, die wezen op Sint-Jans-Molenbeek als broeinest van de internationale terreur. Op advies van OCAD verhoogde de regering het dreigingsniveau naar het hoogst denkbare. Het leger verscheen in het straatbeeld, grootschalige huiszoekingen vonden plaats, an-ti-terreur maatregelen werden voorgesteld, de herstructurering van de Brusselse zonale politie kwam ter sprake, de verbreding van de inzet van de private veilig-heidssector verscheen op de agenda, en nog veel meer. Voorliggende bundel komt dan ook op tijd. Al te lang werd in België het probleem van radicalisering onderkend, doch veel te weinig doortastend aangepakt. Het is goed dat deze bundel er is en dat beschikbare kennis werd samengebracht. Het is ook erg bemoedigend te lezen dat dit boek materiaal bevat waarmee praktijkmensen in tal van situaties hun voordeel kunnen doen. Het is alvast een bemoedigend signaal en een sterk voor-beeld van de weerbaarheid die aanwezig is in de civiele samenleving. Er is niettemin nog bijzonder veel werk aan de winkel.
Elke Devroe
added a research item
This chapter discusses the most significant reform of the Belgian police system that occurred by law in 1998 3 . The actual implementation of the act dates from the beginning of 2001. The reform includes regrouping of the three regular police forces that existed previously. This involved the municipal police, the Gendarmerie, and the judicial police at the public prosecutor's office. These three police forces were rearranged into 'a single, integrated police force, structured on two levels'. In this chapter we will not limit ourselves to a purely formal discussion of this intervention. In the first paragraph we go back to the origin and significance of the three police forces that were grouped for the reform. The second paragraph goes into the reform and its background, and also how it worked out and how it continues to operate. We close in the third paragraph with an evaluation of the reform, which is discussed now, and also whether or not it is considered necessary to introduce new reform. Origin and significance of the Belgian system prior to the 1998 reform
Adam Edwards
added 2 research items
A key challenge for public criminology is the translation between concepts employed in policy discourse and those used by social scientists. Given that concepts constitute social problems and they can have multiple meanings for policy-makers and social scientists, then deliberation about what they signify matters in understanding how these actors can talk to, rather than past, one another in framing policy discourse about crime and revealing alternative policy agendas. This challenge is accentuated in the comparative context of European criminology, which is characterized by competing tendencies to generalize about problems of ‘Freedom, Security and Justice’ and to recognize the variegated problems and cultures of control across Europe. In this context, the presumption of universality can mistranslate concepts of crime and control by obscuring contextual insight, while the presumption of particularity can inhibit cross-cultural dialogue and deliberation. The paper explores this challenge in relation to the concept of ‘urban security’, which is prevalent in the policy discourse on social crime prevention, particularly in Central and Southern Europe. To establish the provenance, prevalence and significance of this concept, the paper discusses findings from a policy Delphi that structured deliberation about the meaning of urban security among criminologists sampled from the European Society of Criminology and policy-makers sampled from the European Crime Prevention Network. It concludes with reflections on the value of deliberative methods, such as the policy Delphi, for the cross-cultural validation of criminological constructs in comparative research.
In support of the Policing European Metropolises Project and as a starting point for investigating such a complex and challenging subject as policing the global city of London, the article provides an exposition of the current agenda for policing and crime as advanced by the London Mayor's Office for Policing and Crime (MOPAC), which assumed responsibility for police governance in January 2012. To justify this focus, the article draws upon distinctions made in urban regime theory about governing arrangements that seek to maintain, develop, reform or transform public policy agendas in the governance of cities. It uses these to question prospects for the MOPAC Policing and Crime Plan for 2013-16 and to provoke questions for further research into the lessons that can be drawn from this case for comparisons of policing in other European metropolises. In this regard, it is argued that the concept of the 'metropolis' implies an understanding of contemporary urban phenomena, such as crime and policing, as social products that have an integral relationship to a 'world urban system' of political, economic and cultural relations.
Elke Devroe
added 2 research items
Over de genese en de toepassing van de GASwet hebben we reeds uitvoerig gepubliceerd (Devroe, 2003, 2005, 2008, 2012a, 2012b, 2013a, Devroe & Ponsaers, 2005). De kroon op het werk was daarbij mijn joint PHD 'A swelling culture of control' onder promotorschap van Prof. G. Bruinsma (VU) en Prof. T. Vanderbeken (UGent), dat -intussen vijf jaar geleden- in 2012 werd verdedigd. Hierbij werd de 'Culture of Control' (D. Garland, 2001) als uitgangspunt genomen en getoetst in een continentale setting. In dit PHD kwamen 73 Vlaamse en Waalse experten aan het woord die van dichtbij betrokken waren bij de genese van de wet. Alle ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken die tussen 1986 en 2010 aan zet waren, werden geïnterviewd, alsook hun kabinetsmedewerkers en topambtenaren in beide landstalen (Devroe, 2012). Tevens werden experten uit de diverse gemeenschappen en gewesten en de steden Antwerpen en Luik geïnterviewd. In een eerste multiple case study werden de landen België, Nederland en UK vergeleken naar wetgevend dispositief en naar terminologie, nadien werden twee embedded cases Antwerpen en Luik in België zowel in-depth als vergelijkend onderzocht, naar implementatie van de GAS wet (Wet op de Administratieve Sancties). Het verbaasde ons dat niet één van de experten melding maakte van de overlastaanpak in Groot-Brittannië. Eén jaar voor de GASwet het daglicht zag (1999) werd in Groot-Brittannië immers de ‘Crime and Disorder Act’ (1998) aangenomen die een stringente overlastaanpak voorzag en het begrip uitbreidde tot ‘anti-social behaviour’ (Antonopoulos & Winterdyk, 2003). Voor ik mijn PDH bij Gerben maakte, was hij, zo gaf hij aan, niet echt bezig geweest met dit thema 'overlast in de openbare ruimte'. Hij vond vooral de verschillen tussen de Nederlandstalige stad Antwerpen en de Franstalige stad Luik interessant; en kon de vele citaten en de 'couleur locale' wel smaken. Alle Franse citaten werden voor de juryleden uit Nederland naar het Nederlands vertaald, wat soms afdeed aan de rijke schakeringen in bewoordingen die de Franse taal in zich draagt, zoals 'Les Flamands ont peur de la promiscuité de la grande ville' (Minister President Brussel Hoofdstedelijk Gewest). Het was een mooi en snel traject (twee jaar), deze afstudeerperiode bij het NSCR en de Gentse universiteit, na een voorstudie over dit thema van ongeveer vijf jaar. Aan het einde van dit traject, dat werd afgesloten met de verdediging in de grote aula van de VU in nabijheid van 150 Belgische en Nederlandse vrienden, was ik ervan overtuigd met dit project door te gaan in verder onderzoek. Het laatste woord was hierover immers nog niet gezegd, en ik had Gerben geïnteresseerd gekregen. Daarom besloot ik in zijn liber dit thema verder uit te breiden tot de meest recente ontwikkelingen in de UK, die wellicht -met of zonder Brexit- ooit wel naar Nederland zullen overwaaien. Het was onder ‘New Labour’ dat overlast en haar bestrijding voor het eerst aan de orde werd gesteld. Daarom wordt in deze bijdrage eerst de ‘Mother Act’, namelijk de ‘Crime and Disorder Act’ (CDA) (1998) besproken, gevolgd door haar opvolger de ‘Anti-social Behaviour Act’ (2003). Hierbij wordt zowel de aanleiding, de terminologie als de verschillende instrumenten om overlast aan te pakken besproken. Een meer recente evolutie die aan bod komt in deze bijdrage is de zgn. ‘Criminal Anti-social behaviour Order’ (CRASBO). voorwerp van debat in een recent congres van de ‘European Society of Criminology’ (Crawford, 2014). De nieuwe GASwet trad in 2014 in werking in België. Tijdens datzelfde jaar werd - onder impuls van eerste Minister David Cameron en de conservatieven - vernieuwde overlastwetgeving namelijk de ‘Anti-Social Behaviour, Crime and Policing Act’ (2014) gestemd. Ook deze meer recente evolutie wordt in deze bijdrage geschetst. De focus ligt op het wettelijk dispositief; de concrete praktijk komt hier niet aan bod. We sluiten af met een kritische noot en een terugkoppeling naar de Belgische GASwet, en hopen dat Gerben zo geïnteresseerd raakt dat hij opnieuw gebeten wordt door dit onderwerp.
The aim of this article is to examine whether, or not, the Belgian incivilities policy can be regarded as an example of a ‘swelling culture of control’ (Garland, 2001). To answer this research question, 6 central statements from Garlands work were formulatd as hypothesis and analysed in a continental setting. This article provides results present from reconstruction of 27 years of security policy in Belgium, more specific on problems of crime and disorder in public space. In-depth interviews were held with 72 experts (Ministers of Interior and Justice were all interviewed over this period of time) and a total amount of more than 450 documents were analysed, as well In Flanders as in Wallonia governance settings. The results pointed out that the law on incivilities of 1999 wasn’t conceptualised as a new instrument of control, but as the ‘‘final piece’’ of an ongoing effort in prevention from the early 90s. With the protests in some city suburbs in Brussels (Vorst, St. Gilles), and the electoral swing to the extreme right-wing party (Vlaams Blok), in 1991, the policy had to change. For the first time, complaints of citizens were heard about dirty streets, migration problems, abandoned houses, feelings of insecurity, and the minister of the Interior launched an enormous amount of money in prevention contracts with cities. Prevention strategies in the cities (situational, but also social) became the key word in tackling crime and feelings of insecurity. Many social projects, such as special programmes for drug addiction and street-corner workers, were financed by the government. There was a strong belief by the policymakers at that time that punitive answers to minor crime problems could only make things worse. The answer to the quality of life problems were not strong politics of behaviour, as in the United Kingdom, but politics of prevention. The central these of D. Garland that the USA and the UK are evoluating towards societies with a punitive turn and an increasing culture of control, does not apply for the continental setting of Belgium, at least not in the politics of disorder.
Elke Devroe
added 2 research items
In this special panel organised by Elke Devroe and Jan Terpstra within the framework of the Working Group 'Policing' of the ESC, a conceptual framework as well as empirical findings on plural policing evolutions in Belgium were presented. A comparison between the Mayors position in Belgium, The Netherlands and the UK was made.
Adam Edwards
added an update
Edwards, A., Chambers, S., Fyfe, N. and Henry, A. (2017) 'Metropolitan Policing Agendas in Britain: Divergent Tendencies in a Fragmenting State?', in E. Devroe, A. Edwards and P. Ponsaers (Eds) Policing European Metropolises: the Politics of Security in City-Regions, London, Routledge: https://www.routledge.com/Policing-European-Metropolises-The-Politics-of-Security-in-City-Regions/Devroe-Edwards-Ponsaers/p/book/9781138951556
Including discussion of Brexit and scenarios for metropolitan policing @CUSocSci @CUSocSciRsch @Cardiffcrim @Cardiff_CCLJ
 
Elke Devroe
added 2 research items
Inleiding In deze bijdrage wordt de administratieve afhandeling van overlast middels de wet op de gemeentelijke administratieve sancties 1 (GAS), die in 1999 in België werd gestemd, besproken. De Gas-wet hevelde de bestraffende bevoegdheid op overtredingen van de gemeentelijke verordeningen over van het klassieke strafrecht (politieparket en politierechter) naar de bestuurlijke overheid en kan daarom een vorm van alternatieve geschillenbeslechting worden genoemd, het thema van dit nummer. Het gaat hier om een administratieve afhandeling, onder bevoegdheid van de burgemeester, die het klassieke strafrechtsapparaat verlicht en uitholt. Tien jaar na de Belgische wetgeving voorzag ook Nederland een administratieve afhandeling van inbreuken op algemene plaatselijke verordeningen (APV) met de 'wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte' 2 . In tegenstelling tot België, wordt de 'overlast' als te bestrijden probleem uitdrukkelijk in de titel van de wet voorzien. In deze bijdrage gaan we vooral verder in op de genese van de GAS-wet. De vraagstelling luidt: Welke elementen speelden een rol bij de genese van de Gas-wet? Hoe kan deze wet gekaderd worden? Het empirische antwoord op deze vraagstelling kreeg vorm door een gedetailleerde toetsing van de 'culture of control' (Garland 2001) geoperationaliseerd in zes onderzoeksvragen, naar de continentale overlastsituatie in België. In deze bijdrage kaderen we de wet in historisch perspectief binnen een aantal grote tendensen die geleid hebben tot de keuze voor een alternatieve wijze van geschillenbeslechting van overlast. De Gas-wet wordt 1 Wet van 13 mei 1999 tot invoering van de gemeentelijke administratieve sancties, B.S. 10 juni 1999. 2 Het wetsontwerp "bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte" werd op 18 december 2007 in de eerste Kamer na stemming aangenomen. Vooraleer deze Wet werd gestemd werd de regeling in de loop van de parlementaire geschiedenis aangepast. Voorheen werd deze wet de "Wet kleine ergernissen in de gemeente" genoemd. Het gaat hier over de "Wijziging van de Gemeentewet in verband met de invoering van een bestuurlijke boete voor overtreding van een aantal voorschriften bepaald bij gemeentelijke verordening betreffende overlast in de openbare ruimte", kortweg de "Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte". De Wet is opgenomen in Staatsblad 44 van 19 februari 2008 (Kamerstukken 30 101), en trad op 15 januari 2009 in werking.
In deze bijdrage bestuderen we de toepassing in twee Belgische steden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt immers dat de overlastproblematiek vooral een stedelijk probleem vormt (Devroe, 2012; Ponsaers & Vander Beken, 2008). In deze bijdrage bespreken we de steden Antwerpen en Luik om een aantal redenen. De steden hebben een vergelijkbare grootte naar inwonersaantal en oppervlakte. Beide ondervinden al een aantal jaren een overlastproblematiek en pakken de overlast aan. De wet op de gemeentelijke administratieve sancties werd in Luik benut sinds 2001 en in Antwerpen sinds 2005. In beide steden bestaat voldoende ervaring en werden experts gevonden met een ruime kennis en ervaring over het onderzoeksthema.Door steden van een verschillende taalrol te bestuderen, kan ook de diversiteit van de regionale invloeden – uitermate belangrijk bij overlast – op de steden een plaats vinden in de analyse. Het onder-zoek werd uitgevoerd van 2010 tot 2011; wijzigingen die na de gemeenteraadsverkiezingen werden doorgevoerd, komen dus niet aan bod in deze bijdrage. In de eerste plaats bespreken we de multi-agency- aanpak, een aanpak die diverse partners integreert en overlast niet uitsluitend bestraffend aanpakt. Hier bestuderen we de kern van inclusief beleid. De inbedding van gemeenschapswachten en de taken die ze krijgen toegewezen speelt hier ook een belangrijke rol in. Een volgend punt wordt gewijd aan een ander kenmerk van inclusief beleid, namelijk ‘geen bestraffing met een GAS-boete zonder zorg’. Verder bespreken we de al dan niet actieve rol voor de burger, en bestuderen deze rol voor beide steden. We sluiten af met de proactieve aanpak voor overlast, en bestuderen die ook voor beide steden. Deze bijdrage schetst ook de politiereglementen die in beide steden werden inge-steld en de overlastprioriteiten. We besluiten met een beantwoor-ding van de vraag of de steden bij de implementatie van het overlastbeleid kozen voor een inclusief beleid en geven daarbij gemeenschappelijke punten en verschilpunten weer.
Elke Devroe
added 4 research items
In this paper, the meaning of the ‘governance of security’ in Belgium and the Netherlands will be explored. It is argued that the role of the mayor is substantial in both countries. This is why this article focuses explicitly on the political leadership of the mayor. The first section provides a comparison between Belgium and the Netherlands, contrasting their different constitutional-legal settlements and the relationship of these two cultures of control in the two countries. The consequences for which authorities and actors are ‘responsibilized’ for undertaking strategies of urban security governance are discussed. In a following section, the paper examines the current and potential challenges for governing urban security across both countries. In the final section, the dilemma of politics and science as drivers of policy responses to urban security problems is considered, identifying in particular certain deficits in mayoral expertise and training. The paper concludes that, despite a common tendency in comparative politics to group the ‘Low Countries’ together (given their strong historical and cultural connections), a powerful contrast is highlighted between the effects of federal and unitary constitution-legal settlements on policy responses to urban security.
De geschiedenis van het Belgische politiebestel wordt gekenmerkt door een opvallende nadruk op de gemeentelijke autonomie. Het blijkt evenwel dat dit dunne vernis er even snel afgehaald werd in het verleden, als erop gezet. Tot vóór de hervorming van 1998 van het bestel vertaalde de gemeentelijke autonomie zich in relatie tot de politie in een patchwork van kleine korpsen op 589 gemeentelijke terriroria. Het is markant dat doorheen de geschiedenis burgemeesters steeds erg hebben gehecht aan "hun" gemeentelijke politie. De één-op-één relatie tussen deze korpsen en de gemeenten werd voor de meerderheid van de korpsen doorbroken bij de invoering van de nieuwe lokale politiezones ter gelegenheid van de hervorming, in eerste instantie dan in méérgemeente zones. We tellen vandaag 195 zones en 589 gemeenten en er gaan stemmen op die pleiten ten voordele van de her-of opschaling van de zones. In de meeste (zoniet alle) gevallen wordt gepleit voor grotere zones. Dat betekent minder zones, bij behoud van een gelijk aantal gemeenten, en dus onvermijdelijk het verder doorknippen van de navelstreng tussen burgemeester en "zijn" korps. Deze discussie wordt evenwel al te snel en vaak gereduceerd tot een louter technische aangelegenheid, zonder een goed begrip van de betekenis van de gemeentelijke autonomie voor de politie vanuit een historisch perspectief. Dat is de reden waarom deze bijdrage in dit Cahier terugkeert naar de wortels ervan en de evolutie schetst ter zake, vóórdat de hervorming in 1998 een feit werd. Een stuk politieke geschiedenis dus, die veel te frequent vergeten wordt en verpakt in een politie-intern discours. 1. Ontstaan en evolutie van de gemeentelijke én de centrale politiezorg 1.1. De gemeentelijke politie en de autonomie van de gemeenten Op 26 september 1830 roept de voorlopige regering de Belgische onafhankelijkheid uit. Een paar maanden later wordt de Belgische grondwet, de Constituante, gestemd. De Belgische wetgever kiest voor een grote mate van gemeentelijke autonomie. Deze wordt in artikel 41 van de grondwet vastgelegd 3 . Er wordt in de grondwet niets specifiek ingeschreven met betrekking tot het statuut van de gemeentelijke of de landelijke politie. Bij de onafhankelijkheid is België een hoofdzakelijk ruraal land. Van de toenmalige 2.359 gemeenten waren er slecht een 20-tal met meer dan 20.000 inwoners en een 50-tal met meer dan 10.000 inwoners. In de meeste (kleine) gemeenten vinden we een landelijke politie, met andere woorden veldwachters. In de grotere gemeenten treffen we de gemeentelijke politie aan. De taken bestaan uit het doen toepassen van de politiereglementen inzake "de cabaretten, leurders " (Van Outrive, Cartuyvels & Ponsaers, 1991). Deze lokale politiediensten zijn vaak het voorwerp van harde kritiek wegens hun vermeend gebrek aan professionalisme.
In dit nummer van de Orde van de Dag worden de allereerste resultaten gepresenteerd van het project “Policing European Metropolises”, een comparatief onderzoeksproject in grootsteden, dat door prof. Em. P. Ponsaers en Dr. E. Devroe werd opgezet in april 2013. U vindt in dit nummer resultaten voor Sofia, Londen, Berlijn, Barcelona, Amsterdam, Rome en Parijs. We schetsen in deze inleiding het onderzoeksthema, de doelstellingen van dit project, de methode en het procesmatige verloop. In tweede instantie lichten we de verschillende bijdragen kort toe.
Elke Devroe
added a research item
Criminaliteitsbestrijding focuste vroeger op het straffen van de daders of het aanpakken van de oorzaken. Maar Europese politiediensten zijn nu in de ban van risicomanagement, het beheersen van risico’s die zich nog moeten voordoen. Twee Belgische wetenschappers Paul Ponsaers en Elke Devroe deden jaren onderzoek naar het fenomeen en luiden nu de noodklok.
Elke Devroe
added a research item
Dit interview kadert in een reportage samengesteld door Kristof Clerix naar wat de overheid deed met het geld dat werd besteed aan veiligheidsstudies door middel van subsidies van de Europese Commissie (onderzoeksprogramma's zoals Horizon 2020 en de Kaderprogramma's), subsidies vanwege Programma's voor Wetenschapsbevordering, departementen van diverse ministeries en de bedrijfswereld. Wat heeft al dat onderzoek opgebracht? Wat zijn nuttige applicaties die werden ontworpen door academici? In dit interview gaan criminologen Paul Ponsaers en Elke Devroe dieper in op een aantal tendenzen in de veiligheidsplanning (agendasetting in grootsteden) op basis van een onderzoek in 22 Europese metropolen in 9 verschillende landen. Dit grootschalig internationaal onderzoeksproject dat op basis van de 'collaborative method' (zonder externe subsidies dus) werd gevoerd leidde tot de publicatie 'Policing European metropolises. The politics of security in city-regions' (Devroe, E., Edwards, A., Ponsaers,P.) (Eds.) (2017) dat op 27 februari werd uitgegeven bij Routledge. De criminologen wijzen er op dat de aandacht voor bestraffing of rehabilitatie van de dader afgelopen jaren steeds verder opschuift naar allerhande vormen van risico management (pre-crime, Zedner), waarbij middels technologie (predictive policing, CCTV, etc...) getracht wordt misdrijven te voorkomen, en er dus voor te zorgen dat ze niet kunnen plaatsvinden. Ook infrastructurele ingrepen zoals hekken, barricades, het inperken van de publieke ruimte (environmental criminology) en het vroegtijdig opvolgen van mogelijke verdachten en hun naaste familieleden (Top 600 programma) behoort tot de nieuwe criminaliteitsbeheersing en handhaving van het 'risicomanagement'.
Elke Devroe
added 6 research items
Gedurende de avond van 13 november 2015 vindt een reeks van moorddadige aanslagen plaats in Parijs. Tijdens de aanslagen vallen 130 doden en 350 gewonden. Amper enkel maanden later, op 22 maart 2016, vinden in Brussel twee bomaanslagen plaats. Hier worden 35 dodelijk slachtoffers en 340 gewonden genoteerd. Tussen beide aanslagenreeksen zijn verschillende verbindende elementen. Eén hiervan is zonder enige twijfel de betrokkenheid van verdachten afkomstig uit de Brusselse gemeente Molenbeek. In dit artikel willen we ingaan op de centrale vraag waarom precies Molenbeek zo’n centrale plaats inneemt in het terreurdossier en op welke wijze hieraan kan geremedieerd worden? Een eerste deel beschrijft de gemeente Molenbeek als zodanig en de radicaliseringstendensen die zich gedurende de voorafgaande jaren voordeden in deze Brusselse gemeente. Er zal vastgesteld worden dat Molenbeek een “verwonde” gemeente werd gedurende het afgelopen decennium, die bij herhaling met het radicaliseringsprobleem werd geconfronteerd en in een neerwaartse spiraal terechtkwam. Nochtans zal opgemerkt worden dat niet zozeer het recherche- en gerechtelijk apparaat faalde in de strijd tegen het terrorisme. Bij herhaling werden immers grote groepen verdachten voor de rechter gebracht en veroordeeld. Het zal echter blijken dat dit niet heeft kunnen verhinderen dat een aantal onder hen verder radicaliseerde en betrokken raakten bij terreurdaden. De stelling die hier wordt verdedigd is dan ook dat niet zozeer het gerechtelijk kader faalde, maar dat alleen dit aspect onvoldoende was. Het is het bestuurlijk kader dat te gebrekkig werkte om radicalisering tegen te houden. In het tweede deel wordt een structurele diagnose gemaakt van de bestuurlijke context waarbinnen Molenbeek binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest functioneert en hoe de politiële aanpak hier al dan niet op aansluit. Hier wordt vastgesteld dat vooral de afstemming tussen het preventief-bestuurlijk luik enerzijds en het repressief-gerechtelijk luik anderzijds structurele gebreken vertoont, die niet langer kunnen worden teruggebracht tot individuele tekorten, maar eerder toe te schrijven zijn aan de breuklijnen die het land verdelen en in grote mate een goede afstemming tussen beide soorten van aanpak in de weg staan. Het gaat om constructiefouten die dringend om remediëring vragen.
One of the almost undisputed findings of contemporary policing studies is that the past few decades have witnessed a far-reaching pluralization of policing. Many countries, in different regions of the world, were confronted with the rise of new non-police providers of policing services. Increasingly, the myth of one organization (the public police) with a monopoly on policing lost its power of persuasion as a valid description of reality. Generally, the new agencies of policing concentrate on the management of petty crime and social disorder in public places. With this new situation, multiple providers, both public and private, have become involved in the prevention and management of crime and social disorder. It is often assumed that this development of the past three decades created a more or less quiet revolution (or what Bayley and Shearing (1996) called a ‘watershed’) in the systems of crime control and law enforcement. Although this claim has been disputed, also in the Anglo-Saxon world (Jones & Newburn, 2002), the proposition of the pluralization of policing often seems to have reached the status of a universal, world-wide trend. Until recently, however, outside the Anglo-Saxon world there has been a lack of empirical studies on plural policing. With the exception of the collection edited by Jones and Newburn (2006), the recent study by Terpstra, Van Stokkom & Spreeuwers (2013), and the volume edited by Edwards et al. (2014), there were no other international comparative studies of this issue. As a result, until now the claim of a universally similar trend of plural policing has remained largely uncontested. In fact, the absence of international comparisons implied that theories and explanations of plural policing were based only on a limited (Anglo-Saxon) sample of countries. As a consequence, there was an unanswered question concerning the extent to which descriptions and explanations of plural policing were also relevant to understanding recent changes elsewhere. For example, one question that must be asked is if there is something like a Western-European style of plural policing? Or are the differences between these European countries so great that the developments in policing cannot be gathered under a single conceptual label?
This article increases the body of knowledge on the origins of plural policing in a continental setting, more specifically in Belgium. Compared to other European countries, Belgium occupies a unique position, which can be explained by its particular constitutional setting. While non-police public actors execute police surveillance tasks in the public space, private security companies have no more competences than any ordinary citizen. Today maintenance of social disorder in the public space presents itself as a municipal patchwork, delineated by municipal autonomy and by political choices against privatisation. In this article we formulate an answer to the central research question “How did plural policing processes in Belgium originate and what is the current situation?” By means of a multiple case study with triangulation of methods, 27 years of security policy (1985-2012) are analysed. Contrasting with neo-liberal policies in the UK from the 1970s on, Belgian policy was shaped by the powerful presence of socio-democrats who occupied key ministry positions in the federal government, such as the minister of the Interior and the minister of Big Cities, throughout the entire time period. Political bargaining processes explain the ongoing investment in prevention and in “purple vests,” and the choice to exclude private actors in the public space.
Elke Devroe
added 4 research items
By including this chapter in the volume we want to avoid that each of the contributors has to explain the broad national policing context and the standing conditions in their chapters, while it is precisely the intention to focus on differences in metropolitan policing. In other words, the ambition of this publication is cross-national, even trans-national, comparison . But the endeavour is also intra-national. It was the merit of Wesley Skogan to suggest to compare in each country two or more major cities in one and the same country, trying to discover to what extent policing in these cities differ from each other. The underlying assumption is that differences in policing in metropolises in the same nation-state reflects the elbowroom of metropolitan areas to develop their own policing policy, in spite of one and the same national context. We assume that the reverse is also probable, more precisely that the absence of prominent metropolitan differences in one and the same country mirrors largely the dominance of a national security policy. Therefore it is necessary to include this chapter in the volume. Politics in European metropolises is largely characterized by the competition of power between the nation-state and metropolitan governance . In the majority of European countries the state police are still considered as the formal guardian (or the relic of a vanished age) of sovereignty on the national territory and the visible expression of state power. It seems that European nation-states consider police matters still as their property and that national governments conceive their police system as one of the national symbols of their existence. Police is considered as the visible presence of the state in public space. In this chapter we present a typology of different national police systems, useful for the interpretation of a metropolitan reading of policing realities within different national contexts. Given this general framework, we tried to build this typology on the question of (historical) national dominance or regional autonomy in policing.
It is presumed in the Policing European Metropolises Project (PEMP) that the metropolitan area is an increasingly important object of policing governance, given the transnational challenges encountered by European nation states, including the movement of capital, labour, goods and services enabled by the Treaty on European Union: the ‘Amsterdam Settlement’. In this sense, metropolitan policing is, in part, an artefact of the Amsterdam Settlement and the four freedoms which facilitate mobility across national territories and, in doing so, create new internal security fields. This is a principal insight of the concept of multiple, overlapping, internal security fields introduced in Chapter One of this collection. Illicit, as well as licit, capital, labour, goods and services move from particular localities to others and, especially, to the metropolises in which the markets for these are concentrated. This can be understood as a specific European instance of the broader process of ‘glocalisation’, a concept coined by social scientists to characterise greater transnational mobility and how this privileges certain localities that are able to project their political, economic and cultural power, acting as ‘command points’ (Sassen, 2001; Massey, 2007) in emerging global markets, whilst subordinating those localities that struggle to adapt to these global forces (Swyngedouw, 1997). The basic assumption behind the PEMP is that this process is producing a significant and uneven development of security problems and responses that need to be registered at the level of the metropolis, given that city-regions have different trajectories in the import and export of security problems. Contributors to this edited collection were invited to reflect on the particular significance of metropolitan policing in different nation-state contexts, as registered through reference to particular governing arrangements and policy agendas, in order to test and to adapt this proposition (see Chapter One, this volume). Contributions to Parts Two and Three of this book reflect on different trajectories for nation states in Europe and their implications for metropolitan policing, contrasting those nation states in which there has been an explicit attempt to create city-regions with metropolitan-specific policing plans or ‘metropolitan-centred metropolitan agendas’, as in Belgium (De Pauw and Easton, this volume), Britain (Edwards et al, this volume), Italy (Calaresu and Selmini, this volume), Germany (Aden and Frevel, this volume) and the Netherlands (Prins and Devroe, this volume), with those in which national policing strategies are predominant, or ‘national-centred metropolitan agendas’, produced by, inter alia, the defence of French Republicanism (de Maillard & Mouhanna, this volume), the transition from dictatorship in Portugal (Cardoso & Castro, this volume), the defence of Nordic social democracies (Virta & Taponen, this volume), or the transition from communism in Eastern and Central Europe (Modic et al., this volume). In Spain the reconciliation of regional conflicts between Catalunya and the Basque country on the one hand, and the Castilian State on the other, produces a series of quasi-national police agendas driven by each of these regional powers (Recasens i Brunet & Ponsaers, 2014).
De evolutie van “government” naar “governance” brengt in Europa het ontstaan van een grote variëteit aan politiële partnerships en de pluralisering van de reguliere politiefuncties mee. Ondanks het feit dat deze trend frequent werd beschreven en geanalyseerd door Angelsaksische auteurs vond er weinig onderzoek plaats buiten het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot deze evolutie. In dit artikel spitsen we ons toe op de organisatie van de Belgische reguliere politie en het doorschuiven van specifieke functies naar andere - zowel private als publieke - partners en actoren. We analyseren de situatie na de politiehervorming in 1998 en situeren de onderzoeksbevindingen in de bredere context van veranderingen in politiesystemen in verschillende landen. Centralisatie- en decentralisatiebewegingen beïnvloeden de tendens tot uitbesteding. Wat België betreft analyseren we de situatie op organisatie en operationeel vlak van de reguliere politie, en van publieke en private actoren die politietaken uitvoeren. Het empirisch onderzoek is gebaseerd op doctorale resultaten (Devroe, 2013). In het besluit openen we de discussie omtrent de specifieke plaats die de reguliere politie inneemt, die we hier noemen de “kannibalistische politie”, in het veiligheidslandschap. Tot voor kort werd in België weinig plaats gelaten voor het uitbesteden van politietaken aan private partners, in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland. Daar lijkt nu evenwel snel verandering in te komen.
Elke Devroe
added 3 research items
In this chapter we analyze the politics of policing, with a specific focus on policing agendas in the two largest cities in The Netherlands: Amsterdam and Rotterdam. Both metropolises are considered metropolises facing ‘glocal’ challenges related to multicultural populations in urban areas, social inequalities in terms of household income, international harbors, crime and disorder. The term ‘glocal’ refers to the interlinkages between global challenges and local communities. In order to get an understanding of the tendencies towards divergence and convergence in urban policing in the metropolises under study we start with a summary of general trends in policing in the Netherlands in the second section. In the third section national, regional and local governmental constitutional arrangements, discretionary powers and public police management are presented. The remainder of the chapter compares and contrasts policing agendas in Amsterdam and Rotterdam and concludes with an overview of their regimes and possible explanations for convergence and divergence in the politics of policing in these metropolises. The search for the regimes in the background of policing agendas in these two embedded case studies reveals both convergence and divergence towards the national agenda and between the agendas in both metropolises. Possible explanations for these trends could be found in the political ‘circuits of power’ (Devroe, Edwards, Ponsaers, this volume) of the municipal ruling coalition and in wider institutional arrangements in place.
Privatisering van de politiefunctie kadert in een bredere evolutie van plural policing, vooral bestudeerd binnen de Angelsaksische wetenschap (Loader, 2000; Johnston, 2003; Crawford et al. 2005; Crawford, 2006a, 2008; Jones en Newburn, 2002, 2006, 2013; Lea and Stenson, 2007; Stenning, 2009; Reiner, 2013). Het veiligheidsaanbod wordt in deze neo-liberale samenleving gerealiseerd door een gefragmenteerde groep van actoren, met een mix van staatkundige actoren (zoals de reguliere politie) en niet-staatkundige actoren (private veiligheid). Elk draagt een partiële verantwoordelijkheid in het aanleveren van veiligheidsdiensten en -technologieën. De private veiligheidsindustrie, waarbij stedelijke diensten werd uitbesteed, kende in de UK een grote uitbreiding (Jones en Newburn, 1999; Button, 2003; Steden, 2008). Deze outsourcing werd gepropageerd als een hervorming die moest leiden tot grotere efficiëntie en responsiviteit van het lokaal bestuur (Osborne en Gaebler, 1992). Ook kan privatisering gezien worden als een bredere agenda om het actiedomein van de publieke overheid te verschralen (Feigenbaum en Henig, 1994). Gemeenten zien privatisering evenwel vaak als puur pragmatisch, waarbij geëxperimenteerd wordt met nieuwe vormen van dienstverlening, zoekend naar een grotere kostenefficiëntie en een stijgende kwaliteit (Warner en Hebdon, 2001; Bel, et al. 2007; Hebdon en Jalette, 2007). Met uitzondering van het onderzoek van Terpstra, Van Stokkom & Spreeuwers (2013) en de speciale editie over Europese steden in de European Journal on Policing Studies (Edwards, et al. 2014), blijft het Europees comparatief onderzoek over privatisering van politietaken uiterst schaars. Dit heeft tot gevolg dat de stelling dat er een algemene trend inzake privatisering bestaat in Europa, onbetwist blijft. De afwezigheid van internationale vergelijkingen leidt ertoe dat verklaringsmodellen voor plural policing uitsluitend gebaseerd zijn op een beperkte Angelsaksische zienswijze (Devroe & Terpstra, 2015). Het leek ons daarom interessant de stand van zaken te schetsen van de situatie inzake private veiligheidsdiensten in België en Nederland, de landen waar de lezers van de Cahiers zich bevinden. Alhoewel Nederland neigt naar de Angelsaksische realiteit, merken we in België een totaal verschillende realiteit aan. Deze bijdrage beperkt zich tot de private bewaking en beveiligingsdiensten die klassieke politietaken van toezicht en handhaving op het openbaar domein vervullen, en is gebaseerd op onderzoek zowel in België als in Nederland naar de aanwezigheid, de rol, de taken en de bevoegdheden van de private veiligheidssector.
In deze bijdrage schetsen we de resultaten van een onderzoek naar Europese politiemodellen. Het onderzoek werd gebaseerd op desktopresearch, literatuurstudie en gesprekken met politie-experts in diverse Europese landen en geeft een inzichtelijk kader dat gebaseerd is op eigen werkdefinities van essentiële karakteristieken van verschillende nationale politiebestellen. We onderscheiden, afgezien van de politiebestellen in Oost-Europese nieuwe lidstaten, in Europa drie verschillende types van bestellen, met name (1) historisch ontstane politiebestellen, (2) territoriaal ingedeelde politiebestellen en (3) bestellen met een eenheidspolitie. Binnen het eerste bestel worden de landen Frankrijk, Italië, Portugal en Spanje geanalyseerd. Onder de ‘territoriale politiebestellen’ komen, de landen het Verenigd Koninkrijk (V.K.) en Duitsland en Zwitserland aan bod. In een laatste noemer brengen we Europese politiebestellen samen die één nationale politie kennen. Het gaat dan om Denemarken, Nederland en Schotland. Voor elk land worden de verschillende politiediensten en hun bevoegdheden geschetst, alsook cultuurhistorische elementen die deels de politiële organisatiestructuren kunnen verklaren. We sluiten af met een conclusie, en een korte beschouwing over de toekomst van Europese nationale politiebestellen.
Elke Devroe
added a research item
Understanding the politics of security in city-regions is increasingly important for the study of contemporary policing. This book argues that national and international governing arrangements are being outflanked by various transnational threats, including the cross-border terrorism of the attacks on Paris in 2015 and Brussels in 2016; trafficking in people, narcotics and armaments; cybercrime; the deregulation of global financial services; and environmental crime. Metropolises are the focal points of the transnational networks through which policing problems are exported and imported across national borders, as they provide much of the demand for illicit markets and are the principal engines generating other policing challenges including political protest and civil unrest. This edited collection examines whether and how governing arrangements rooted in older systems of national sovereignty are adapting to these transnational challenges, and considers problems of and for policing in city-regions in the European Union and its single market. Bringing together experts from across the continent, Policing European Metropolises develops a sociology of urban policing in Europe and a unique methodology for comparing the experiences of different metropolises in the same country. This book will be of value to police researchers in Europe and abroad, as well as postgraduate students with an interest in policing and urban policy.
Elke Devroe
added an update
Deleted publication
 
Elke Devroe
added 3 research items
The evolution from government to governance leading to multiple partnerships in policing and in pluralization of regular police functions is widespread in Europe. Although this trend is frequently described and analysed by Anglo-Saxon scholars, empiric research findings outside the United Kingdom are scarce. In this article we focus on the organisation of the Belgian regular police force and the passing on of particular police functions to other -as well private as public- partners and agencies. We analyse the situation after the major police reform in 1998, and situate the research findings in the broader context of changes in police systems in different countries. Police centralisation and decentralisation movements do influence outsourcing tendencies. We develop a theoretical overview of the issue of plural policing on the one hand and a theoretical framework to allocate reforms in police systems in different countries on the other. For Belgium we analyse the organisational and operational setting of the regular police, and public and private agents performing police tasks. The empirical research is based on an in-depth study of 25 years of security policy in Belgium (interviews with politicians) and an extended document analysis [ 86,87]. Concluding we discuss the specific place the regular police, called a ‘cannibal police force’ still takes within the security governance, leaving no place for outsourcing to private partners.
Elke Devroe
added an update
Elke Devroe
added an update
Workshop at ISGA conference
 
Elke Devroe
added a research item
The implication of Belgium-linked terrorists in the shootings and bombings on November 13, 2015 in Paris became more and more obvious during the police investigation that followed these events. Today we know that the bombings at Brussels Airport and the Maalbeek subway station on March 22, 2016 were committed by the same French-Belgian jihadi network. The consequence has been that many international observers focused on the Belgian police system, wondering why the Belgian police forces had not been able to prevent the radicalisation of these persons. In this paper we examine this question, explaining what happened during the period that preceded these assaults and decoding what the events mean for the Belgian police system today. In other words, this paper doesn’t go into the reaction to radicalisation and the subsequent violence itself, but into the preventive and pro-active actions that had been undertaken earlier to avoid the radicalisation of certain “at-risk” individuals and groups. The main argument we want to develop here is that a targeted prevention agenda was largely present in discourse, but to a great extent absent in practice. Further, we advocate that, if implemented, this kind of preventive approach would have been much more effective than the repressive criminal justice agenda now applied with respect to jihadi terrorism.
Elke Devroe
added a research item
During the month of March 2013, some Belgian and Dutch police researchers gathered to discuss a trajectory for the study of the pluralisation of policing in European metropolises. We observed a significant amount of comparative work on different national police systems, but only a minor comparative focus on the local reality of European metropolises. According to United Nations UN Habitat, the growth of urban population was in 1970 only 37%, while the prospective for 2030 is 60% . Benjamin Barber (2013) argues consequently that the future of global governance lies with cities, and the mayors who lead them. Is the concept of the metropolis becoming increasingly important to the detriment of the concept of the national state? It was the group’s understanding that in different local settings throughout Europe policing was indeed transforming, but at the same time there was also the observation that the situation in different metropolises was not systematically documented and that such a comparative project lacked basic information. Anglo-Saxon literature was to a large extent dominating the theme of pluralisation and the group members wondered if the study of plural policing in European metropolises shouldn’t be build on more solid empirical ground. The initiative group agreed upon a few starting points: (1) a list of the biggest metropolises was drawn up to make a selection possible of these cities which were of special interest to be included in this project; (2) each one of the initiative group contacted a scholar specializing in policing in each of these metropolises with the objective of working together on a diagnostic of the policing system in the metropolis of their choice; (3) a common checklist was developed, taking in different points of interest we considered as important for this setup and we agreed that this list would be used by each of the participants of the project, without considering it as a straightjacket; (4) a first outcome of the project would be presented for publication to the European Journal of Policing Studies.
Elke Devroe
added an update
Index for "Policing European metropolises" book to be published by Routledge
 
Elke Devroe
added an update
 
Elke Devroe
added an update
Presentation in the Diplomacy and Global Affairs Research Seminars at The Hague, university of Leiden: http://leidensafetyandsecurityblog.nl/articles/policing-european-metropolises-the-politics-of-security-in-city-regions
 
Elke Devroe
added an update
 
Elke Devroe
added an update
Workshop on "agendasetting" and on "methodological issues" Policing Metropolises project PEMP in september in Munster!
 
Elke Devroe
added a project goal
This 'second' phase of the PEMP Project delimits the scope of objects to the formulation of public policies for policing European metropolises which, in particular cases, are signalled by the formulation of medium-term ‘strategic plans’ that run concurrently with elected terms of office (for example the four year term of office for the elected Mayor of London). In these terms the comparative work undertaken for the second phase of the Project delimits the objects of analysis to ‘public’ (not commercial, involuntary or informal etc.) policing, ‘policy formulation’ (not implementation or outcomes) that is ‘strategic’ and concerned with medium-term planning and agenda-setting (not operational policing). We want to ensure that there is a compatibility between the foci of comparison in the various case studies of metropolitan policing considered in this Project and to privilege, in the first instance, a concern with the capacity of metropolitan authorities to set their own policing agendas.
In this international research project (10 EU countries) 22 metropolises are compared on and "governmental arrangements" (role of the mayor, role of the public police and plural policing) and on "governance dispositions" (agenda setting on crime and disorder and programs and interventions). The objectives are to dissiminate a first transparent overview of different practices of social control in metropolises and fill in a knowledge gap, to analyse convergent and divergent tendencies and search for explanations of these differencies. The urban regime theory (Stone, 1989)is leading.