Landschap

Published by

Articles


De politieke dimensie van Natura 2000
  • Article
  • Full-text available

January 2007

·

136 Reads

·

Begin 2007 lijkt Nederland bijna klaar met de formele implementatie van de Europese Vogel-en Habitatricht-lijn. De wetgeving is in overeenstemming gebracht met de EU richtlijnen en bijna alle gebieden die zich kwa-lificeren als Natura 2000 gebied zijn aangewezen. De volgende stap is het opstellen van beheerplannen. Dat is geen Europese eis, maar een Nederlandse invulling van de richtlijnen die voortkomt uit de wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 die sinds oktober 2005 van kracht is. Deze houdt in dat voor alle Natura 2000 gebieden binnen drie jaar na de formele aanwijzing een beheerplan moet zijn opgesteld. Een dergelijk beheer-plan moet duidelijkheid geven over de natuurdoelen, de maatregelen om deze doelen te realiseren en de gevolgen daarvan voor andere activiteiten in en om de gebieden (LNV, 2006). Na alle commotie die is ontstaan als ge-volg van de Vogel-en Habitatrichtlijn is de verwachting dat met het opstellen van beheerplannen de kwestie is opgelost. De vraag is echter of de beheerplannen die hoge verwachting wel kunnen waarmaken. In dit artikel wordt de problematiek van de Vogel en Habitatrichtlijn nog eens kritisch bekeken. De voorgaande vraag wordt beantwoord door te reflecteren op de besluitvormings-praktijk aangaande natuurwaarden die door middel van Europese regelgeving worden beschermd. Dit gebeurt aan de hand van sociaalwetenschappelijke noties uit de politicologie en de planningswetenschappen.
Download
Share

Realisatie van natuurdoelen als functie van de hydrologie

January 2003

·

15 Reads

Grond- en oppervlaktewaterbeheerders dienen tegenwoordig nadrukkelijk rekening te houden met natuurbelangen. Daarvoor moeten ze weten welke hydrologische condities nodig zijn om bepaalde typen natuur te realiseren of te behouden. In dit artikel beschrijven we een methode die is ontwikkeld om de beheerders inzicht te geven in de voorwaarden die nodig zijn om natuurdoelen te realiseren.

Het stuifzandlandschap als natuurverschijnsel

January 2004

·

14 Reads

Zandverstuivingen worden doorgaans toegeschreven aan lokale menselijke ingrepen in het landschap, zoals afplaggen van de heide of de aanleg van zandwegen. Een nieuw hulpmiddel bij het karteren - het met behulp van laser-altimetrie opgebouwde Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) - laat echter zien dat de grote zandverstuivingen van de Midden-Veluwe geomorfologische ontwikkelingen zijn van een schaal die uitgaat boven lokaal menselijk ingrijpen

Rijke bossen op arme bodems; alternatieve boomsoortenkeuze verhoogt soortenrijkdom ondergroei op verzuringgevoelige gronden

January 2003

·

22 Reads

Aanplant van gemengde opstanden, hoogdunning, creëren van open plekken, bosbegrazing, 'niets-doen' en dood hout laten liggen: het zijn allemaal maatregelen die bijdragen aan een gevarieerder bosecosysteem. In dit artikel wordt aangegeven dat een alternatieve boomsoortensamenstelling hier een extra dimensie aan kan toevoegen

Figure 1 of 1
Het landschap bestudeer je van groot naar klein, niet andersom; interview met Ies (prof.dr.ir. I.S.) Zonneveld

December 2006

·

127 Reads

Als eerste bijdrage binnen dit themanummer over het werk van Zonneveld en (daaraan gekoppeld) het fenomeen deltalandschap: een uitgebreid interview met de 82 jarige landschapsecoloog (landecoloog, zoals hijzelf zegt). Het betreft zaken als: wat blijft er over van het agrarisch landschap; mag natuur zelfredzaam zijn of moet het beheerd worden; is er herstel mogelijk van het watergetijdegebied, met het open gaan van de Haringvlietsluizen; is er een effect van reorganisaties bij overheidsdiensten op natuur en landschap; hoe verhouden modellen en GIS zich tot het vakgebied; wat is de plaats van de Nederlandse landschapsecologie in internationaal perspectief

Figure 2 The average grade (between 1-10) that farmers with an agri-environment scheme agreement gave to the cooperation with other stake holders in meadow bird protection. Means not sharing the same letter are significantly different (p < 0.05).
Boeren over weidevogelbescherming [Farmers' attitudes regarding meadow bird protection]

January 2009

·

111 Reads

J. Noordijk

·

·

·

[...]

·

Ondanks dat de weidevogelbescherming voor het overgrote deel plaatsvindt op het terrein van boeren zijn er maar weinig studies die hun motivatie, wensen en denkwijzen behandelen. Hier presenteert CML enkele inzichten op basis van een enqu6ete onder 145 boeren verspreid over Nederland. Bij dit onderzoek zijn alleen boeren betrokken die daadwerkelijk beheerovereenkomsten afgesloten hebben. Belangrijke conclusie is, om de relatie tussen boeren en terreinbeherende organisaties te verbeteren



Figuur 2 Bodemvoedsel? web (bron: R.G.M. de Goede).
Biodiversiteit in de landbouw

January 2008

·

65 Reads

De landbouw levert tal van ' ecosysteemdiensten' . Sommige, zoals natuurlijke onderdrukking van ziekten, komen direct aan de landbouw ten goede, andere zoals vastlegging van koolstof zijn voor de samenleving als geheel van belang. In het stimuleringsprogramma Biodiversiteit (SPB) is de algemene hypothese dat biodiversiteit en ecosysteemdiensten met elkaar geassocieerd zijn, onderzocht



Figure 2 shows the results of the model study by Eppinga et al. (2009). The grey arrows show the direction of vegetation change. Upward arrows indicate an increase in hummock cover, downward arrows a decrease. The transition of one state to the other can only be achieved by a substan­ tial perturbation (black arrow). If hummock species are introduced the cover/biomass of introduced hummock species needs to exceed a critical threshold. 
Figure 4 The relation­ ship between patch size at harvest of the large transplants and the dif­ ference in water content (WC; g fresh weight × g dry weight ­1 ) between the transplanted patch and its surrounding matrix. Data are shown for Sphagnum rubellum (RUB) and S. fuscum (FUS). The left panel shows the relation­ ship with a preceding period of precipitation, whereas the right panel shows the relation with a preceding period (5 days) of drought. 
Figure 5 Schematic diagram of a possible combination of theoreti­ cal and empirical research, which could contribute to successful restoration of Dutch bogs. The area above the dashed grey line indicates the current state of the art of the research as described in this paper. 
Figuur 4 De relatie tus­ sen het oppervlak van de getransplanteerde bultsoorten (RUB = S. rubellum; FUS = S. fuscum) en het verschil in water­ gehalte (g versgewicht × g drooggewicht ­1 ) tussen het transplantaat en de omringende bestaande veenmosvegetatie (matrix). Het linker paneel geeft de relatie voor deze veenmossen weer zoals gemeten na een vijfdaagse periode van regen. Het rechter paneel geeft de relatie weer zoals gemeten na een vijf dagen durende droge periode. 
Bog restoration in the Netherlands: More then just a dream

January 2009

·

82 Reads

In deteriorated bogs, restoration measures mainly focus on re-wetting. These measures, however, do not necessarily result in the re-establishment of a complete set of peat mosses (Sphagnum). In most cases only Sphagnum species typical for lawns or hollows re-establish. Unsuitable environmental conditions for re-establishment of hummock species might be a bottleneck. This paper focuses on this bottleneck combining results of modelling studies with empirical and experimental research in bog restoration projects. Modelling studies suggest that raised bog vegetation shows bi-stability: both the hollow state and the hummock state are alternate stable equilibrium states, needing a substantial perturbation to go from one state to another. Recent empirical research identifies inter specific competition for (rain)water between hummock and hollow Sphagnum species as the key process causing this bi-stability. The ability of transplants of typical hummocks species to re-establish in restored bogs relates to patch sie, physical properties of the peat, and environmental conditions, and merits further study. We argue that the recent insights from empirical studies should be incorporated in the theoretical models, so that these expanded models can be used to design effective, site-specific restoration strategies. With such knowledge restoring bogs may become more than just a dream.

Variabiliteit in ruimte en tijd ontrafeld. Broeikasgasemissies uit Nederlandse Landschappen.

June 2010

·

165 Reads

Greenhouse gas emissions are highly variable in space and time. This variability hampers measurements of greenhouse gas emissions and hinders the use of land use and management as mitigation options. We give an overview of explaining factors of temporal and spatial variability of greenhouse gas emissions from Dutch landscapes. CO2 fluxes have a regular annual temporal variability. Temporal variability of N2O emission is characterized by low background emissions and high peaks that are related to precipitation and manure application, while temporal variability of CH fluxes is very irregular. Spatial variability of CO2 can be explained using the crop type in agricultural land or the tree species in forests. Spatial variability of N2O and CH is strongly influenced by groundwater and management intensity. Additionally, at the landscape scale there is a significant greenhouse gas emission from ditches and open water. The temporal variability has to be considered in the design of measurement campaigns, while the insight in factors explaining the spatial variability of greenhouse gas emissions can help to improve landscape scale estimates of greenhouse gas emissions and guide management decisions for mitigation.



Zorg voor landschap vereist historisch perspectief [Care for landscape requires historical perspective]

November 2008

·

69 Reads

Verschillen wetenschappers, beleidsmakers en beheerders fundamenteel van elkaar wat betreft hun belangen, kennis, meningen, rollen en emoties bij en over het landschap? We gaan er bijna klakkeloos vanuit dat dit zo is, en dat partijen tegenover elkaar staan. In dit artikel gaan we na of er echt een kloof gaapt tussen de verschillende beroepsgroepen die zich met het landschap bezighouden

Figure 2 shows the results of the model study by Eppinga et al. (2009). The grey arrows show the direction of vegetation change. Upward arrows indicate an increase in hummock cover, downward arrows a decrease. The transition of one state to the other can only be achieved by a substan­ tial perturbation (black arrow). If hummock species are introduced the cover/biomass of introduced hummock species needs to exceed a critical threshold.
Figure 4 The relation­ ship between patch size at harvest of the large transplants and the dif­ ference in water content (WC; g fresh weight × g dry weight ­1 ) between the transplanted patch and its surrounding matrix. Data are shown for Sphagnum rubellum (RUB) and S. fuscum (FUS). The left panel shows the relation­ ship with a preceding period of precipitation, whereas the right panel shows the relation with a preceding period (5 days) of drought.
Figure 5 Schematic diagram of a possible combination of theoreti­ cal and empirical research, which could contribute to successful restoration of Dutch bogs. The area above the dashed grey line indicates the current state of the art of the research as described in this paper.
Figuur 4 De relatie tus­ sen het oppervlak van de getransplanteerde bultsoorten (RUB = S. rubellum; FUS = S. fuscum) en het verschil in water­ gehalte (g versgewicht × g drooggewicht ­1 ) tussen het transplantaat en de omringende bestaande veenmosvegetatie (matrix). Het linker paneel geeft de relatie voor deze veenmossen weer zoals gemeten na een vijfdaagse periode van regen. Het rechter paneel geeft de relatie weer zoals gemeten na een vijf dagen durende droge periode.
Hoogveenherstel in Nederland: meer dan een droom

January 2009

·

89 Reads

Vernatten, de belangrijkste herstelmaatregel in hoogveenrestanten, heeft niet altijd het gewenste effect. Waarom dat zo is, is grotendeels nog onbekend. De auteurs beargumenteren dat recente inzichten uit empirische en experimentele studies in hoogveenherstelprojecten moeten worden gebruikt om de bestaande theoretische modellen uit te breiden, om deze vervolgens te kunnen gebruiken in het ontwikkelen van effectieve, gebiedspecifieke herstelplannen. Hierdoor kan de droom van zelfregulerende hoogvenen in Nederland wellicht op niet al te lange termijn werkelijkheid worden.

Figure 2. Hierarchy levels of ecological networks and according representative figures of this paper. The degree of detail and the exploredness are increasing and generalization is decreasing towards lower (detail) levels.  
Figure 6. River valley with small-grain landscape pattern within intensively-used largegrain agricultural fields as a multifunctional landscape corridor. Hedgerows and other ecologically compensating areas in the traditional agricultural landscape of the river valley serve as examples of the ecological network at the micro-scale.
Figure 7. Nitrogen budget of a 15-year riparian grey alder stand (kg ha -1 yr -1 ) as an example of the buffering function of ecological network elements (corridors and buffers) at the micro-scale level. Adopted from Mander et al., 2003.  
Scaling in territorial ecological networks

January 2003

·

242 Reads

Territorial ecological networks are coherent assemblages of areas representing natural and semi-natural landscape elements that need to be conserved, managed or, where appropriate, enriched or restored in order to ensure the favourable conservation status of ecosystems, habitats, species and landscapes of regional importance across their traditional range (Bennett, 1998). In this study we demonstrate the hierarchical character of territorial ecological networks, recognize common elements and functional differences between hierarchical levels, and analyze the downscaling and upscaling of the functions of ecological networks. Emerging from the examples of ecological networks at different hierarchical levels, we highlighted following common principles: connectivity, multifunctionality, continuity, and plenipotentiality.


Urban ecology, an exploration

January 2006

·

6 Reads

The appraisal of urban nature is growing. The development of urban ecology is its result. Six different interpretations of urban ecology have been found in literature, ranging from pure ecological science to the design of the ecological city. Moreover urban ecology often is also defined as its object of study: the urban nature. The different meanings make urban ecology a boundary object that appeals to different disciplines, but confuses too. My proposal is to use different terms for different meanings. An important question is the relevance of an autonomous theory of urban ecology, besides other ecological theories. Different opinions exist. A decisive question is whether urban ecosystems and their constituent plant and animal communities are sufficiently different from others to justify disciplinary specialization. This needs further discussion.





Figure 1 Governments (G) have different roles represented in different bodies. They work together with other actors (C), De Vries (2008). 
Planning of Natura 2000 areas: The Netherlands-England competitive research

January 2009

·

27 Reads

The planning and management of Natura 2000 sites and the ways in which ecological objectives are related to social and economical activities will in the long term determine the success of the European nature conservation policies. It is therefore important to learn from the current experiences from the areas where people are dealing with this issue. We have made a comparison between the Thanet Coast project in England and the Wieden-Weerribben in the Netherlands. Both projects were started because the responsible authorities wanted to give clearness about the consequences of the designation as Natura 2000 site for social and economical activities in and around the site. Our focus was on the way people deal with conservation policies and with each other. The study shows that a planning process in which much emphasis is put on cooperation seems to offer better possibilities than a more formal and hierarchical planning process. A cooperative planning process in which uncertainties and responsibilities are shared among the participant strengthens awareness for conservation objectives and mutual trust among the parties and these are aspects that are invaluable for the sustainable management of Natura 2000 sites.

Top-cited authors