J E van de Riet

Academisch Medisch Centrum Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, North Holland, Netherlands

Are you J E van de Riet?

Claim your profile

Publications (4)3.47 Total impact

  • Source
    Article: Gynaecomastie en infertiliteit bij een man met een niet-palpabele leydigceltumor
    J.E. van de Riet, M. Oelke, F. van der Veen, H.Visser
    [show abstract] [hide abstract]
    ABSTRACT: Gynaecomastie is een goedaardige proliferatieve aandoe-ning van het borstweefsel bij mannen en dient te worden onderscheiden van een toegenomen hoeveelheid vetweefsel in de mannelijke borst zoals gezien wordt bij adipositas. Tijdens de puberteit treedt een tijdelijke gynaecomastie bij 40-65% van alle mannen op. 1 In de pathofysiologie van gynaecomastie staat een rela-tieve toename van vrije oestrogenen centraal. Ook wordt een verlaagde testosteron-oestrogeenratio beschreven bij pa-tiënten met gynaecomastie. 2 Bij 25% van de patiënten wordt geen oorzakelijke factor gevonden, bij 10-20% gaat het om een bijwerking van medicatie en bij de overige patiënten blijkt een ander onderliggend lijden de oorzaak. Dat is bij 3% een interstitiële tumor of een sertoli-of granulosaceltu-mor van de testis. 3 Bij ongeveer 2% van de patiënten met gynaecomastie wordt een leydigceltumor gevonden. Van deze tumoren is 10% maligne en 3% wordt bilateraal aangetroffen. 4 5 Onge-veer 80% van de patiënten met een leydigceltumor heeft hormonale afwijkingen in het serum, vooral verhoogde con-centraties van oestrogeen en oestradiol en een verlaagde concentratie van testosteron. Echter, de concentraties van de testistumormarkers β-humaanchoriongonadotrofine (β-HCG), α-foetoproteïne, lactaatdehydrogenase (LDH) en placentair alkalische fosfatase (PLAP) liggen altijd in het re-ferentiegebied. Sommige patiënten met een leydigceltumor hebben bij de initiële presentatie alleen een gynaecomastie; een scrotale tumor wordt soms pas na maanden echogra-fisch zichtbaar. 6 Bij mannen met fertiliteitsproblemen worden vaker testi-culaire afwijkingen gevonden dan in de algemene mannelij-ke populatie. 7 De meeste van die afwijkingen kunnen wor-den vastgesteld door middel van echografisch onderzoek. In dit artikel beschrijven wij een patiënt met gynaeco-mastie en verminderde spermakwaliteit bij wie de diagnose 'testistumor' pas laat werd gesteld.
    Nederlands Tijdschrift voor Obstetrie & Gynaecologie. 02/2013;
  • Article: [Gynaecomastia and male infertility as symptoms of a nonpalpable Leydig cell tumour].
    J E van de Riet, M Oelke, F van der Veen, H Visser
    [show abstract] [hide abstract]
    ABSTRACT: A 35-year-old man and his partner were referred for intracytoplasmic sperm injection treatment (ICSI) because of secondary infertility due to severe oligoasthenoteratospermia. Three years earlier he had presented elsewhere with left unilateral gynaecomastia. A hypertrophic mammary gland had been excised one year later. Histopathological investigation showed benign hypertrophy. One year later he developed gynaecomastia on the other side. Physical examination and incomplete hormonal screening showed no abnormalities. The couple were referred to our tertiary clinic for ICSI treatment. The patient still had unilateral gynaecomastia. Hormonal screening showed not only severe oligoasthenoteratospermia, but also an elevated serum oestrogen level. Scrotal ultrasound revealed a 17 mm mass in his right testicle. Subsequently unilateral orchidectomy was performed. Histology showed a benign Leydig cell tumour for which no further therapy was required. Four months after surgery the gynaecomastia diminished, oestrogen levels became normal and improvement in semen parameters followed. Patients with severe male infertility or gynaecomastia are at a higher risk of developing a testicular neoplasm. Besides history taking, physical examination of breasts and testicles, hormonal screening and scrotal sonography should be performed as some testicular neoplasms are not apparent on palpation.
    Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 09/2006; 150(33):1839-43.
  • Article: [Diagnostic image (206). A woman with dyspnoea and retrosternal pain after vaginal delivery].
    H M P Pelikan, J E van de Riet
    [show abstract] [hide abstract]
    ABSTRACT: A 27-year-old healthy woman suffered from dyspnoea and retrosternal pain after a spontaneous vaginal delivery due to a pneumomediastinum and subcutaneous emphysema caused by labour.
    Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 10/2004; 148(37):1819.
  • Article: Newborn assessment and long-term adverse outcome: a systematic review.
    [show abstract] [hide abstract]
    ABSTRACT: The medical literature was searched for publications between 1966 and September 1997 for data on the association of Apgar score, umbilical blood pH, or Sarnat grading of encephalopathy with long-term adverse outcome. Odds ratios for these associations were combined to calculate common odds ratios with 95% confidence intervals. Our search identified abstracts of 1312 studies and 81 articles with sufficient numeric data to formulate contingency tables. Forty-two of these qualified for inclusion in our meta-analysis. The strongest associations in the prediction of neonatal death were found by comparing umbilical artery pH <7 with pH >/=7 (common odds ratio 43; 95% confidence interval 15-124) and by comparing Sarnat grade III with grade II (common odds ratio 24; 95% confidence interval 13-45). In the prediction of cerebral palsy, the strongest associations were found for Sarnat grade III versus grade II (common odds ratio 20; 95% confidence interval 6-70) and for 20-minute Apgar score 0 to 3 versus 4 to 6 (common odds ratio 15; 95% confidence interval 5-50).
    American Journal of Obstetrics and Gynecology 04/1999; 180(4):1024-9. · 3.47 Impact Factor

Institutions

  • 2004–2006
    • Academisch Medisch Centrum Universiteit van Amsterdam
      Amsterdam, North Holland, Netherlands
  • 1999
    • Leids Universitair Medisch Centrum
      Leiden, South Holland, Netherlands