Article

An evaluation of the effects of Tai Chi exercise on physical function among older persons: a randomized contolled trial.

Oregon Research Institute, Eugene 97403, USA.
Annals of Behavioral Medicine (Impact Factor: 4.2). 02/2001; 23(2):139-46. DOI: 10.1207/S15324796ABM2302_9
Source: PubMed

ABSTRACT This study was designed to determine whether a 6-month Tai Chi exercise program can improve self-reported physical functioning limitations among healthy, physically inactive older individuals. Ninety-four community residents ages 65 to 96 (Mage = 72.8 years, SD = 5.1) volunteered to participate in the study. Participants were randomly assigned to either a 6-month experimental (Tai Chi) group (n = 49), which exercised twice per week for 60 min, or a wait-list control group (n = 45). A 6-item self-report physical functioning scale, assessing the extent of behavioral dysfunction caused by health problems, was used to evaluate change in physical functioning limitations as a result of Tai Chi intervention. Results indicated that compared to the control group, participants in the Tai Chi group experienced significant improvements in all aspects of physical functioning over the course of the 6-month intervention. Overall, the experimental group had 65% improvement across all 6 functional status measures ranging from daily activities such as walking and lifting to moderate-vigorous activities such as running. It was concluded that the 6-month Tai Chi exercise program was effective for improving functional status in healthy, physically inactive older adults. A self-paced and self-controlled activity such as Tai Chi has thepotential to be an effective, low-cost means of improving functional status in older persons.

2 Followers
 · 
151 Views
  • [Show abstract] [Hide abstract]
    ABSTRACT: Motorisch leren wordt beïnvloed door het ouder worden, onder andere als gevolg van een afname in grijze en witte stof, alsmede door een afname in concentratieneurotransmitters in de hersenen. Om voor de daaruit voortvloeiende achteruitgang in cognitief functioneren te compenseren, vindt er bij ouderen een toename in hersenactiviteit plaats, die samenhangt met een verschuiving van geautomatiseerde (bottom-up) processen naar meer centraal gestuurde (top-down) processen. Dit leidt onder andere tot problemen bij het uitvoeren van dubbeltaken, hetgeen kan leiden tot gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld in het verkeer. Door te leren om bewegingen te her-automatiseren, kan de mentale belasting die de controle van een beweging kost verlaagd worden en wordt de beweging minder vatbaar voor verstoringen. Wetenschappelijk onderzoek bij ouderen laat zien dat het herleren van bewegingen met behulp van een dubbeltaak de geautomatiseerde verwerking lijkt te versterken. Dit zou mogelijkheden kunnen bieden om motorische vaardigheden bij ouderen te behouden en/of verbeteren en daarmee de kwaliteit van leven te behouden. Trefwoorden: motorisch leren, veroudering, cognitie, motorische controle Inleiding In de komende jaren zullen ouderen een steeds grotere groep vormen in de samenleving, door een toename in aantal en in leeftijd. 12 Om kwaliteit van leven te waarborgen en de zorg voor deze groep betaalbaar te houden voor de samenleving, is zelfstandigheid zeer belangrijk. Om zelfstandig thuis te kunnen wonen moeten ouderen in staat zijn zowel motorisch (zoals koken, aankleden) als cognitief (bijv. op tijd medicatie innemen en eten) voor zichzelf te zorgen. In dit artikel wordt ingegaan op de invloed van veroudering op motorisch leren en de positieve invloed die bewegen kan hebben op zelfstandigheid en kwaliteit van leven bij ouderen.
    07/2014; 18(4). DOI:10.1007/s12474-014-0058-8
  • Source
    [Show abstract] [Hide abstract]
    ABSTRACT: The purpose of the present study was to develop a field-based agility test incorporating both the established elements of change of direction speed (CODS) tests, and an unplanned element (provided by a generic stimulus). Sixteen university sports students completed two tests, one week apart. Test 1 included an unplanned agility test (UAT) and a 20m sprint test, while test 2 included the UAT and a CODS test. The UAT was found to be reliable (intraclass correlation coefficient 0.89, coefficient of variation 3.7%), and the common variance between the UAT/CODS test, and the UAT/20m sprint was 41.5% and 19.5% respectively. The differences between both the total time and the cutting time on the UAT and the CODS test were highly significant (p < 0.01). These findings indicate that the UAT showed a good level of reliability, and that it measured a different characteristic to the CODS test. While the stimulus used in the UAT was generic, the test may better replicate the physical, if not the cognitive, demands of reactive agility actions in comparison with a CODS test. It may therefore be a practical, field based alternative to a specific reactive agility test that could be used by coaching practitioners.
  • Source