Project

Economy, war and occupation

Goal: During the 20th century, the Netherlands, and Europe in general, was confronted with two world wars. Both had huge consequences, also for the economy. In the Dutch case, these consequences were not just negative. How was that elsewhere?

Updates
0 new
0
Recommendations
0 new
0
Followers
0 new
12
Reads
0 new
119

Project log

Hein A.M. Klemann
added a research item
Over de historiografie van Nederland ine WO II.
Hein A.M. Klemann
added 2 research items
Over de Nederlandse economie in de Tweede Wereldoorlog bestaan twee hardnekkige misverstanden. De eerste wil dat die economie in mei 1940 begon te kwijnen om pas na mei 1945, en vooral nadat de Amerikanen ons land in 1948 door middel van de Marshallhulp steun boden, weer op gang te komen. Feitelijk boerde Nederland tijdens de oorlogsjaren goed en is de verarming van het land voornamelijk een gevolg van het feit dat de bezetter een toenemend deel van de productie, die aanvankelijk zelfs groeide, zonder reële betaling naar zich toe haalde. Een tweede misverstand is dat met de bevrijding de problemen waren opgelost en dat het al bevrijde Zuiden de ellende die het Noorden vanaf september moest doormaken – de Hongerwinter – daarom bespaard is gebleven. Dat in dat bevrijde Zuiden de huisartsen van Eindhoven de voedselvoorziening zodanig onvoldoende achtten dat zij het onverantwoord vonden arbeiders acht uur per dag te laten werken, laat zien dat dit een te eenvoudige voorstelling van zaken is. In deze bijdrage wordt geprobeerd deze misverstanden te corrigeren en een beeld te schetsen van de Brabantse economie in de Tweede Wereldoorlog. Dat laatste zal overigens maar gedeeltelijk lukken. Er bestaan eenvoudigweg nog te weinig deelstudies voor een goed overzicht. https://www.brabantserfgoed.nl/page/7616/brabant-oorlog-en-economie
Taken together, the economies of the Nazi-occupied countries were roughly twice the size of the German economy, but Berlin obtained less than 30% of its war expenditures from them. This column, part of a Vox debate on the economics of WWII, argues that in that sense exploitation failed, but the way Germany tried to exploit its empire had important consequences. In Western Europe, where productivity was higher and Berlin took a substantial share of production, mortality was limited and postwar recovery was rapid. In Poland and the USSR, where productivity was lower, continuous warfare and Nazi racism spread destruction and raised mortality, impeding recovery. https://voxeu.org/users/hein-klemann
Hein A.M. Klemann
added a research item
Herdruk van de beste artikelen in HIstorisch Nieuwsblad over de Tweede Wereldoorlog
Hein A.M. Klemann
added a research item
The modernization of the Dutch taxation system during the German occupation (1940-1945) by translation of the German legislation
Hein A.M. Klemann
added a research item
During the 1940-45 occupation of Western Europe, Germany exploited the economies of the countries in this part of the continent. In the first years, this was mainly done by giving orders to local companies. These companies had to be paid without using German money. How did the occupier do this?
Hein A.M. Klemann
added a research item
Mutual dependence between the Dutch economy and Western German industrial centres precluded hostile German actions against the Netherlands. Indeed, German war planners hoped to use the Netherlands as a supply-line for the Central Powers. The Allied blockade made this possible only to a point. The blockade, and changing patterns of global production and consumption, cut off the Dutch from world markets. This undermined the Dutch ability to import much-needed supplies, but also protected Dutch industries from foreign competition and forced them to solve the supply problems by import substitution and reorganisation.
Hein A.M. Klemann
added 7 research items
Totale oorlogen zijn kenmerkend voor de geschiedenis van de twintigste eeuw. In deze oorlogen werd het economisch aspect steeds doorslaggevender. Naast mensen moesten ook financiële, industriële en technologische middelen gemobiliseerd worden en zo efficiënt mogelijk worden ingezet. Dat geldt natuurlijk ook voor de oorlogsvoorbereidingen. De totale oorlogen hadden op hun beurt verregaande implicaties voor de economieën en economische instituties van de strijdende of bezette staten. In dit jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie komen vier aspecten van deze problematiek aan de orde, van de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren vijftig. Centraal staan de oorlogsvoorbereiding zowel door ondernemingen als door de staat, oorlogs- en bezettingseconomie en mobilisatie van middelen. Dit jaarboek beperkt de behandeling van deze problematiek tot Frankrijk, België, Duitsland, Nederland en Denemarken, en beoogt een aanzet te geven tot een vergelijkende benadering van oorlog en economie in West- en Noord-Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw. Met ingang van het elfde Jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, dat in 2000 is verschenen, nodigt de redactie van het jaarboek elk jaar één of meerdere gastredacteuren uit bij de samenstelling van een jaarboek. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Aan de ene kant is daarmee de weg geëffend voor de redactie om een beroep te doen op de specifieke expertise die het thema van het jaarboek vraagt (en die de relatief kleine onderzoeksstaf van het NIOD nu eenmaal niet altijd zelf in huis heeft), anderzijds kan het instituut in zijn eigen onderzoek daarbij profiteren van de nieuwste visies die in het veld leven. Sedert het verschijnen van het nieuwe onderzoeksprogramma van het NIOD in hetzelfde jaar ziet de redactie van het jaarboek het immers als zijn taak om met elk jaarboek de contouren van een nieuw onderzoeksthema te schetsen dat aansluit bij het bredere onderzoeksveld van het instituut. Dit jaar worden in de keuze van de leden van de gastredactie zelfs de grenzen van Nederland overschreden. Dirk Luyten en Pascal Deloge, respectievelijk onderzoeker bij en correspondent van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA/CEGES) in Brussel (het Belgische zusterinstituut van het NIOD) werkten met Hein Klemann (Universiteit Utrecht) het thema Thuisfront uit, dat, zoals Klemann in zijn inleiding uiteenzet, een nieuwe, bredere inhoud krijgt. Deze visie stond aanvankelijk centraal op het internationale colloquium Oorlog en Economie in de twintigste eeuw dat het SOMA op 28 en 29 november 2002 in Brussel hield.
Hein A.M. Klemann
added 2 research items
Reaction to Buyst and LefebvreI only partly agree with Buyst and Lefebvre’s contention that I am no longer interested in treating the problems of collaboration and resistance as a key subject in World War II history. I oppose only a historiography in which moral answers are given to the question on why resistance was limited and adaptation common in the early years of the German occupation in the Netherlands. To answer this question, it is better to look for concrete differences between the Netherlands and other Western European countries. Its economic history can provide such an answer. In the Netherlands, the early years of the German occupation represented a period of economic welfare. As a result of the opening of the German market after a period of almost 10 years of German economic isolation, and as a result of enormous German orders, the Dutch economy flourished from July 1940 until late 1941. It ended the period of pre-war depression and mass unemployment. Together with the well-organised distribution of food, this economic boom may not have resulted in an outright acceptance of the occupation, but it at least made it easier for the population to accept what seemed to be inevitable anyway.Buyst and Lefebvre do not agree with the way I calculate from the new series of the national income, which showed a very limited decline, and available national income, which showed a dramatic decline from 1942 onwards, by subtracting the German withdrawals of goods and services from the Dutch economy from the national income. In their opinion, only income transfers without compensation should be subtracted from national income to compute available national income. I agree with this, but do not believe that the Germans gave any compensation for their withdrawals. Of course, Buyst and Lefebvre are right; Dutch companies were paid by the Germans for their orders, but the money with which they paid was illegally taken from the Dutch treasury or acquired by inflating the Dutch money supply without compensation. This is important because it makes clear that on the one hand Dutch national income did not decline — as was thought until only recently — by almost 50% between 1938 and 1944, but only by 15%. Nevertheless, Dutch society rapidly declined into acute poverty because the occupier took up to 45% of the national income without compensation. As a result, available national income declined by more than 50%.Nor do Buyst and Lefebvre like the way I explained my calculations: They think I am too cryptic. My reasons for this were because I believe that the book is important not only to economic historians but to everyone interested in World War II and I wanted to prevent it from only circulating among a limited number of economic historians. In fact, most of my calculations had already been published earlier. Of course, they are correct in their assertion that the decision to make the book available to a wider audience makes it hard to find all the explanations of the calculations. The explanations are present, however they tend to be brief and are scattered throughout the book. To compensate for this, I will publish all the calculations on the web, as soon as possible.
J. Meihuizen, Noodzakelijk kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede WereldoorlogThe economy and full-scale warMeihuizen concludes that the interests of the reconstruction had to take precedence over those of an honourable judicial process, as a result of which cases of economic collaboration seldom reached the courts. This essay argues that Dutch firms could not avoid manufacturing goods for the occupying forces because they were often relatively small-scale in nature and organised along the lines of a family business. If this type of firm refused to fulfil a German order and its competitor was willing to accept it, then it ran the risk of being squeezed out by the competition. This is why, in the Netherlands and elsewhere, as soon as a firm made the transition from a smallscale to a medium-sized family business it was inclined to work all-out for the occupying forces. This had nothing to do with free choice, but rather the will to survive. In addition to this, non-military production, even that which was geared towards keeping the people at home alive and healthy, supported the German war effort. In an economy where all military production is systematically maximized and manufacturing geared towards producing civilian goods is pushed back to a level where it can just about survive, all manufacturing becomes economic collaboration, thereby making the notion redundant. Consequently, the question that should have resounded throughout this study ought to have been whether a legal case could have been made against economic collaboration at all or whether this was doomed to fail from the start.
Hein A.M. Klemann
added 4 research items
In this article, the question will be what consequence the internal German power relations had for the German economic policy and what results this in its turn had for Dutch industry. After a description of that industry in 1940, it will be argued that in the first 18 months of the occupation the fact that Seyss-Inquart had orders to win the Dutch for a national-socialistic future protected the country from an unscrupulous exploitation by Göring. Seyss' policy even resulted in a short, but remarkable industrial boom. The internal German struggle of 1941/42 for power over the economy, and ideas about a more systematic exploitation to maximize the war effort, ended this boom. It resulted not only for the occupied economies of Western Europe in destructive policy of Speer and Sauckel, but also in the de facto transfer of power over the Dutch economy from The Hague to Berlin. Seyss-Inquart could not prevent anymore that the Dutch were exploited. This meant that his mission, that never had much chance, became a complete failure.
Hein A.M. Klemann
added 3 research items
In dit artikel staat de vraag centraal wat de economische gevolgen waren van het isolement waar Nederland door de oorlog toe gedwongen werd. De reacties op de gebeurtenissen van de kant van het bedrijfsleven, maar ook van de Haagse overheid, krijgen daarbij een centrale plaats. Het doel is de economische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor Nederland in kaart te brengen, ook die, die pas na het einde van de strijd manifest werden.
Hein A.M. Klemann
added 2 research items
In this paper the techniques of exploitation used in Western Europe and the consequences of the economies are discussed. As Richard Overy made clear, until in 1942 Speer took over the direction of the German war economy, the way the German economy was exploited for its warfare was far from efficient. Only from 1942 on, the German economy and the economies in the occupied territories were not only as far as possible directed to war, but also reorganised to realise standardisation, efficiency and the use of local raw materials. Here the question is, what consequences the exploitation in the three already mentioned periods – the months of plunder, the period of exploitation by Göring and the exploitation during the Speer years – had for the economies in occupied Western Europe.
Hein A.M. Klemann
added a research item
Until recently Dutch historiography of the Second World War focused on subjects typical for this period: repression, resistance, the Hunger Winter of 1944-5 and, above all, the Holocaust. If anything was written about the economy, it was about exploitation resulting in impoverishment and hunger. New calculations of macroeconomic statistics for the period 1938-48 show that industrial production did not in fact decline until after the end of 1941, and that the first one and a half years of the occupation were the best in a decade. This article addresses the central question of how the Dutch economy, and especially industry, developed during the German occupation of 1940-5, especially during the first years. The development of employment suggests that economic decline and exploitation do not form the only story to be told about the economy in those years. Neverthless, in Dutch popular publications, and in the international literature, the opinion still persists that during the occupation the economics of occupied western Europe slumped. Another problem is, therefore, how to explain the positive elements in economic development, and how it is possible that in memories and historiography it took more than fifty economic development were even questioned.
Hein A.M. Klemann
added 14 research items
Im vorliegenden Artikel wird dargestellt, wie sich im 19. Jahrhundert die ökonomischen Verflechtungen der Niederlande und Deutschlands miteinander und mit dem Ausland entwickelten. In Deutschland, wo führende Kreise für den freien Wirtschaftsverkehr nicht viel übrig hatten, wurde diese Verflechtung als Problem empfunden. Viele glaubten, das Land müsse danach trachten, Gebiete, mit denen es enge wirtschaftliche Beziehungen unterhielt, politisch zu beherrschen. Es wird verdeutlicht, dass Deutschland mit keinem Land so enge Wirtschaftsbeziehungen pflegte, wie mit den Niederlanden. Nicht nur der bilaterale Handel nahm rasch zu, vielmehr wurde auch das wichtigste deutsche Industriegebiet hinsichtlich seiner Zufuhr und des Abtransports von Gütern vom Rotterdamer Hafen abhängig. Andererseits waren die Durchfuhr, die Rheinschifffahrt, die Entwicklung im Hafen und in Teilen der niederländischen Industrie und Landwirtschaft Ableitungen der deutschen Wirtschaftsentwicklung. Rotterdam und das Ruhrgebiet entwickelten sich in vielerlei Hinsicht wie ein einziges ökonomisch-geographisches Gebiet, das lediglich durch eine politische Grenze geteilt war. So wurden dann auch oftmals, und ganz gewiss ab 1871, Stimmen laut, die Niederlande sollten sich auf die eine oder andere Weise dem Kaiserreich oder zumindest dem deutschen Zollgebiet anschließen, Ideen, die in den Niederlanden zumeist – aber auch wiederum nicht immer von jedermann – mit Nachdruck verworfen wurden. Dennoch respektierte Berlin 1914 die Neutralität, was nicht hieß, dass keine Versuche unternommen wurden, das Land in die deutsche Einflusssphäre zu ziehen. Unmittelbar nach Kriegsausbruch legte Reichskanzler Theobald von Bethmann Hollweg in seinen Kriegszielen fest, dass das neutrale Land nach dem Sieg in eine abhängige Position versetzt werden müsse. Gleichzeitig ließ der Unterstaatssekretär des Außenministeriums, Zimmermann, verlautbaren, Deutschland werde die politische Selbständigkeit der Niederlande respektieren, legte sich jedoch mit Blick auf deren wirtschaftliche Stellung nicht fest. Darüber hinaus benutzte Berlin während des Kriegs die deutschen Kartelle, um die wirtschaftliche Macht Deutschlands – auch jenseits der Grenze – spürbar werden zu lassen. Die Niederlande schienen in einer untergeordneten Position zu landen. Dadurch, dass Berlin während des Ersten Weltkriegs nicht zögerte, seine wirtschaftliche Macht politisch auszunutzen, wurde die niederländische Abhängigkeit deutlich. Wirtschaft und Staat errichteten daraufhin in Kernsektoren neue Unternehmen und erweiterten in diesen Sektoren bereits existierende Unternehmen, wodurch die Niederlande nach dem Krieg wirtschaftlich weniger stark abhängig von Deutschland zu sein schienen. Dass die wechselseitige Abhängigkeit allerdings immer noch groß war, erwies sich beim deutschen Zusammenbruch im Jahr 1929 und vor allem bei der deutschen Währungskrise im Jahr 1931. Für die Niederlande war dies der Beginn einer Depression, aus der auch die im Jahr 1936 stattfindende Abwertung das Land nur zum Teil erlösen konnte. Energische Versuche der Industrie, durch Verbesserung der Effizienz wettbewerbsfähig zu bleiben, sorgten dafür, dass dieser Sektor ab 1934 wieder wuchs. Dies führte allerdings nicht zu den erwünschten Arbeitsplätzen. Der umfangreiche Verlust der ökonomischen Verflechtungen der Niederlande, besonders der Kontakte zu Deutschland, machten ja eine tatsächliche Genesung unmöglich. Erst die Besetzung und die dann einsetzenden deutschen Orders führten zum Ende der aussichtslosen Depression. Ebenso wie nach dem Ersten Weltkrieg konnten die Niederlande auch nach dem Zweiten Weltkrieg die wirtschaftlichen Probleme erst dann von sich abschütteln, als die deutsche Wirtschaft wieder auflebte. Dieses Wiederaufleben ließ bis 1949 auf sich warten. Traditionell wird die in jenem Jahr stattfindende wirtschaftliche Genesung der Marshallhilfe zugeschrieben. Martijn Lak zeigt allerdings in seinem Beitrag zu diesem Band, dass die Erholung des Handels mit Deutschland der Wirtschaft einen stärkeren Impuls gab als die amerikanische Unterstützung. Im 19. Jahrhundert schienen die Niederlande und Deutschland voneinander abhängig geworden zu sein. Im vorliegenden Beitrag steht die Frage im Mittelpunkt, wie diese Abhängigkeit durch die beiden Weltkriege beeinflusst worden ist.
Hein A.M. Klemann
added a project goal
During the 20th century, the Netherlands, and Europe in general, was confronted with two world wars. Both had huge consequences, also for the economy. In the Dutch case, these consequences were not just negative. How was that elsewhere?