Hogeschool Fontys
  • Eindhoven, Netherlands
Recent publications
Objective Early 2018, the new eye lens dose limit of 20 mSv per year for occupational exposure to ionising radiation was implemented in the European Union. Dutch guidelines state that monitoring is compulsory above an expected eye lens dose of 15 mSv/year. In this study we propose a method to investigate whether the eye lens dose of interventionalists would exceed 15 mSv/year and to determine if the eye lens dose can be derived from the regular personal dosimeter measurements. Methods The eye lens dose, Hp(3), of interventional radiologists (n = 2), cardiologists (n = 2) and vascular surgeons (n = 3) in the Máxima Medical Centre, The Netherlands, was measured during six months, using thermoluminescence dosimeters on the forehead. Simultaneously, the surface dose, Hp(0,07), and whole body dose, Hp(10), were measured using regular dosimeters outside the lead skirt at chest level. The dosimeters were simultaneously refreshed every four weeks. The eye lens dose was compared to both the body-worn dosimeter values. Measurements were performed in the angiography suite, Cath lab and hybrid OR. Results A clear relation was observed between the two dosimeters: Hp(3) ≈ 0,25 Hp(0,07). The extrapolated year dose for the eye lens did not exceed 15 mSv for any of the interventionalists (average 3 to 10 studies/month). Conclusions The eye lens dose can be monitored indirectly through the regular dosimeter at chest level. Additionally, based on the measurements we conclude that all monitored interventionalists remain below the dose limit and compulsory monitoring limit for the eye lens dose.
Background Foot and ankle problems are common in rheumatic disorders and often lead to pain and limitations in functioning, affecting quality of life. There appears to be large variability in the management of foot problems in rheumatic disorders across podiatrists. To increase uniformity and quality of podiatry care for rheumatoid arthritis (RA), osteoarthritis (OA), spondyloarthritis (SpA), and gout a clinical protocol has been developed. Research objectives [1] to evaluate an educational programme to train podiatrists in the use of the protocol and [2] to explore barriers and facilitators for the use of the protocol in daily practice. Method This study used a mixed method design and included 32 podiatrists in the Netherlands. An educational programme was developed and provided to train the podiatrists in the use of the protocol. They thereafter received a digital questionnaire to evaluate the educational programme. Subsequently, podiatrists used the protocol for three months in their practice. Facilitators and barriers that they experienced in the use of the protocol were determined by a questionnaire. Semi-structured interviews were held to get more in-depth understanding. Results The mean satisfaction with the educational programme was 7.6 (SD 1.11), on a 11 point scale. Practical knowledge on joint palpation, programme variation and the use of practice cases were valued most. The protocol appeared to provide support in the diagnosis, treatment and evaluation of foot problems in rheumatic disorders and the treatment recommendations were clear and understandable. The main barrier for use of the protocol was time. The protocol has not yet been implemented in the electronic patient file, which makes it more time consuming. Other experienced barriers were the reimbursement for the treatment and financial compensation. Conclusions The educational programme concerning the clinical protocol for foot problems in rheumatic disorders appears to be helpful for podiatrists. Podiatrists perceived the protocol as being supportive during patient management. Barriers for use of the protocol were identified and should be addressed prior to large scale implementation. Whether the protocol is also beneficial for patients, needs to be determined in future research.
Voet-, en enkelproblemen zijn een veelvoorkomend probleem bij mensen met een reumatische aandoening. Ze leiden vaak tot pijn en beperkingen in functioneren en hebben daardoor effect op de kwaliteit van leven. Er lijkt een grote variatie te zijn in het behandelen van de voet- en enkelproblemen door podotherapeuten bij mensen met een reumatische aandoening. Om meer uniformiteit te krijgen en de kwaliteit van zorg te verbeteren, is het methodisch podotherapeutisch handelen (MPH) voor mensen met een reumatische aandoening uitgewerkt en geëvalueerd in de praktijk. Podotherapeuten ervaarden het MPH als ondersteunend bij het klinisch redeneren. Barrières zijn in kaart gebracht en dienen aangepakt te worden voorafgaande aan landelijke implementatie. Of het gebruik van het MPH ook voor de patiënt van meerwaarde is, moet in nader onderzoek nog worden vastgesteld.
Forefoot offloading shoes are used to reduce pressure on specific regions of the foot. Aim of the pressure reduction is to aid healing of the soft and bony tissues and prevent complications by treating foot disorders. A great variety of forefoot offloading shoes are available. In a first step to investigate the appropriate use of these footwear in orthopedic settings, we studied plantar pressure distribution and wearing characteristics of three forefoot offloading shoes namely the Mailand, OrthoWedge and Podalux in a healthy population. Twenty subjects walked in a randomized order wearing three forefoot offloading shoes and a reference shoe for six minutes. The Pedar system was used to measure the pressure in 7 regions. Peak pressure and pressure time integral were analyzed as measures of pressure distribution. Furthermore, wearing characteristics were addressed using a Numeric Rating Scale. Pressure distribution and wearing characteristics of the forefoot offloading shoes were compared to a reference shoe. The Mailand and OrthoWedge shoes significantly reduced peak pressure with more than 80% under the hallux and more than 45% under MTH1 (p < .001). The Podalux did not show significant peak pressure reduction under the forefoot compared to the reference shoe. Under the lesser toes, the MTH4-5 region and heel region the Podalux shoe showed even a significant increase in peak pressure (p = .001). Looking at wearing characteristics, the Podalux and reference shoe scored significantly better than the other two forefoot offloading shoes (p < .01). In this study the differences between different forefoot offloading shoes was assessed. The Mailand and OrthoWedge shoes gave the best pressure reduction in the forefoot but are less comfortable in use. The Podalux rocker shoe showed opposite results. Next step is a patient study to compare our results in a patient population.
Patiënten hebben het recht om hun eigen huisartsendossier in te zien. Dat heeft allerlei voordelen – zo krijgen patiënten een groter inzicht in hun eigen gezondheidstoestand en kunnen ze zich beter voorbereiden op het gesprek met de huisarts. Sommige huisartsen maken zich echter zorgen, want patiënten kunnen de informatie ook verkeerd begrijpen en nodeloos ongerust worden. Zijn dergelijke zorgen terecht?
In deze Engelse studie is nagegaan hoe zorgverleners aankijken tegen de Flexifoot, een slimme inlegzool, die is ontworpen voor patiënten met artrose en met name wordt gebruikt door zorgverleners. Hiertoe zijn semigestructureerde interviews afgenomen onder 11 fysiotherapeuten, 11 orthopedisch chirurgen, vijf huisartsen en drie podotherapeuten. Alle deelnemers vonden dat de inlegzool een nuttige aanvulling was op de huidige behandeling, dat het systeem de informatieoverdracht tussen zorgverleners en cliënten en tussen zorgverleners onderling verbeterde en dat de data nuttig waren bij de evaluatie van de behandeling. Zij waren in het algemeen positief over toepassing van de zool in een klinische setting, maar vonden wel dat het systeem aanpasbaar zou moeten zijn aan de specifieke problemen van de cliënt. Als belangrijkste barrières voor de implementatie van de zool voorzagen zij tijd, kosten en acceptatie door de cliënten.
The design, fabrication, and characterization of a low profile shear-force sensor for gait analysis is presented. An analytical model is used to estimate the behavior of the sensor. The sensor response is linear within the modeled range and has a predicted sensitivity of 0.012 pF/N, which is confirmed using a 3D FEM model of the electrical properties of the sensor. The capacitive sensor has a measured sensitivity of 0.0006 pF/N (x-axis) and 0.0003 pF/N (y-axis). When considering the readout electronics, this translates to a voltage/force sensitivity of 9.8 mV/N (x-axis) and 5.2 mV/N (y-axis). The range of the sensor was found to be more than 24 N. The 3D printed sensor is cylindrical with a footprint of ~3 cm <sup xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">2</sup> and a height of just 3.6 mm, making it suitable for in-sole shear-force measurements.
Mensen gaan verschillend met ziekte en verlies om. Door de verschillen te herkennen en te begrijpen, kan de verpleegkundige ondersteuning op maat bieden. Ziekte stelt mensen voor nieuwe taken. Levenservaringen en gezondheidsvaardigheden bepalen hoe ze hiermee omgaan. Voor mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden is het lastig gezondheidsinformatie te begrijpen en te bespreken. Hun zelfmanagement is daarom vaak minder adequaat. Bij gezondheidsproblemen zoeken mensen een nieuw evenwicht. Dat vraagt om adaptieve opgaven. Dit proces heet coping. Coping wordt onderscheiden in actieve, passieve, probleemgerichte en emotiegerichte coping. Mensen beschikken daarbij over verschillende strategieën. Meestal levert probleemgerichte, actieve coping het meeste op. Denkpatronen kunnen adequate coping belemmeren. De Rationeel-Emotieve Therapie (RET) is een techniek om belemmerende denkgewoonten te bespreken en te helpen vervangen door zinvollere gedachten. Soms zijn nieuwe vaardigheden nodig. Denkers en doeners leren die op een eigen manier. Ziekte en verlies leiden tot verdriet en rouw met verschillende rouwtaken.
Dit hoofdstuk biedt een theoretisch kader voor persoonsgerichte en gedragsgerichte zelfmanagementondersteuning door de verpleegkundige. Bij zelfmanagement of eigen regie gaat het om gedrag: dagelijkse beslissingen nemen en aanpassen van gedrag. Verschillende modellen beschrijven het gedragsveranderingsproces. Het determinantenmodel (ASE-model) beschrijft de determinanten van de intentie (motivatie), barrières en vaardigheden en de uiteindelijke gedragsverandering. Het stages of change-model beschrijft de stadia precontemplatie, contemplatie, preparatie, actie en behoud. Voor de verpleegkundige beroepsuitoefening is de stappenreeks ontwikkeld: Openstaan, Begrijpen, Willen, Kunnen, Doen en Blijven doen. De stappenreeks beslaat het gehele traject vanaf het zich (nog niet) bewust zijn van een probleem tot en met volhouden van de gedragsverandering. Soms doorloopt de patiënt alle stappen in een gesprek, soms een of enkele stappen. De verpleegkundige bespreekt met de patiënt zijn wensen en mogelijkheden voor zelfmanagement en zorg. Zij werkt daarbij vanuit shared decisionmaking. Motiverende gespreksvoering helpt om te reageren op weerstand van de patiënt en het vergroten van de ambivalentie.
Zelfmanagementondersteuning vindt vooral plaats in de samenwerking tussen de patiënt en de verpleegkundige/zorgverlener. Het chronischezorgmodel spreekt van productieve interacties tussen patiënt en zorgverlener. Maar er is meer nodig. De patiënt moet beschikken over relevante informatie, toegankelijk en afgestemd op diverse patiëntengroepen. Ook wil de patiënt de informatie over eigen situatie en zorg kunnen inzien (zorgplan, persoonlijk gezondheidsdossier). Het team van zorgverleners moet actief en geschoold zijn in zelfmanagementondersteuning en dit belang onderkennen. Bovendien moet het zorgproces zo ingericht worden dat het zelfmanagement bevordert. Zelfmanagementondersteuning wordt dan een onderdeel van de reguliere zorg. Naast individueel ‘live’ contact, kunnen andere contactvormen worden ingezet om zelfmanagement te ondersteunen. Een belangrijk aandachtspunt is de continuïteit bij transities, zoals ontslag naar huis of een andere instelling. Inzet van intermediairs en technologie kan teams faciliteren bij het bieden van zelfmanagementondersteuning.
Dit hoofdstuk biedt de verpleegkundige praktische handvatten voor ondersteuning bij de stap Willen. Daarin ontwikkelt en vergroot de patiënt motivatie om zijn probleem aan te pakken (gedrag) en om een oplossing te kiezen. Attitude, sociale invloed en eigen effectiviteit (ASE) bepalen samen de uitkomst: de keuze voor een aanpak. Attitude verwijst naar denkbeelden (opvattingen, waarden, voor- en nadelen). Sociale invloed geeft de steun aan uit de omgeving. Eigen effectiviteit is het vertrouwen in eigen kunnen. De verpleegkundige oriënteert zich op de ASE-factoren en stemt haar aanpak daarop af. Samen met de patiënt onderzoekt ze de zienswijze van de patiënt en nodigt hem uit voor- en nadelen van oplossingen af te wegen (attitude). Ze bespreekt hoe de patiënt steun kan vragen en versterkt de eigen effectiviteit door succeservaringen te bieden via kleine, haalbare stappen in de gedragsverandering. Contact met ervaringsdeskundigen of lotgenoten kan een goede bijdrage leveren.
Dit hoofdstuk gaat over de verpleegkundige ondersteuning bij het uitvoeren van nieuw gedrag. De stap Kunnen verwijst naar het vermogen een handeling of aanpak in het dagelijks leven uit te voeren. Daarvoor heeft een patiënt specifieke vaardigheden nodig. Het kan gaan om handelingsvaardigheden (motorische, uitvoeringsvaardigheden), planningsvaardigheden, vaardigheden in contact met anderen en probleemoplossende vaardigheden. Tegenover vaardigheden staan barrières: problemen die de patiënt kan tegenkomen zoals gebrek aan tijd, moeheid, gewoonten, moeite met vinden van een balans. De verpleegkundige brengt de vaardigheden en barrières in kaart. Door duidelijke instructies te geven en het nieuwe gedrag in kleine stukjes te laten oefenen biedt de verpleegkundige ondersteuning. Ze bespreekt met de patiënt welke problemen zich mogelijk voor kunnen doen (anticiperen) en helpt bedenken hoe hij die kan oplossen.
Veranderingen in het denken over gezondheid en over eigen regie maken dat voorlichting en zelfmanagementondersteuning steeds belangrijker worden in het verpleegkundig handelen. Voorlichting is onderdeel van meerdere CanMeds-rollen, waarbij het concept positieve gezondheid een leidraad vormt. Positieve gezondheid gaat uit van het vermogen van mensen om zich aan te passen aan nieuwe situaties. Daarbij worden verschillende gezondheidsdomeinen genoemd. Door voorlichting te geven ondersteunt de verpleegkundige de eigen regie van patiënten (zelfmanagement) over hun leven en de zorg. Patiënten en verpleegkundigen vinden voorlichting belangrijk, maar ervaren knelpunten. Shared decision making is een uiting van eigen regie en voorwaarde voor goede zorgverlening. Voor ondersteuning van eigen regie is het van belang dat deze is ingebed in de zorgorganisatie. Samenwerking tussen de patiënt en de zorgverlener en een integrale zorgverlening staan centraal in het chronischezorgmodel. Elementen van dit model zijn ook van toepassing voor voorlichting in de kortdurende zorg, acute zorg en de ggz.
Dit hoofdstuk biedt de verpleegkundige handvatten om de stap Begrijpen te ondersteunen. Begrijpen omvat het opnemen en onthouden van informatie en is van belang voor gedragsverandering. Weten wat er aan de hand is of wat je zelf kunt doen geeft controle. Verschillende factoren zijn van invloed op de stap: voorkennis, behoefte aan informatie, soorten informatie en de hoeveelheid informatie. Gaandeweg het contact ontwikkelt de verpleegkundige inzicht daarin. Essentieel in haar ondersteuning is aan te sluiten bij de behoeften van de patiënt. Zij heeft in de stap Openstaan al samen met de patiënt een agenda opgesteld. Bij het geven van informatie is interactie van belang. Andere criteria worden genoemd in de 5 B’s van de stap Begrijpen. De informatie is Belangrijk, Bruikbaar en Betrouwbaar. De verpleegkundige bespreekt de informatie zo dat de patiënt de informatie Begrijpt en kan onthouden (Beklijft). Ze gebruikt passende hulpmiddelen. Wanneer een gemeenschappelijke taal ontbreekt, schakelt de verpleegkundige ondersteuning in.
Institution pages aggregate content on ResearchGate related to an institution. The members listed on this page have self-identified as being affiliated with this institution. Publications listed on this page were identified by our algorithms as relating to this institution. This page was not created or approved by the institution. If you represent an institution and have questions about these pages or wish to report inaccurate content, you can contact us here.
8,376 members
Lars Borghouts
  • Institute of Sports
Eveline J Wouters
  • Faculty of People and Society
Guus Munten
  • School of People and Health Studies
Menno Slingerland
  • Institute of Sports
Information
Address
Eindhoven, Netherlands
Website
www.fontys.edu